Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BY4214

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
25-07-2012
Datum publicatie
27-11-2012
Zaaknummer
79591 / HA ZA 11-336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding na ten onrechte gelegd beslag. Gedaagde heeft beslag laten leggen op privébankrekeningen van eiser ter zake van een vordering op eiser en diens vennootschap.

Het hof wijst de vordering op de vennootschap toe en op de privé persoon af.

Na de beslaglegging heeft eiser een bankgarantie aangeboeden die ook direct is geaccepteerd. De bankgarantie is daarna niet afgegeven.

Eiser vordert schadevergoeding vanwege het beslag. Vordering wordt afgewezen omdat er afspraak was over bankgarantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 79591 / HA ZA 11-336

Vonnis van 25 juli 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te Bruinisse,

eiser,

advocaat mr. L.J. van Langevelde te Bergen op Zoom,

tegen

[gedaagde],

wonende te Bruinisse,

gedaagde,

advocaat mr. K. van Overloop te Goes.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 november 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 9 februari 2012.

2. De feiten

2.1. Op verzoek van [gedaagde] heeft de voorzieningenrechter te Middelburg op 29 januari 2007 verlof verleend ten laste van [eiser] conservatoir derdenbeslag te leggen voor een begrote vordering van € 400.000, -. De deurwaarder heeft op 1 februari 2007 conservatoir beslag gelegd onder de Rabobank op alle gelden, goederen en/of geldswaarden van [eiser] die de Rabobank Schouwen Duiveland U.A. onder zich heeft en/of zal verkrijgen en aan [eiser] verschuldigd is en/of zal worden, waaronder een effectenportefeuille.

De bank heeft de aanwezige creditsaldi geblokkeerd. Zij heeft hiervan [eiser] mededeling gedaan in een op 1 februari 2007 gedateerde brief. Op 19 februari 2007 heeft de Rabobank in reactie op een brief van 14 februari 2007 van [eiser] meegedeeld dat wegens het gelegde beslag de bank niet aan zijn verzoek kan worden voldaan, omdat het beslag is gelegd op al zijn tegoeden bij de bank.

De belangrijkste rekeningen waarop beslag was gelegd waren een spaarrekening van

€ 350.000,- en een beleggingsrekening van € 575.978,35.

2.2. Namens [eiser] schrijft zijn advocaat 26 februari 2007 voor zover van belang het volgende: “Cliënt is voornemens op korte termijn zijn bij de Rabobank geregistreerde aandelen, op welke rekening eveneens beslag is gelegd, te verkopen, omdat hij een flinke negatieve correctie verwacht op de aandelenbeurzen. ….. Cliënt wil echter op dit moment van de beslagen af en stelt voor dat het conservatoir beslag gehandhaafd wordt op één termijndeposito rekeningnummer [rekeningnummer], op welke rekening een bedrag van

€ 350.000,- in deposito staat, zoals blijkt uit het hierbij in kopie gevoegde afschrift d.d. 30 januari 2007. Voorts zal cliënt een bankgarantie stellen tot een maximaal bedrag van

€ 50.000,-.”

Op dit voorstel is bij brief van 28 februari 2007 namens [gedaagde] gereageerd. De brief vermeldt voor zover van belang: “Wij gaan in op uw voorstel en zullen dus meewerken aan opheffing van het beslag, behalve voor zover het betreft het beslag op de door u gemelde depositorekening bij de Rabobank onder rekeningnummer [rekeningnummer] waar volgens het bankafschrift, gedateerd 30 januari 2007 een bedrag van € 350.000,00 op staat. Wij accepteren tevens uw voorstel om aanvullend een bankgarantie ter grootte van maximaal

€ 50.000,00 te verstrekken, mits dat gebeurt op het bekende NVB-formulier als gehanteerd door de Nederlandse Orde van Advocaten. Zodra die bankgarantie in ons bezit is, wordt onmiddellijk uitvoering gegeven aan het hierbij overeengekomen. enz… ”.

Op 10 september 2010 is het beslag onder de bank opgeheven.

2.3. De grond die [gedaagde] in het verzoekschrift tot het leggen van het conservatoir beslag stelde, was een overeenkomst van geldlening tussen hem en [eiser] en/of onrechtmatig handelen van [eiser]. Hierdoor was schade is ontstaan ter hoogte van het bedrag van de geldlening. Verzocht werd de vordering te begroten op € 400.000,-.

2.4. [eiser] is enig aandeelhouder van [eiser] beheer B.V. Deze vennootschap is enig aandeelhouder van Auto-Huur-Lease Combinatie Nederland B.V. Van deze vennootschap is [eiser] bestuurder.

Tussen [gedaagde] enerzijds en [eiser] en de vennootschap Auto-Huur-Lease Combinatie Nederland B.V. anderzijds is op de in het beslagrekest genoemde gronden, een bodemprocedure gevoerd. De vordering van [gedaagde] op [eiser] is, ook in hoger beroep, afgewezen. De vordering op een besloten vennootschap Auto-Huur-Lease Combinatie Nederland B.V., is toegewezen. Die vennootschap heeft niet betaald.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 400.011,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2011 en de kosten.

