Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BY3993

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
01-08-2012
Datum publicatie
23-11-2012
Zaaknummer
72805 / HA ZA 10-171
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Curator in faillissement van vennootschap voert als eiser procedure. Hij wordt in het kader van een bewijsopdracht als getuige gehoord. Rechtbank beschouwt curator als partijgetuige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 72805 / HA ZA 10-171

Vonnis van 1 augustus 2012

in de zaak van

STEPHANUS MARIE WILLEM LAURENS VAN BOVEN,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Garage Van Strien B.V. te Goes,

wonende te Middelburg,

eiser,

advocaat mr. F.T. Hiemstra te Middelburg,

tegen

1. de besloten vennootschap

AUTO POPPE DE BEVELANDEN B.V.,

statutair gevestigd te Goes,

2. de besloten vennootschap

AUTO POPPE WALCHEREN B.V.,

statutair gevestigd te Vlissingen,

gedaagden,

advocaat mr. N.A. Koole te Middelburg.

Partijen zullen hierna de curator en Auto Poppe genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 maart 2011;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 15 juni 2011;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 9 augustus 2011;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 21 september 2011;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 15 december 2011;

- de conclusie na enquête van de zijde van de curator;

- de conclusie van antwoord na enquête van de zijde van Auto Poppe.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij tussenvonnis van 9 maart 2011 heeft de rechtbank de curator toegelaten tot het

bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat hij bij het sluiten van de overeenkomst ervan mocht uit gaan dat de door Van Strien verrichte werkzaamheden geen deel uitmaakten van de overeenkomst en dat de kosten daarvan niet zijn verdisconteerd in de koopprijs.

2.2. Ter uitvoering van de bewijsopdracht heeft de curator zichzelf, zijn (voormalig)

kantoorgenoot de heer mr. B.F.C. van de Weijgert en de heer [A.], directeur van Van Strien tot aan het faillissement, als getuigen doen horen.

Auto Poppe heeft in contra-enquête de heer [B.], ten tijde van het faillissement van Van Strien directeur Retail Management bij Pon, en de heer [C.], extern accountant van Auto Poppe, als getuigen doen horen.

2.3. De curator heeft verklaard dat hij een aantal gesprekken heeft gevoerd met onder

andere de heer [D.] en een vertegenwoordiger van Pon, waarbij is gesproken over het benaderen van de klanten van Van Strien en het vertrek van het personeel. In feite is dat volgens de curator ook wat is vastgelegd in de overeenkomst en waarvoor hij een koopprijs van € 20.000,00 heeft gevraagd. In die gesprekken is niet het door Van Strien aan reeds bestelde auto’s verrichte werk ter sprake geweest. De curator wist daar toen ook niets vanaf. Het is hem bekend dat op de verkoopfactuur van een auto tevens de bijgeleverde accessoires worden vermeld en dat die niet apart worden gefactureerd. Hij kan het zich niet herinneren, maar hij vermoedt dat tijdens de gesprekken ook is gesproken over de door Van Strien met klanten gesloten koopovereenkomsten.

2.4. Mr. van de Weijgert, destijds als kantoorgenoot van de curator betrokken bij de afwikkeling van het faillissement, heeft verklaard dat hij twee gesprekken heeft bijgewoond. In die gesprekken is het benaderen van het personeel door [D.] en de mogelijke uitlevering door [D.] van de bij Van Strien bestelde auto’s aan de orde geweest. [D.] en zijn accountant kwamen met een lijst van de uit te leveren auto’s met vermelding van de inkoopmarge en de verkoopmarge en in hun visie zou het uitleveren van die auto’s in alle gevallen verliesgevend zijn. In zijn herinnering is het door Van Strien aan de uit te leveren auto’s verrichte werk niet in die gesprekken aan de orde geweest. Het was de bedoeling van partijen om tot afspraken te komen over het personeel en het klantbestand.

2.5. De heer [A.], van 1991 tot het uitspreken van het faillissement directeur van Van Strien, heeft verklaard dat hij na het faillissement met de curator heeft gesproken over alle tot dan toe gefactureerde reparatiewerkzaamheden. Hij kan zich niet herinneren of ook is gesproken over nog niet gefactureerde kosten van aflevering en accessoires. [A.] wist tijdens het gesprek met de curator niet wat er aan die nog af te leveren auto’s al was gedaan.

2.6. De heer [B.] van Pon heeft verklaard dat hij kort na het uitspreken van het faillissement door de curator is uitgenodigd voor een gesprek, waarbij tevens de heren Van de Weijgert, Koole en [C.] aanwezig waren, omdat [D.] al personeel van Van Strien had benaderd en het voornemen had om door klanten bij Van Strien bestelde auto’s te gaan uitleveren. In het gesprek legde de curator een claim van € 20.000,00 op tafel. [B.] vond dat onzin, omdat de curator wat hem betreft geen positie had.

De gedachte van de curator om de mogelijkheid van een doorstart open te houden was volgens [B.] een illusie, omdat Pon geen auto’s zou gaan uitleveren. Uiteindelijk is ingestemd met betaling van dat bedrag, omdat anders reputatieschade werd voorzien. Volgens [B.] kreeg [D.] daarmee het recht om het personeel te benaderen en auto’s uit te leveren op basis van de met klanten van Van Strien gesloten overeenkomsten.

In dergelijke overeenkomsten wordt wat betreft de uiteindelijk te betalen prijs geen onderscheid gemaakt wat betreft afleveringskosten en eventuele accessoires. Ten tijde van het gesprek was het [B.] en [D.] niet bekend of en in welke mate al aan de uitgeleverde auto’s was gewerkt. Dat is ook niet tijdens het gesprek aan de orde geweest. Naderhand heeft [B.] kunnen nagaan dat de gemonteerde accessoires nog niet door Van Strien waren betaald en dat daarop dus nog een eigendomsvoorbehoud van Pon lag.

