Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:2571

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
13-08-2013
Zaaknummer
16-711030-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van witwassen. Veroordeling voor wapen- en hennepbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/711030-11 (P)

vonnis van de meervoudige strafkamer van 20 juni 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres 1], [postcode] [woonplaats].

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juni 2013.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. L. de Leon, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: in de periode van 12 oktober 2005 tot en met 17 mei 2011 samen met een ander een boot en verschillende geldbedragen heeft witgewassen;

Feit 2: samen met een ander een schietsleutelhanger, wezenlijke onderdelen van een heimelijk vuurwapen, drie busjes pepperspray en munitie van categorie III voorhanden heeft gehad;

Feit 3: samen met een ander 81,36 gram hennep voorhanden heeft gehad;

Feit 4: samen met een ander een nabootsing van een SigSauer pistool en een ploertendoder voorhanden heeft gehad.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft gevorderd de feiten 1, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend te bewijzen en heeft daarbij verwezen naar het dossier. Ten aanzien van feit 1 heeft het Openbaar Ministerie aangevoerd dat het niet anders kan dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is, nu verdachte te maken heeft gehad met hennep.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ter zake van het onder 1 tenlastegelegde bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken omdat – kort gezegd – uit het dossier onvoldoende volgt dat de gelden waarvan het Openbaar Ministerie heeft gesteld dat deze van misdrijf afkomstig zijn, dat ook daadwerkelijk zijn, terwijl de verdachte steeds, per onderdeel van de tenlastelegging, de herkomst en bestemming van het geld heeft toegelicht.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 aangevoerd dat verdachte geen wetenschap had van de functie van de schietsleutelhanger en de wezenlijke onderdelen. Tevens heeft de raadsman aangevoerd dat de schietsleutelhanger ondeugdelijk was en niet bruikbaar als wapen. De verdediging heeft betoogd dat het voorhanden hebben van de onderdelen niet strafbaar is onder deze omstandigheden.

Ten aanzien van de nabootsing van het SigSauer pistool onder feit 4 heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte hier geen wetenschap van had en dus moet worden vrijgesproken van dit feit.

De raadsman heeft zich gerefereerd ten aanzien van het voorhanden hebben van de pepperspray, de munitie, de hennep en de ploertendoder.

4.3

Het oordeel van de rechtbank 1

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

De rechtbank onderzoekt allereerst de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat de tenlastegelegde geldbedragen en de Sunseeker Camarque, zoals de wet voorschrijft en in de tenlastelegging is opgenomen, door misdrijf verkregen respectievelijk van misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank stelt voorop dat niettemin bewezen kan worden geacht dat onder een verdachte aangetroffen geld uit enig misdrijf afkomstig is, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs bij te brengen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid (HR 13 oktober 2010, LJN BM0787, NJ 2010, 456).

De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden waardoor een rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf. Wel blijkt uit het dossier dat er grote contante geldstromen hebben plaatsgevonden, welke om een verklaring van verdachte vragen, maar deze heeft verdachte vanaf het begin af aan ook gegeven.

Ook ter terechtzitting heeft de verdediging een verklaring gegeven voor de aangetroffen gelden en aangevoerd dat het geld afkomstig is uit de eenmanszaak van verdachte en dat in zijn bedrijf grote contante geldstromen gebruikelijk zijn. De verdediging heeft ter onderbouwing van dit standpunt een brief van een accountant en afschriften uit de kasboeken overgelegd. Ook voor wat betreft de financiering van de Sunseeker Camarque heeft de verdediging een -met onder meer relevante bankafschriften- onderbouwde verklaring gegeven, inhoudende dat deze boot met gelden van verschillende familieleden is aangeschaft.

Op grond van deze met stukken onderbouwde verklaring is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig is en/of de boot met geld afkomstig van enig misdrijf is gefinancierd.

Het Openbaar Ministerie heeft in dit verband aangevoerd dat het niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is, omdat verdachte in het verleden is veroordeeld voor het telen van hennep. Het Openbaar Ministerie gaat derhalve uit van inkomsten uit de hennepteelt dan wel hennephandel.

Het Openbaar Ministerie heeft evenwel geen concrete omstandigheden aangevoerd om deze stelling te onderbouwen. Het had naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om nader onderzoek te doen naar de herkomst van de contante gelden. Weliswaar heeft de officier van justitie ter terechtzitting verzocht dat onderzoek alsnog te laten plaatsvinden maar gezien het feit dat verdachte reeds eerder had aangegeven dat de betreffende gelden uit zijn onderneming kwamen had dat onderzoek eerder dienen plaats te vinden. Gezien het tijdsverloop acht de rechtbank daarvoor, in deze fase van de procedure, geen ruimte meer.

