Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:2617

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
06-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
WK 2012/016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingslocatie Utrecht

Zaaknummer: WK2012/016

Rekestnummer: 344428 / HA RK 13-127

beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken,

op het verzoek van:

[verzoeker 1]en [verzoeker 2],

wonende te [woonplaats]

verzoekers,

advocaat: mr. M.A.R. Schukink Kool

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Ter zitting van 16 mei 2013 heeft mr. Schukink Kool namens verzoekers verzocht om de meervoudige kamer, bestaande uit mr. D.C.P.M. Straver, mr. A.R. Creutzberg en mr. R.C. Hartendorp te wraken.

1.2.

De rechters hebben niet in de wraking berust. Van de zitting van 16 mei 2013 is een proces-verbaal opgesteld dat aan partijen is verstrekt.

1.3.

Op 16 mei 2013 heeft mr. Schukink Kool een nadere schriftelijke reactie aan de rechtbank toegezonden. Op 21 mei 2013 hebben de rechters een schriftelijke reactie gegeven op het wrakingsverzoek en op 23 mei 2013 heeft mr. O.P. van der Linden, advocaat van de wederpartij in de hoofdzaak schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek en de reactie van de rechters.

Alle stukken zijn aan het dossier toegevoegd en aan partijen verstrekt.

1.4.

De griffier van deze rechtbank heeft verzoeker, de gewraakte rechters en de wederpartij in de hoofdzaak opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek op 23 mei 2013.

1.5.

Het wrakingsverzoek is op 23 mei 2013 in het openbaar behandeld. Daarbij waren aanwezig mrs. Straver en Creutzberg, verzoekers en hun advocaat.

1.6.

De uitspraak is bepaald op 6 juni 2013. Op die datum zijn de betrokkenen mondeling op de hoogte gebracht van de beslissing van de wrakingskamer, met de toevoeging dat de schriftelijke uitwerking zou volgen.

2 De feiten

2.1.

Op 16 mei 2013 heeft er een comparitie plaatsgevonden in de hoofdzaak, [X]Beheer BV tegen [A]en [verzoeker 2] met kenmerk C/16/332318 / HA ZA / 12-1205.

2.2.

Ter zitting heeft mr. Schukink Kool een aantal (procedurele) verzoeken gedaan aan de meervoudige kamer. De meervoudige kamer heeft niet al deze verzoeken gehonoreerd en vervolgens heeft mr. Schukink Kool de meervoudige kamer gewraakt.

3 Het verzoek

3.1

Mr. Schukink Kool stelt zich op het standpunt dat tijdens de zitting van 16 mei 2013 het beginsel van equality of arms is geschonden. Hij is niet in de gelegenheid gesteld om een juridisch verweer te voeren, terwijl het belang hiervan door de wetgever wel wordt geborgd.

3.2

Mr. Schukink Kool is zich er van bewust dat zijn verzoek een aantal inhoudelijke klachten bevat, deze worden echter aangehaald om een kader te schetsen voor het aangeven van de aanwezige vrees voor partijdigheid van de meervoudige kamer. Het zijn dus geen klachten over de procesinhoudelijke beslissingen zelf, maar voorbeelden ter onderbouwing van een beroep op de schijn van partijdigheid. Mr. Schukink Kool heeft de wraking aldus niet willen gebruiken als een verkapt beroep tegen de processuele beslissingen.

Het verzoek is met name ingegeven door de weigering van de meervoudige kamer om pleidooi toe te staan, maar het is tevens een combinatie van factoren. De weigering was de druppel die de emmer deed overlopen.

Partijen moeten voldoende in de gelegenheid worden gesteld om hun juridische standpunten uit een te zetten. De stelling van mr. Schukink Kool is dat daar onvoldoende sprake van was. Het probleem begint met het tussenvonnis, waarin is bepaald dat er ter zitting niet gepleit mag worden, noch dat een geschreven pleitnota mag worden overhandigd. Dat is anders dan mr. Schukink Kool gewend is en volgens hem ook in strijd met de wet.

