Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BY4069

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
11-07-2012
Datum publicatie
23-11-2012
Zaaknummer
73642 / HA ZA 10-256
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde weigert windmolenpark ten onrechte aansluiting op het dichtsbijzijnde aansluitstation.

Gedaagde is netbeheerder.

Het CBP heeft dit vastgesteld aan de hand van de Elektriciteitswet 1998.

Gedaagde heeft daarmee onrechtmatig gehandeld en is aansprakelijk voor de schade die het windmolenpark heeft geleden. Volgt veroordeling tot betaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 73642 / HA ZA 10-256

Vonnis van 11 juli 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WINDPARK ZEELAND B.V.,

gevestigd te Delft,

eiseres,

advocaat mr. J. Ekelmans te ’s Gravenhage,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DELTA NETWERKBEDRIJF B.V.,

gevestigd te Middelburg,

gedaagde,

advocaat mr. A.W.C. Fenijn te Middelburg.

Partijen zullen hierna Windpark en Delta genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de conclusie van antwoord

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de pleidooien en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnota’s.

2. De feiten

2.1. Windpark is sedert 1991 exploitant van een park met windmolens op de locatie Jacobahaven op Noord-Beveland. Met gebruikmaking van windenergie wekt zij elektriciteit op, die zij via het elektriciteitsnet distribueert.

Delta is op grond van de Electriciteitswet 1998 exclusief belast met het transport van elektriciteit in de provincie Zeeland en met het onderhouden van de daartoe vereiste infrastructuur.

2.2. Windpark heeft in 2005 aan Delta gemeld dat zij windturbines in een bestaand windmolenpark op de locatie Jacobahaven wilde vervangen met een totaal vermogen van 5x 225 kVA door drie nieuwe windturbines met een totaal vermogen van 9 MVA. Delta is voor aansluitingen tot 10 MVA exclusief belast met realisatie daarvan.

Art. 23 lid 1 Elektriciteitswet 1998 luidt: “De netbeheerder is verplicht degene die daarom verzoekt te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde net tegen een tarief en tegen andere voorwaarden die in overeenstemming zijn met de paragrafen 5 en 6 van dit hoofdstuk.”.

Art. 27 lid 2 onder d Elektriciteitswet 1998 luidt: “een afnemer heeft recht te worden aangesloten op het dichtstbijzijnde punt in het net, met dien verstande dat een afnemer met een aansluiting van 10 MVA of hoger wordt aangesloten op het dichtstbijzijnde punt in het net waar capaciteit beschikbaar is.”.

2.3. Delta heeft geweigerd Windpark voor de nieuwe turbines aan te sluiten op het dichtstbijzijnde punt, de locatie Jacobahaven. Hiervoor zou een tarief gelden van ongeveer

€ 220.00,00. De locatie Jacobahaven had toen een capaciteit van 3,4 MVA in plaats van de benodigde 9 MVA. Zij heeft de locatie Middelburg aangeboden voor een bedrag van ongeveer € 3.300.000,00.

2.4. Windpark heeft op 5 juli 2005 tegen Delta een klacht ingediend bij de NMA, de instantie die bevoegd is uitspraken te doen in geschillen tussen netbeheerders en afnemers. Deze klacht is ongegrond verklaard. In beroep heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) geoordeeld: “Aangezien – zoals uit het voorgaande blijkt – de wetgever met dit voorschrift uitdrukkelijk heeft beoogd dat met betrekking tot kleine windparken tot 10 MVA het kostenveroorzakingsbeginsel niet wordt gehanteerd, kan dit beginsel niet alsnog worden opgevoerd door in het kader van een toepassing van artikel 27, tweede lid, aanhef en onder a EW ’98, in een geval waarin de kosten van technische voorzieningen om het net geschikt te maken voor de gevraagde aansluiting, uit een oogpunt van financieel verantwoord netbeheer te bezwarend worden gevonden, een situatie aanwezig te achten, waarin een aansluiting op het gewenste spanningsniveau om technische redenen redelijkerwijs niet van de netbeheerder kan worden verlangd.” De klacht van Windpark met betrekking tot de aansluittarieven is gegrond verklaard en uitgegaan diende te worden van aansluiting van het windpark op het net op de locatie Jacobahaven.

De NMA heeft daarna een nieuwe beslissing genomen in overeenstemming met de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

3. Het geschil

3.1. Windpark vordert:

- een verklaring voor recht dat Delta onrechtmatig heeft gehandeld door te weigeren een aansluiting te realiseren tegen de daarvoor wettelijk voorgeschreven aansluitvergoeding:

- Delta te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Windpark te voldoen

€ 2.860.517,31 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008 en € 29.376,64 voor elk jaar dat de aansluiting na 1 januari 2008 in stand is gebleven, telkens vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 januari van het betrokken jaar;

- veroordeling van Delta in de kosten van het geding.

3.2. Windpark stelt dat Delta onrechtmatig heeft gehandeld door in strijd met haar wettelijke plicht te weigeren de aansluiting te realiseren tegen een tarief gebaseerd op aansluiting op de kortste afstand tot het dichtstbijzijnde punt in het net.

