Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:2478

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
16-08-2013
Zaaknummer
690369-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte wegens verkrachting. Door onder andere met kracht de bovenarmen van het slachtoffer vast te pakken en te houden, de panty en onderbroek naar beneden te trekken en onverhoeds steken van de vingers in de vagina, heeft verdachte tegen de wil in van het slachtoffer gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 07.690369-12 (P)

Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 juni 2013

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op[1967] te Utrecht,

wonende te [adres], [woonplaats].

1 HET ONDERZOEK TER TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen op 29 januari 2013, waarbij verdachte niet is verschenen. Zijn raadsvrouw mr. A. Foppen, advocaat te Almere was wel verschenen. Op 5 maart 2013 is het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen, waarbij verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Foppen, voornoemd. Het onderzoek ter terechtzitting is hervat ter openbare terechtzitting op 28 mei 2013 te Lelystad, op welke datum de inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden. Verdachte is wederom verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. Foppen, voornoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B.E.M. van de Ven en van de standpunten door de raadsvrouw van verdachte naar voren gebracht.

2 DE TENLASTELEGGING

De verdachte is, na een wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 februari 2012 te Lelystad door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meerdere, althans een vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en/of gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte dreigend op die [slachtoffer] af is gelopen en/of die [slachtoffer] (met kracht) bij de bovenarmen heeft vastgepakt en/of gehouden en/of haar in een hoek en/of in een inbouwkast heeft gedreven/ geduwd en/of gehouden en/of de panty en/of de onderbroek van die [slachtoffer] (hardhandig) naar beneden heeft getrokken en/of (met kracht en/of onverhoeds) zijn vinger(s) in haar vagina heeft geduwd en/of gebracht en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Ten gevolge van een kennelijke vergissing staat in de wijziging tenlastelegging `na “dreigend op die [slachtoffer] is afgelopen” dient te worden ingevoegd:’ in plaats van `na “dreigend op de [slachtoffer] af is gelopen” dient te worden vervangen door:’. De rechtbank herstelt deze vergissing door het laatste te lezen voor het eerste. Blijkens het onderzoek ter terechtzitting wordt de verdachte daardoor in de verdediging niet geschaad.

3 DE VOORVRAGEN

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 DE BEWIJSMIDDELEN EN DE BEOORDELING DAARVAN

Inleiding

Op 27 februari 2012 werd een telefonische melding gedaan bij de regionale meldkamer regiopolitie Flevoland, dat er een huiselijk geweld situatie zou zijn op het adres [adres]te [woonplaats]. Onderweg kregen verbalisanten te horen dat het geen huiselijk geweld, maar een zedendelict betrof. Ter plaatse troffen verbalisanten [slachtoffer] aan die onder meer verklaarde dat verdachte met zijn hand in haar vagina was geweest. Verdachte is kort hierna aangehouden.

Conform de “Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik” heeft er op 27 februari 2012 een informatief gesprek plaatsgevonden met [slachtoffer]. Zij heeft uiteindelijk geen aangifte gedaan.

De beide handen van verdachte zijn bemonsterd op aanwezigheid van mogelijke biologische sporen.

De kinderen van [slachtoffer] zijn als getuige gehoord.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Zij verwijst daarbij naar de verklaringen van [slachtoffer], haar zoon[zoon], haar dochter [dochter] en de verklaring van verdachte dat hij zijn vingers in de vagina van [slachtoffer] heeft geduwd. Tevens heeft zij gewezen op de omstandigheden dat er voorafgaand aan zijn handelingen een ruzie had plaatsgevonden en dat de panty van [slachtoffer] kapot was.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen in verband met het ontbreken van de bestanddelen dwingen en geweld. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

[slachtoffer] en verdachte geven telkens tegenstrijdige verklaringen. Verdachte heeft consistent verklaard. [dochter] bevestigt de verklaring van verdachte dat hij geen geweld gebruikt tegen [slachtoffer], terwijl [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte haar in hun relatie wel geslagen heeft.

Al het bewijs komt van [slachtoffer]. Haar kinderen hebben het incident zelf niet gezien.

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] geen “nee” heeft gezegd en dat zij zelf haar panty had uitgetrokken. Ook was vaker sprake van seks in een ruziesituatie. Hierdoor heeft verdachte niet kunnen weten dat hij tegen haar wil handelde.

