Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BY5344

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
12/700215-12 dn 12/715219-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval en diefstal sportzaak Middelburg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummers: 12/700215-12 en 12/715219-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1978] te [woonplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Middelburg -locatie Torentijd- te Middelburg,

ter terechtzitting verschenen,

raadsvrouw mr. Davidse, advocaat te Middelburg,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaken zijn op de zitting van 1 oktober 2012 pro forma aangebracht en inhoudelijk behandeld op de zitting van 22 november 2012, waarbij de officier van justitie

mr. Huiskamp en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Deze zaken zijn samen, doch niet gevoegd, behandeld met de zaak van [medeverdachte] (parketnummer 12/700213-12).

2 De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 21 maart 2012 te Middelburg tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een)

ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [slachtoffer 1] en/of [medeverdachte] heeft gedwongen tot de afgifte van 10.865

euro en/of twee GSM's (Nokia en/of Blackberry), in elk geval een hoeveelheid

geld en/of goederen, geheel of ten dele toebehorende aan Sports World The

Netherlands BV (geld) en/of [slachtoffer 1] (Nokia) en/of [medeverdachte]

(Blackberry), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin

bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) steekbewegingen met

twee in zijn, verdachtes, hand gehouden messen richting die [slachtoffer 1] en/of

[medeverdachte] heeft/hebben gemaakt, althans dreigend messen in de richting van die

[slachtoffer 1] en/of [medeverdachte] heeft/hebben gehouden/gewezen, in elk geval die

[slachtoffer 1] en/of [medeverdachte] messen heeft/hebben getoond, en/of daarbij de woorden

heeft/hebben getoegevoegd (zakelijk weergegeven): "geld." en/of "maak de kluis

open." en/of geef me jullie gsm's.";

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2012

tot en met 19 juni 2012 te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander

of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen (in totaal) 15 paar sportschoenen (merk Nike

en/of Adidas), in elk geval enige goederen, geheel of ten dele toebehorende

aan Sports World The Netherlans B.V., in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 11 juli 2011 te Middelburg tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit kluis (in een pand aan de Markt) heeft weggenomen

24.500 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, geheel of ten dele

toebehorende aan Sports World The Netherlans B.V., in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of

zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 30 april 2010 te Middelburg met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een personenauto ([merk en kenteken])

heeft weggenomen een bassbox/kist van een subwoofer en/of hoedenplank, in elk

geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij

verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel

van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

6.

gevoegd parketnummer: 12/715219-12:

hij op of omstreeks 19 juni 2012 te Vlissingen een (vuur)wapen van categorie

II, te weten een heimelijk vuurwapen gelijkend op een sleutelhanger (categorie

II onder 4) voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

7.

gevoegd parketnummer 12/715219-12:

hij op of omstreeks 19 juni 2012 te Vlissingen munitie van categorie III, te

weten 7 kogelpatronen (merk RWS, kaliber .22), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Feit 1

4.1.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Zij wijst in dat verband op de aangiften van [slachtoffer 1], [medeverdachte] en [aangever], op hetgeen is aangetroffen bij de doorzoekingen van de woningen aan de [adres a] ([medeverdachte]) en de [adres] (verdachte) in Vlissingen en de garagebox aan de [adres], alsmede op het onderzoek naar het mobiele telefoonverkeer tussen [medeverdachte] en verdachte. De officier van justitie acht aannemelijk dat verdachte op de hoogte was van de locatie van de kluis en de procedures binnen Sports World, waaronder het vaste tweewekelijkse geldtransport op donderdagen. In dit kader wijst zij op de verhouding van verdachte met [medeverdachte], die ten tijde van het feit werkneemster was bij Sports World.

De verklaringen die verdachte en [medeverdachte] hebben afgelegd over de wijze waarop de bij de overval afgenomen telefoons weer in hun bezit zijn gekomen, hun verklaringen over de aangetroffen goederen in hun woningen en de garagebox, de verklaring van verdachte over de wijze waarop verdachte twee dagen na de overval een aangeschafte auto heeft betaald, acht de officier van justitie ongeloofwaardig en leugenachtig.

Ook de verklaring van verdachte, na confrontatie met het zendmastonderzoek, over zijn vermoedelijke aanwezigheid in de buurt van de winkel, acht de officier van justitie ongeloofwaardig en leugenachtig. In het bijzonder wijst zij op het verschil in de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] tegenover de politie op 5 april 2012 over het al dan niet bestaan van een verhouding tussen beiden ten tijde van de overval.

4.1.2 Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat het dossier geen bewijsmiddel bevat waaruit direct volgt dat verdachte de dader is van de overval. Er is slechts indirect bewijs en het ontbreekt aan aanknopingspunten waaruit afgeleid kan worden dat verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij de afpersing. De getuigen hebben slechts een summier signalement gegeven en verdachte voldoet daar niet aan. Andere rond sluitingstijd gesignaleerde personen voldoen wel aan het door [medeverdachte] en [slachtoffer 1] gegeven signalement. Uit het sms verkeer van verdachte blijkt dat hij niet de overvaller kan zijn geweest. Rond het tijdstip van de overval van 18.00 uur stuurde en ontving verdachte namelijk sms-berichten, terwijl daar door [medeverdachte] en [slachtoffer 1] geen melding van is gemaakt. Dat het contact tussen verdachte en [medeverdachte] later is stilgevallen kan verklaard worden door de schrik van [medeverdachte] als gevolg van het meemaken van de overval. Uit geen van de telefoontaps blijkt dat verdachte betrokken is geweest bij de overval. Dat verdachte in het bezit is gekomen van de telefoon van [slachtoffer 1] berust op toeval. Niet is aangetoond dat het geld van de overval is gebruikt voor de betaling van de auto die verdachte op 23 maart 2012 heeft gekocht. Tevens staat niet vast dat de goederen die bij [medeverdachte] zijn aangetroffen in de garagebox gebruikt zouden zijn bij de overval. De belastende verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] betreffen verklaringen van horen zeggen, die bovendien onbetrouwbaar zijn. Er is enkel sprake van indirect bewijs dat onvoldoende moet worden geacht om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte dient van dit feit te worden vrijgesproken.

