Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BY4585

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
29-11-2012
Zaaknummer
82493 / HA RK 12-26
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deelgeschilprocedure. Verklaring voor recht verzocht betreffende aansprakelijkheid van de oogarts die een ooglaserbehandeling heeft uitgevoerd voor de door verzoeker gestelde schadelijke gevolgen van die ingreep. Tussen partijen bestaan diverse geschilpunten, waarop eerst nadat nadere bewijsvoering en deskundige voorlichting en onderzoek heeft plaatsgevonden, een beslissing kan worden genomen. De beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag zal naar het oordeel van de rechtbank gelet daarop een aanzienlijke investering in tijd en geld vergen. Nu niet alleen het verwijtbaar handelen van verweerder onderdeel van debat is tussen partijen, maar ook het causaal verband tussen het verweten nalaten en de klachten van verzoeker gemotiveerd wordt betwist, is voorts nog bepaald onzeker of een beslissing van de rechtbank een vaststellingsovereenkomst naderbij zal brengen. Het verzoek wordt afgewezen op grond van artikel 1019z Rv, nu de rechtbank van oordeel is dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 82493 / HA RK 12-26

Beschikking van 13 juni 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Veere,

verzoeker,

advocaat mr. G.R. Janson te Rotterdam,

tegen

[verweerder],

wonende te Oostburg,

verweerder,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en [verweerder] genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift

- het verweerschrift

- de mondelinge behandeling op 23 april 2012.

2. De feiten

2.1. [verweerder] is als oogarts verbonden aan het dr. Brinkhorst Eye Center, hierna: BEC, te Oostburg.

2.2. Op 10 november 2005 is [verzoeker] bij [verweerder] geweest voor een vooronderzoek in het kader van een door [verzoeker] voorgenomen ooglaserbehandeling, een zogenaamde zyoptix-behandeling.

2.3. Tijdens het vooronderzoek is vastgesteld dat [verzoeker] aan bijziendheid leed, hij in enige mate last had van staar en van verstrooiing van licht (glare genaamd). Er werd een gezichtsscherpte gemeten van 0,8, zijn rechter oog kende een sterkte van -8,25 en zijn linker oog van -7,00.

2.4. [verzoeker] heeft op 11 december 2005 een ‘Verklaring tot het instemmen met een medische ingreep’ ondertekend.

2.5. Op 15 december 2005 heeft de ooglaserbehandeling plaatsgevonden.

2.6. [verzoeker] heeft na de ingreep klachten geuit over onvoldoende gezichtsscherpte en een verergerde mate van nachtblindheid en glare. [verweerder] heeft tijdens de controle op 18 mei 2006 voorgesteld een nabehandeling uit te voeren, maar daar heeft [verzoeker] vanaf gezien.

2.7. Bij brief d.d. 11 december 2007 heeft [verzoeker] twee klachten tegen [verweerder] ingediend bij de Klachtencommissie Ziekenhuis Zeeuws-Vlaanderen. De eerste klacht, inhoudende dat [verweerder] de operatie niet had mogen uitvoeren in verband met de aanwezigheid van staar, wordt ongegrond verklaard. De tweede klacht, inhoudende dat [verweerder] de operatie onzorgvuldig heeft uitgevoerd, meer in het bijzonder dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de mate van pupilverwijding in het donker, althans met de nachtblindheid van [verzoeker], acht de Klachtencommissie wel gegrond. Zij overweegt daartoe aan de hand van de brief van de door haar ingeschakelde deskundige, de heer G. van Rij, oogarts, dat de optische zone weliswaar is behandeld in overeenstemming met de geldige richtlijn, maar dat de door [verzoeker] aangevoerde klachten ten aanzien van nachtblindheid door de voorgenomen behandeling niet zouden afnemen en waarschijnlijk zelfs zouden toenemen. De Klachtencommissie overweegt voorts dat haar niet is gebleken dat [verweerder] [verzoeker] voldoende heeft gewezen op het risico dat de klachten bij het autorijden in het donker zouden kunnen toenemen en dat zij het er dus voor dient te houden dat [verzoeker] niet, althans onvoldoende is gewezen op dat risico.

