Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:2685

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
10-07-2013
Zaaknummer
2040516 UE VERZ 13-375
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens het herhaaldelijk indienen van klachten zonder die eerst met leidinggevende te bespreken. Waarde heimelijk opgenomen gesprek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/238
AR-Updates.nl 2013-0528
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 2040516 UE VERZ 13-375 k

Beschikking van 5 juni 2013

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Albert Heijn,

gevestigd te Zaandam,

verder ook te noemen Albert Heijn,

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. E.S. Glaser,

tegen:

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verweerder],

verwerende partij,

gemachtigde: mr. K.F.J. Machielsen.

1 De procedure

Albert Heijn heeft op 7 mei 2013 een verzoekschrift ingediend.

[verweerder] heeft een verweerschrift ingediend.

Vooruitlopend op de zitting heeft Albert Heijn nog stukken overgelegd.

Het verzoek is ter zitting van 24 mei 2013 behandeld. Daarvan is aantekening gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

2 Het verzoek en de beoordeling

[verweerder], geboren op [1980] is op 29 mei 1999 in dienst van Albert Heijn getreden. Het dienstverband geldt thans voor onbepaalde tijd. [verweerder] vervulde laatstelijk de functie van kassier tegen een salaris van € 1.973,93 bruto per vier weken, exclusief emolumenten.

Albert Heijn verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van verandering van omstandigheden. Zij voert daartoe het volgende aan:

[verweerder] heeft meermaals ontoelaatbaar gedrag vertoond. [verweerder] heeft frequent (ook anoniem) schriftelijke klachten ingediend tegen leidinggevenden, collega’s, klanten en de bedrijfsarts. In 2004 en 2006 hebben zich incidenten voorgedaan en sinds 2009 is de frequentie van schriftelijke klachten toegenomen. Sinds 2008 heeft [verweerder] op eigen verzoek achtereenvolgens in vier verschillende vestigingen gewerkt en zijn gedrag is overal hetzelfde geweest. Verschillende leidinggevenden hebben [verweerder] aangegeven dat hij zich moet melden bij de teamleider als er zaken zijn waar hij moeite mee heeft en vervolgens bij de supermarktmanager. Ondanks vele waarschuwingen, berispingen, begeleiding en gesprek heeft [verweerder] zijn gedrag niet aangepast. De arbeidsrelatie tussen partijen is daardoor ernstig verstoord geraakt.

Uit de overgelegde stukken is de kantonrechter gebleken dat [verweerder] met name in de periode vanaf 2009 een groot aantal klachten heeft ingediend tegen leidinggevenden, collega’s, klanten en de bedrijfsarts.

De kantonrechter acht de klachten van een beperkt gewicht. Het gaat om irritaties waar iedereen in zijn arbeidzaam leven wel eens tegenaan loopt: een leidinggevende die kort door de bocht is (pr. 10 bij verzoekschrift), een collega die niet voldoet aan een verzoek en je in de rede valt (pr. 16), een ongeduldige collega (pr. 37) en een klant die een klacht indient (pr. 17).

Ook blijkt dat [verweerder] een groot gewicht toekent aan non-verbale communicatie die hij consequent als vijandig uitlegt: een ‘sarcastische lach’, ‘verkeerde non-verbale retoriek’, ‘eigenaardige houding’ en het kauwgom kauwen door een klant op een ‘asociale manier’ en een klant die ‘met een cynische blik’ keek waardoor [verweerder] zag ‘dat meneer veel meer wilde doen dan alleen duwen’.

Hieruit blijkt geenszins – zoals [verweerder] heeft betoogd – dat hij stelselmatig gepest werd door een groot aantal werknemers van het filiaal De Clomp in Zeist. Dit blijkt niet uit de klachten die hijzelf heeft gedaan en zoals hiervoor genoemd – hij lijkt eerder situaties zeer persoonlijk op te nemen, gedrag vijandig en achterdochtig uit te leggen – en bovendien heeft [verweerder] ook klachten ingediend toen hij bij het filiaal in Amsterdam werkzaam was.

Dat Albert Heijn haar zorgplicht richting [verweerder] heeft geschonden is evenmin aannemelijk geworden. De kantonrechter leest dat [verweerder] een keer aangifte heeft gedaan bij de politie van belediging en diefstal door een klant, maar niet blijkt dat Albert Heijn [verweerder] hierbij aan zijn lot heeft overgelaten. Hij werd door een collega weggehaald en heeft in het filiaal aangifte gedaan. De kantonrechter is niet duidelijk wat Albert Heijn nog had kunnen en moeten doen. In het geval van de snackbareigenaar waardoor [verweerder] zich bedreigd zegt te hebben gevoeld heeft Albert Heijn met deze man gesproken en heeft [verweerder] zelfs geschreven dat er ‘in principe niets gaande’ is en staat in gespreksverslagen dat [verweerder] heeft bevestigd dat het zo in orde is. Onduidelijk is wat Albert Heijn nog meer had moeten doen. Albert Heijn heeft met het overleggen van de aanvullende producties aangetoond een uitgebreid protocol ter bestrijding van ongewenst gedrag te hebben – nog daargelaten dat [verweerder] klaarblijkelijk toch wel een manier heeft gevonden om zijn klachten te uiten – en Albert Heijn is [verweerder] juist telkens zeer ter wille geweest door telkens in te stemmen met verzoeken van [verweerder] tot overplaatsing naar een ander filiaal wegens privéredenen van [verweerder] zoals (beoogde) verhuizingen.

