Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMNE:2013:1776

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
21-08-2013
Zaaknummer
799112
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2016:8774, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandelenlease. Stuititng verjaring door instellen collectieve actie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/401
JONDR 2013/1118

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 799112 AC EXPL 12-1348 JK4204

vonnis van 3 april 2013

inzake

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

verder ook te noemen Dexia,

eisende partij,

gemachtigde: EDR Incasso,

tegen:

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: Leaseproces.

1 Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 9 mei 2012, waarin een comparitie
is bepaald. De comparitie is gehouden op 20 augustus 2012. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Hierna is uitspraak bepaald.

2 De feiten

2.1.

Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Dexia Bank Nederland N.V., op haar beurt rechtsopvolgster van Bank Labouchere N.V., tevens handelende onder de naam Legio, en van Legio Lease B.V. Waar hierna sprake is van Dexia worden haar rechtsvoorgangsters daaronder mede begrepen.

2.2.

[gedaagde] heeft de volgende effectenleaseovereenkomsten (hierna: de overeenkomsten) met Dexia gesloten:

  • -

    op of omstreeks 15 mei 1996 overeenkomst [nummer 1];

  • -

    op of omstreeks 24 april 1997 overeenkomst [nummer 2], verlengd op 26 april 2002;

  • -

    op of omstreeks 17 februari 1998 overeenkomst [nummer 3];

  • -

    op of omstreeks 4 mei 1999 overeenkomst [nummer 4], verlengd op 2 mei 2002;

  • -

    op of omstreeks 16 mei 2001 overeenkomst [nummer 5];

  • -

    op of omstreeks 21 maart 2002 overeenkomst [nummer 6].

2.3.

De echtgenote van [gedaagde] heeft overeenkomst [nummer 4] meeondertekend.

2.4.

Overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 3] zijn in 2001 met een batig saldo van totaal
€ 14.880,56 geëindigd.

2.5.

Op 13 maart 2003 hebben Stichting Eegalease en de Consumentenbond een collectieve actie ex artikel 3:305a Burgerlijk Wetboek (BW) tegen Dexia ingesteld. In deze procedure (hierna: de Eegalease-procedure) is onder meer gevorderd:

(1) een verklaring voor recht dat de effectenleaseovereenkomsten die met Dexia zijn gesloten zijn te kwalificeren als overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van artikel 1:88 lid 1 sub d BW en dat op deze effectenleaseovereenkomsten van toepassing is het bepaalde in de artikelen 1:88 en 1:89 BW (hierna: vordering 1);

(2) een verklaring voor recht dat de effectenleaseovereenkomsten die met Dexia zijn gesloten in de periode 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder dat beide echtgenoten en/of geregistreerde partners de overeenkomst hebben ondertekend, dan wel hebben toegestemd in de totstandkoming van de effectenleaseovereenkomst, vernietigd zijn althans vernietigbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 1:89 BW (hierna: vordering 2).

2.6.

Bij vonnis van 25 augustus 2004 heeft de kantonrechter te Amsterdam vordering 1 toegewezen en vordering 2 afgewezen.

2.7.

Dexia heeft tegen voornoemd vonnis hoger beroep ingesteld. Hangende het hoger beroep zijn tussen de Stichting Eegalease, de Consumentenbond en andere belangen-organisaties enerzijds en Dexia anderzijds schikkingsonderhandelingen gevoerd die hebben geresulteerd in een vaststellingsovereenkomst van 23 juni 2005, de zogenaamde Duisenbergregeling. Deze regeling bestaat onder meer uit een Hoofdovereenkomst en een WCAM-overeenkomst.

2.8.

In de Hoofdovereenkomst is opgenomen, voor zover thans van belang:

“21.1 De Belangenorganisaties zullen hun medewerking verlenen aan beëindiging en royement van de Procedures en doen afstand van alle in de Procedures gepretendeerde rechten en/of vorderingen, alsmede van alle mogelijke andere rechten en vorderingen met betrekking tot de effectenlease-overeenkomsten.

