Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:2524

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
15-08-2013
Zaaknummer
07.996538-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens het meermalen medeplegen van witwassen en het medeplegen van overtreding van artikel 3, lid 1 van de Wet inzake de Geldtransactiekantoren. De rechtbank overweegt voorts dat artikel 1, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is, omdat op overtreding van artikel 2:54i van de Wet op het financieel toezicht dezelfde sanctie staat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 07.996538-09 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 juni 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats] (Nigeria),

wonende te [adres], [postcode] [woonplaats].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek ter openbare terechtzitting is aangevangen op 3 maart 2011 te Lelystad en opnieuw aangevangen op 16 mei 2011. Beide keren is verdachte verschenen, bijgestaan door mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam. Het onderzoek ter terechtzitting is opnieuw aangevangen op 28 mei 2013, op welke datum de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden. Verdachte was hierbij aanwezig, bijgestaan door mr. Z. Nahar, advocaat te Amsterdam.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.P.W. Kok en van de standpunten door de raadsman van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij en/of haar mededader(s) op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot en met 15 januari 2009 te Almere en/of te Amsterdam en/of te Utrecht en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging, althans alleen, (telkens) voorwerpen, te weten

- geld tot een bedrag van in totaal CHF 65.000,- en euro 4.348,-, in elk geval een of meer geldbedrag(en) (te weten de geldbedragen, althans een of meer van de geldbedrag(en) die staan vermeld in de bijlage(n) bij het proces-verbaal onder de nummers D-009-28 tot en met D-009-31) die/dat verdachte en/of een van diens mededader(s) ter wisseling heeft/hebben ontvangen en/of heeft/hebben gewisseld

en/of

- geld tot een bedrag van in totaal ongeveer euro 56.178,-, in elk geval een of meer geldbedrag(en) die/dat door middel van een of meer moneytransfer(s)

(te weten de moneytransfers, althans een of meer van de moneytransfer(s) die staan vermeld in de bijlage(n) bij het proces-verbaal onder de nummers D-009-01 tot en met D-009-06, D-009-08 tot en met D-009-11, D-009-13 en D-009-15 tot en met D-009-23 en D-114A-01, D-114A04, D-114A-05, D-114A-08, D-114A-09, D-114A-11 tot en met D-114A-14, D-114A-16 tot en met D-114A-18 en D-114A-21)

door verdachte en/of haar mededader(s) zijn/is verzonden

en/of

- geld tot een bedrag van in totaal ongeveer euro 5202,50, in elk geval een of meer geldbedrag(en), die /dat met behulp van een of meer moneytransfers

(te weten de moneytransfers, althans een of meer van de moneytrsanfer(s) die staan vermeld in de bijlage(n) bij het proces-verbaal onder de nummers D-009-25 en D-009-26 en D-114B-01)

door verdachte en/of haar mededader(s) zijn/is ontvangen,

in elk geval (telkens) tezamen en in vereniging, althans alleen, (telkens) vorenbedoeld(e) bedrag(en) hebben/heeft verworven en/of voorhanden hebben/heeft gehad en/of hebben/heeft overgedragen en/of om hebben/heeft gezet en/of van die/dat bedrag(en) gebruik hebben/heeft gemaakt en/of de werkelijke aard en/of de herkomst van die/dat bedrag(en) hebben/heeft verborgen en/of verhuld en/of hebben/heeft verhuld wie de rechthebbende(n) waren/was op vorenbedoeld(e) bedrag(en), terwijl zij verdachte en/of haar mededaders (telkens) wist(en), althans redelijkerwijze had(den) moeten vermoeden, dat vorenbedoeld(e) bedrag(en) (telkens) geheel of ten dele -middellijk of onmiddellijk- uit enig misdrijf afkomstig waren;

2.

zij en/of haar mededader(s) op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2004 tot en met 15 januari 2009 te Almere en/of te Amsterdam en/of te Utrecht en/of elders in Nederland (telkens) opzettelijk, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, als wisselkantoor, als bedoeld in artikel 1 onder a van de Wet inzake de geldtransactiekantoren werkzaam zijn/is geweest, immers hebben/heeft verdachte en/of haar mededader(s) (telkens) ten behoeve van en/of op verzoek van (een) derde(n) onderstaande geldtransacties/geldwisselingen uitgevoerd