4.1.3 Het oordeel van de rechtbank

Op woensdag 21 maart 2012 heeft tussen 18.00 en 18.20 uur, na sluitingstijd, een overval plaatsgevonden op de winkel Sports World, gelegen aan de Markt 45 te Middelburg. Twee medewerksters, [medeverdachte] en [slachtoffer 1] waren in het kantoor van de winkel bezig het kasgeld te tellen in aanwezigheid van een andere medewerker, [medewerker 1]. In het kantoor bevond zich ook de kluis. Na de controle op kasverschillen op de computer die elders stond, is [medewerker 1] buiten gelaten en zijn [medeverdachte] en [slachtoffer 1] teruggekeerd naar het kantoor om de kassazakken te sealen. [slachtoffer 1] liep het kantoor binnen en daarna [medeverdachte]. Toen [slachtoffer 1] de deur van het kantoor op slot wilde draaien, stond er een man met een helm op en twee messen in zijn handen die riep “geld” en “dat de kluis open moet”. [slachtoffer 1] heeft de banking-bags (zakken met geld) gegeven en werd gedwongen deze in een zwarte tas te stoppen die de man op de grond had gegooid. Beide medewerksters dienden hun mobiele telefoons af te geven. Na de medewerksters te hebben medegedeeld dat zij in het kantoor moesten blijven, is de man weggegaan . Blijkens de aangifte van [aangever] was in de banking-bags een bedrag van € 9.880,- in biljetten opgeborgen en is verder een bedrag van

€ 985,- aan muntgeld meegenomen. [aangever] heeft verklaard dat het geldtransport één maal in de veertien dagen op donderdag plaatsvindt . Naar aanleiding van deze overval heeft de politie een onderzoek ingesteld, waarbij [verdachte] en [medeverdachte] op een zeker moment als verdachten zijn aangemerkt.

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij de overvaller rond de 1.85 meter inschat, dat hij een normaal postuur had en probeerde om zich breed voor te doen. De man sprak volgens haar Nederlands. Zij heeft niet echt een accent gehoord. [slachtoffer 1] schat zijn leeftijd aan de hand van zijn stem tussen de 30 tot 35 jaar, maar door zijn houding jonger. Volgens [slachtoffer 1] droeg hij een blauwe jas, een soort GP-jas, een donkere helm met een zwart vizier waar het gezicht niet door heen te zien was en donkerkleurige handschoenen. De tas betrof een nylontas met trekkoord. De door [slachtoffer 1] afgegeven telefoon betrof een Nokia E72 .

[medeverdachte] heeft in haar aangifte verklaard dat de overvaller tussen 1.85 en 1.90 meter lang was, een zwarte helm met vizier droeg en dat van onder die helm zwarte rastaharen kwamen. Hij droeg volgens [medeverdachte] een zwarte jas met mogelijk grijze vlekken. Volgens [medeverdachte] sprak de overvaller Nederlands met mogelijk een Surinaams accent. De door haar aan de overvaller afgegeven mobiele telefoon betrof een witte BlackBerry, waarvan de luidspreker niet goed meer werkte . [medeverdachte] heeft de rastaharen omschreven als heel veel dunne vlechtjes die aan beide kanten van de helm hingen. Ze hingen tot op de schouders van de man of verder.

Op 19 juni 2012 is een doorzoeking uitgevoerd van de woning aan de [adres a] , bewoond door [medeverdachte]. In de woning werden [medeverdachte] en verdachte aangetroffen . Bij de doorzoeking zijn onder meer een nylon tas met trekkoord, een witte BlackBerry telefoon en een pruik met veel dunne vlechtjes in beslaggenomen. Voorts heeft een doorzoeking plaatsgevonden in een garagebox aan de [adres] die sedert april 2012 werd gehuurd door [medeverdachte]. Daar werden in beslag genomen twee integraalhelmen, beide met zwart vizier, van de merken Nolan, maat XSm en LS 2, maat M, een zwart met blauwe motorjas merk Lookwell en een plastic tas met zwarte kabelbinders . Bij de doorzoeking van de kamer van verdachte aan de [adres] op 19 juni 2012 werd een zwarte nylon tas met trekkoord in beslag genomen .

[slachtoffer 1] is op 21 juni 2012 met de in beslag genomen voorwerpen geconfronteerd. Daarbij herkende zij de jas, als de jas die door de overvaller werd gedragen, in het bijzonder aan de vlaggen op de mouwen. Van de helm weet zij dat deze dof was .

Ook [medeverdachte] is met foto’s van de in beslaggenomen goederen geconfronteerd. De motorjas die is getoond, herkende zij als de jas van verdachte. Over de aan haar getoonde foto met daarop een paspop met een pruik met lange dunne vlechtjes en daarover een zwarte helm met zwart vizier, heeft zij tegenover de politie verklaard dat de overvaller er ongeveer zo uit zag. Voorts heeft zij de pruik herkend als haar pruik en de helm als die van verdachte .