[eiser] stelt dat uit het arest van het hof blijkt dat [gedaagde] ten onrechte meende een vordering uit hoofde van de geldlening, op hem te hebben. Het gevolg is dat [gedaagde] met de beslaglegging op zijn privé rekeningen, onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die [eiser] daardoor heeft geleden.

[eiser] heeft schade geleden doordat zijn effectenportefeuille in waarde is gedaald. Hij heeft op 14 februari 2007 aan de Rabobank opdracht tot verkoop van een aantal effecten gegeven. Op dat moment wist hij niet dat er beslag lag onder die bank. Dat wist hij pas nadat de bank hem dat op 19 februari 2007 had meegedeeld.

Op 24 december 2007 heeft [eiser] nogmaals opdracht gegeven tot verkoop van een tweetal andere effecten, die hij na de beslaglegging aan zijn portefeuille had toegevoegd. De bank heeft om dezelfde reden hier geen gevolg aan gegeven.

3.2. De schade bestaat uit waardevermindering, gederfde rente op de verkoopopbrengst, teveel betaald bewaarloon en beleggingskosten. Na aftrek van genoten rendement resteert een schade ter zake van de eerste verkoopopdracht van € 240.167,-. Bij deze schade moet worden opgeteld de schade die is ontstaan doordat de tweede verkoopopdracht later dat jaar, niet kon worden uitgevoerd. Die schade bedraagt € 154.240,-, zodat de totale vordering exclusief rente en kosten € 400.011,- bedraagt.

3.3. [gedaagde] voert verweer. Na de beslaglegging is tussen partijen overleg geweest. Namens [eiser] is daarbij voorgesteld het beslag op de rekeningen, waaronder de effectenrekening, op te heffen met uitzondering van de depositorekening en verder een bankgarantie te stellen. Dit voorstel is direct door [gedaagde] geaccepteerd. Daarna heeft [gedaagde] niets meer van [eiser] vernomen. Als [eiser] de afspraak was nagekomen zou de effectenrekening ter beschikking van [eiser] hebben gestaan en had hij zijn aandelen kunnen verkopen.

[gedaagde] heeft verder een beroep gedaan op bijzondere omstandigheden waardoor geen sprake is van onrechtmatige beslaglegging. Hij wijst daarbij op de rol van [eiser] die bestuurder is van de vennootschap Auto-Huur-Lease Combinatie Nederland B.V., welke vennootschap de lening, ook na veroordeling door het hof niet terugbetaalt.

Verder heeft [gedaagde] de gestelde schade betwist en het causaal verband tussen de beslaglegging en de schade. Hij heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.

4. De beoordeling

4.1. Op 1 februari 2007 is namens [gedaagde] beslag gelegd op de rekeningen van [eiser] bij de Rabobank voor een maximum bedrag van € 400.000,-. [eiser] is hiervan in kennis gesteld bij brief van 1 februari 2007 van de Rabobank. In zijn brief van 22 februari 2007 refereert hij aan deze brief van de bank (prod. 7 [eiser]) zodat aangenomen kan worden dat hij die kennisgeving heeft ontvangen.

De advocaat van [eiser] heeft na de beslaglegging in zijn brief van 27 februari 2007 aan de advocaat van [gedaagde] een voorstel gedaan tot opheffing van het beslag (prod. 2 [gedaagde]). Dat voorstel is per fax van 28 februari 2007 namens [gedaagde] geaccepteerd. [eiser] heeft daarop niet meer gereageerd. Het had wel op zijn weg gelegen dat te doen, omdat hij voor de bankgarantie moest zorgen. Omdat hij geen actie heeft ondernomen is het beslag op zijn rekeningen blijven liggen. Dit gevolg heeft hij dus aan zichzelf te wijten. Hij stelt dan ook ten onrechte [gedaagde] aansprakelijk voor de gevolgen die het van het conservatoir beslag op zijn rekeningen nadien gehad zouden hebben.

[eiser] stelt in de dagvaarding dat de schade is ontstaan omdat een op 14 februari 2007 gegeven order tot verkoop van een deel van zijn aandelen niet uitgevoerd kon worden. Die stelling strookt echter niet met de inhoud van de brief van zijn advocaat van 27 februari 2007. Daarin staat dat [eiser] voornemens is de aandelen te verkopen. Voor zover [eiser] heeft willen stellen dat de schade al is ontstaan voordat zijn advocaat op 27 februari 2007 het voorstel tot opheffing deed, gaat de rechtbank daaraan dan ook voorbij.

4.2. De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure die aan de zijde van [gedaagde] zijn gevallen. Deze kosten zijn:

5. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] gevallen zijnde € 6.560,-;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2012.?