3. Het geschil

3.1. [verzoeker] verzoekt te verklaren voor recht dat [verweerder] aansprakelijk is voor (naar de rechtbank begrijpt, en kennelijk [verweerder] ook heeft begrepen: de door [verzoeker] gestelde schadelijke gevolgen van) de onderhavige medische ingreep. Voorts verzoekt hij de kosten te begroten op € 7.180,52 en veroordeling van [verweerder] in de proceskosten. Hij stelt daartoe dat uit de uitspraak van de klachtencommissie blijkt dat redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoten de operatie bij hem niet hadden uitgevoerd, zodat sprake is van medisch onzorgvuldig handelen. Volgens [verzoeker] ontbreekt in casu de informed consent en had hij, indien [verweerder] hem destijds wel had gewaarschuwd voor de mogelijke verergering van de klachten, de ingreep niet laten plaatsvinden. [verzoeker] betwist dat aanvullend medisch onderzoek noodzakelijk is, nu in het kader van de procedure bij de klachtencommissie al door een deskundige is gerapporteerd.

3.2. [verweerder] voert verweer. Hij stelt primair dat het verzoekschrift nietig is nu het niet voldoet aan de daaraan in artikel 1019x lid 3 gestelde eisen. Subsidiair is [verweerder] van mening dat de zaak zich niet leent voor behandeling in een deelgeschil nu nader deskundigenonderzoek nodig is om causaliteit tussen medisch handelen en klachten vast te stellen en aard en omvang c.q. ernst van de klachten te bepalen en beslechting van het onderhavige geschil geen (voldoende) bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Voorts betwist hij de stelling van [verzoeker] betreffende het ontbreken van een informed consent. Meer subsidiair betwist [verweerder] aansprakelijk te zijn voor de door [verzoeker] gestelde schade. Tenslotte betwist hij de verschuldigdheid en de hoogte van de kosten voor indiening en behandeling van het deelgeschil.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank overweegt dat het meest verstrekkende verweer van [verweerder], betreffende de nietigheid van het verzoekschrift, niet op gaat. Mocht er al sprake van zijn dat het verzoekschrift niet voldoet aan de in de artikelen 278 en 1019x lid 3 Rv gestelde eisen, dan brengt dit, anders dan [verweerder] stelt, geen nietigheid van het verzoekschrift met zich mee.

4.2. De rechtbank komt dan toe aan beoordeling van de vraag of de onderhavige zaak zich leent voor behandeling als deelgeschil, zoals [verzoeker] stelt en [verweerder] betwist.

4.3. De rechtbank overweegt dat een deelgeschilprocedure is bedoeld voor de situatie waarin partijen in het buitengerechtelijke onderhandelingstraject stuiten op geschilpunten die de buitengerechtelijke afwikkeling belemmeren. Partijen vragen in een deelgeschilprocedure de rechter om op die geschilpunten te beslissen, zodat zij vervolgens verder kunnen met de buitengerechtelijke onderhandelingen, met als doel het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Gelet op de ratio van de deelgeschilprocedure om middels een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechtbank ingevolge artikel 1019z Rv te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moet aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren.

4.4. Bij de beoordeling van de vraag of het onderhavige geschil zich leent voor beoordeling in een deelgeschilprocedure stelt de rechtbank voorop dat in de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade is vermeld dat ook de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschilprocedure aan de orde kan komen. Net als bij andere deelgeschillen zal moeten worden beoordeeld of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure.

4.5. Uit hetgeen door [verzoeker] met name ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren is gebracht volgt dat zijn primaire stelling is dat de informed consent ontbrak en dat hij de operatie nooit had laten doen als hij voldoende was ingelicht over de risico’s met betrekking tot nachtblindheid. Hij verwijst naar de uitspraak van de Klachtencommissie, die zijn tweede klacht, inhoudende dat [verweerder] de operatie onzorgvuldig heeft uitgevoerd, meer in het bijzonder dat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de mate van pupilverwijding in het donker, althans met de nachtblindheid van [verzoeker], gegrond heeft verklaard.