2.7. Accountant [C.] heeft verklaard dat hij bij twee gesprekken met de curator aanwezig is geweest. In het eerste gesprek op 3 februari 2009 was nog niet bekend om hoeveel uit te leveren auto’s het zou gaan. Beide partijen zouden inzicht proberen te verkrijgen in de verkoopportefeuille. Op 5 februari 2009 is het gesprek voortgezet en toen hadden ze de beschikking over de noodzakelijke gegevens betreffende de verkopen, dat wil zeggen de verkoopprijs, de gegeven korting en de afgesproken inruilprijzen. Er was geen beeld van de omvang van de kosten van door [D.] nog te verrichten werkzaamheden aan de uit te leveren auto’s of de omvang van de kosten van door Van Strien verricht werk. Die kosten hebben bij inschatting van het door [D.] te lijden verlies ook geen rol gespeeld.

Voorts heeft [C.] verklaard dat de curator een bedrag wilde voor de boedel in ruil voor zijn medewerking aan de overgang van personeel naar [D.] en voor het zich terugtrekken wat betreft de uitlevering van de bestelde auto’s. Dit voorstel van de curator is later die dag door [C.] en de heren [B.] en Koole met [D.] besproken. [D.] hechtte veel belang aan het kunnen uitleveren van de auto’s om zo de start in Goes te kunnen vergemakkelijken. Koole heeft toen in het bijzijn van [C.] met de curator gebeld en de curator gezegd dat [D.] bereid was om € 20.000,00 te betalen als hij volledig vrijheid van handelen zou hebben. [D.] zou het personeel mogen benaderen, zou alle bestelde auto’s mogen uitleveren en de curator zou daar niets meer mee van doen hebben, de curator zou voor een volledige klantenlijst zorgen en zou meewerken aan een persbericht. [C.] kon niet horen wat de curator daarop zei, maar Koole zei hem dat de curator met het voorstel instemde en hij heeft later een e-mail gezien waaruit dat ook bleek.

2.8. De rechtbank stelt bij de bewijswaardering voorop dat in artikel 164 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ligt besloten dat de verklaring van de curator, zijnde een partijgetuige (op wie de bewijslast rust), geen bewijs in zijn voordeel kan opleveren, indien geen aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en essentiële punten betreffen dat zij die partijverklaring voldoende geloofwaardig maken.

2.9. De rechtbank is van oordeel dat zodanig steunbewijs in onderhavige zaak niet

voorhanden is.

De curator heeft verklaard dat is gesproken over het benaderen van de klanten van Van Strien en het vertrek van personeel en dat op die twee onderwerpen de overeenkomst ziet.

Uit de verklaring van Van de Weijgert blijkt evenwel dat partijen ook hebben gesproken over de mogelijke uitlevering door [D.] van de bij Van Strien bestelde auto’s.

[D.] en zijn accountant kwamen volgens Van de Weijgert met een lijst van de uit te leveren auto’s met vermelding van de inkoopmarge en de verkoopmarge, hetgeen ook blijkt uit de verklaring van de accountant, en in hun visie zou het uitleveren van die auto’s in alle gevallen verliesgevend zijn.

[A.] heeft verklaard dat hij na het faillissement met de curator heeft gesproken over alle tot dan toe gefactureerde reparatiewerkzaamheden. Hij kan zich niet herinneren of ook is gesproken over nog niet gefactureerde kosten van aflevering en accessoires.

De rechtbank ziet hierin onvoldoende steun voor de stelling van de curator. Daarbij is van belang dat zowel uit de verklaring van [B.] als uit de verklaring van de curator volgt dat in de door de klant te betalen prijs voor de auto geen onderscheid wordt gemaakt ten aanzien van de afleveringskosten en accessoires en die posten dus niet apart worden gefactureerd. Daarbij heeft [B.] verklaard dat de gemonteerde accessoires nog niet door Van Strien waren betaald en dat daarop dus nog een eigendomsvoorbehoud van Pon lag.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel uit de verklaring van [B.] als uit de verklaring van [C.] volgt dat [D.] slechts bereid was tot het betalen van een bedrag van € 20.000,00 aan de curator indien hij vervolgens volledig vrijheid van handelen zou hebben. [D.] zou het personeel mogen benaderen, zou alle bestelde auto’s mogen uitleveren en de curator zou daar niets meer mee van doen hebben. Volgens [B.] had de curator ook geen positie, omdat Pon geen auto’s zou gaan leveren.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de curator niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs.

2.11. Nu de curator niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs, kan niet worden geconcludeerd dat hij bij het sluiten van de overeenkomst ervan mocht uit gaan dat de door Van Strien verrichte werkzaamheden geen deel uitmaakten van de overeenkomst en dat de kosten daarvan niet zijn verdisconteerd in de koopprijs. Het moet er derhalve voor worden gehouden dat Auto Poppe niet ten koste van de failliete boedel ongerechtvaardigd is verrijkt, zoals door de curator is gesteld. De rechtbank zal de hierop gebaseerde vordering van de curator dan ook afwijzen. Hetgeen door partijen ten aanzien van dwaling naar voren is gebracht kan gelet op het vorenstaande hier verder onbesproken blijven.

2.12. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Auto Poppe worden begroot op:

- griffierecht € 1.405,00

- salaris advocaat € 3.576,00 (4,0 punten x tarief IV à € 894,00)

Totaal € 4.981,00

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. wijst de vorderingen af;

3.2. veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van Auto Poppe tot op heden begroot op € 4.981,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op

1 augustus 2012.