3.3

Gelet op inhoud van het tussenvonnis heeft mr. Schukink Kool niet op voorhand jurisprudentie ingebracht waar hij eventueel aan zou willen refereren, evenmin heeft hij bij de voorbereiding van het geding een pleitnota opgesteld aangezien dat niet was toegestaan gezien het tussenvonnis.

Ter zitting van 16 mei 2013 zijn er tot aan het moment van de eerste schorsing slechts allerlei vragen gesteld. Mr. Schukink Kool kon zijn juridische standpunt niet kenbaar maken anders dan door middel van het beantwoorden van de vragen van de behandelend rechter. Pas na de tweede schorsing kon hij voor het eerst de wens uiten om inhoudelijke punten naar voren te brengen. Op dat moment realiseerde mr. Schukink Kool zich dat het kennelijk de bedoeling was om op de zitting zelf de gehele inhoudelijke behandeling van de zaak te laten plaatsvinden. Hij moest op dat moment – onvoorbereid ten gevolge van de instructies in het tussenvonnis – zijn juridische punt gaan maken. Mr. Schukink Kool heeft toen bekeken wat hij dan improviserenderwijs naar voren zou kunnen brengen. Hij heeft een map met ongepubliceerde jurisprudentie, die hij standaard meeneemt naar zittingen. Bij gebrek aan de mogelijkheid van een pleitnota en gelet op de noodzaak wilde hij die jurisprudentie op dat moment inbrengen. Dat werd geweigerd door de meervoudige kamer, nadat bezwaar was gemaakt door mr. van der Linden. De meervoudige kamer wilde hem niet in eens in staat stellen om de inhoud van deze jurisprudentie te delen.

3.4

Mr. Schukink Kool heeft op dat moment zo goed mogelijk een resumé gegeven van zijn inhoudelijke punten, met de kanttekening dat hij dit onvoldoende vond. In zijn visie zou de enige mogelijkheid tot herstel zijn het alsnog mogen inbrengen van de jurisprudentie op dat moment of het bepalen van een nadere zitting voor het houden van pleidooi.

Vlak ervoor had de meervoudige kamer ook al beslist dat de akte van de wederpartij, die qua inhoud het niveau van akte ver overschreed, wel werd toegelaten. De motivering was dat mr. Schukink Kool hier reeds kennis van had, althans had kunnen hebben. Dit terwijl hij slechts de mogelijkheid heeft gehad om te reageren op het al dan niet toelaten en niet op de inhoud van de akte.

Mr. Schukink Kool stelt dat ditzelfde argument dient te gelden voor de jurisprudentie die hij wenste te overleggen. De rechtbank hoort kennis te krijgen van de relevante jurisprudentie, ook voor wat betreft de nog niet gepubliceerde jurisprudentie.

3.5

Bij elkaar waren er voor mr. Schukink Kool te veel tekenen dat er geen sprake was van een onpartijdige behandeling door de meervoudige kamer. De stelling van de meervoudige kamer dat zij zelf de relevante jurisprudentie in hun oordeel zullen betrekken is ontoereikend omdat mr. Schukink Kool in het bezit is van ongepubliceerde jurisprudentie. Daar kwam bovenop de insinuatie dat hij zou trachten om via een pleidooi stukken in te brengen. Kortom er was volgens mr. Schukink Kool sprake van een schending van het recht op het voeren van pleidooi of een andere vorm van inhoudelijke toelichting en daarnaast was er sprake van een ongelijke behandeling van het verzoek van mr. van der Linden tot toelating van de akte en zijn eigen verzoek tot toelating van de map met jurisprudentie.

4 Standpunt van de gewraakte rechters

4.1.

Het verloop van de zitting was enigszins rommelig omdat er steeds nieuwe feiten naar voren kwamen. De voorzitter heeft aan het begin van de zitting reeds opgemerkt dat de beslissing omtrent het al dan niet toelaten van de akte van mr. Van der Linden later zou plaatsvinden. Daar was de eerste schorsing voor bedoeld. Voordat de meervoudige kamer echter toe kwam aan de beslissing over het toelaten van de akte ontstond er een nieuwe discussie en die eindigde met de discussie over het niet toestaan van een pleitnota en het inbrengen van nieuwe stukken, inhoudende ongepubliceerde jurisprudentie. Hiertegen werd bezwaar gemaakt door mr. Van der Linden.