21.2

De Belangenorganisaties verklaren dat zij met betrekking tot of in verband met de Effectenlease-overeenkomsten geen gerechtelijke of buitengerechtelijke procedures tegen een Dexia-partij zullen aanvangen.

21.3

De verklaring van artikel 21.2 heeft geen betrekking op enig geschil dat uit deze Hoofdovereenkomst, de WCAM-Overeenkomst of de niet-nakoming van Dexia van een Regeling mocht voortvloeien of daarmee samenhangt en de Belangenorganisaties behouden nadrukkelijk het recht om alle rechtsvorderingen in te stellen die strekken tot en verband houden met de nakoming van de Hoofdovereenkomst, de WCAM Overeenkomst en/of met Contractant(en) totstandgekomen Regeling(en) door Dexia.”

2.9.

De Eegalease-procedure is vervolgens geroyeerd.

2.10.

Overeenkomsten [nummer 2] en [nummer 4] zijn op respectievelijk 25 april 2005 en
29 april 2005 geëindigd met een restschuld van respectievelijk € 920,10 en € 8.407,79.

2.11.

Op 18 november 2005 hebben de partijen bij de Duisenbergregeling een verzoek tot algemeenverbindendverklaring van die regeling ingediend bij het Hof te Amsterdam. Het hof heeft dit verzoek bij beschikking van 25 januari 2007 toegewezen.

2.12.

[gedaagde] heeft een zogeheten opt-out verklaring afgelegd, waardoor de algemeen verbindend verklaarde Duisenbergregeling op hem niet van toepassing is.

2.13.

Bij brief van 15 februari 2006 heeft de echtgenote van [gedaagde] buitengerechtelijk de vernietiging van overeenkomsten [nummer 2], [nummer 4], [nummer 5] en [nummer 6] ingeroepen op grond van artikelen 1:88 en 1:89 BW.

2.14.

Overeenkomsten [nummer 5] en [nummer 6] zijn op respectievelijk 15 mei 2006 en
18 september 2006 geëindigd met een restschuld van respectievelijk € 2.732,48 en
€ 1.698,68. [gedaagde] heeft de ter zake door Dexia verzonden eindafrekeningen niet voldaan.

3 Het geschil

3.1.

Dexia vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om aan haar te betalen:

  • -

    ter zake overeenkomst [nummer 5] een bedrag van € 2.457,12, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2006;

  • -

    ter zake overeenkomst [nummer 6] een bedrag van € 1.698,68, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 oktober 2006;

  • -

    de buitengerechtelijke incassokosten van € 700,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 februari 2012;

  • -

    de proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Zorgplicht

4.1.

Dexia heeft uiteengezet dat de Hoge Raad in zijn arresten van 5 juni 2009 (LJN BH2811, BH2815 en BH2822) heeft geoordeeld dat op een aanbieder van een effectenleaseproduct een dubbele zorgplicht rust, namelijk om (i) de afnemer te waarschuwen voor het risico dat een restschuld zou kunnen resulteren (de waarschuwings-plicht) en (ii) onderzoek te doen naar de financiële positie van de afnemer en hem het aangaan van de overeenkomst te ontraden indien uit dit onderzoek zou blijken dat de verplichtingen uit de overeenkomst naar redelijke verwachting een onaanvaardbaar zware financiële last op de afnemer legden (de onderzoeksplicht). Indien de waarschuwingsplicht, die zelfstandige betekenis heeft, is geschonden, kan in zijn algemeenheid worden aangenomen dat er causaal verband bestaat met het door de afnemer geleden nadeel. Aangezien de afnemer ook zelf schuld heeft aan het door hem geleden nadeel, dient een gedeelte daarvan voor zijn rekening te komen. Als de onderzoeksplicht is geschonden en de uitkomst van afdoende onderzoek zou zijn geweest dat het aangaan van de overeenkomst een onaanvaardbaar zware financiële last zou hebben opgeleverd, dan komen in beginsel de betaalde rente en aflossing deels voor vergoeding in aanmerking. Als de onderzoeksplicht is geschonden maar de uitkomst zou zijn geweest dat geen sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last, dan blijven de betaalde rente en aflossingen geheel voor rekening van de afnemer. De restschuld blijft in beginsel steeds deels voor rekening van de afnemer. Het gerechtshof te Amsterdam heeft in zijn arresten van 1 december 2009 (LJN BK4978, BK4981, BK4982 en BK4983) een beoordelingskader gegeven ter beantwoording van de vraag of ten tijde van het aangaan van de overeenkomst sprake was van een voor de afnemer onaanvaardbaar zware financiële last. Was hiervan sprake, dan had de aanbieder het aangaan van de overeenkomst moeten ontraden en blijft naast tweederde deel van de restschuld ook tweederde deel van de door de afnemer betaalde maandtermijnen voor rekening van de aanbieder. De Hoge Raad heeft dit beoordelingskader in zijn arresten van 29 april 2011 (LJN BP4003 en BP4012) in stand gelaten.

