Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BZ5988

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
02-04-2013
Zaaknummer
84443 / HA RK 12-86
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek op basis van Wet bescherming persoonsgegevens art. 46 jo 7:456 BW tot inzage in medisch dossier.

Het verzoek richt zich tot de bedrijfsarts.

Verzoek afgewezen omdat verweerders geen documenten meer bezitten over verzoeker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0271

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 84443 / HA RK 12-86

Beschikking van 21 december 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Middelburg,

verzoeker,

verschenen in persoon,

tegen

1. [verweerder sub 1],

wonende te Zaltbommel,

verweerder,

gemachtigde mevr. W.A. van Oosten-Hartman,

2. de besloten vennootschap

QS GEZONDHEIDSMANAGEMENT B.V.,

statutair gevestigd te Gouda, kantoorhoudende te Amersfoort,

verweerster,

advocaat mr. drs. M.H.J.W. Dijkman te Middelburg.

Partijen zullen verder worden aangeduid als [verzoeker], [verweerder sub 1] en QS.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het (definitieve) verzoekschrift van 27 maart 2012 met bijlagen

- de brief van [verzoeker] van 19 april 2012 met bijlagen

- de brief/het verweerschrift van QS van 30 juli 2012

- het verweerschrift van [verweerder sub 1]

- het aanvullend verweerschrift van QS

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [verzoeker] met bijlagen

- de pleitnota van QS

- de brief van 15 november 2012 van [verzoeker].

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 12 november 2012. Na afloop van de behandeling is de zaak aangehouden, teneinde [verzoeker] in de gelegenheid te stellen zich schriftelijk uit te laten over eventuele doorverwijzing van de zaak naar mediation. [verzoeker] heeft bij brief van 15 november 2012 aan de rechtbank laten weten af te zien van mediation. De uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1. Op 10 maart 2008 kreeg [verzoeker] van zijn werkgever te horen dat hij de tot dan toe verrichtte werkzaamheden met onmiddellijke ingang diende te staken.

2.2. Op 14 maart 2008 bracht [verzoeker] een bezoek aan zijn huisarts die een te hoge bloeddruk en overspannenheid vaststelde en hem adviseerde onmiddellijk te stoppen met werken.

2.3. Op 25 maart 2008 bracht [verzoeker] een bezoek aan [verweerder sub 1], bedrijfsarts bij de interne Arbodienst van de werkgever van [verzoeker]. [verweerder sub 1] concludeerde dat [verzoeker] volledig arbeidsongeschikt was. Afgesproken werd dat ondersteuning van een psycholoog zou worden aangevraagd. Via QS is [verzoeker] verwezen naar een psycholoog, die hem is gaan behandelen.

2.4. Op 16 april 2008 vond een vervolgspreekuur bij [verweerder sub 1] plaats.

2.5. Op 17 april 2008 is klager bij de psycholoog geweest die diezelfde dag heeft gerapporteerd. In de daaropvolgende periode hebben diverse behandelingen bij de psycholoog plaatsgevonden en is, in overleg met deze en met [verzoeker], een mediationtraject voorbereid.

2.6. Op 9 juli 2008 is er telefonisch contact geweest tussen [verzoeker] en [verweerder sub 1], waarbij onder meer de gezondheidstoestand van [verzoeker] aan de orde is geweest.

2.7. Op 17 juli 2008 deelde de werkgever tijdens een gesprek aan [verzoeker] mee dat hij door de bedrijfsarts met terugwerkende kracht vanaf 10 juli 2008 hersteld was verklaard en dat hij de volgende dag op zijn werk werd verwacht.

2.8. Op 18 juli 2008 kreeg [verzoeker] dezelfde mededeling telefonisch van de verzuimmedewerker van de Arbodienst van [verweerder sub 1]. Bij brief van dezelfde datum heeft de verzuimmedewerker bevestigd dat er geen sprake meer was van ziekte en dat de spanningen voortkwamen uit een verstoorde arbeidsrelatie.

2.9. [verzoeker] heeft op 9 maart 2010 een klacht ingediend tegen [verweerder sub 1] bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Eindhoven.

Het tuchtcollege heeft bij beslissing van 24 november 2010 de klacht van [verzoeker] deels gegrond verklaard, waaronder de klacht met betrekking tot inzage in het volledig dossier, en [verweerder sub 1] berispt en de klacht voor het overige afgewezen.

[verzoeker] heeft beroep aangetekend bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in ’s-Gravenhage, welk beroep op 28 februari 2012 niet-ontvankelijk is verklaard.

2.10. Bij brief van 12 oktober 2009 vroeg [verzoeker] om een kopie van zijn medisch dossier, nadat hij al enkele malen eerder (onder andere bij brief van 9 april 2008) daarom had verzocht.