Voorts hadden de handelingen van verdachte niet tot doel om haar te dwingen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Door achter haar aan te lopen en haar vast te pakken probeerde verdachte met haar te praten. De causaliteit ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de inhoud van de stukken van het onderliggende strafdossier en van hetgeen bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gebracht.

[slachtoffer] heeft verklaard, kort weergegeven, dat verdachte dreigend op haar af kwam lopen toen zij in de deuropening van de grote inloopkast stond. Verdachte heeft haar de kamer ingedrukt waardoor zij niet verder kon. Hij heeft haar panty en onderbroek naar beneden getrokken en kuste haar hard in haar nek. Zij voelde dat hij meerdere vingers in haar vagina deed. [slachtoffer] voelde tijdens het informatieve gesprek dat haar vagina brandde. Ook waren haar bovenarmen rood doordat verdachte haar armen heeft vastgepakt.2

[dochter] heeft verklaard dat zij en haar broer een hard gebonk hoorden. Hierop is zij naar de hal gelopen en hoorde zij haar moeder schreeuwen. Zij is naar boven gelopen en zag dat haar moeder op haar rug op de grond lag. Haar moeder zei dat zij verkracht werd. Verdachte stond gebukt bij haar voeten. [dochter] zag dat de onderbroek en de panty van haar moeder ter hoogte van haar knieën zaten.3

Ook[zoon] heeft verklaard dat hij een bons hoorde en toen hoorde dat zijn moeder zijn naam riep. Hij moest 112 bellen van haar omdat verdachte haar aan het vingeren was. Tijdens het bellen liep verdachte snel het huis uit. Zijn moeder kwam beneden en huilde. Zij had haar panty op haar knieën.4

Verdachte heeft verklaard dat hij niet met zijn vingers in de vagina van [slachtoffer] had mogen komen. Toen hij dat gedaan had realiseerde hij zich dat hij fout was.

Hij heeft voorts verklaard dat [slachtoffer] tijdens een woordenwisseling achteruit de inloopkast inliep en dat hij achter haar aanliep. Toen [slachtoffer] aan het einde van de garderobekast was, liep verdachte naar haar toe en stopte toen twee vingers in haar vagina en schoof die vingers twee keer heen en weer. Verdachte verklaarde daar geen toestemming voor te hebben gekregen. Hierop begon [slachtoffer] te schreeuwen dat zij verkracht werd. Verdachte verklaarde voorts dat het zou kunnen dat [slachtoffer] op de grond is gevallen5

Ter zitting d.d. 28 mei 2013 heeft verdachte verklaard dat hij haar stevig bij haar bovenarmen heeft vastgepakt.6

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] geloofwaardig is, nu deze op verschillende onderdelen wordt ondersteund door de verklaringen van [dochter],[zoon] en de verklaring van verdachte zelf. Mede gelet op de omstandigheid dat de panty van [slachtoffer] kapot is gegaan, is de rechtbank van oordeel dat niet [slachtoffer] zelf haar panty en onderbroek naar beneden heeft gedaan, maar dat dit door verdachte is gebeurd.

Het samenstel van handelingen van verdachte, bestaande uit het dreigend op [slachtoffer] aflopen, het met kracht bij de bovenarmen vastpakken en -houden, het in de inbouwkast drijven en houden, de panty en onderbroek van [slachtoffer] hardhandig naar beneden trekken en het onverhoeds steken van zijn vingers in haar vagina vormt de dwang tot het ondergaan van het seksueel binnendringen in het lichaam van [slachtoffer] door verdachte . Het verweer van de raadsvrouw dat de causaliteit ontbreekt tussen de handelingen wordt door de rechtbank verworpen.

De rechtbank vindt het voorts onbegrijpelijk dat verdachte zich uitgenodigd voelde om het lichaam van [slachtoffer] seksueel binnen te dringen, nu beiden op dat moment ruzie met elkaar hadden. Een ruzie is bepaald geen bevorderlijke situatie voor seks met wederzijds goedkeuren.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank derhalve van oordeel dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

5 BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 27 februari 2012 te Lelystad door geweld en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meerdere vingers in de vagina van die [slachtoffer] geduwd en bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte dreigend op die [slachtoffer] af is gelopen en die [slachtoffer] met kracht bij de bovenarmen heeft vastgepakt en gehouden en haar in een inbouwkast heeft gedreven en gehouden en de panty en de onderbroek van die [slachtoffer] (hardhandig) naar beneden heeft getrokken en (met kracht en onverhoeds) zijn vingers in haar vagina heeft geduwd en (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

6 KWALIFICATIE

Het bewezene levert op:

Verkrachting.