4.2.

Dexia heeft erkend dat zij jegens [gedaagde] bovengenoemde zorgplichten heeft geschonden en dat op grond van voormelde jurisprudentie tweederde deel van de restschulden van overeenkomst [nummer 5] en [nummer 6] – na aftrek van het batig saldo van
€ 14.880,56 ter zake van overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 3]– voor haar rekening komt. Het restant vordert Dexia in hoofdsom van [gedaagde].

Artikel 1:88 jo. 1:89 BW

4.3.

[gedaagde] heeft primair aangevoerd dat zijn echtgenote hem geen toestemming heeft gegeven voor het aangaan van overeenkomsten [nummer 2], [nummer 5] en [nummer 6]. Dergelijke toestemming was ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW verplicht. In dat kader heeft zijn echtgenote bij brief van 15 februari 2006 een beroep gedaan op de vernietiging van deze overeenkomsten op de voet van artikel 1:89 lid 1 BW, aldus [gedaagde]. Dexia heeft daartegen ingebracht dat de bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomsten op dat moment reeds was verjaard.

4.4.

Uit artikel 3:52, eerste lid, aanhef en onder d, BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na het verstrijken van drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot die de toestemming had behoren, doch niet heeft gegeven ten dienste is komen te staan. De verjaringstermijn begint derhalve te lopen op het moment waarop de echtgenote van [gedaagde] van het bestaan van de overeenkomsten op de hoogte raakte. Dexia heeft in dat verband aangevoerd dat de echtgenote van [gedaagde] reeds ten tijde van het sluiten van bovengenoemde overeenkomsten op de hoogte was van het bestaan ervan. Overeenkomsten [nummer 1] en [nummer 3] zijn geëindigd met een batig saldo en de inleg van overeenkomst [nummer 5] is vooraf voldaan. Nu een en ander van invloed was op het huishoudelijk budget moet daar volgens Dexia over zijn gesproken. Dexia heeft er voorts op gewezen dat de echtgenote overeenkomst [nummer 4] en het aanmeldingsformulier Dexia aanbod heeft ondertekend.

4.5.

[gedaagde] heeft gesteld dat zijn echtgenote gaandeweg de looptijd van overeenkomsten [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3], omstreeks augustus 2000, van het bestaan van deze overeenkomsten op de hoogte is geraakt. Van overeenkomsten [nummer 4], [nummer 5] en [nummer 6] was zijn echtgenote op de hoogte vanaf het moment van afsluiten daarvan, aldus [gedaagde]. Dat betekent dat de bevoegdheid om overeenkomsten [nummer 2], [nummer 5] en [nummer 6] te vernietigen ten tijde van de brief van 15 februari 2006 in beginsel reeds verjaard was. Naar het standpunt van [gedaagde] is de verjaring echter ex artikel 3:316 BW gestuit door de Eegalease-procedure, zodat de verjaring gelet op artikel 3:319 BW op zijn vroegst op 25 augustus 2007 – zijnde drie jaar na het vonnis van de kantonrechter te Amsterdam – kan zijn voltooid.