  • -

    op 3 april 2008 CHF 25.000,- (euro 15.555,-) (D-009-28)

  • -

    op 3 april 2008 CHF 25.000,- (euro 16.189,-) (D-009-29)

  • -

    op 4 april 2008 CHF 15.000,- (euro 9.709,-) (D-009-30)

  • -

    op 8 april 2008 euro 4.348,- hetgeen afkomstig was van gewisselde CHF’s (D-009-31),

dan wel beroeps- en/of bedrijfsmatig werkzaam zijn/is geweest bij de totstandkoming van vorenbedoelde geldtransacties/geldwisselingen.

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de tenlastelegging onder feit 1 in de vijfde regel "tot een bedrag van" in plaats van "geld tot een bedrag van". De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten. De verdachte wordt daardoor niet in haar verdediging geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De raadsman heeft namens verdachte aangevoerd dat de dagvaarding nietig is ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde, aangezien de Wet inzake de geldtransactiekantoren ingetrokken is en in verband met de hier aan de orde zijnde strafbaarstelling vervangen is door de Wet op het financieel toezicht.

De loutere omstandigheid evenwel dat een strafbepaling waarop het ten laste gelegde feit gebaseerd is, haar gelding verloren heeft sinds het ten laste gelegde plegen van het feit brengt geen nietigheid van de dagvaarding met zich. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Onder de naam Witte Loper is een project gestart dat zich richt op in Nederland woonachtige en/of verblijvende personen die regelmatig geldbedragen (om)wisselen en/of money transfers verrichten en/of contante transacties verrichten, terwijl deze uitgaven niet uit hun inkomen en/of vermogen of dat van het gezin verklaard kunnen worden. In het kader van dit project zijn personen geanalyseerd die met meerdere verdachte transacties voorkomen. Eén van deze personen betreft [medeverdachte], de medeverdachte en tevens echtgenoot van verdachte. Van [medeverdachte] zijn 29 verdachte transacties vastgesteld in de periode oktober 2004 tot en met november 2008 en van verdachte 31 verdachte transacties in de periode mei 2005 tot en met april 2008. De onderzoeksperiode is hierna uitgebreid tot januari 2009. Door beide verdachten zijn bij de transacties verschillende identiteitsbewijzen gebruikt.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op nader in het schriftelijke requisitoir omschreven gronden, gesteld dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Hij heeft daartoe, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

In deze zaak zijn diverse zogenaamde witwastypologieën aanwezig die op witwassen kunnen duiden. Typologieën kunnen een verdenking van witwassen rechtvaardigen en tot het bewijs ervan bijdragen.

Feit 1:

Verdachte heeft ten aanzien van de vele money transfers en wisseltransacties verschillende verklaringen afgelegd. Kleine bedragen die onder de noemer van ‘ondersteuning van familie’ kunnen vallen zijn in de tenlastelegging niet opgenomen.

Over sommige grote bedragen heeft verdachte verklaard dat zij die van haar man heeft gekregen of niet meer weet van wie zij deze heeft ontvangen. Over de bedragen die zij van een persoon genaamd [A] heeft ontvangen heeft zij volgens de officier van justitie een weinig geloofwaardig verhaal verteld, dat er op neer komt dat [A] haar verzocht had met die bedragen cosmetica en kleding te kopen, die zij, [A], vervolgens in Nigeria kon verkopen. De FIOD heeft echter geen stukken aangetroffen die haar verhaal onderbouwen. Bij de melding van de transacties is diverse malen opgemerkt dat verdachte kennelijk gecontroleerd werd. De door verdachte ontvangen money transfers komen uit Oostenrijk. De verklaring die verdachte heeft gegeven over de herkomst van het geld is niet geloofwaardig, niet transparant en niet controleerbaar.

