Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BZ3842

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
18-12-2012
Datum publicatie
12-03-2013
Zaaknummer
11-1834
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rioolheffing.

De rechtbank oordeelt dat belanghebbende met de aankoop van zijn woning door natrekking eigenaar is geworden van de op de grond bij de woning aanwezige IBA (individueel behandelingssysteem afvalwater), omdat er geen zakelijk recht van opstal is gevestigd op de grond. De door de gemeente met de vorige eigenaar van de woning gesloten opstalovereenkomst kan belanghebbende niet binden. De rechtbank oordeelt verder dat de IBA geen voorziening of combinatie van voorzieningen is voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater die in eigendom, in beheer of in onderhoud is bij de gemeente. Derhalve is belanghebbende geen rioolheffing verschuldigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2013/256 met annotatie van Van der Meijden
FutD 2013-0768
V-N Vandaag 2013/715
Belastingblad 2013/171
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3130
V-N 2013/26.20.15

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/1834

Uitspraakdatum: 18 december 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Sluis,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 11 februari 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan hem voor het jaar 2010 opgelegde aanslag rioolheffing.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2012 te Middelburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende en zijn echtgenote, [echtgenote], en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigden].

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar en de aanslag rioolheffing;

- veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende van € 249,36;

- gelast de heffingsambtenaar aan belanghebbende het griffierecht van € 41 te vergoeden.

2. Gronden

2.1. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 30 november 2010 aan belanghebbende een aanslag rioolheffing 2010 opgelegd van € 194,47. Het daartegen gemaakte bezwaar is door de heffingsambtenaar ongegrond verklaard.

2.2. In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslag terecht is opgelegd. De hoogte van de aanslag is niet in geschil.

2.3. Artikel 1 van de Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2010 (hierna: de Verordening rioolheffing) bepaalt:

“Deze verordening verstaat onder:

(…)

b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud van de gemeente;

(…)”

2.4. Artikel 3 van de Verordening rioolheffing bepaalt:

“1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

2. Als gebruiker wordt aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

b. (…)”

2.5. Belanghebbende heeft de woning gekocht in 2008. Bij de woning is in 2006 door de gemeente, in overleg met de toenmalige eigenaar [vorige eigenaar], een zogenaamde IBA aangelegd: een individueel behandelingssysteem afvalwater. Tussen [vorige eigenaar] (in de overeenkomst aangeduid als grondeigenaar) en de gemeente is terzake een opstalovereenkomst gesloten waarin onder meer is opgenomen

- dat de grondeigenaar aan de gemeente een altijd durend, niet opzegbaar recht van opstal verleende op een strook van de grond waarop de IBA zou worden gerealiseerd;

- dat de gemeente van die strook te allen tijde gebruik kon maken voor werkzaamheden aan de IBA en zou zorgen voor aansluiting en onderhoud ervan;

- dat de IBA met aan- en toebehoren eigendom bleef van de gemeente;

- dat de grondeigenaar zich verplichtte de bepalingen van de overeenkomst op te nemen bij eventuele verkoop van de grond (kettingbeding).

2.6. Er is geen zakelijk recht van opstal ten behoeve van de gemeente gevestigd op de strook grond waarin de IBA ligt. In de leveringsakte van belanghebbende wordt over de onder 2.5 vermelde overeenkomst niet gerept. Tussen belanghebbende en de gemeente is geen overeenkomst tot stand gekomen over de eigendom en het beheer van de IBA.

2.7. Via de IBA wordt het afvalwater van belanghebbende geloosd op een (in het kader van de IBA aangelegde) vijver op het terrein van belanghebbende.

2.8. Belanghebbende meent geen rioolheffing verschuldigd te zijn omdat hij niet loost op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Volgens de heffingsambtenaar is de aanslag terecht opgelegd omdat met de vorige bewoner is afgesproken dat de gemeente eigenaar is van de IBA en de gemeente verantwoordelijk is voor het onderhoud.

2.9. De rechtbank oordeelt als volgt:

Nu belanghebbende eigenaar is van de grond en ten aanzien van de IBA geen zakelijk recht is gevestigd, is belanghebbende door natrekking ook eigenaar van de op de grond aangelegde IBA (artikel 3:4 BW). De overeenkomst tussen de gemeente en [vorige eigenaar] heeft uitsluitend rechtsgevolgen voor de bij die overeenkomst betrokken partijen en kan belanghebbende niet binden. Dat betekent ook dat de gemeente jegens belanghebbende geen verplichting heeft om de IBA te onderhouden. Daarvan uitgaande is de IBA geen voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater die in eigendom, in beheer of in onderhoud is bij de gemeente en is belanghebbende geen rioolrecht verschuldigd. Dat wordt niet anders door het gegeven dat de gemeente wel jegens [vorige eigenaar] verplicht is tot onderhoud van de IBA aangezien belanghebbende eigenaar is van de IBA en hij geen onderhoud van de IBA door de gemeente wenst.

2.10. Ter zitting heeft de heffingsambtenaar toegezegd dat de gemeente het kapotte deksel van de IBA zal vervangen en de storing zal verhelpen. De rechtbank gaat ervan uit dat hij deze toezegging gestand zal doen.

2.11. Gelet op het vorenstaande oordeelt de rechtbank dat de heffingsambtenaar ten onrechte een aanslag rioolrecht heeft opgelegd. Het beroep is gegrond.

2.12. De rechtbank ziet aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de reiskostenvergoeding kan worden gesteld op € 37. Daarnaast moeten worden vergoed de verletkosten van belanghebbende gemaakt in verband met het bijwonen van de zitting van € 212,36. Het totaal wordt dus € 249,36.

Deze uitspraak is gedaan op 18 december 2012 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L. Arts, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 27 december 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch. Het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch behandelt het hoger beroep namens het gerechtshof te ’s-Gravenhage.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.