4.6.

Artikel 3:316 lid 1 BW bepaalt dat de verjaring van een rechtsvordering wordt gestuit door het instellen van een eis, alsmede door iedere andere daad van rechtsvervolging van de zijde van de gerechtigde, die in de vereiste vorm geschiedt. Leidt een ingestelde eis niet tot toewijzing, dan is de verjaring op grond van lid 2 van dit artikel slechts gestuit indien binnen zes maanden nadat het geding door het in kracht van gewijsde gaan van een uitspraak of op andere wijze is geëindigd, een nieuwe eis wordt ingesteld en deze alsnog tot toewijzing leidt. Wordt een daad van rechtsvervolging ingetrokken, dan stuit zij de verjaring niet.

Afstand van recht

4.7.

Dexia heeft aangevoerd dat de eisers in de Eegalease-procedure de daad van rechtsvervolging – zijnde de dagvaarding van 13 maart 2003 – hebben ingetrokken als bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW door in te stemmen met het royement van de (hoger beroep) procedure en uitdrukkelijk afstand te doen van alle rechten en vorderingen die zij in die procedure hadden gepretendeerd en van alle andere rechten en vorderingen met betrekking tot effectenlease-overeenkomsten (artikel 21.1 van de Hoofdovereenkomst). Daartoe behoorde volgens Dexia ook de vordering met betrekking tot de kwalificatie van effectenleaseovereenkomsten en de reikwijdte van artikel 1:88 en 1:89 BW die door de kantonrechter te Amsterdam was toegewezen.

4.8.

[gedaagde] heeft betwist dat de daad van rechtsvervolging aldus is ingetrokken. Hij heeft daartoe – naar de kantonrechter begrijpt – het volgende gesteld. De WCAM-overeenkomst voorziet in een nauwkeurige regeling van de aanspraken jegens Dexia van de diverse categorieën afnemers van effectenleaseproducten van Dexia, waaronder ook de categorie die een beroep kon doen op de artikelen 1:88 en 1:89 BW of dat reeds had gedaan. De afstand waarvan in de Hoofdovereenkomst wordt gerept had dan ook geen andere functie dan het voorkomen van misverstand met betrekking tot de aanspraken die Dexia jegens de diverse categorieën afnemers erkende jegens zichzelf en tot honorering waarvan zij zich jegens de “partijen” in de zin van artikel 7:907 BW verbond.

4.9.

Dexia heeft de gestelde samenhang tussen de Hoofdovereenkomst en de WCAM-overeenkomst niet weersproken, zodat daarvan wordt uitgegaan. Die samenhang blijkt overigens ook uit (onder meer) artikel 21.3 van de Hoofdovereenkomst. Gelet op die samenhang moet aan de afstand van recht in artikel 21.1 van de Hoofdovereenkomst inderdaad slechts de zeer beperkte reikwijdte worden gegeven, zoals door [gedaagde] is uitgelegd. De in artikel 21.1 van de Hoofdovereenkomst genoemde afstand van recht wordt daarom niet aangemerkt als het intrekken van de daad van vervolging, zijnde de dagvaarding van 13 maart 2003 in de Eegalease-procedure. Het eerste argument van Dexia faalt derhalve.

Aard van vordering 1

4.10.

Dexia heeft voorts onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van
18 september 2009 (NJ 2009, 439) aangevoerd dat een daad van rechtsvervolging slechts stuitende werking heeft indien de daad ertoe strekt om het desbetreffende recht geldend te maken. In onderhavig geval kan de verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging van de overeenkomsten in de optiek van Dexia dus alleen worden gestuit indien in rechte de vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten wordt gevorderd. Dexia heeft er in dat verband op gewezen dat vordering 1 niet strekt tot vernietiging van de effectenlease-overeenkomsten.

4.11.