Uit de historie van de telefoongegevens van [medeverdachte] en verdachte van 21 maart 2012 kan worden opgemaakt dat tussen 14.27.25 uur en 14.33.38 uur tussen hen twee telefoongesprekken zijn gevoerd. Uit diezelfde gegevens volgt dat tussen 14.24.51 uur en 18.10.54 uur veel sms-berichten zijn verzonden en ontvangen door zowel verdachte als [medeverdachte] waarbij geen gegevens van de wederpartij zijn geregistreerd, maar waarbij wel zichtbaar is dat slechts enkele seconden verstrijken tussen een uitgaande sms van [medeverdachte] en een inkomende sms van [verdachte]. Na het sms-contact van 18.10.54 uur, waarbij met de telefoon van verdachte de zendmast in de Lange Noordstraat te Middelburg, gesitueerd in de nabijheid van de winkel is aangestraald, is het eerstvolgende gesprek dat [verdachte] voert om 18.40.21 uur waarbij dan gebruik gemaakt wordt van een zendmast in Vlissingen .

Verdachte heeft aanvankelijk bij de politie verklaard dat hij de dag van de overval alleen in Goes was. Geconfronteerd met de historie van zijn telefoongegevens van 21 maart 2012, verklaart verdachte dat als zijn telefoon de Lange Noordstraat in Middelburg heeft aangestraald, het kan zijn dat hij daar in de buurt heeft rond gereden .

Uit het onderzoek naar het telefoongebruik van verdachte door de politie blijkt dat verdachte met zijn telefoonnummer [telefoonnummer 1] tussen 25 maart 2012 en 27 maart 2012 gebruik heeft gemaakt van de bij de overval weggenomen telefoon (Nokia E 72) van [slachtoffer 1] met imei-nummer [A] . Ter terechtzitting heeft verdachte hierover verklaard dat hij de telefoon heeft gekocht van een junky en dat deze telefoon uit zijn jas is gevallen tijdens een rit op zijn scooter.

Vastgesteld is dat aan de bij de overval weggenomen en in beslag genomen telefoon (witte BlackBerry) van [medeverdachte] het imei-nummer [B] is gekoppeld. Op dit imei-nummer en op het nieuwe telefoonnummer van [medeverdachte] [tel[telefoonnummer]] is een afluisterprocedure gestart waarbij is gebleken dat op 8 juni 2012 de telefoon met genoemd imei-nummer in gebruik is met het nummer [telefoonnummer] . [medeverdachte] heeft hierover tegenover de politie verklaard dat zij op straat voor € 40,- een witte BlackBerry heeft gekocht van iemand van wie zij de naam niet wil noemen . Verdachte heeft over de witte BlackBerry verklaard hij deze op straat heeft gevonden en aan [medeverdachte] heeft gegeven .

Bij het sporenonderzoek na de overval werd voorts een tiewrap (kabelbinder) in de winkel gevonden . Deze tiewrap is vergeleken met de tiewraps die bij [medeverdachte] in beslag zijn genomen. Vastgesteld is dat deze tiewrap soortgelijk is aan de in beslag genomen tiewraps . Voorts is vastgesteld dat dergelijke tiewraps in de winkel niet gebruikt worden en de gevonden tiewrap is ook niet door de bedrijfsleider van de winkel als zodanig herkend .

Zowel verdachte als zijn medeverdachte [medeverdachte] hebben iedere betrokkenheid bij de overval ontkend.

Naar het oordeel van de rechtbank past verdachte, anders dan door de verdediging is betoogd, in het door [slachtoffer 1] en [medeverdachte] van de overvaller gegeven signalement.

De verdediging heeft weliswaar gesteld dat verdachte 1.75 m lang is en daarmee korter dan hoe groot [slachtoffer 1] de overvaller heeft ingeschat (1.85 m). Van een significant verschil is evenwel geen sprake. Het verschil kan zich laten verklaren door de impact van de overval op [slachtoffer 1] en het gegeven dat de overvaller een helm met vizier en een motorjas droeg en daardoor wellicht groter oogde. Daarnaast geldt in zijn algemeenheid dat het voor een getuige veelal lastig is om de lengte van iemand juist in te schatten.

Ook de omstandigheid dat verdachte Nederlands met een accent spreekt, impliceert niet dat hij niet binnen het door [slachtoffer 1] en [medeverdachte] gegeven signalement past. Zo heeft [medeverdachte] verklaard dat zij dacht dat de overvaller mogelijk met een Surinaams accent sprak. [slachtoffer 1] heeft weliswaar verklaard dat zij niet echt een accent heeft gehoord, maar uit haar verklaring en die van [medeverdachte] volgt dat niet veel woorden door de overvaller zijn gebruikt, zodat zij geen accent heeft behoeven op te merken. Voorts droeg de overvaller een helm met vizier hetgeen het vaststellen of iemand al dan niet met een accent spreekt er niet eenvoudiger op zal maken. De beschrijvingen van de overvaller door [medeverdachte] en [slachtoffer 1] zijn daarom op dit punt niet tegenstrijdig. Het verweer wordt verworpen.

Voorts volgt de rechtbank de verdediging niet in haar standpunt dat verdachte de overvaller niet geweest kan zijn omdat hij rond het tijdstip van de overval sms-berichten verstuurde en daarvan niets is opgemerkt door aangeefsters. Uit de historie van de telefoongegevens van verdachte volgt niet dat tussen 18.10 uur en 18.40 uur gebruik is gemaakt van de telefoon van verdachte. Evenmin is gebleken dat zijn telefoon in die periode nog een andere zendmast heeft aangestraald. Eerst om 18.40 uur, derhalve na de overval, straalt de telefoon van verdachte een zendmast in Vlissingen aan . De tijdstippen sluiten aan op de periode waarbinnen de overval heeft plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de beschreven gang van zaken met de op 21 maart 2012 weggenomen telefoons niet aan het toeval worden toegeschreven. De verklaringen van verdachte hierover ter terechtzitting en van [medeverdachte] tegenover de politie acht de rechtbank ongeloofwaardig. De ongeloofwaardigheid van beiden wordt naar het oordeel van de rechtbank geïllustreerd door hun verschillende verklaringen die zij op 5 april 2012 over de aard van hun verhouding hebben afgelegd .