Deze klachten van betrekkelijk gewicht heeft [verweerder] gericht direct aan de supermarktmanager, aan het regiokantoor, aan kaderleden en aan de Signaallijn.

Niet aannemelijk is gemaakt dat [verweerder] de klachten die hij heeft eerst met zijn leidinggevende zijn besproken, hoewel dat [verweerder] meermalen is verzocht en hij hiervoor op 9 december 2011 een schriftelijke waarschuwing heeft gekregen waartegen hij ook weer bezwaar heeft gemaakt.

Door het indienen van dergelijke klachten – waarin hij bovendien direct om sancties vraagt zoals het direct opstappen van de supermarktmanager (pr. 21) – en het niet opvolgen van het verzoek om klachten eerst met de teamleider te bespreken, heeft [verweerder] de relatie met Albert Heijn ernstig onder druk gezet. Albert Heijn is bijzonder coulant geweest door deze situatie zo lang te tolereren.

Bij het kennismakingsgesprek in een nieuw filiaal op 25 januari 2013 heeft [verweerder] zonder medeweten van zijn gesprekspartners (de supermarktmedewerkster en een HR-medewerker) het gesprek opgenomen en bovendien deze opname door laten lopen toen hij zelf de kamer had verlaten. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] hiermee een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer heeft gemaakt. Hoewel het gesprek op het werk plaatsvond en over een werknemer ging, voerden de supermarktmedewerkster en een HR-medewerker een gesprek in de beslotenheid van de kamer dat overduidelijk voor niemand anders, laat staan [verweerder], bedoeld was. Ook leidinggevenden dienen in beslotenheid met elkaar te kunnen spreken over werknemers zonder angst te hoeven hebben dat ze worden afgeluisterd. Dat is echter nog geen reden om de opname buiten beschouwing te laten.

Hoewel de kantonrechter zich kan voorstellen dat hetgeen de supermarktmedewerkster en een HR-medewerker in beslotenheid over hem hebben gezegd weinig vleiend is en op sommige onderdelen ook niet professioneel (met name ‘een vies, vuil ventje’), heeft [verweerder] welbewust het risico genomen om dergelijke dingen te horen door het gesprek heimelijk op te nemen. Hieruit blijkt dat zij niet geheel onbevooroordeeld tegenover hem staan, maar dat is gelet op het dossier dat door [verweerder] zelf lijvig is geworden, ook niet verbazingwekkend. Niet aannemelijk is gemaakt dat Albert Heijn had gezegd het dossier volledig van tafel te vegen en [verweerder] opnieuw te laten beginnen. Hij kreeg juist, gelet op zijn dossier, een laatste kans. Die kans heeft [verweerder] zelf verspeeld door kennelijk vanuit een diepgeworteld wantrouwen het gesprek op te nemen en hierna niet meer naar dit filiaal te willen.

Gelet op het voorgaande – de verstoorde arbeidsrelatie die inmiddels is ontstaan – zal de kantonrechter het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toewijzen. Vanwege alle inspanningen die gedurende de afgelopen jaren door Albert Heijn zijn verricht en de huidig ontstane situatie acht de kantonrechter mediation een gepasseerd station.

Naar het oordeel van de kantonrechter komt aan het opzegverbod tijdens ziekte in dit geval geen reflexwerking toe. De bedrijfsarts heeft op 11 februari 2013 geconstateerd dat sprake is niet van ziekte maar van een arbeidsconflict. Dit oordeel is niet in strijd met het deskundigenoordeel dat [verweerder] op 3 mei 2013 van het UWV heeft verkregen. Daarin is immers niet beoordeeld of hij al dan niet arbeidsongeschikt is. De belastbaarheid is beoordeeld en daarbij is aangegeven dat [verweerder] in staat is gesprekken te voeren met Albert Heijn om de ontstane problematiek op te lossen. Dit wijst er ook op dat het UWV het arbeidsconflict als uitgangspunt heeft genomen. Gelet op de ontstane werksituatie kan Albert Heijn naar het oordeel van de kantonrechter niet worden verweten dat zij onvoldoende re-integratieinspanningen heeft verricht. Zoals hiervoor overwogen waren gesprekken gericht op herstel van de arbeidsrelatie al dan niet met behulp van een mediator een gepasseerd station. Voorts is op geen enkele wijze onderbouwd dat [verweerder] psychische klachten heeft die (mede) door Albert Heijn zijn veroorzaakt.

Gelet op de het feit dat de reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst grotendeels voor rekening van [verweerder] komt, ziet de kantonrechter geen aanleiding om een vergoeding aan [verweerder] toe te kennen.

Nu het hier om een ontbinding gaat en niet om een opzegging van de arbeidsovereenkomst, ziet de kantonrechter ook geen aanleiding om rekening te houden met de fictieve opzegtermijn.

De proceskosten zullen gezien de aard van het geschil worden gecompenseerd.

3 De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 juni 2013;

compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. K.G.F. van der Kraats, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2013.