De rechtbank acht de gegeven verklaring voor de herkomst van het geld niet zo onwaarschijnlijk dat zij bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer terzijde behoort te worden gesteld.

Aldus kan niet met voldoende mate van zekerheid worden uitgesloten dat de gelden een legale herkomst hebben en een criminele herkomst niet als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden kan gelden, is naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht het onder feit 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Op 17 mei 2011 is het bedrijfspand van verdachte aan de[adres 2] te Utrecht doorzocht. In het pand zijn diverse delen van een vuurwapen in een doek en 92 onderdelen van vermoedelijk vuurwapens in een kartonnen doos aangetroffen.2

Uit nader onderzoek blijkt dat het voorwerp een vuurwapen betreft (gedemonteerd), merk vermoedelijk OSA, doorgaans van het kaliber .22 LR, zodanig vervaardigd dat het de uiterlijke gelijkenis heeft van een ander voorwerp dan dat van een wapen. Het wapen vertoont veel overeenkomsten met een sleutelhanger. Bij het vuurwapen werd tevens een kartonnen doosje aangeleverd met daarin 92 onderdelen en/of hulpstukken specifiek bestemd en van wezenlijke aard voor dat vuurwapen. Het sleutelhangerpistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 lid 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie II onder 4 van de Wet Wapens en Munitie.3

Op 17 mei 2011 is de woning van verdachte en medeverdachte[medeverdachte] aan de [adres 1] te Utrecht doorzocht.4 In de woning zijn onder meer twee busjes pepperspray en munitie aangetroffen.5

Op 17 mei 2011 is ook de boot die op naam staat van medeverdachte[medeverdachte], een Sunseeker Camarque 44 met registratienummer [nummer] in Nijkerk doorzocht. In de boot is een busje pepperspray aangetroffen.6

Uit onderzoek blijkt dat het munitie van categorie III betreft, te weten 1 losse patroon kaliber .22 Magnum, 30 patronen merk CCI kaliber .22 LR en 13 scherpe patronen merk Eley kaliber .22 LR en 28 patronen merk Umarex 9mm K.7

Uit onderzoek blijkt voorts dat de busjes pepperspray bestemd zijn voor het treffen van personen met traanverwekkende en/of soortgelijke stoffen. Het zijn wapens in de zin van artikel 2 lid 1, categorie II onder 6 van de Wet Wapens en Munitie.8

Verdachte heeft verklaard dat hij wist van de aanwezigheid van de pepperspray in de woning en op de boot en dat hij en medeverdachte[medeverdachte] de pepperspray meenamen wanneer zij de hond uit gingen laten.9

Verdachte heeft voorts verklaard dat de aangetroffen munitie nog stamt uit de tijd dat hij lid was van een schietvereniging en dat hij de munitie destijds mee naar huis heeft genomen.10

Het bewijs ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht het onder feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Op 17 mei 2011 is de woning van verdachte en medeverdachte[medeverdachte] doorzocht. In de woning werd 81,36 gram hennep aangetroffen.1112

Uit nader onderzoek blijkt dat de aangetroffen plantendelen een positieve reactie gaven voor de stof THC, de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op lijst II van de Opiumwet.13

Verdachte heeft verklaard dat hij de hennep mee naar huis heeft genomen nadat zijn vader overleden was.14

Het bewijs ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht het onder feit 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Op 17 mei 2011 is de garage van verdachte aan de[adres 2] te Utrecht doorzocht. In het pand werd een vuurwapen, vermoedelijk balletjespistool, aangetroffen.15

Uit nader onderzoek blijkt dat het vuurwapen een imitatievuurwapen betreft, merk en type onbekend. Het imitatievuurwapen vertoont sprekende gelijkenissen met een echt vuurwapen, namelijk het SigSauer pistool, model P228, en is daarmee voor bedreiging of afdreiging geschikt.16

Het imitatievuurwapen is een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie I onder 7 van de Wet Wapens en Munitie.17

Op 17 mei 2011 is de boot, Sunseeker Camarque 44, registratienummer [nummer] in Nijkerk doorzocht. In de boot wordt een ploertendoder aangetroffen.18

Verdachte heeft verklaard dat de ploertendoder van een klant was die is overleden. Verdachte heeft de ploertendoder toen zelf gehouden.19