Daarbij komt dat verdachte twee dagen na de overval, op 23 maart 2012, een Honda Civic heeft gekocht . Blijkens de verklaring van de verkoper is die auto betaald met twee biljetten van € 100,- en de rest met biljetten van € 50,-. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het ging om een bedrag van € 3.000,- dat hij contant heeft betaald. Het bevreemdt de rechtbank dat een dergelijk bedrag contant wordt betaald, zonder dat zichtbaar is dat daaraan voorafgaand een geldopname heeft plaatsgevonden. In dat verband verwijst zij naar het onderzoek naar de inkomsten en uitgaven van verdachte in de periode van 1 juni 2011 tot 30 april 2012, waaruit blijkt dat diens uitgaven de plausibel geachte inkomsten verre overtreffen . Ter terechtzitting heeft verdachte weliswaar verklaard dat hij thuis spaargeld bewaard heeft dat hij gebruikt voor betalingen maar over de omvang en herkomst van dat spaargeld heeft verdachte onvoldoende verklaring en inzicht geboden.

De rechtbank is op grond van het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, van oordeel dat de het niet anders kan zijn dan dat verdachte de overval op Sports World heeft gepleegd en dat hij daarbij nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn medeverdachte [medeverdachte].

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

4.2 Feit 2

4.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

Bij verdachte zijn bij de doorzoeking van zijn woning twintig nagenoeg nieuwe paren sportschoenen gevonden en in de woning van zijn medeverdachte [medeverdachte] twee paren, alle in de maat van verdachte. Uit de aangifte van [bedrijfsleider] namens Sports World blijkt dat van deze sportschoenen 13 paren geregistreerd staan als zijnde niet afgeboekt. Volgens het barcode systeem ontbreken 15 paren sportschoenen. In de telefoongesprekken tussen verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] wordt gesproken over het ontlabelen van schoenen. De merken Adidas en Nike worden daarin genoemd en de verdachten maken opmerkingen over het al of niet druk zijn in de winkel. Deze gegevens, gevoegd bij de omstandigheid dat medeverdachte [medeverdachte] ten tijde van de ten laste gelegde periode werkzaam was bij Sports World, maken volgens de officier van justitie dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden.

4.2.2 Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij 15 paar schoenen heeft gestolen bij Sports World. Er is ook geen bewijs dat verdachte de persoon is die de sportschoenen heeft weggenomen. De enkele vaststelling dat verdachte in het bezit is van sportschoenen afkomstig van Sports World is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van diefstal te komen.

4.2.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de doorzoeking van de woning van verdachte zijn op 27 juni 2012 negentien paren nieuwe en zo goed als nieuwe sportschoenen van het merk Adidas en Nike en één paar van het merk Gucci aangetroffen. In de woning van [medeverdachte] is voorts één paar zo goed als nieuwe sportschoenen van het merk Adidas in beslag genomen .

De bedrijfsleider [bedrijfsleider] van Sports World heeft verklaard dat tenminste 13 paren schoenen afkomstig waren uit zijn winkel. Hij verklaarde dat hij dat kan zien omdat de schoenen bij Sports World een unieke bedrijfscode krijgen die in relatie staat tot de code die de schoenen van de fabrikant krijgt. Aan de code kon [bedrijfsleider] ook zien welke maat het betreft en dat deze uit zijn winkel komen omdat ze zijn gemist op de voorraadlijst van de balans die hij kort na de overval heeft opgemaakt. Volgens [bedrijfsleider] zijn de schoenen zeer waarschijnlijk door een interne medewerker meegenomen omdat de schoenen die in de winkel staan alle een beveiliging hebben . De verklaring van aangever over de uit de winkel verdwenen sportschoenen komt overeen met de bevindingen van het onderzoek naar het registratiesysteem van Sports World . Uit het vele telefoonverkeer tussen verdachte en [medeverdachte] valt de rechtbank het in het bijzonder op dat verdachte op 16 juni 2012 vraagt naar ontlabelde schoenen te kijken van het merk Nike of Adi (Adidas) terwijl [medeverdachte] opmerkingen maakt over de drukte in de winkel. Verdachte heeft hiervoor ter terechtzitting geen afdoende verklaring kunnen geven en ook niet voor de aanwezigheid van de schoenen in zijn woning. Zijn verklaring tegenover de politie dat voor de schoenen is betaald volgt niet uit de bevindingen uit het onderzoek. Ook de stelling van verdachte bij de politie dat hij een deel van de schoenen van zijn oom heeft gehad, is niet gestaafd door enige onderbouwing. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van sportschoenen en dat hij en zijn medeverdachte [medeverdachte] daarbij nauw en bewust hebben samengewerkt. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

4.3 Feit 3

4.3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen. Zij wijst op het volgende. Uit de aangifte blijkt dat drie personen de code van het alarmsysteem kenden, waaronder medeverdachte [medeverdachte]. Dat juist de code van de medeverdachte niet is gebruikt om het alarm uit te schakelen verzwaart de verdenking tegen verdachte. Verdachte en medeverdachte kenden elkaar al langer, ook in juli 2011. Kort na de diefstal, op 13 juli 2011, schaft verdachte zich een auto aan. Er worden schulden contant afbetaald en er worden een motor, een scooter, trouwringen gekocht en een reis betaald met contant geld. Dit contante geld wordt niet gestaafd door opnames van bankrekeningen van verdachte en de medeverdachte. Ook is niet vast komen te staan dat verdachte deze uitgaven heeft kunnen betalen van spaargeld uit de periode waarin hij werkte. De omvang van verdachtes ziektewet-uitkering kan evenmin de uitgaven verantwoorden. Gelet op de bewijsmiddelen moet worden aangenomen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] de diefstal samen hebben gepleegd.