4.2.

De overtuiging van de meervoudige kamer was dat het voor mr. Schukink Kool mogelijk was geweest om alle stukken op voorhand toe te sturen. Iedereen had er dan aandacht aan kunnen besteden. De zitting was niet bedoeld om een pleidooi toe te staan. Er werd beslist ook niet een nadere zitting voor pleidooi toe te staan. Deze beslissing stond niet in verband met de beslissing omtrent het toelaten van de akte. Daar was al door de meervoudige kamer op beslist gedurende de eerste schorsing, alleen had de voorzitter de beslissing nog niet kenbaar kunnen maken. Daarbij wordt opgemerkt dat de akte van mr. Van der Linden voorafgaand aan de zitting aan mr. Schukink Kool was toegezonden. Hij heeft zich hier dus inhoudelijk op kunnen voorbereiden.

4.3.

Voor de eerste schorsing heeft de meervoudige kamer naar haar idee alle onderwerpen en openstaande vragen behandeld. Alles is aan de orde geweest en alle juridische aspecten konden worden besproken. Ook mr. Schukink Kool is in de gelegenheid gesteld zijn juridische standpunt kenbaar te maken. Pas aan het eind van de zitting kwam het verzoek tot het overleggen van de (deels niet gepubliceerde) jurisprudentie. Mr. Schukink Kool had deze jurisprudentie op voorhand moeten overleggen of hiervan aan het begin van de zitting melding kunnen maken.

4.4.

Het leek eerst te gaan om twee gepubliceerde uitspraken. Toen bleek het te gaan om een pakket met ongepubliceerde jurisprudentie, waarop door mr. Schukink Kool een nadere inhoudelijke toelichting zou worden geven. Dit zou dus neerkomen op een inhoudelijk pleidooi. Daarvoor was binnen dit zittingskader, een comparitie van partijen, geen ruimte, dit zonder een waardeoordeel te willen geven over de aard en inhoud van de jurisprudentie.

4.5.

Mr. Schukink Kool stelt dat er sprake is van schending van equality of arms omdat de akte van mr. Van der Linden wel is toegelaten en zijn jurisprudentie niet. De akte is echter van tevoren toegezonden, zodat eenieder ervan kennis had kunnen nemen voor de zitting. De map met jurisprudentie zou echter pas tegen het einde van de zitting worden overgelegd, zonder dat dit inhoudelijk kon worden bestudeerd.

4.6.

Voorts stelt mr. Schukink Kool dat hij niet – althans – onvoldoende in staat is gesteld om pleidooi te voren. Ter zitting heeft de meervoudige kamer partijen echter uitgebreid de ruimte gegeven om hun standpunten kenbaar te maken en nader toe te lichten. Dat in het tussenvonnis is opgenomen dat ter zitting van 16 mei 2013 geen pleitnota’s mochten worden overgelegd betekende niet dat er geen ruimte zou zijn voor een juridisch debat. Het stond mr. Schukink Kool vrij om zich daar op voor te bereiden en in het kader daarvan voorafgaand aan de comparitie stukken in het geding te brengen.

4.7.

De meervoudige kamer concludeert tot afwijzing van het wrakingsverzoek nu volgens haar de rechterlijke onpartijdigheid niet in het geding is geweest.

5 Standpunt van de wederpartij in de hoofdzaak

5.1

Ter zitting van 16 mei 2013 heeft mr. Van der Linden kenbaar gemaakt dat hij de desbetreffende jurisprudentie inderdaad eerder heeft ontvangen in het kader van een kort geding. Echter ook in die procedure zijn deze stukken niet toegelaten en derhalve heeft mr. Van der Linden geen kennis genomen van de inhoud daarvan.

5.2

De status van deze jurisprudentie is dus anders dan die van de akte die mr. Van der Linden wel op voorhand heeft toegezonden. De suggestie dat met twee maten word gemeten is dus niet aannemelijk gemaakt.