Bewijsoverweging

De rechtbank acht ook het voorhanden hebben van het imitatievuurwapen wettig en overtuigend bewezen, nu dit voorwerp is aangetroffen in het bedrijfspand van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat verdachte wist of in ieder geval had moeten weten dat het imitatiewapen in zijn bedrijfspand aanwezig was, nu verdachte zelf dagelijks aanwezig was in zijn werkplaats.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

2.

op 17 mei 2011 te Utrecht een of meer wapens van categorie II onder 4, te weten

een schietsleutelhanger (zijnde een heimelijk vuurwapen) en wezenlijke onderdelen van een heimelijk vuurwapen (te weten 92 stuks)

voorhanden heeft gehad;

en

op 17 mei 2011 te Utrecht en Nijkerk, tezamen en in vereniging,

wapens, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met traanverwekkende stoffen van categorie II onder 6, te weten drie busjes pepperspray en

munitie van categorie III, te weten diverse munitie (merk onder andere CCI, Eley en Umarex, kaliber .22 LR, .22 Magnum en .380/9 mm K),

voorhanden heeft gehad;

3.

op 17 mei 2011 te Utrecht tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 81,36 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

op 17 mei 2011 te Utrecht en Nijkerk, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een SigSauer pistool, dat door zijn vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een SigSauer pistool en een wapen van categorie I onder 3°, te weten een ploertendoder, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

Feit 2: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

Feit 3: Medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 4: Handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de duur van het voorarrest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, indien tot een bewezenverklaring wordt gekomen, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. De verdediging heeft ter onderbouwing van dat standpunt aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is naar de mening van de verdediging niet te wijten aan de verdediging en voorts is er geen sprake van een complexe zaak. Gelet op de verdenking en de in beslag genomen goederen had verdachte belang bij een snelle afdoening van de zaak. De verdediging heeft verzocht hiermee rekening te houden bij de bepaling van de strafmaat.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het (samen met een ander) voorhanden hebben van een schietsleutelhanger en wezenlijke onderdelen van een heimelijk vuurwapen, een imitatiewapen, scherpe munitie, een ploertendoder en drie busjes pepperspray. Verdachte was daartoe onbevoegd. Ook is bij verdachte 81,36 gram hennep aangetroffen. (Imitatie)wapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van (imitatie)wapens. De rechtbank rekent het verdachte met name zwaar aan dat hij een heimelijk vuurwapen en een groot aantal onderdelen van een heimelijk vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Bij elkaar genomen zijn dit ernstige feiten die in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen. De rechtbank is echter, gelet op de ouderdom van de feiten en de ernst en aard daarvan, van oordeel dat verdachte niet een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dient te krijgen dan de duur die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank weegt daarbij mee dat de redelijke termijn (in beperkte mate) is overschreden. In plaats van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank daarom een deel voorwaardelijk opleggen met daarbij een onvoorwaardelijke taakstraf.

De rechtbank heeft gelet op een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 26 april 2013 en een de verdachte betreffend rapport van de reclassering d.d. 15 september 2011.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen, waarvan 45 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, en een werkstraf voor de duur van 120 uren te vervangen door 60 dagen hechtenis passend en geboden.

9 Het beslag

De rechtbank zal het (strafvorderlijk en/of conservatoir) beslag dat op de hierna in het dictum te noemen goederen ligt, opheffen, nu verdachte vrijgesproken wordt van het ten laste gelegde witwassen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 55 van de Wet Wapens en Munitie en artikel 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

11 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor vermeld in rubriek 5, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 2: Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd en handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

Feit 3: Medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Feit 4: Handelen in strijd met artikel 26, lid 1, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd;

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 60 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 45 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

Gelast de opheffing van het (strafvorderlijk en/of conservatoir) beslag op:

1 1.00 STK Boot[nummer]