4.3.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat niet vastgesteld kan worden wie de kluisroof heeft gepleegd. Er ontbreekt een signalement van de dader. Verdachte ontkent betrokkenheid en er is ook geen direct bewijs van. Medeverdachte [medeverdachte] was weliswaar één van de drie personen die op de hoogte waren van de kluiscode en de alarmcode en de beschikking hadden over een sleutel van de winkel, maar zij had als enige van de drie niet de beschikking van de sleutel van de tussendeur. Die sleutel werd wel eens uitgeleend en het is niet ondenkbaar dat wel eens werd meegekeken bij het openen van de kluis. Bovendien gebeurde het in- en uitschakelen van het alarm met de code van [medewerker 2] en die van [medewerker 3]. Verdachte kende [medeverdachte] ten tijde van de kluisroof wel maar had daar nog geen of weinig contact mee. Er blijkt op generlei wijze van wetenschap van verdachte over codes en dergelijke van Sports World. De verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] kunnen niet bijdragen tot bewijs vanwege hun onbetrouwbaarheid. Bovendien is niet aangetoond dat verdachte meer heeft uitgegeven dan hij heeft ontvangen. Ook thans heeft verdachte nog schulden die niet zijn afbetaald en hij was al aan het afbetalen voor de datum van 11 juli 2011.

4.3.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 11 juli 2011 is door [medewerker 2] namens Sports World aangifte gedaan van diefstal van

een bedrag van € 24.500,-, zijnde de dagopbrengst van anderhalve week, uit de kluis van de winkel. [medewerker 2] verklaarde dat de diefstal eerst op de avond van 11 juli 2012 is ontdekt.

Aangever realiseerde zich dat op de ochtend de sleutel van de kluis uit de kluisdeur stak, hetgeen niet hoort. Hij verklaarde dat het alarm van 00.20 met behulp van code 7 was afgeschakeld (toebehorend aan [medewerker 3]) en met behulp van code 6 (toebehorend aan [medewerker 2]) om 00.40 uur weer was ingeschakeld. Naast [medewerker 3] en [medewerker 2] is [medeverdachte] volgens [medewerker 2] in het bezit van een alarmcode. Deze personen kenden ook de cijfercombinatie van de kluis en hadden een sleutel van de voordeur en de achterdeur van de winkel. Er was één sleutel van de kluis in de winkel. De aangever acht het niet uitgesloten dat wel eens is meegekeken met de alarmcode en de cijfercombinatie . [medewerker 2] heeft voorts verklaard dat het weggenomen bedrag bestond uit papiergeld. Het waren volgens hem veel 50 euro biljetten .

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij pas sinds oktober 2011 een verhouding met [medeverdachte] heeft. Uit het proces-verbaal van aangifte door verdachte van bedreiging d.d. 5 april 2012 volgt evenwel dat verdachte op die datum tegen de politie heeft verklaard dat hij sinds vorig jaar een relatie heeft met [medeverdachte] . [medeverdachte] omschrijft verdachte als een vriend die zij al vanaf klein kent . Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte en [medeverdachte] elkaar ten tijde van het feit al kenden en contact met elkaar hadden.

Op 17 april 2012 heeft [getuige 1] tegenover de politie verklaard dat hij heeft gehoord dat de nieuwe vriend van [medeverdachte] de kluis heeft opengemaakt met codes van ander personeel of dat zij, [medeverdachte] en haar vriend, dat samen hebben gedaan. [getuige 1] heeft gehoord dat [medeverdachte] een keer een plastic zak met heel veel 50 euro briefjes had en dat het om ongeveer € 28.000,- ging. Verdachte heeft [getuige 1] zelf verteld dat het uren duurde om dat geld te tellen om boetes te betalen. “Opa”, zo was de bijnaam van verdachte, had [getuige 1] ook verteld dat hij nog € 10.000,- boetes en deurwaardersschulden had. Met het geld van [medeverdachte] had “Opa” zijn schulden betaald . Tegenover de rechter-commissaris heeft deze getuige verklaard dat hij zijn informatie, voor zover hij dit heeft gehoord, van een familielid van verdachte heeft . Aan [getuige 2] heeft [getuige 1] verteld hetgeen hij tegenover de politie heeft verklaard . Ter zitting heeft verdachte bevestigd dat zijn bijnaam “Opa” is.

Anders dan de verdediging heeft gesteld, komen de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] de rechtbank niet ongeloofwaardig en onbetrouwbaar voor. Naar haar oordeel vinden deze verklaringen steun in het bestedingspatroon van verdachte na de datum van het feit.