Bij brief van 14 oktober 2009 stuurde de manager van de Arbodienst hem het dossier, dat volgens [verzoeker] niet compleet was. Bij brief van 12 november 2009 vroeg [verzoeker] om aanvullende stukken, met name e-mails. Bij brief van 11 december 2009 antwoordde de manager verzuimadvies van de Arbodienst dat persoonlijke werkaantekeningen geen deel uitmaken van het dossier en dat dit ook geldt voor e-mailverkeer tussen de Arbodienst en andere betrokkenen, voor zover niet opgenomen in de overige notities van het dossier. In januari 2012 vroeg [verzoeker] weer schriftelijk om toezending van het volledige dossier. Vervolgens heeft hij nog een aantal stukken toegezonden gekregen.

3. Het geschil

3.1. [verzoeker] verzoekt om inzage in zijn medisch dossier door [verweerder sub 1] en QS, op straffe van verbeurte van (diverse) dwangsommen.

Hij stelt dat hij, ondanks diverse verzoeken daartoe, nog steeds niet beschikt over zijn volledig medisch dossier. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft hij in zijn verzoekschrift een opsomming gegeven van de volgens hem ontbrekende medische documenten.

Hij heeft in bijlage 3 aangegeven welke documenten hij mist op basis van de Decursus, en in bijlage 4 de ontbrekende documenten op basis van het verweerschrift van [verweerder sub 1] in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege. Voorts noemt [verzoeker] in zijn verzoekschrift vijf belangrijke momenten tijdens zijn ziekteverzuim waarvan de documenten evenmin aan hem ter inzage zijn gegeven. [verzoeker] legt hierbij de nadruk op een volgens hem ontbrekend e-mailbericht van zijn werkgever aan [verweerder sub 1], waaruit [verweerder sub 1] tijdens het vervolgbezoek op 16 april 2008 zou hebben geciteerd. Deze e-mail is volgens [verzoeker] zowel in het bezit van [verweerder sub 1] als van QS.

[verzoeker] stelt belang te hebben bij afgifte van de door hem verzochte stukken om over nieuwe gronden te kunnen beschikken in het kader van zijn beroepsprocedure bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Ter zitting heeft hij aangevoerd dat hij ook over de documenten wenst te beschikken in verband met een door hem aanhangig gemaakte procedure tegen [verweerder sub 1] en QS tot het verkrijgen van schadevergoeding.

3.2. [verweerder sub 1] voert verweer. Hij stelt dat de verzoeken van [verzoeker] dienen te worden afgewezen, nu [verzoeker] reeds inzage in en een kopie van zijn volledige medisch dossier heeft ontvangen, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

[verweerder sub 1] stelt dat [verzoeker] de Decursus heeft gekregen waarin alle medische informatie is opgenomen. [verweerder sub 1] heeft de documenten waarvan [verzoeker] in zijn verzoekschrift heeft gesteld dat hij deze op basis van de Decursus en het verweerschrift van [verzoeker] mist afzonderlijk besproken. [verweerder sub 1] concludeert dat door hem geen documenten zijn achtergehouden waarin [verzoeker] inzage in zou moeten krijgen.

[verweerder sub 1] heeft tevens betwist dat er documenten ontbreken van de door [verzoeker] genoemde vijf belangrijke momenten tijdens het ziekteverzuim van [verzoeker].

Ten aanzien van de beweerdelijke e-mail van de werkgever van [verzoeker] stelt [verweerder sub 1] dat dit document niet bestaat. Mogelijk is er sprake van een interne mededeling waarin is aangetekend dat er geen gesprek had plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de werkgever, terwijl [verweerder sub 1] dit wel had geadviseerd. Ter zitting heeft [verweerder sub 1] nog een document met betrekking tot de vraagstelling voor het spreekuur overgelegd.

[verweerder sub 1] erkent dat [verzoeker], als gevolg van misverstanden, een kopie van zijn dossier abusievelijk laat heeft ontvangen, maar betwist dat hem stukken zijn onthouden. De enige uitzondering hierop zou kunnen zijn informatie in de aanvang van het dossier van de verzuimadviseur. Dat is te wijten aan opstartproblemen van een nieuw computersysteem dat destijds werd ingevoerd. Voor zover het Medisch Tuchtcollege van mening was dat [verweerder sub 1] op dit punt tekort is geschoten, is hij daarvoor berispt.

Los hiervan is volstrekt onduidelijk op welke wijze de beweerde ontbrekende documenten zouden kunnen bijdragen aan het doel waarvoor deze door [verzoeker] worden gevraagd. Meer documenten zouden er niet toe leiden dat het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg met betrekking tot de klachten die niet gegrond werden verklaard tot een ander oordeel zou komen. Deze klachten hebben immers geen relatie met het door [verzoeker] beweerde ontbreken van documenten.