5.3

Mr. Van der Linden wenst nog op te merken dat wraking geen rechtsmiddel is. Hij meent dat het verzoek moet worden afgewezen.

6 De beoordeling

6.1.

Voor de beoordeling van dit wrakingsverzoek is de toepasselijke norm gegeven in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in samenhang met de door de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Artikel 36 Rv bepaalt dat op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 36 Rv en artikel 6 EVRM dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procespartij bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.

6.3.

Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan thans geoordeeld dient te worden dat sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van de leden van de meervoudige kamer jegens verzoekers. Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de bij verzoekers dienaangaande bestaande vrees dat de leden van de meervoudige kamer jegens hen een vooringenomenheid koesteren - objectief - gerechtvaardigd is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

6.4.

Het al of niet accepteren van stukken die een partij in het geding wenst te brengen is aan te merken als een procesbeslissing. De vraag of een procesbeslissing inhoudelijk al dan niet juist moet worden geacht, leent zich niet voor een oordeel door de wrakingskamer. Alleen indien de beslissing dermate onbegrijpelijk is dat deze een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat het oordeel van de rechter slechts kan voortvloeien uit een vooringenomenheid jegens verzoekers, althans dat de bij de hen bestaande vrees daarvoor naar objectieve maatstaven gerechtvaardigd is, kan dit tot een ander oordeel leiden. Deze situatie doet zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor.

6.5.

Daarbij is in aanmerking genomen dat de verzoeken van mr. Schukink Kool en mr. Van der Linden in die zin niet met elkaar te vergelijken waren dat de akte van mr. Van der Linden reeds op voorhand was toegezonden in overeenstemming met het procesreglement en partijen en de rechtbank hiervan kennis had kunnen nemen, terwijl het door mr. Schukink Kool gewenste pakket jurisprudentie pas ter zitting van 16 mei 2013 naar voren is gebracht. Dit maakt dat het niet onbegrijpelijk is dat ten aanzien van de akte van mr. Van er Linden anders is beslist dan over het verzoek van mr. Schukink Kool. De rechtbank verwijst nog naar artikel 89 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering, waarin is bepaald dat stukken tbv een comparitie van partijen uiterlijk op een door de rechter te bepalen dag vóór de zitting aan de rechter en in afschrift aan de wederpartij moeten zijn overgelegd..

6.6.

De meervoudige kamer heeft de beslissing op het verzoek om pleidooi te houden genomen naar aanleiding van de inhoud van het tussenvonnis en het gegeven dat partijen ter zitting van 16 mei 2013 uitgebreid in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunten toe te lichten en ruimte hebben gekregen voor het voeren van een juridisch debat. De rechtbank ziet in hetgeen mr. Schukink Kool heeft aangevoerd geen aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat deze beslissing onbegrijpelijk is en slechts ingegeven door vooringenomenheid van de rechters. Het feit dat verzoekers het niet eens zijn met het oordeel van de meervoudige kamer dat er geen reden is om tijdens een inlichtingen- en schikkingscomparitie van partijen pleitnota’s te weigeren en evenmin een nadere zitting te bepalen teneinde pleidooi toe te staan, is onvoldoende om het wrakingsverzoek toe te kunnen wijzen.

6.7.

Gelet op bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geoordeeld dat mr. Straver, mr. Creutzberg en mr. Hartendorp blijk hebben gegeven van vooringenomenheid jegens verzoeker dan wel dat de vrees daartoe objectief gerechtvaardigd is.

6.8.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verzoek wordt afgewezen.

7 De beslissing

De rechtbank

7.1.

wijst het verzoek tot wraking van mr. Straver, mr. Creutzberg en mr. Hartendorp af;

7.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoekers, mr. Straver, mr. Creutzberg en mr. Hartendorp en mr. Van der Linden, alsmede aan de voorzitter van de afdeling civiel recht en de president van deze rechtbank;

7.3.

bepaalt dat de hoofdzaak dient te worden voorgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. J. Sap, voorzitter, mr. H.A. Gerritse en mr.
A.S. Penders, leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. L. van Gaal als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2013.