Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BY8416

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
15-01-2013
Zaaknummer
11/463
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting

De heffingsambtenaar heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de verschuldigde parkeerbelasting niet heeft voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/80
Belastingblad 2013/92
V-N 2013/10.18.8
FutD 2013-0225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/463

Uitspraakdatum: 6 september 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de [gemeente X],

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de inspecteur van 30 december 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (nr. [nummer]).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2012 te Middelburg. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, en namens de heffingsambtenaar,

[gemachtigden]

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar, alsmede de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 210,29;

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van

€ 41 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. Belanghebbende heeft op 19 september 2010 haar auto met kenteken [kenteken] (hierna: de auto) geparkeerd aan [adres] te [plaats X].

2.2. Een parkeercontroleur heeft op die dag op of omstreeks 15:19u aan belanghebbende een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd omdat deze geconstateerd had dat de auto geparkeerd stond, zonder geldig parkeerkaartje. De naheffingsaanslag bestaat uit € 0,80 aan parkeerbelasting en € 51 aan kosten, totaal € 51,80.

2.3. De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 4 november 2010 belanghebbende een duplicaat naheffingsaanslag verzonden.

2.4. Belanghebbende heeft bij brief van 7 december 2010, ontvangen door de heffingsambtenaar op 10 december 2010, bezwaar aangetekend tegen de naheffingsaanslag.

2.5. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag gehandhaafd.

2.6. In geschil is het antwoord op de vraag of het bezwaarschrift wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden. Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord dan is vervolgens in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende beantwoordt de vragen ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend.

De ontvankelijkheid van het bezwaar

2.7.1. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat hij het bezwaar ten onrechte ongegrond heeft verklaard omdat het buiten de bezwaartermijn is ontvangen. Het bezwaar had daarom niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, aldus de heffingsambtenaar.

2.7.2. De rechtbank ziet geen reden eraan te twijfelen dat de naheffingsaanslag op

19 september 2010 is opgelegd en rechtsgeldig is uitgereikt. Met inachtneming van de Algemene termijnenwet verliep de bezwaartermijn op 1 november 2011. Gelet op voornoemde ontvangstdatum is het bezwaar te laat ingediend.

2.7.3. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt evenwel dat de niet-ontvankelijkheid achterwege blijft als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.7.4. Belanghebbende heeft verklaard dat zij op 19 september 2010 bij terugkomst bij de auto geen naheffingsaanslag op de auto heeft aangetroffen, maar eerst op de hoogte is gekomen van het bestaan van de naheffingsaanslag door de ontvangst van eerdervermelde kopie daarvan. De heffingsambtenaar heeft desgevraagd verklaard dat het niet onmogelijk is dat een op een voertuig aangebrachte naheffingsaanslag in het ongerede raakt. Volgens de heffingsambtenaar komt dat in de praktijk ook voor.

2.7.5. De rechtbank acht, mede gelet op hetgeen onder 2.7.4. is opgemerkt, de verklaring van belanghebbende dat zij de naheffingsaanslag niet op haar auto heeft aangetroffen geloofwaardig. In dat geval is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende binnen zes weken na de dagtekening van de duplicaat naheffingsaanslag bezwaar heeft aangetekend. Het bezwaar is ontvankelijk.

De naheffingsaanslag

2.8. De bewijslast of een naheffingsaanslag terecht is opgelegd rust op de heffingsambtenaar. De heffingsambtenaar heeft gesteld dat de parkeercontroleur na inspectie van de auto geen geldig parkeerkaartje heeft aangetroffen. Hij heeft ter ondersteuning daarvan een overzicht overgelegd (met een printdatum 11 mei 2011) van op die bewuste dag opgemaakte naheffingsaanslagen. Daarop vermeld zijn onder meer en voor zover hier van belang, de datum (190910), het tijdstip (1519), de straat ([adres]), het kenteken ([kenteken]), het feit (1R409A) en opm. I. “Na zorgvuldige inspectie van het gehele voertuig geen geldig kaartje aangetroffen”.

2.9. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar niet in zijn bewijs is geslaagd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende gemotiveerd heeft gesteld en, met een getuigenverklaring ondersteund, geloofwaardig heeft verklaard dat de verschuldigde parkeerbelasting op die dag is voldaan en dat het parkeerkaartje duidelijk zichtbaar op de juiste plek in de auto is neergelegd. De rechtbank acht het door de heffingsambtenaar overgelegde overzicht, zonder ondersteuning van bijvoorbeeld foto’s of een ambtsedige verklaring daartegenover onvoldoende. Het gelijk is aan belanghebbende.

2.10. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond verklaard.

2.11. De rechtbank vindt aanleiding de heffingsambtenaar te veroordelen in de reis- en verletkosten die belanghebbende in verband met de behandeling het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 50 voor de reiskosten op basis van openbaar vervoer tweede klasse en € 160,29 voor de verletkosten, totaal € 210,29. De overige kosten komen op grond van voornoemd besluit niet voor vergoeding in aanmerking.

Deze uitspraak is gedaan op 6 september 2012 door mr.drs. M.M. de Werd, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier. De rechter is verhinderd dit proces-verbaal mede te ondertekenen.

De griffier, de rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 19 september 2012

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, vijfde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.