Ook ten aanzien van de omwisseling van Zwitserse franken heeft verdachte een ongeloofwaardige verklaring afgelegd. De verklaring die haar echtgenoot heeft gegeven, namelijk dat verdachte op zijn verzoek money transfers en wisseltransacties verrichtte als hij zelf daartoe niet in staat was, is daarentegen aannemelijker.

Met betrekking tot de wetenschap van de criminele herkomst van het geld heeft de officier van justitie aangegeven dat verdachte zich af had moeten vragen waarom op deze manier zoveel transacties met aanzienlijke hoeveelheden contant geld verricht moesten worden en waar dat geld vandaan kwam. Dat het haar echtgenoot was die daarom vroeg doet daar niet aan af. Verdachte heeft naar haar eigen zeggen een goede opleiding genoten en als accountant gewerkt. Verdachte had vragen moeten stellen. De wetenschap van verdachte blijkt onder meer uit de omstandigheid dat de bank melding maakt dat verdachte bij de transacties gecontroleerd werd door een derde.

Feit 2:

Verdachte heeft in een korte periode een groot bedrag aan Zwitserse franken gewisseld. Volgens haar echtgenoot gebeurde dit tegen een vergoeding. Er is geen sprake van een eenmalige vriendendienst. Zij had geen vergunning om een wisselkantoor te exploiteren en ook vielen zij en haar echtgenoot niet onder de vrijstellingsregeling daarvoor.

De officier van justitie acht, in onderling verband met de verklaring van de echtgenoot van verdachte, het medeplegen van opzettelijke overtreding van de Wet op de geldtransactiekantoren bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen kunnen worden, zodat verdachte vrijgesproken moet worden.

Hij heeft daartoe, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Feit 1:

Er is door verdachte en haar medeverdachte een verklaring gegeven voor de herkomst van het geld. Een gedeelte van het verzonden geld was voor haar familie bestemd. Zij heeft geld opgespaard uit onder meer haar studiefinanciering. Voor het ophalen van het geld in Nigeria is een identiteitsbewijs nodig. Niet iedereen daar heeft een identiteitsbewijs. Het geld werd daarom door[B] opgehaald. Hij had een lange handelsrelatie met de echtgenoot van verdachte en zij vertrouwde hem. Het is aannemelijk dat verdachte geld naar haar familie heeft gestuurd.

Een ander deel van het geld heeft verdachte op verzoek van haar echtgenoot overgemaakt naar[B]. Dit is door haar echtgenoot ter zitting bevestigd.

Met betrekking tot het gewisselde geld van een persoon genaamd ‘[naam 1]’, heeft verdachte verklaard dat zij dit namens haar echtgenoot heeft gedaan, omdat hij op de betreffende tijdstippen afwezig was. Haar echtgenoot heeft een onderneming en verdachte heeft daarom niet getwijfeld aan het in ontvangst nemen van Zwitserse franken. Voor het teruggeven van het geld heeft zij een verklaring gegeven.

De verklaringen van verdachte zijn voldoende waarschijnlijk en op basis van de door de verdediging overgelegde documenten ook voldoende verifieerbaar. De door de officier van justitie genoemde typologieën zijn niet van toepassing.

Verdachte heeft nooit getwijfeld aan het legale karakter van het handelen van haar echtgenoot. Er is geen sprake van voorwaardelijk opzet.

Het is niet ongebruikelijk dat Nigerianen grote contante bedragen overmaken, omdat de banken in Nigeria niet betrouwbaar zijn.

Er kan niet onomstotelijk vastgesteld worden dat het geld van misdrijf afkomstig is. Tevens is er geen sprake van verhullen of verbergen. Van medeplegen is ook geen sprake, omdat er geen afspraken zijn gemaakt en het enkel verzoeken binnen een huwelijk betroffen.

Feit 2:

Primair heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte moet worden vrijgesproken omdat de wet gewijzigd is en de Wet inzake de geldtransactiekantoren vervallen is.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet beroeps- of bedrijfsmatig geld heeft gewisseld. Zij heeft op verzoek van haar echtgenoot en voor familie geld gewisseld. Tevens is er geen sprake van medeplegen, omdat er geen gezamenlijk plan is.