SUNSEEKER Camarague Kl:blauw/wit Naam: Chall

2 Euro geld

- Datum IBN: 17-05-2011 Diverse geldbedragen

3 1.00 STK Horloge

ROLEX oyster ca. 1978 Oyster Perpetual Date,

4 1.00 STK Horloge

ROLEX oyster ca. 2004, Oyster Perpetual GMT

5 1.00 STK Vorderingen

ING

[rekeningnummer 4] Spaarrekening saldo: 16.585,84

6 1.00 STK Vorderingen

ING

[rekeningnummer 4] Betaalrekening Saldo: 1762.60

7 1.00 STK Vorderingen

ING

[rekeningnummer 4] Betaalrekening Saldo: 1234.78

8 2.00 STK Oorbel Kl:zilver X X

TISENTO

382943, 1 paar creolen met zirconia

9 1.00 STK Horloge X

CHOPARD happy

382959, met 7 diamanten, verv.waarde 4730,-

10 1.00 STK Horloge Kl:verguld X

GUESS GC47003L

382963, verguld horloge, verv.waarde 500,-

11 1.00 STK Halsketting

382994, parelketting in witte etui

12 1.00 STK Horloge GUESS L11040L1

382998, met rubberen band verv.waarde 210,-

13 1.00 STK Ring Kl:witgoud

32998, met 1,3 ct diamant, verv.waarde 3650,

14 10.00 STK Sieraad

382998, diverse sieraden

15 1.00 STK Horloge GUESS L85519L

383007, met glassteentjes verv.waarde 150,-

16 Euro geld

384089 DATUM IBN: 18-05-2011

Dit vonnis is gewezen door mr. I.P.H.M. Severeijns, voorzitter, mr. A. van Maanen en mr. A.M.M.E. Doekes-Beijnes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 juni 2013.

Mr. Severeijns is buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan[verdachte] wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12

oktober 2005 tot en met 17 mei 2011 te Utrecht, in elk geval in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben

verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens)

- van onderstaand(e) voorwerp(en) (telkens) de werkelijke aard en/of herkomst

en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of

verhuld, dan wel verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende(n) op dat/die

voorwerp(en) is/zijn en/of dat /die voorwerp(en) voorhanden had(den) en/of

- onderstaand(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of

overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruikt gemaakt, te

weten:

- een of meer geldbedrag(en), te weten een bedrag van (ongeveer) 19.550,00

en/of 645,00 euro in contanten (aangetroffen tijdens de doorzoeking van de

woning van verdachte(n) en/of in fouillering van verdachte(n)) en/of

- een vaartuig, te weten een boot (merk Sunseeker, type Camarque 44,

registratieteken[nummer]) en/of

- een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 110.354,50 euro, contant gestort bij

de ING op bankrekeningnummer: [rekeningnummer 1] en/of

- een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 19.438,48 euro, contant gestort bij

de ABN AMRO op bankrekeningnummer: [rekeningnummer 2] en/of

- een of meer geldbedrag(en) van (totaal) 1.000,00 euro, contant gestort bij

de ABN AMRO op bankrekeningnummer: [rekeningnummer 3] en/of

- contante uitgaven van (totaal) 7.456,14 euro,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans

redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of

middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 17 mei 2011 te Utrecht en/of Nijkerk, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging, althans alleen, een of meer wapens van categorie II

onder 3, te weten

een schietsleutelhanger (zijnde een heimelijk vuurwapen) en/of

wezenlijke onderdelen van een heimelijk vuurwapen (te weten 92 stuks) en/of

een of meer wapens, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen

met (een) giftige en/of verstikkende en/of weerloosmakende en/of

traanverwekkende stof(fen) van categorie II onder 6, te weten

drie busjes pepperspray en/of

munitie van categorie III, te weten

(diverse) munitie (merk onder andere CCI, Eley en Umarex, kaliber .22 LR, .22

Magnum en .380/9 mm K)

, voorhanden heeft/hebben gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij op of omstreeks 17 mei 2011 te Utrecht tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

81,36 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde

hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

4.

hij op of omstreeks 17 mei 2011 te Utrecht en/of Nijkerk, althans in

Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen,

een wapen van categorie I onder 7°, te weten een nabootsing van een SigSauer

pistool, dat door zijn vorm, afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis

vertoonde met een SigSauer pistool en/of

een wapen van categorie I onder 3°, te weten een ploertendoder,

voorhanden heeft/hebben gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier met onderzoeksnaam 09POB45 en proces-verbaal nr. 2011105335, bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 132.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 152.

4 Het proces-verbaal binnentreden woning, pagina 122.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 126 en de bijlage, inhoudende een lijst met in beslag genomen goederen, pagina 131.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 139 en 141.

7 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 153.

8 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 153 en 154.

9 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 mei 2013.

10 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 30 mei 2013.

11 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 126 en de bijlage, inhoudende een lijst met in beslag genomen goederen, pagina 131.

12 Het proces-verbaal algemene gegevens 09POB95, pagina 21.

13 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 173.

14 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 juni 2013.

15 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 132.

16 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 150.

17 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 151.

18 Het proces-verbaal van bevindingen, pagina 139 en 141.

19 De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 6 juni 2013.