Zoals [gedaagde] terecht heeft opgemerkt, betreft de door Dexia aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor. Deze uitspraak is niet relevant voor de vraag of een collectieve actie een daad van vervolging oplevert. Bij een collectieve actie moet noodzakelijk worden geabstraheerd van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van individuele belanghebbenden. Die omstandigheden zijn pas relevant bij vragen omtrent bijvoorbeeld schade(omvang), causaal verband en eigen schuld. Een andere opvatting zou de toepassing van artikel 3:305a BW onaanvaardbaar beperken (HR 27 december 2009, RF 2010, 13). Op gelijke wijze heeft de kantonrechter te Amsterdam de eis in de Eegalease-procedure behandeld. De vernietiging van alle genoemde overeenkomsten was niet mogelijk, omdat daarvoor een beoordeling van de bijzondere omstandigheden van alle afzonderlijke overeenkomsten nodig zou zijn en een dergelijk beoordeling in het kader van een collectieve actie (groepsactie) niet aan de orde is. In beginsel is in het kader van een collectieve actie de collectieve vernietiging van rechtshandelingen wel mogelijk, maar ten aanzien van de effectenleaseovereenkomsten in de Eegalease-procedure was dat niet mogelijk, zoals blijkt uit het vonnis van de kantonrechter van 25 augustus 2004.

4.12.

Dexia heeft verder betoogd dat een collectieve actie slechts stuitende werking heeft voor schadevergoedingsacties. Een vordering ex artikel 3:305a BW kan gelet op lid 3, laatste volzin, niet strekken tot schadevergoeding. Aldus ligt het voor de hand dat het instellen van een wel toelaatbare collectieve actie, die strekt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht, toch stuitende werking heeft. Die ratio ontbreekt echter bij vernietigingsacties, aangezien het bij collectieve acties wel mogelijk is om collectief de vernietiging van rechtshandelingen te vorderen, aldus nog steeds Dexia. Voorts verschillen volgens Dexia de manier waarop schadevergoedingsvorderingen en vernietigingsvorderingen kunnen worden gestuit fundamenteel van elkaar. Tot slot heeft Dexia aangevoerd dat artikel 3:316 BW ook gelet op de wetsgeschiedenis niet te ruim moet worden uitgelegd.

4.13.

De groepsactie in de Eegalease-procedure was de eerste stap in het geldend maken van het vernietigingsrecht van individuele belanghebbenden, namelijk het vaststellen van de vernietigbaarheid. Zo handelend werd de behartiging van gelijksoortige individuele belangen gebundeld, waarmee is voldaan aan de regeling van artikel 3:305a BW. Een op grond van
dit artikel ingestelde vordering kan gelet op lid 3, laatste volzin, niet strekken tot schade-vergoeding. De kantonrechter is daarom met Dexia van oordeel dat het instellen van een wel toelaatbare collectieve actie, die strekt tot het verkrijgen van een verklaring voor recht, toch stuitende werking heeft. Dexia kan echter niet worden gevolgd in het onderscheid dat zij wenst te maken tussen schadevergoedingsvorderingen en vernietigingsvorderingen in het kader van artikel 3:305a BW. Weliswaar is er enig verschil in de manier waarop de verjaring van beide soorten vorderingen wordt gestuit, maar dat is niet van zodanig gewicht dat dit zou moeten leiden tot een verschil in stuitende werking van collectieve acties. Op basis van artikel 3:305a BW zijn velerlei acties mogelijk, ook vernietigingsvorderingen. Of dat in een bepaalde zaak mogelijk is, hangt van de details van die bepaalde zaak af (zie hiervoor 4.11). Er is slechts één uitzondering op het gegeven dat in beginsel velerlei acties mogelijk zijn op basis van artikel 3:305a BW: schadevergoeding in geld is niet mogelijk. Andere vormen van schadevergoeding zijn in beginsel wel mogelijk. Een principieel onderscheid tussen schadevergoedingsvorderingen en vernietigingsvorderingen is hiermee niet gegeven. Dat mag niet uit artikel 3:305a BW worden afgeleid. Ook de wetsgeschiedenis geeft voor een dergelijk onderscheid geen aanknopingspunten. Dat de minister bij het geven van een voorbeeld niet heeft stilgestaan bij vernietigingsvorderingen, zoals Dexia heeft aangevoerd, is hiervoor van geen enkele betekenis.