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

Feit 1:

Eerste gedachtestreepje:

Verdachte heeft verklaard dat zij in opdracht van haar echtgenoot geld van ene [naam 1] heeft aangenomen voor de koop van een vrachtwagen. [naam 1] heeft met Zwitserse franken betaald. Een paar dagen later heeft hij het geld weer opgehaald en kreeg verdachte € 200,00.2

Uit de bijlage D-009 28 van 31 blijkt dat verdachte op 3 april 2008 een bedrag van 25.000,00 Zwitserse franken (hierna CHF) heeft omgewisseld naar een bedrag van € 15.555,00, waarbij is opgemerkt dat dit in ongebruikelijke coupures heeft plaatsgevonden.3

Op dezelfde datum heeft zij wederom CHF 25.000,00 omgewisseld. Ditmaal voor een bedrag van € 16.189,00.4

Op 4 april 2008 heeft verdachte een bedrag van CHF 15.000,00 gewisseld voor € 9.709,00 en dit op rekeningnummer [rekeningnummer] gestort.5

Vervolgens heeft zij op 8 april 2008 een bedrag van € 4.348,00 gestort, waarbij is opgemerkt dat verdachte regelmatig stortingen van CHF op haar rekening doet.6

In totaal gaat het om CHF 65.000,00 en € 4.348,00.

Verdachte heeft verklaard dat het rekeningnummer [rekeningnummer] haar rekening bij de Postbank betreft. Het geld, € 4.348,00, kan geld zijn van de Zwitserse franken die zij gewisseld heeft en waarvan zij een deel gestort heeft. Over de CHF 50.000,00 die op 3 april 2008 zijn gewisseld heeft verdachte verklaard dat dit het geld was dat zij van [naam 1] heeft ontvangen. Dit zou ook het geval kunnen zijn met het geld dat zij op 4 april 2008 heeft gewisseld.7

De onderneming van de echtgenoot van verdachte, [bedrijfsnaam], heeft geen bedrijfseconomische handelingen verricht, zoals hij zelf ook heeft verklaard.8 Bovendien heeft haar echtgenoot verklaard dat de transacties voor één persoon zijn verricht, van wie hij de naam niet wil noemen.9 De rechtbank acht het onaannemelijk dat voor autohandel met Zwitserse franken wordt betaald in Nederland.

De grote bedragen, de hoeveelheid wisseltransacties die verdachte en haar echtgenoot10 hebben verricht, de weigerachtigheid van de echtgenoot van verdachte om te zeggen voor wie en waarvoor deze wisseltransacties zijn verricht, de ongeloofwaardige betaling voor autohandel in Nederland met Zwitserse franken , de beloning van verdachte voor de door haar verrichte wisseltransacties en het verrichten van transacties binnen enkele dagen, waaronder twee keer op één dag, bij verschillende wisselkantoren, een en ander zonder dat daarvoor door verdachte dan wel door haar medeverdachte (het begin van) een aannemelijke verklaring wordt gegeven, zijn omstandigheden die de rechtbank tot het oordeel brengen dat het niet anders kan dan dat sprake is van geld met een criminele herkomst.

Tweede en derde gedachtestreepje:

Verdachte heeft over de verschillende money transfers verklaard dat zij geld naar Nigeria stuurde voor haar familie. Ook heeft zij verklaard dat zij mogelijk op verzoek van haar echtgenoot geld heeft gestuurd naar zijn zakenpartner. Daarnaast zou zij geld hebben ontvangen van en verstuurd naar E. [A] in Nigeria voor wie zij goederen uit Nederland zou kopen en versturen. Dit geld kreeg zij van E. [A] via meesttijds haar onbekende personen die naar Nederland kwamen. Verdachte heeft het geld vervolgens bij deze personen opgehaald op Schiphol. Het geld dat over was of waarvoor de gevraagde goederen niet konden worden gekocht, stuurde zij via de money transfers terug.11 Over de ontvangen gelden heeft verdachte voorts verklaard dat zij deze van haar ex-vriend heeft ontvangen en van een vriend genaamd [naam 2]. Het geld van die [naam 2] was voor iemand anders bedoeld. Zij heeft dit geld op het station aan de ontvanger afgegeven.12