Uit het onderzoek dat hier naar is gedaan blijkt dat de contante uitgaven van verdachte, die onderzocht zijn over de periode van 1 juni 2011 tot 30 april 2012, de inkomsten verre overtreffen . Vast staat dat verdachte op 12 juli 2011 twee betalingen heeft gedaan die in mindering hebben gestrekt op een boete. Op 11 juli 2011 vond een contante storting door verdachte plaats voor een deurwaardersschuld van € 946,74. Op 13 juli 2011 heeft verdachte een auto van het merk Honda Civic aangeschaft voor een bedrag van € 7.000,-, die contant is betaald . Op een zaterdag kort na het feit heeft verdachte een motor aangeschaft van

€ 1.300,- die volgens de verkoper met biljetten van € 50, - is betaald . Uit de verklaring van getuige [getuige 3] volgt dat op 12 november 2011 bij een reisbureau een contante betaling is gedaan voor een reis van verdachte en [medeverdachte] naar de Antillen van € 1.100,- in biljetten van € 20,- . Vast staat dat deze uitgaven zijn gedaan voordat verdachte een uitkering van zijn autoverzekering ontving in januari 2012. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij betalingen heeft gedaan van spaargeld dat hij thuis bewaarde. Dat geld zou hij overgehouden hebben van zijn werk bij Cobelfret te Vlissingen. De rechtbank stelt vast dat verdachte over de omvang van dat vermeende spaargeld ter terechtzitting en tegenover de politie onvoldoende verklaring en inzicht heeft geboden .

De omstandigheid dat [medeverdachte] niet over de sleutel van de tussendeur beschikt zoals door de verdediging is aangevoerd, neemt niet weg dat zij de sleutel ook op andere wijze had kunnen verkrijgen. Uit de door aangever en overige bij Sports World werkzame personen afgelegde verklaringen komt het beeld naar voren dat niet altijd even zorgvuldig werd omgegaan met sleutels en codes. Ook de omstandigheid dat enkel de codes van [medewerker 3] en [medewerker 2] zijn gebruikt voor het aan- en afmelden van het alarm, impliceren niet dat het feit niet door verdachte en medeverdachte [medeverdachte] kan zijn gepleegd. In die omstandigheid ziet de rechtbank juist de geraffineerdheid tot uitdrukking komen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte], die wel de gelegenheid heeft gehad om mee te kijken naar codes van anderen. Door die codes te gebruiken is de verdenking in eerste instantie immers uitgegaan naar [medewerker 3] en [medewerker 2].

De rechtbank komt gelet op de bewijsmiddelen in onderling verband beschouwd tot de conclusie dat verdachte samen met [medeverdachte] het feit heeft begaan en dat beiden daarin nauw en bewust hebben samengewerkt.

De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen.

4.4.1 Feit 5

4.4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de aangifte en gelet op het bloedspoor dat in de auto is gevonden waarvan een match met het DNA-profiel van verdachte is vastgesteld. Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de aanwezigheid van het bloedspoor. De diefstal past bij het merk auto, Honda Civic, waar verdachte gebruik van maakt.

4.4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat uit de aanwezigheid van het bloedspoor niet direct de conclusie kan volgen dat verdachte het feit heeft begaan. Het bloedspoor is slechts aangetroffen op folders die in de auto lagen. Voorts blijkt van een verschil in nummering van het veilig gestelde bloedspoor en de bemonstering van het spoor dat naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is gestuurd. Daarom kan niet vastgesteld worden dat het spoor dat in de auto is gevonden, afkomstig is van verdachte.

4.4.4 Het oordeel van de rechtbank

[slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan van een inbraak in zijn auto gepleegd tussen 29 april 2010 en 30 april 2010 waarbij een kist van een subwoofer (een bassbox) en de hoedenplank met speakers zijn weggenomen .

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de portierruit van het rechter voorportier was vernield en dat er in het voertuig veel glassplinters lagen. De hoedenplank met speakers en een bassbox waren verdwenen. Duidelijk zichtbaar was een bloedvlek op een vel papier dat lag op de plaats waar de bassbox was weggenomen. Dit bloedspoor is veilig gesteld door de politie . De DNA-kit is ontvangen door [verbalisant] van de Technische Recherche en door hem naar het NFI verzonden . Het NFI heeft het vergeleken met het DNA dat van verdachte is afgenomen. Het NFI is tot de conclusie gekomen dat het bloedspoor, waarvan een enkelvoudig profiel is vastgesteld, matcht met het wangslijmvliesmonster dat van verdachte is afgenomen. De kans dat het spoor matcht met het DNA van een ander dan verdachte wordt door het NFI op kleiner dan één op één miljard geschat .

Het sporenmateriaal is blijkens het proces-verbaal van 7 mei 2010 met sporendragerszak nummer 508884 op de voorgeschreven wijze voor verdere verwerking aangeboden aan het NFI. Het nummer komt overeen met het nummer genoemd in het proces-verbaal van 30 april 2010. In het proces-verbaal van 7 augustus 2012 wordt de wijze van afhandeling op 30 april 2010 nogmaals gerelateerd. Daarin wordt als nummer van de sporendragerszak 50884 vermeld. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het hier om een kennelijke verschrijving gaat waarbij één 8 is weggevallen. Aanknopingspunten dat nog een andere sporendragerszak aan het NFI is aangeboden, heeft de rechtbank ook niet gevonden. Er is daarom geen reden om het resultaat van het onderzoek door het NFI van het bewijs uit te sluiten.

Anders dan de verdediging acht de rechtbank het niet aannemelijk dat het bloedspoor door een ander dan verdachte in de auto is achtergelaten. Zij wijst in dit verband op het proces-verbaal van aangifte. De aangever verklaart daarin dat hij de bloedsporen heeft aangetroffen op foldertjes die in zijn auto lagen en dat deze nog op dezelfde plaats lagen. Aanwijzingen dat aan de juistheid van deze verklaring moet worden getwijfeld heeft de rechtbank niet gevonden. Van omstandigheden die wijzen op een alternatieve mogelijkheid voor de aanwezigheid van het bloed op de foldertjes is naar het oordeel van de rechtbank evenmin gebleken. Verdachte heeft zich tijdens zijn verhoor bij de politie en ter terechtzitting over dit feit op zijn zwijgrecht beroepen.