4.14.

Aangezien de Eegalease-procedure de eerste stap vormde in het geldend maken van het vernietigingsrecht van individuele belanghebbenden, heeft de dagvaarding in die procedure de verjaring van vorderingen van individuele belanghebbenden met gelijksoortige vorderingen in beginsel gestuit. Hierop wordt nog teruggekomen onder 4.16 en verder. [gedaagde] heeft thans als individuele belanghebbende een tweede stap gezet door in onderhavige procedure de (buitengerechtelijke) vernietiging van overeenkomsten [nummer 2], [nummer 5] en [nummer 6] in te roepen.

Hoogst persoonlijk karakter

4.15.

Dexia heeft nog aangevoerd dat het hoogst persoonlijke karakter van de vernietigingsbevoegdheid ex artikel 1:89 BW zich ertegen verzet dat de verjaring door een ander wordt gestuit. Daarmee miskent Dexia echter de aard van een groepsactie. Die brengt per definitie mee dat een belangenorganisatie zich de belangen van individuele belang-

hebbenden aantrekt. De regeling van artikel 3:305a BW bevat overigens waarborgen tegen belangenbehartiging die door individuele belanghebbenden niet wordt gewenst. Door de stuiting en schorsing van de verjaring wordt de vernietigingsbevoegdheid ex artikel 1:89 BW niet ingeperkt. Integendeel, de mogelijkheid tot uitoefening ervan wordt verruimd. Het is ter keuze van individuele belanghebbenden om daar al dan niet gebruik van te maken. Daarom kan niet worden gezegd dat het hoogst persoonlijke karakter zich verzet tegen de stuiting van de verjaring door een ander. Ook dit argument van Dexia gaat niet op.

Voorwaarden artikel 3:316 lid 2 BW

4.16.

Gelet op het voorgaande heeft de Eegalease-procedure de verjaring van de vernietigingsbevoegdheid van de echtgenote van [gedaagde] gestuit vanaf 13 maart 2003, mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 3:316 lid 2 BW. Volgens Dexia is dat niet het geval.

4.17.

Artikel 3:316 BW is bij de hercodificatie in 1992 ingevoerd en artikel 3:305a BW negen jaren later, namelijk in 2001. De regeling van art. 3:316 BW is daardoor niet afgestemd op de collectieve actie ex artikel 3:305a BW. Bij de zinsnede “van de zijde van” in artikel 3:316 BW is niet gedacht aan collectieve rechtsvorderingen. Die zijn er in de jurisprudentie later wel onder begrepen. Met het uitgangspunt van een individuele rechtsvordering is het begrijpelijk dat artikel 3:316 BW de stuitende werking aan een daad van rechtsvervolging ontzegt, wanneer die wordt ingetrokken. Intrekking kan geschieden omdat men van zijn rechten afziet, of omdat men een minnelijke regeling heeft bereikt met de wederpartij. In het laatste geval is er geen behoefte meer aan een stuiting van de verjaring, omdat de individuele rechthebbende zijn rechten (indien en voor zover bedongen) voortaan ontleent aan de vaststellingsovereenkomst die met de wederpartij is gesloten. Bij een collectieve actie is dat laatste echter niet noodzakelijk het geval. Zoals hiervoor onder 4.11 is overwogen kan het gegeven dat bij een collectieve actie noodzakelijk moet worden geabstraheerd van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van individuele belanghebbenden, dwingen tot het geldend maken van individuele rechten in twee stappen. In deze zaak is dat het geval geweest.

4.18.