[verweerder sub 1] heeft voldaan aan zijn verplichtingen ten aanzien van het geven van inzage in het door hem gevoerde dossier uit hoofde van de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst.

3.3. QS voert eveneens verweer. Zij stelt dat [verzoeker] thans inzage verzoekt in een aantal medische documenten die zich niet in het door QS gehouden dossier van [verzoeker] bevinden, dan wel bevonden hebben en zich ook niet in het door QS gehouden dossier hoeven te bevinden. Voor QS is het dan ook niet mogelijk om [verzoeker] het door hem verzochte inzicht te verschaffen.

Meer specifiek betwist QS dat zij beschikt dan wel de beschikking heeft gehad over de beweerdelijke e-mail van de voormalige werkgever van [verzoeker]. QS was en is bovendien op basis van art. 7:454 BW niet gehouden over dit e-mailbericht te beschikken.

QS voert voorts aan dat [verzoeker] geen belang heeft bij onderhavig verzoek. Zij stelt [verzoeker] nooit te hebben geweigerd een kopie van het medisch dossier van [verzoeker] aan [verzoeker] toe te zenden. Zij heeft conform het bepaalde in art. 7:456 BW op eerste verzoek van [verzoeker] een kopie van het door QS gehouden medisch dossier van [verzoeker] aan [verzoeker] toegezonden. Voor het opleggen van een dwangsom is dan ook geen plaats.

QS verzoekt [verzoeker] niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel zijn verzoek af te wijzen, met veroordeling van [verzoeker] in de proceskosten.

4. De beoordeling

4.1. Los van de vraag welke documenten al dan niet tot het medisch dossier van [verzoeker] behoren, heeft zowel [verweerder sub 1] als QS ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat geen van beide nog de beschikking heeft over documenten met betrekking tot [verzoeker].

Ter zitting heeft [verweerder sub 1] aangegeven geen enkel belang te hebben bij het eventueel achterhouden van stukken voor [verzoeker]. [verzoeker] richt zich voornamelijk op een beweerdelijke e-mail van zijn ex-werkgever aan [verweerder sub 1], waaruit [verweerder sub 1] tijdens het spreekuur op 16 april 2008 zou hebben voorgelezen. [verweerder sub 1] heeft uitdrukkelijk het bestaan van deze e-mail betwist. Voorzover sprake is geweest van een interne mededeling, waarin is aangetekend dat er geen gesprek had plaatsgevonden tussen [verzoeker] en de werkgever, moet deze mededeling als een werkaantekening van [verweerder sub 1] worden beschouwd die niet tot het medisch dossier behoort.

Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat [verweerder sub 1] wordt geacht geen belang te hebben bij het achterhouden van de door [verzoeker] beweerdelijk ontbrekende informatie, gaat de rechtbank ervan uit dat [verweerder sub 1] niet beschikt over de door [verzoeker] verzochte documenten.

Daar komt bij dat het ontbreken van bepaalde documenten reeds aan de orde is geweest in de procedure voor het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven. Dit klachtonderdeel is gegrond verklaard en aan [verweerder sub 1] is reeds de maatregel van berisping opgelegd.

Voorzover het verzoek van [verzoeker] wordt ingegeven door een gevoel van onrechtvaardigheid met betrekking tot de wijze waarop met zijn arbeidsongeschiktheid is omgegaan, overweegt de rechtbank dat dit eveneens door middel van de overige klachtonderdelen in de procedure bij het Regionaal Tuchtcollege aan de orde is geweest. Het Tuchtcollege heeft hieromtrent beslist en het door [verzoeker] tegen de betreffende uitspraak ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard. Onderhavige procedure biedt voor [verzoeker] in dat opzicht geen soelaas. Het verzoek van [verzoeker], voorzover dat is gericht tegen [verweerder sub 1], zal worden afgewezen.

4.2. Ten aanzien van QS heeft [verzoeker], gelet op de gemotiveerde betwisting van QS, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat QS beschikt over de door [verzoeker] verzochte stukken, dan wel dat zij hierover dien(t)(de) te beschikken. Het verzoek tegen QS dient eveneens te worden afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

- wijst het verzoek van [verzoeker] af,

- veroordeelt [verzoeker] in de kosten van het geding, welke tot aan deze beschikking aan de zijde van [verweerder sub 1] worden begroot op € 267,-- wegens verschotten en op € 904,-- wegens salaris gemachtigde en aan de zijde van GQ op € 575,-- wegens verschotten en op € 904,-- wegens salaris advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mr. T. van de Poll en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2012.?