De conclusie van het NFI en de daarbij aangelegde maatstaf, is voor de rechtbank doorslaggevend voor haar oordeel dat verdachte, wiens belangstelling voor het automerk Honda tijdens het onderzoek is gebleken , het ten laste gelegde feit heeft begaan.

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen.

4.5.1 Feit 6 en feit 7

4.5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft hierover verklaard dat het aangetroffen vuurwapen en de munitie van hem zijn en dat hij deze voorhanden heeft gehad.

4.5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt dat, ondanks het feit dat verdachte het vuurwapen en de munitie bezat, hij nimmer de bedoeling heeft gehad deze ook daadwerkelijk te gebruiken. De reden van het bezit was gelegen in de omstandigheid dat hij meerdere malen was bedreigd door [getuige 2].

4.5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft geconstateerd dat - nu verdachte de navolgende feiten heeft bekend - de situatie als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, zich voordoet. De rechtbank kan derhalve volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht de onder 6 en 7 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van het onderzoek voorwerpen m.b.t. Wet wapens en munitie ;

- het proces-verbaal van bevindingen van 19 juni 2012 ,

- het proces-verbaal van bevindingen van 20 juni 2012 ,

- het proces-verbaal van verhoor verdachte van 19 juni 2012 ,

- kennisgeving van inbeslagneming ,

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 november 2012.

De rechtbank overweegt dat de bedoeling van verdachte om het wapen en de munitie niet te gebruiken voor de beoordeling van het voorhanden hebben daarvan niet relevant is.

4.6 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

(Feit 1)

hij op 21 maart 2012 te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met

geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van 10.865 euro en een GSM (Nokia) toebehorende aan Sports World The Netherlands BV (geld) en [slachtoffer 1] (Nokia) welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte steekbewegingen met twee in zijn, verdachtes, hand gehouden messen richting die [slachtoffer 1] en [medeverdachte] heeft gemaakt, en daarbij de woorden heeft toegevoegd (zakelijk weergegeven): "geld." en/of "maak de kluis

open." en “geef me jullie gsm's.";

(Feit 2)

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 juni 2012 te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander telkens met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen 15 paar sportschoenen (merk Nike en/of Adidas), toebehorende aan Sports World The Netherlands B.V.;

(Feit 3)

hij op 11 juli 2011 te Middelburg tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kluis in een pand aan de Markt heeft weggenomen 24.500 euro, toebehorende aan Sports World The Netherlands B.V., waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

(Feit 5)

hij op of omstreeks 30 april 2010 te Middelburg met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto ([merk en kenteken]) heeft weggenomen een bassbox/kist van een subwoofer en hoedenplank, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

(Feit 6)

gevoegd parketnummer: 12/715219-12:

hij op 19 juni 2012 te Vlissingen een vuurwapen van categorie II, te weten een heimelijk vuurwapen gelijkend op een sleutelhanger categorie II onder 4 voorhanden heeft gehad;

(Feit 7)

gevoegd parketnummer 12/715219-12:

hij op 19 juni 2012 te Vlissingen munitie van categorie III, te

weten 7 kogelpatronen (merk RWS, kaliber .22), voorhanden heeft gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 42 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht voor alle feiten gezamenlijk. Van die feiten acht zij de overval op 21 maart 2012 het meest ingrijpend. Zij verwijst naar de slachtofferverklaring die door [slachtoffer 1] ter terechtzitting is afgelegd. Verdachte heeft reeds meerdere vermogensdelicten begaan. Zij ziet daarom geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Gelet op de bepleite vrijspraak voor de feiten 1, 2, 3 en 5 dient voor de feiten 6 en 7 een passende straf opgelegd te worden waarbij rekening gehouden dient te worden met het feit dat verdachte voor deze feiten first-offender is en met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting alsmede uit de reclasseringsrapportage is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging plegen van een overval met messen op de winkel Sports World te Middelburg, waarbij zij een groot geldbedrag hebben buitgemaakt. Het spreekt voor zich dat een dergelijke gewapende overval voor de slachtoffers daarvan bijzonder traumatisch is. Dat zulks ook geldt voor het slachtoffer in deze zaak, mevrouw [slachtoffer 1], blijkt uit haar ter zitting uitgesproken slachtofferverklaring. In die verklaring heeft zij verwoord wat voor haar de gevolgen van de overval zijn geweest. Bij die gevolgen heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan; hij heeft, samen met zijn medeverdachte, alleen zijn eigen geldelijk voordeel voor ogen gehad. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op een oneerlijke manier aan geld te komen. Bij de diefstal uit de kluis van Sports World in juli 2011, waarbij eveneens een groot geldbedrag is buitgemaakt, was dit niet anders. Voorts heeft verdachte samen met zijn medeverdachte gedurende een periode een hoeveelheid sportschoenen ontvreemd bij Sports World in Middelburg. Tenslotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan diefstal met braak uit een auto in 2010 en is bij hem een vuurwapen met munitie aangetroffen.

Deze feiten brengen grote onrust en onveiligheid in de samenleving en nog meer in het bijzonder bij degenen die in, in beginsel, voor ieder toegankelijke winkels hun werk moeten verrichten. Daarbij komt dat in het geval van verdachte in zijn samenwerking met de medeverdachte ook het vertrouwen van een werkgever en collega’s is geschaad.