7 STRAFBAARHEID

Het feit en verdachte zijn strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

8 STRAFOPLEGGING

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en tot een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht en met de bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis zal melden bij Leger des Heils reclassering en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van deze reclasseringsinstelling, ook indien dat inhoudt een behandeling bij De Waag.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van een op te leggen straf bepleit dat – indien het feit bewezen wordt verklaard – met de persoonlijke omstandigheden van verdachte rekening moet worden gehouden. De eis van de officier van justitie is fors. De raadsvrouw heeft verzocht een groter deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, subsidiair om de voorwaardelijke gevangenisstraf te verhogen in plaats van het opleggen van een werkstraf dan wel geen gevangenisstraf op te leggen gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is bereid alle hulp te aanvaarden.

Het oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank heeft daarbij rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 14 mei 2013, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een zedenmisdrijf.

De rechtbank heeft rekening gehouden op de voet van het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht met het vonnis van de politierechter van 1 februari 2013, waarbij verdachte veroordeeld is tot een geldboete van honderd euro voor bedreiging.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met een reclasseringsadvies d.d. 22 mei 2013, opgemaakt door M. Litjens en I. Claassen, respectievelijk reclasseringswerker en leidinggevende van Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering. Uit dit advies blijkt dat de criminogene factoren ‘Opleiding, werk en leren’, ‘Inkomen en omgaan met geld’, ‘Denkpatroon, gedrag en vaardigheden’ en ‘Houding’ aanwezig zijn. Het recidiverisico wordt geschat op laag/gemiddeld.

De reclassering heeft geadviseerd om een voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een behandelverplichting.

De rechtbank houdt als aanknopingspunt voor de op te leggen straf voor dit feit rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg van Voorzitters Strafsectoren (verder te noemen: LOVS). Het LOVS heeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting voor verkrachting een gevangenisstraf van 24 maanden vastgesteld. De rechtbank ziet evenwel de aard van de gedraging en de context waarin deze zich voordeed als strafverminderde factoren op dit oriëntatiepunt.

De rechtbank is van oordeel dat, mede gelet op de omstandigheid dat [slachtoffer] geen aangifte heeft gedaan, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de periode dat verdachte in verzekering gesteld is geweest, niet passend en geboden is. Verdachte is gebaat bij hulpverlening, zodat een forse voorwaardelijke gevangenisstraf zal worden opgelegd.

Daarnaast zal de rechtbank ter vergelding een forse werkstraf aan verdachte opleggen.

9 TOEPASSELIJKHEID WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De beslissing berust op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 63 en 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals de artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 BESLISSING

De rechtbank:

Bewezenverklaring

  • -

    verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

  • -

    spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

  • -

    verklaart het bewezen verklaarde feit strafbaar en kwalificeert dit zoals hierboven onder 6 is omschreven;

  • -

    verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- legt aan verdachte op een werkstraf voor de duur van 180 uren;

- beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet of niet naar behoren verricht de werkstraf wordt vervangen door 90 dagen hechtenis, althans een aantal dagen hechtenis dat evenredig is aan het niet verrichte aantal uren werkstraf;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen;

- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:

* zich voor het einde van de proeftijd van 2 jaar niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarde(n) dat de verdachte (zich) gedurende de proeftijd (van 2 jaar):

* bij de reclassering van het Leger des Heils (Meent 2 te Lelystad) zal melden binnen vijf dagen volgend op het onherroepelijk worden van het vonnis en vervolgens zich bij de reclassering van het Leger des Heils zal melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* onder behandeling zal stellen van De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, op de tijden en plaatsen als door of namens die De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn emotionele problemen en het delictgedrag;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mrs. D.A.C. Koster en H. Vegter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.T. Feenstra, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer 2012014091, doorgenummerd 1 tot en met 73.

2 Pagina 31 4e en 7e alinea.

3 Pagina 46 5e en 6e alinea.

4 Pagina 40 4e en 5e alinea.

5 Pagina’s 59 laatste alinea, 60 1e alinea, 61 7e en 9e alinea.

6 Proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 28 mei 2013.