Delta kende of behoorde de onjuistheid van haar standpunt te kennen. De regeling was per 1 april 2004 in de wet geformaliseerd; de directeur DTe (Directie Toezicht Energie) had reeds de aanspraak zoals Windpark die deed, gehonoreerd; de wettelijke regeling moest volgens eerdere uitspraken van het CBb letterlijk worden uitgelegd; de wettelijke regeling bood geen uitzonderingsmogelijkheden; de uitleg van Delta maakte art. 27 lid 2 onder d EW 1998 zonder betekenis.

3.3. De schade die Windpark heeft geleden is een gevolg van dit onrechtmatig handelen van Delta. Windpark heeft samen met twee andere windparken een aansluiting gerealiseerd waarbij voor haar rekening kwamen een eenmalige aansluitvergoeding van € 3.081.817,31 en een jaarlijkse periodieke aansluitvergoeding van € 36.375,00. Deze verdeling van de kosten is gebaseerd op een verdeling naar rato van de capaciteit van de windmolens.

De door Windpark gewenste en door Delta geweigerde aansluiting, zou eenmalig

€ 221.300,00 hebben gekost en jaarlijks nog € 6.966,36. Het verschil is haar schade.

De vergoeding voor de aansluiting is lager dan Delta offreerde aan Windpark voor de aansluiting op Middelburg. De verdeling van de kosten tussen de drie windparken is ook redelijk.

De subsidie die Windpark ontvangen heeft, wordt niet van het gevorderde bedrag afgetrokken. Zij zou die subsidie ook ontvangen hebben als Delta de aansluiting zou hebben gerealiseerd.

3.4. Delta heeft de vorderingen en de grondslag ervan bestreden en geconcludeerd tot afwijzing.

Delta stelt dat op grond van art. 2.3.3 Tarieven Code de netbeheerder afwijkende grenzen mag stellen aan de terbeschikkingstelling van een aansluiting. Zij heeft dat ook gedaan. Delta kent een categorie 2 MVA-10MVA, die standaard aangesloten wordt op de MS rail van het dichtstbijzijnde transformatorstation HS/MS, in dit geval Middelburg. Omdat Windpark een aansluiting wenste voor 9 MVA heeft Delta zo’n aansluiting aangeboden.

Op grond van de wetsgeschiedenis stelt Delta dat art. 27 lid 2 van de Elektriciteitswet geen verandering heeft aangebracht in dit voor de wetswijziging bestaande systeem van de Tarieven Code.

Delta beroept zich voorts op het “Toetsingskader aansluittarieven” zoals opgesteld door de DTe. Zij moet Windpark aansluiten op het dichtstbijzijnde punt in het net met een bij de aansluiting behorend spanningsniveau. Windpark heeft geen recht om te worden aangesloten op een net dat verbonden is met een lager spanningsniveau, dan bij haar aansluiting behoort. De NMa bevestigt dit standpunt in haar beslissingen.

De uitleg die het CBb aan de tariefstructuur geeft, is onjuist volgens Delta. Het miskent het onderscheid tussen gereguleerde standaardaansluitingen tot en met 10 MVA en niet gereguleerde aansluitingen van meer dan 10 MVA.

Delta heeft niet onrechtmatig gehandeld. Zij heeft een offerte uitgebracht die voldeed aan de Elektriciteitswet, de TarievenCode en het beleid van de DTe sinds 2000 voerde. Ook was deze offerte in overeenstemming met het doel van de Elektriciteitswet. Zij heeft gehandeld in overeenstemming met het beleid van de NMa. Dit is in ieder geval een rechtvaardigingsgrond voor haar handelen.

3.5. Delta heeft de schadecijfers van Windpark bestreden. Zij heeft daarbij gesteld dat een letterlijke interpretatie van de Elektriciteitswet ertoe leidt dat zij wel een aansluiting Jacobahaven zou hebben aangeboden ongeacht of die voldoende capaciteit had. Daarop bestond geen recht. Delta zou ook tijd nodig gehad hebben om een aansluiting met voldoende capaciteit te realiseren.

Delta stelt dat Windpark subsidie heeft gekregen die nog verrekend moet worden.

Nagegaan moet worden welke kosten Windpark heeft gemaakt voor haar huidige aansluiting op het net van Windpark Roompotsluis b.v. Die aansluiting ligt op een afstand van enkele honderden meters. De nu gevorderde kosten zijn daarom veel te hoog.

Bij toewijzing van de vordering betaalt Delta mee aan de netinvestering die door derden is gedaan.

4. De beoordeling

4.1. Naar aanleiding van de aanvraag om een aansluiting voor windturbines met een capaciteit van 9 MVA is tussen partijen een geschil gerezen over de uitleg van art. 27 lid 2 onder d van de Elektriciteitswet 1998. Dat geschil is eerst voorgelegd aan de NMA en in beroep aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Het CBb heeft daarbij geoordeeld dat Delta dat artikel onjuist heeft uitgelegd en er een onjuiste toepassing aan heeft gegeven. Het CBb is de bevoegde rechter om over geschillen in het kader van de Elektriciteitswet 1998 te oordelen. De uitleg van dat artikel is met zijn uitspraak tussen partijen bindend vastgesteld.