Haar echtgenoot heeft ter terechtzitting verklaard dat hij verdachte heeft gevraagd om namens hem geld over te maken naar zijn zakenpartners.13

Uit de in de tenlastelegging genoemde bijlagen blijkt dat verdachte via money transfers geld heeft overgemaakt naar verschillende personen in verschillende landen14 en geld heeft ontvangen uit Oostenrijk.15

De rechtbank is van oordeel dat de verhouding van inkomende en uitgaande gelden niet duidt op handels- c.q. ondernemingsactiviteiten van verdachte dan wel van haar echtgenoot, maar eerder op het scheppen van geldstromen. In het dossier bevinden zich generlei documenten waaruit handels- c.q. ondernemingsactiviteiten van verdachte en/of haar echtgenoot blijken. Zowel van handel met[B] als met E. [A] is in het geheel niet gebleken. Het had op de weg van verdachte gelegen, mede gelet op de resultaten uit het verrichte onderzoek, om haar standpunt op dit punt nader te adstrueren met stukken, maar dat heeft zij geheel nagelaten.

De verklaringen van verdachte en haar echtgenoot dat zij op deze wijze het geld overmaakten omdat dit goedkoper was, acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. Het gebruik van money transfers is immers aanmerkelijk duurder dan het overmaken via girale transacties. Bovendien geven deze verklaringen geen uitsluitsel over de (legale) herkomst van de betreffende geldstromen. Integendeel, immers heeft verdachte bedragen in contanten ontvangen van personen op Schiphol, terwijl zij die personen niet kende. Ook heeft verdachte naar eigen zeggen geld afgegeven aan een persoon die zij niet kende op een station in Nederland. Het fysiek vervoeren van dergelijke grote bedragen brengt een groot veiligheidsrisico met zich. Daarnaast is het niet geloofwaardig dat verdachte voor de handel die zij zegt te hebben gehad met E. [A], op zo’n regelmatige basis geld terug moest sturen. Het ging immers om producten die volop verkrijgbaar zijn, zodat het in de rede ligt dat verdachte, als er al sprake zou zijn van deze handel, dit geld volledig aan deze handel zou spenderen.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de bedoelde gelden van misdrijf afkomstig zijn. Door de handelingen van verdachte en haar echtgenoot hebben zij naast het voorhanden hebben van deze gelden, die ook omgezet, de werkelijke aard en herkomst van het geld verhuld en verhuld wie de rechthebbenden waren.

Tevens is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van verdachte dat zij geen wetenschap heeft gehad van de werkzaamheden van haar echtgenoot onaannemelijk is. Dit omdat zij met hem een huishouden voerde en temeer omdat zij als accountant kennis heeft van financiële zaken, waarvan zij ter zitting ook blijk heeft gegeven.

Door de raadsman is aangevoerd dat er geen sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank verwerpt dit verweer doordat de mededader heeft verklaard dat verdachte in opdracht van hem de gelden heeft gewisseld en via money transfers heeft ontvangen en verstuurd. Daarmee heeft zij een actieve bijdrage geleverd aan het plegen van de ten laste gelegde handelingen.

Feit 2:

De raadsman heeft namens verdachte aangevoerd dat verdachte van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden, aangezien de Wet inzake de geldtransactiekantoren ingetrokken is en in verband met de hier aan de orde zijnde strafbaarstelling vervangen is door de Wet op het financieel toezicht.

De loutere omstandigheid dat een strafbepaling, waarop het ten laste gelegde feit gebaseerd is, haar gelding verloren heeft sinds het ten laste gelegde plegen van het feit staat echter niet in de weg aan een bewezenverklaring. De rechtbank verwerpt dit verweer derhalve.