Vaststaat dat de partijen in de Eegalease-procedure na het (deels toewijzende) vonnis van 25 augustus 2004 in onderhandeling zijn getreden, hetgeen geresulteerd heeft in de Duisenbergregeling. [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat deze vaststellings-overeenkomst voorziet in een nauwkeurige regeling van de aanspraken jegens Dexia van de diverse categorieën afnemers van effectenleaseproducten van Dexia, waaronder ook de categorie die een beroep kon doen op artikel 1:88 en 89 BW of dat reeds had gedaan. De Duisenbergregeling voorzag dus in rechten voor [gedaagde] en zijn echtgenote. Omdat de Duisenbergregeling echter geen rechtstreekse werking had jegens individuele rechthebbenden, zoals [gedaagde] en zijn echtgenote, is een verzoek tot algemeenverbindend-verklaring ingediend bij het Gerechtshof Amsterdam.

4.19.

Een redelijke toepassing van artikel 3:316 lid 2 BW brengt mee dat in dit geval het beëindigen van de Eegalease-procedure vanwege het tot stand komen van de Duisenberg-regeling moet worden gelijkgesteld met een toewijzend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan in de zin van die wetsbepaling. De regeling van die wetsbepaling is niet afgestemd op collectieve acties, zodat er een lacune is voor het geval de collectieve actie eindigt in verband met een vaststellingsovereenkomst, een en ander zoals hiervoor is uitgelegd. Niet kan worden aanvaard dat de erkenning door Dexia in een vaststellingsovereenkomst, te weten de Duisenbergregeling, van rechten van belanghebbenden voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 1:88 en 89 BW, voor de stuiting van de verjaring hetzelfde rechtsgevolg zou hebben als het afwijzen van de soortgelijke rechtsvordering in de Eegalease-procedure. Dat spreekt te meer nu die rechtsvordering in eerste aanleg deels, namelijk voor zover voortvloeiend uit een abstracte toetsing, is toegewezen.

4.20.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verjaring van de vernietigings-bevoegdheid van de echtgenote van [gedaagde] op 13 maart 2003 is gestuit en is geschorst tot de dag waarop de Duisenbergregeling tot stand is gekomen (23 juni 2005). Vanaf die dag is een nieuwe verjaringstermijn van drie jaren beginnen te lopen. Vanaf die dag ook was het aan [gedaagde] en zijn echtgenote om zich te beraden omtrent de rechten, waarin de Duisenbergregeling voor hen voorzag. Vastgesteld moet worden dat de echtgenote van [gedaagde] tijdig binnen de nieuwe termijn van drie jaren gebruik heeft gemaakt van haar vernietigingsbevoegdheid, namelijk bij brief van 15 februari 2006. Niet bekend is of [gedaagde] toen al had besloten van de Duisenbergregeling geen gebruik te willen maken. Feit is dat [gedaagde] na het algemeen verbindend verklaren van die regeling een opt out-verklaring heeft ingediend.

4.21.

Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter in het midden laten of door het verzoek tot het algemeen verbindend verklaren van de Duisenbergregeling de schorsing van de verjaring is voortgezet, zoals door [gedaagde] is bepleit en door Dexia is bestreden.

Conclusie

4.22.

Uit het voorgaande volgt dat overeenkomsten [nummer 5] en [nummer 6] (en [nummer 2]) rechtsgeldig buitengerechtelijk zijn vernietigd, voordat de bevoegdheid daartoe was verjaard. Dat betekent dat de vorderingen van Dexia ter zake deze overeenkomsten moeten worden afgewezen.

4.23.

De kantonrechter merkt op dat in de onder punt 11 van de dagvaarding opgenomen berekening van de vorderingen van Dexia nog een derde overeenkomst ([nummer 4]) is meegewogen. Nog daargelaten dat deze overeenkomst niet in het petitum is genoemd, heeft Dexia niet (althans onvoldoende onderbouwd) gesteld dat zij ondanks de vernietiging van bovenstaande overeenkomsten nog enig bedrag van [gedaagde] te vorderen zou hebben. De kantonrechter gaat daarom aan deze derde overeenkomst voorbij.

Proceskosten

4.24.

Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 400,00 (2 punt x tarief
€ 200,00) aan salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Dexia tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bos, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2013.