Naar het oordeel van de rechtbank is een forse straf voor verdachte hierbij passend en geboden. De rechtbank wijkt hierbij ten nadele van verdachte af van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank wel ruimte voor een voorwaardelijk deel bij de op te leggen straf. Dit brengt met zich dat Voorwaardelijke Invrijheidsstelling niet aan de orde is. Dit betekent dat verdachte feitelijk langer in detentie zal moeten doorbrengen, hetgeen wordt gerechtvaardigd door de ernst van de feiten in combinatie met de voor dergelijke feiten gebruikelijk op te leggen straffen conform de oriëntatiepunten van het LOVS. De rechtbank zal aan verdachte opleggen, rekening houdend met voornoemde oriëntatiepunten en het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte d.d. 25 juni 2012 waaruit blijkt dat hij niet uitvoerig met vermogensdelicten bekend is, een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Het voorwaardelijke deel van de straf zal dienen als een stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden opnieuw soortgelijke feiten te plegen.

Het hiervoor overwogene impliceert dat de rechtbank aan de beoordeling van het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis niet meer toe komt.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij vordert ter zake van het ten laste gelegde feit een schadevergoeding van € 1.737,19 waarvan € 1.000,- wegens immateriële schade, € 312,02 voor het verlies van haar mobiele telefoon, € 29,70 en € 12,57 voor medicatie, € 350,40 voor verlies van arbeidsinkomen, € 22,50 voor reiskosten, en € 10,- voor overige kosten (telefoonkosten).

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij met een hoofdelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen, dan wel niet ontvankelijk dient te worden verklaard. De beoordeling van de immateriële schade is moeilijk te beoordelen en zou een onevenredige belasting van het strafproces met zich brengen. Ook het onderzoek naar de waarde van de telefoon wordt te belastend geacht. Van de medicatie zijn geen bonnen overgelegd en voor de beoordeling van het verlies van arbeidsvermogen ontbreekt het loonstrookje. Ook de beoordeling van laatstgenoemde posten wordt te belastend geacht.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij immateriële schade ter hoogte van € 1000,- heeft geleden, dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit 1 en dat verdachte aansprakelijk is voor deze schade. De benadeelde partij heeft haar vordering op dit punt onderbouwd. De verdediging heeft de vordering naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat de vordering toewijsbaar is.

Met betrekking tot de door de benadeelde partij gevorderde materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde schade heeft ondervonden als gevolg van het verlies van de telefoon. Uit de overgelegde bon maakt de rechtbank op dat deze telefoon twee jaar oud was. De benadeelde partij is bij haar vordering uitgegaan van de nieuwwaarde en heeft geen rekening gehouden met een waardevermindering als gevolg van het gebruik van de telefoon. De rechtbank zal dat wel doen en begroot de schade op een bedrag van € 100,-, zodat de vordering voor zover deze ziet op schade als gevolg van het verlies van de telefoon tot dat bedrag toewijsbaar is en voor het overige dient te worden afgewezen.

De opgevoerde posten voor medicijngebruik ter hoogte van € 29,70 en 12,57 acht de rechtbank voldoende onderbouwd, zodat ook dit deel van de vordering toewijsbaar is.

De gevorderde reiskosten ad € 22,50 en overige kosten ad € 10,00 zijn niet betwist en derhalve eveneens toewijsbaar.

Het gevorderde bedrag voor het verlies van arbeidsinkomen is door de verdediging gemotiveerd betwist. De rechtbank is van oordeel dat een nadere onderbouwing van het bedrag, waarvoor de strafzaak zou moeten worden aangehouden tot een nader te bepalen tijdstip, gelet op de ernst van het feit en de daarbij betrokken partijen een onevenredige belasting van het strafproces met zich zal brengen. Zij zal de benadeelde partij voor dit deel van de gestelde schade niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop feit 1 is gepleegd. Voor het toegekende deel van de vordering dat in totaal € 1.174,77 bedraagt, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen. De rechtbank zal de vordering voorts hoofdelijk toewijzen.

Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert dat de onder verdachte in beslag genomen schoenen teruggegeven kunnen worden aan de rechthebbende.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de in beslag genomen goederen, met uitzondering van het vuurwapen (sleutelhanger) en de munitie, te retourneren aan verdachte. Het betreft schoenen en de tas.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat feit 1 is begaan met behulp van deze voorwerpen.

Van de in beslag genomen sportschoenen staat vast dat vijftien paren bij Sports World geregistreerd staan als niet verkocht en niet meer aanwezig in de winkel. De rechtbank zal de teruggave gelasten van deze schoenen gelasten aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende is aan te merken.

Van de overige bij verdachte aangetroffen sportschoenen kan niet worden vastgesteld dat deze van diefstal afkomstig zijn. De rechtbank gelast de teruggave van deze schoenen aan [verdachte].

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36b, 36c, 36f, 47, 310, 311, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.6 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2:diefstal door twee of meer verenigde personen;

feit 3:diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;

feit 5: diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

feit 6: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid van de Wet wapens en munitie;

feit 7: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 40 (veertig) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde in beslag genomen voorwerpen, genummerd: 224504 en 231711;

- gelast de teruggave aan de rechthebbende (Sports World te Middelburg) van de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde in beslag genomen voorwerpen, genummerd 228830, 228833, 228836, 228849, 228853, 228870, 228882, 228883, 228887, 228890, 228994, 228897, 228901, 228902, 228909;

- gelast de teruggave aan [verdachte] van de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst in beslag genomen voorwerpen, genummerd 228861,228867, 228869, 228876, 228877, 228903.

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres benadeelde partij] van € 1.174,77 ter zake van immateriële en materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 21 maart 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door de mededader is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij de vordering niet-ontvankelijk voor zover deze ziet op de vergoeding van het verlies van arbeidsinkomen en bepaalt dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- wijst de vordering voor het overige af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] wonende te [adres benadeelde partij], € 1.174,77 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 21 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Oijen, voorzitter, mr. Van der Ploeg-Hogervorst en

mr. Borm, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Evenhuis, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 december 2012.

Mr. Van der Ploeg-Hoogervorst is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.