Zoals hierboven onder feit 1 is uiteengezet heeft verdachte in een periode van 5 dagen 4 wisseltransacties verricht.16

Deze periode en dit aantal maken haar wisseltransacties niet zonder meer geregeld en stelselmatig. Nu verdachte echter geld gewisseld heeft met en in opdracht c.q. op verzoek van haar mededader, wiens wisseltransacties geregeld en stelselmatig van aard waren17, heeft zij in het kader van medeplegen ook beroeps- of bedrijfsmatig geld gewisseld. Daartoe overweegt de rechtbank dat zij de verklaringen van verdachte en de medeverdachte over de herkomst van de Zwitserse franken niet geloofwaardig acht. Zij zal dan ook niet als juist aannemen dat de door verdachte genoemde persoon verzocht heeft de Zwitserse franken te wisselen. De wisseltransacties kunnen in de ogen van de rechtbank bovendien niet los gezien worden van andere transacties die verdachte en de medeverdachte verricht hebben, in het bijzonder de money transfers vanuit Nederland ten gunste van verschillende derden. De betrokkenheid van die derden doet, naast voornoemde regelmaat en stelselmatigheid, de wisseltransacties beroeps – of bedrijfsmatig van aard zijn.

Door de echtgenoot van verdachte en door verdachte zelf is aangegeven dat zij geen van beiden een vergunning hebben om als bemiddelaar op te treden en wisseltransacties uit naam van anderen te doen en stortingen te doen met geld van anderen. Voorts hebben zij aangegeven geen van beiden hiervoor een vrijstelling van De Nederlandsche Bank te hebben gekregen. Tevens hebben verdachte en haar medeverdachte verklaard dat zij met het doen van deze wisseltransacties wat geld verdienden.18 Verdachte zelf heeft ook ter terechtzitting verklaard dat zij niet is ingeschreven bij De Nederlandsche Bank als geldwisselkantoor.19

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Door de raadsman is aangevoerd dat er geen sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. De rechtbank verwerpt dit verweer doordat de mededader heeft verklaard dat verdachte in opdracht van hem de gelden heeft gewisseld. Hierbij geldt tevens dat de rechtbank hierboven reeds heeft overwogen dat de verklaring van verdachte dat zij geen wetenschap had van de werkzaamheden van haar echtgenoot, onaannemelijk is.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

zij en haar mededader op tijdstippen gelegen in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 15 januari 2009 te Almere en/of te Amsterdam en/of te Utrecht telkens tezamen en in vereniging, telkens voorwerpen, te weten

- geld tot een bedrag van in totaal CHF 65.000,- en euro 4.348,-, (te weten de geldbedragen die staan vermeld in de bijlagen bij het proces-verbaal onder de nummers D-009-28 tot en met D-009-31) dat verdachte en/of dier mededader ter wisseling heeft/hebben ontvangen en/of heeft/hebben gewisseld

en

- geld tot een bedrag van in totaal (ongeveer) euro 56.178,-, dat door middel van moneytransfers (te weten de moneytransfers die staan vermeld in de bijlagen bij het proces-verbaal onder de nummers D-009-01 tot en met D-009-06, D-009-08 tot en met D-009-11, D-009-13 en D-009-15 tot en met D-009-23 en D-114A-01, D-114A04, D-114A-05, D-114A-08, D-114A-09, D-114A-11 tot en met D-114A-14, D-114A-16 tot en met D-114A-18 en D-114A-21) door verdachte en/of haar mededader is verzonden

en

- geld tot een bedrag van in totaal (ongeveer) euro 5202,50, dat met behulp van moneytransfers (te weten de moneytransfers die staan vermeld in de bijlagen bij het proces-verbaal onder de nummers D-009-25 en D-009-26 en D-114B-01) door verdachte en/of haar mededader is ontvangen,

telkens voorhanden hebben gehad en/of hebben overgedragen en/of om hebben gezet en/of de werkelijke aard en de herkomst van die bedragen hebben verhuld en/of hebben verhuld wie de rechthebbende(n) waren/was op vorenbedoelde bedragen, terwijl zij, verdachte, en haar mededader telkens wisten dat vorenbedoelde bedragen telkens geheel of ten dele -middellijk of onmiddellijk- uit enig misdrijf afkomstig waren;

2.

zij en haar mededader op tijdstippen gelegen in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 15 januari 2009 te Almere en/of te Amsterdam en/of te Utrecht telkens opzettelijk, tezamen en in vereniging met elkaar, als wisselkantoor, als bedoeld in artikel 1 onder a van de Wet inzake de geldtransactiekantoren werkzaam zijn geweest, immers hebben verdachte en haar mededader telkens ten behoeve van en/of op verzoek van (een) derde(n) onderstaande geldtransacties/geldwisselingen uitgevoerd