De rechtbank overweegt dat de enkele uitspraak van de Klachtencommissie onvoldoende is om te kunnen concluderen dat [verweerder] aansprakelijk is voor de klachten die [verzoeker] thans ondervindt, met name betreffende nachtblindheid. De Klachtencommissie heeft -zo blijkt uit haar uitspraak- aan een deskundige de vraag voorgelegd of [verweerder] bij de operatie voldoende rekening heeft gehouden met de mate van pupilverwijding in het donker, althans de nachtblindheid van [verzoeker]. Die deskundige concludeert dat de optische zone weliswaar is behandeld in overeenstemming met de geldige richtlijn, maar geeft aan dat de door [verzoeker] aangevoerde klachten ten aanzien van nachtblindheid door de voorgenomen behandeling niet zouden afnemen en waarschijnlijk zelfs zouden toenemen. Voorts heeft de deskundige aan de Klachtencommissie medegedeeld dat hij hoopt dat de patiënt werd verteld dat de problemen van nachtblindheid hoogstwaarschijnlijk niet zouden afnemen door de behandeling, maar waarschijnlijk zelfs toenemen en dat, indien de patiënt onvoldoende gewaarschuwd is voor het mogelijk toenemen van de klachten bij autorijden in de nacht, hij de klacht ten minste gedeeltelijk gegrond vindt. De Klachtencommissie overweegt vervolgens dat haar niet is gebleken dat [verweerder] [verzoeker] voldoende heeft gewezen op het risico dat de klachten bij het autorijden in het donker zouden kunnen toenemen en dat zij het er dus voor dient te houden dat [verzoeker] niet, althans onvoldoende is gewezen op dat risico.

Uit de uitspraak van de Klachtencommissie blijkt aldus niet, althans onvoldoende, dat in het kader van de klachtenbehandeling daadwerkelijk onderzocht is of [verzoeker] voorafgaand aan de operatie voldoende was ingelicht over de risico’s die deze operatie met zich mee kon brengen, met name ten aanzien van de nachtblindheid. De aan de deskundige voorgelegde vraagstelling was daar in ieder geval niet op gericht, en de deskundige heeft daarover ook geen uitspraak gedaan.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het deelgeschil is gebleken dat partijen van mening verschillen over de vraag of [verzoeker] door [verweerder] voorafgaand aan de operatie was ingelicht over de risico’s daarvan, met name betreffende nachtblindheid. [verweerder] heeft aangegeven [verzoeker] ook op dit punt te hebben voorgelicht en betwist dat de informed consent ontbreekt. Nu aan de hand van de stukken die zich in het dossier bevinden niet kan worden vastgesteld welke informatie voorafgaand aan de operatie door [verweerder] aan [verzoeker] is verstrekt is op dit punt nadere bewijslevering noodzakelijk.

4.6. Voorts staat gelet op de gemotiveerde betwisting door [verweerder] niet vast dat er sprake is van een causaal verband tussen de klachten van [verzoeker] en de operatie door [verweerder]. Door [verweerder] is namelijk onweersproken gesteld dat [verzoeker] na de door hem uitgevoerde operatie nog een operatie heeft ondergaan. Vooralsnog is dan ook niet uitgesloten dat de klachten van [verzoeker] mogelijk een andere oorzaak hebben dan de door [verweerder] uitgevoerde operatie. Daartoe is een aanvullend medisch onderzoek vereist. Daarnaast zal waarschijnlijk medisch onderzoek noodzakelijk zijn teneinde de aard van de klachten van [verzoeker] objectief vast te stellen.

Duidelijk is aldus dat er tussen partijen diverse geschilpunten bestaan, waarop eerst nadat nadere bewijsvoering heeft plaatsgevonden en deskundige voorlichting en onderzoek heeft plaatsgevonden, een beslissing kan worden genomen. De rechtbank is gelet daarop van oordeel dat beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag een aanzienlijke investering in tijd en geld zal vergen.