Delta heeft gehandeld in strijd met deze uitleg en heeft daarmee jegens Windpark onrechtmatig gehandeld. Zij beroept zich vergeefs op een rechtvaardigingsgrond. Het oordeel van het CBb, waarbij de Elektriciteitswet 1998 letterlijk werd uitgelegd, rechtvaardigt zo’n beroep niet. Overigens blijft Delta ook in deze procedure volharden in haar uitleg van de Elektriciteitswet 1998, terwijl de uitspraak van het CBB duidelijk anders is.

4.2. Delta stelt ten onrechte dat de letterlijke interpretatie van de Elektriciteitswet tot gevolg heeft dat zij alleen een aansluiting behoefde te verzorgen, ook als de capaciteit van het aansluitstation onvoldoende was. Daarmee miskent zij dat het haar taak is voor een deugdelijke aansluiting te zorgen. Dit kan meebrengen dat zij in de categorie tot 10 MVA de capaciteit van het aansluitstation moet verhogen en dat zij de kosten hiervan moet dragen. Dit is in het oordeel van het CBb ook terug te vinden.

Delta stelt dat als zij de capaciteit van station Jacobahaven had moeten verhogen voor de aansluiting van Windpark, daar tijd voor nodig was geweest. Dit kan niet als verweer tegen de gevorderde schade worden gezien omdat die schade wordt gevorderd vanaf 2008. De aanvraag dateerde uit 2005.

4.3. Delta is aansprakelijk voor de door Windpark geleden schade. Voor de schade moet een vergelijking worden gemaakt tussen de kosten die Windpark zou hebben gemaakt indien Delta direct in 2005 een offerte zou hebben uitgebracht voor aansluiting op de locatie Jacobahaven en de kosten die Windpark redelijkerwijs heeft gemaakt voor de aansluiting die zij thans heeft gerealiseerd.

Delta betrekt in haar verweer ten onrechte de door Windpark ontvangen subsidie. Deze subsidie zou ook verkregen zijn indien Delta voor de aansluiting zou hebben gezorgd en brengt Windpark dus niet in een gunstiger positie.

4.4. Delta stelt zich ten onrechte op het standpunt dat Windpark alleen op basis van aansluitkosten haar schade mag berekenen. Onbetwist is dat Windpark, teneinde subsidies te behouden, heeft moeten zorgen voor aansluiting op een netwerk. Die aansluiting heeft zij gevonden op enkele honderden meters van haar nieuwe windmolens. Voor deze aansluiting op een particulier net heeft zij mee moeten betalen aan de kosten van aanleg van dat net. Deze kosten zijn door Windpark gespecificeerd en inhoudelijk is daar van de kant van Delta geen reactie op gekomen.

Windpark heeft onbetwist gesteld dat de kosten verdeeld zijn naar rato van de capaciteit van de windmolens. Dat is een redelijk uitgangspunt dat ook niet betwist is.

Als Windpark in 2005 zou hebben ingestemd met de door Delta aangeboden aansluiting op het station Middelburg en achteraf, zoals nu het geval is, in het gelijk zou zijn gesteld, zou Delta ook verschil tussen de kosten van aansluiting in Middelburg en die van aansluiting in Jacobahaven, hebben moeten vergoeden.

Windpark vordert dus terecht het verschil tussen de investering Jacobahaven en de kosten die zij nu heeft moeten maken om haar windmolens op het net aangesloten te krijgen. Zij betaalt daarmee ook indirect mee aan de kosten die derden hebben gemaakt voor de aansluiting op het station Middelburg, maar dat is het gevolg van de weigerachtige opstelling van Delta ten aanzien van de aanvraag van Windpark.

De schade is volgens de berekening € 3.081.817,31 verminderd met € 221.300,- is

€ 2.860.517,31. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen.

4.5. De gevorderde jaarlijkse kosten zijn niet betwist. Het gaat om het verschil tussen de jaarlijkse kosten die aan Delta verschuldigd zouden zijn, € 6.966,36, en de kosten die thans betaald moeten worden, € 36.375,-. Dit deel van de vordering ten bedrage van

€ 29.376,64 kan dus ook worden toegewezen.

Omdat de vorderingen van Windpark worden toegewezen zal Delta worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten zijn:

5. De beslissing

De rechtbank

- verklaart voor recht dat Delta onrechtmatig heeft gehandeld door te weigeren een aansluiting te realiseren tegen de daarvoor wettelijk voorgeschreven aansluitvergoeding;

- veroordeelt Delta om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen:

- € 2.860.517,31 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2008 tot aan de dag der voldoening;

- € 29.376,64 voor elk jaar dat de aansluiting na 1 januari 2008 in stand is gebleven, telkens vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 januari van het betrokken jaar tot aan de datum van voldoening;

- veroordeelt Delta in de kosten van de procedure tot op deze uitspraak aan de zijde van Windpark gevallen zijnde € 17.875,74;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, mr. M.C. de Regt en mr. J. de Graaf en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2012.?