  • -

    op 3 april 2008 CHF 25.000,- (euro 15.555,-) (D-009-28)

  • -

    op 3 april 2008 CHF 25.000,- (euro 16.189,-) (D-009-29)

  • -

    op 4 april 2008 CHF 15.000,- (euro 9.709,-) (D-009-30)

  • -

    op 8 april 2008 euro 4.348,- hetgeen afkomstig was van gewisselde CHF’s (D-009-31),

dan wel beroeps- en/of bedrijfsmatig werkzaam zijn geweest bij de totstandkoming van vorenbedoelde geldtransacties/geldwisselingen.

Van het onder 1 en 2 meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 VERANDERING VAN WETGEVING

De rechtbank ziet aanleiding, mede in het licht van de hiervoor genoemde verweren met betrekking tot het vervallen van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, hetgeen de officier van justitie naar voren gebracht heeft over de wijziging van de wetgeving die van toepassing is op financiële instellingen die geld wisselen, te bespreken met het oog op de eventuele toepasselijkheid van artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Onder de Wet inzake de geldtransactiekantoren, in werking getreden op 19 juli 2002, is het - behoudens in de wet genoemde uitzonderingen - verboden als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn. Onder geldtransactiekantoor dient te worden verstaan: de natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een derde geldtransacties uitvoert, dan wel beroeps- of bedrijfsmatig werkzaam is bij de totstandkoming daarvan. Onder een geldtransactie wordt onder meer verstaan het wisselen van munten of bankbiljetten.

Op 1 juli 2012 is de Wijzigingswet financiële markten 2012 inwerking getreden. Daarbij is de Wet inzake de geldtransactiekantoren ingetrokken. Vanaf die datum geldt artikel 2:54i van de Wet op het financieel toezicht, dat bepaalt dat het een ieder met zetel in Nederland verboden is zonder een daartoe door De Nederlandsche Bank verleende vergunning in Nederland het bedrijf uit te oefenen van wisselinstelling. Een wisselinstelling is degene die zijn bedrijf maakt van het verrichten van wisseltransacties, waarbij onder wisseltransacties onder meer een geldwisseltransactie begrepen is.

Bedrijfsmatig wisselen van valuta zoals in de tenlastelegging omschreven is in de periode 1 oktober 2004 tot en met 15 januari 2009 verboden op grond van artikel 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren. Sedert 1 juli 2012 is dit handelen verboden op grond van artikel 2:54i van de Wet op het financieel toezicht. Zowel artikel 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren als artikel 2:54i van de Wet op het financieel toezicht staat vermeld in artikel 1 onder 2° van de Wet op de economische delicten. Dit betekent dat op overtreding van het genoemde verbod zowel vóór als na 1 juli 2012 dezelfde sancties staan. De rechtbank komt tot de slotsom dat artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is.

7 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Feit 1: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Feit 2: medeplegen van een overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren (oud), opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

8 STRAFBAARHEID

De feiten en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

9 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

Hij heeft daartoe aangegeven dat het onder meer om witwassen van een aanzienlijke som geld gaat en dat het aannemelijk is dat verdachte haar eigen gewin nastreefde.

De door hem bewezen geachte feiten rechtvaardigen een gevangenisstraf voor langere duur. De officier van justitie heeft echter rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte niet als initiator is aan te merken en met het tijdsverloop.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van een op te leggen straf gesteld dat er rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Hij heeft verzocht om enkel een voorwaardelijke straf op te leggen die lager is dan door de officier van justitie is geëist. Er is sprake van een schending van de redelijke termijn. De raadsman heeft tevens gewezen op een arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 14 maart 2013 waar een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk en een werkstraf voor de duur van 180 uur is opgelegd en waarbij de termijn waarop de zaak op zitting is behandeld korter was.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte rekening gehouden met een haar betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 28 februari 2013, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Door witwassen wordt het plegen van andere strafbare feiten gefaciliteerd. Een forse gevangenisstraf is derhalve op zijn plaats.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het verloop van de zaak lang heeft geduurd. Verdachte is ongeveer vier jaar geleden aangehouden en verhoord. Kort na de laatste zitting op 16 mei 2011 is de medeverdachte gedetineerd geraakt in Zwitserland en eerst enkele maanden geleden vrijgekomen. Dat de zaak thans pas behandeld is vindt zijn oorzaak in de omstandigheid dat beide zaken met elkaar verweven zijn. De detentie van haar echtgenoot kan verdachte echter niet tegengeworpen worden, zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Hiermee zal rekening worden gehouden bij de op te leggen staf.