4.7. Nu uit het vorenstaande volgt dat niet alleen de verwijtbaarheid van het handelen van [verweerder] onderdeel is van het debat tussen partijen, maar ook het causaal verband tussen het verweten nalaten en de klachten van [verzoeker] gemotiveerd wordt betwist, is het naar het oordeel van de rechtbank nog bepaald onzeker of haar beslissing een vaststellingsovereenkomst naderbij zal brengen.

4.8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de bijdrage van de verzochte beslissing aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. De verzochte verklaring voor recht zal dan ook worden afgewezen op grond van artikel 1019z Rv.

4.9. De rechtbank overweegt dat artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt dient te begroten, ook als het verzoek (gedeeltelijk) wordt afgewezen. Daarbij geldt een dubbele redelijkheidstoets: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn (MvT, Kamerstukken II, 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 18).

4.10. [verzoeker] heeft, naar de rechtbank uit de strekking van het verzoekschrift begrijpt, in dat kader bedoeld te verzoeken het honorarium van de advocaat aan de zijde van [verzoeker] te begroten op € 7.180,52.

4.11. [verweerder] heeft primair aangevoerd dat deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als kosten waarvan het redelijk was ze te maken, nu de zaak zich niet leent voor behandeling in het kader van een deelgeschil en [verzoeker] zich hiervan bewust had kunnen en moeten zijn bij het starten van het deelgeschil. De rechtbank oordeelt als volgt. De mogelijkheid deelgeschillen aan de rechter voor te leggen bestaat pas (relatief) kort. Ten tijde van het indienen van het verzoek was nog onvoldoende in de rechtspraak uitgekristalliseerd onder welke omstandigheden en in welke gevallen met (voldoende) kans van slagen een deelgeschil kan worden ingesteld. Daarom kan op dit moment niet worden gezegd dat het verzoek volstrekt onnodig of onterecht is ingediend. Gelet daarop zal tot begroting van de kosten van de behandeling van het verzoek op de voet van artikel 1019aa Rv worden overgegaan.

4.12. In het verzoekschrift heeft mr. Janson een beknopt overzicht gegeven van de werkzaamheden die door hem in deze zaak zijn verricht. Dit overzicht geeft voldoende gespecificeerd weer hoeveel tijd aan welke verrichtingen is besteed. [verweerder] heeft zowel tegen het gehanteerde uurtarief als het aantal uren dat in rekening is gebracht voor het opstellen van het verzoekschrift, het raadplegen van literatuur en jurisprudentie, het bestuderen en bespreken van het verweerschrift, de reistijd en de nabespreking, verweer gevoerd.

4.13. De rechtbank acht in dit geval een uurtarief van € 200,--(exclusief kantoorkosten en BTW) redelijk, gelet op de tarieven in de markt, het aantal jaren dat mr. Janson advocaat is, het belang van de zaak en de ingewikkeldheid van de materie. Een dergelijk uurtarief strookt ook met het referentietarief van de Orde van Advoctaen

Het aantal uren dat voor het opstellen van het verzoekschrift in rekening is gebracht acht de rechtbank gelet op de beperkte omvang daarvan bovenmatig. Een tijdsbesteding van 3,5 uur wordt hiervoor redelijk geacht. De rechtbank acht het aantal uren dat voor het raadplegen van literatuur en jurisprudentie in rekening is gebracht, zijnde 2 uur, aannemelijk. Ook de reistijd van in totaal 4 uur, indien van deur tot deur gerekend wordt, is aannemelijk. Voor het bestuderen en bespreken van het verweerschrift acht de rechtbank een tijdsbesteding van 1,5 uur redelijk.

Voorts komt het de rechtbank redelijk voor dat met het bestuderen van de uitspraak en het bespreken daarvan met [verzoeker] in totaal één uur is gemoeid.

De overige kostenposten zijn door [verweerder] niet betwist. Daarmee staan die kosten vast.

4.14. Het vorenstaande in aanmerking nemende begroot de rechtbank de kosten op een totaalbedrag van € 4.541,04 (18 uur x € 200,-- x 1,06 x 1,19) inclusief BTW en kantoorkosten.

5. De beslissing

De rechtbank

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa RV op € 4.541,04,-- (inclusief kantoorkosten en BTW);

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2012.?