De rechtbank is van oordeel dat, nu het in casu om een financiële zaak gaat, het opleggen van een geldboete meer opportuun is dan het opleggen van een werkstraf.

Gelet op de grote hoeveelheid financiële transacties en de daarmee gepaard gaande bedragen, waaruit onder meer de draagkracht van verdachte blijkt, de lange periode waarin strafbaar is gehandeld en de ontkennende houding van verdachte, komt de rechtbank tot een hogere (omgerekende) straf dan door de officier van justitie is geëist.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte niet de initiator is van de bewezen verklaarde feiten.

Door de hiervoor bedoelde overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank naast een voorwaardelijke gevangenisstraf een geldboete van € 45.000,00 opleggen.

10 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 27, 47, 57, 91 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart de bewezen verklaarde feiten strafbaar en kwalificeert deze zoals hierboven onder 6 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    legt aan verdachte op een geldboete ter hoogte van € 45.000,00;

- beveelt dat bij gebreke van betaling en verhaal van de geldboete, de geldboete wordt vervangen door 260 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mrs. H. Vegter en C.A. de Beaufort, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde bijlagen betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 44518, doorgenummerd AH-01 tot en met AH-50, D-001 tot en met D-052, D-100 tot en met D-122 en D-200 tot en met D-247.

2 Het door [C] en [D], beide opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, op 31 maart 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, dossiernummer 44518, codenummer V02-01, pagina 4.

3 Bijlage D-009 28 van 31.

4 Bijlage D-009 29 van 31.

5 Bijlage D-009 30 van 31.

6 Bijlage D-009 31 van 31.

7 Het door [C] en [D], beide opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, op 2 april 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, dossiernummer 44518, codenummer V02-03, pagina’s 8 en 9.

8 Het door [E] en [F], beide opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, op 9 juni 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, dossiernummer 44518, codenummer V01-01, pagina 9.

9 Het door [E] en [F], beide opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, op 11 juni 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, dossiernummer 44518, codenummer V01-06, pagina 3.

10 Bijlagen D-008 01 tot en met 4 van 28, D-008 21 tot en met 24 van 28 en D-008 28 van 28.

11 Het door [C] en [D], beide opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, op 1 april 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, dossiernummer 44518, codenummer V02-02, pagina’s 2 tot en met 10 en het door [C] en [D], beide opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, op 2 april 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, dossiernummer 44518, codenummer V02-03, pagina’s 4 tot en met 7.

12 Het door [C] en [D], beide opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, op 2 april 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, dossiernummer 44518, codenummer V02-03, pagina’s 7 en 8.

13 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 28 mei 2013.

14 Bijlage D-009 1 tot en met 6, D-009 8 tot en met 11, D-009 13, D-009 15 tot en met 23 en bijlage D-114A 1, D-114A 4 en 5, D-114A 8 en 9, D-114A 11 tot en met 14, D-114A 16 tot en met 18 en D-114A 21.

15 Bijlagen D-009 25 en 26 en D-114B 01.

16 Bijlagen D-009 28 tot en met 31.

17 Bijlagen D-008 1 tot en met 4, D-008 21 tot en met 24 en D-008 28.

18 Het door [E] en [F], beide opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, op 11 juni 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, dossiernummer 44518, codenummer V01-06, pagina 2, respectievelijk het door [C] en [D], beide opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, op 31 maart 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte, dossiernummer 44518, codenummer V02-01, pagina 4.

19 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 28 mei 2013.