Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BY3366

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
16-11-2012
Zaaknummer
76824 / HA ZA 11-15
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser laat sloep te water op trailerhelling die in beheer is bij Waterschap. Eiser glijdt uit op de helling en raakt gewond.

Hij stelt Waterschap aansprakelijk omdat hij de helling van stelconplaten heeft voorzien en dat op die platen algvorming heeft plaatsgevonden. Rechtbank oordeelt geen gebrekkige opstal en geen gevaarzettende situatie in het leven geroepen die tot aansprakelijkheid leidt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 76824 / HA ZA 11-15

Vonnis van 25 april 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland,

eiser,

advocaat: mr. H.A. de Boer te Sneek,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

WATERSCHAP SCHELDESTROMEN, rechtsopvolger van WATERSCHAP ZEEUWSE EILANDEN,

gevestigd te Middelburg,

gedaagde,

advocaat: mr. A.J. Schoonen te Apeldoorn.

Partijen zullen hierna [eiser] en het Waterschap genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 april 2011;

- de brief van [eiser] van 4 januari 2012 ten behoeve van de comparitie;

- het proces-verbaal van comparitie van 9 januari 2012.

2. De feiten

2.1. Op 26 juni 2009 heeft [eiser] een sloep te water gelaten via een trailerhelling gelegen aan de Sint Felixweg te Kamperland. Bij het te water laten is [eiser] ten val gekomen.

2.2. Het Waterschap is de beheerder van de bewuste trailerhelling.

2.3. In de winter van 2008 op 2009 is door het Waterschap het rijoppervlak van de trailerhelling bestaande uit grasbetontegels vervangen door stelconplaten.

2.4. Op de stelconplaten heeft op het gedeelte onder water algvorming plaatsgevonden.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

A. bepaalt dat het Waterschap aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade;

B. het Waterschap veroordeelt aan [eiser] te voldoen de schade zoals door [eiser] geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

C. het Waterschap veroordeelt in de kosten van deze procedure en de nakosten.

Ter comparitie heeft [eiser] aangegeven de schade nader te hebben berekend op een bedrag van ongeveer € 8.500,00.

3.2. Ter onderbouwing van zijn vorderingen stelt [eiser] het volgende.

[eiser] is op 26 juni 2009 met zijn auto met trailer achteruit de trailerhelling afgereden. Nadat de trailer voldoende op diepte was, is [eiser] gestopt, uitgestapt en naar zijn sloep gelopen. Na twee stappen is hij uitgegleden. [eiser] stond toen in het water en droeg waterschoenen met een grove zool. Hij viel plat op zijn rug en kwam met zijn hoofd tegen de stelconplaat. De oorzaak van de val was gelegen in de gladheid door de algengroei op de stelconplaten.

De val heeft geresulteerd in letsel. [eiser] heeft het Waterschap voor de schade aansprakelijk gesteld.

[eiser] stelt dat de trailerhelling in de gewijzigde situatie dient te worden aangemerkt als een gebrekkige opstal. Op de trailerhelling groeien onder de waterlijn algen, derhalve maken de algen deel uit van de opstal. De trailerhelling is als gebrekkig aan te merken, omdat deze door de aanwezigheid van de algen op de gladde stelconplaten bijzonder glad is geworden, in ieder geval gladder dan van een trailerhelling in redelijkheid verwacht mag worden. De constructie als zodanig met betonplaten is daarom onjuist. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst [eiser] naar de Hiswa richtlijnen (productie E bij de brief van 4 januari 2012). De materiaalkeuze voor een trailerhelling is in verband met gladheid door algengroei belangrijk. Zo hebben de grasbetonblokken nimmer problemen gegeven. De keuze voor de huidige constructie heeft het Waterschap echter uitsluitend gemaakt op basis van de nieuwe onderhoudssituatie. Mogelijke gladheid van het materiaal is niet onderzocht.

Subsidiair stelt [eiser] dat er op grond van de Kelderluikcriteria sprake was van een gevaarzettende situatie. Het Waterschap kende namelijk het gevaar van de gladheid door de algengroei, althans behoorde dit gevaar te kennen.

De kans was groot dat een potentiële gebruiker van de helling onvoorzichtig zou zijn en daardoor het gevaar niet zou opmerken. De grasbetonblokken waren immers pas vervangen door stelconplaten. Het is gebruikelijk om bij trailerhellingen grasbetonblokken te plaatsen, zodat onder water een grof wegdek ligt waarop mensen niet snel uitglijden. Het is verder niet vanzelfsprekend dat een potentiële gebruiker van de helling rekening houdt met algengroei.

De kans op een ongeval was groot. Mensen die gebruik maken van een trailerhelling zullen namelijk meer bezig zijn met het te water laten van een vaartuig dan met het wegdek waarover zij lopen. Daarnaast was niet goed te zien dat de trailerhelling door de algengroei glad kon zijn, omdat het verschil tussen het droge en het natte gedeelte van de helling nauwelijks zichtbaar was. Ter onderbouwing hiervan heeft [eiser] ter comparitie foto’s overgelegd (kleurenfoto’s bij het proces-verbaal van comparitie van 9 januari 2012).

Voor het Waterschap was het eenvoudig om maatregelen te treffen teneinde een ongeval te voorkomen. Het Waterschap heeft hiertoe inmiddels maatregelen genomen door borden te plaatsen ter waarschuwing voor gladheid. Ook had het Waterschap voor ander materiaal kunnen kiezen.

Het Waterschap is, als beheerder van de trailerhelling, aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade en is daarom gehouden een vergoeding inzake materiële en immateriële schade te voldoen. De materiële schade bestaat uit de posten verlies aan verdienvermogen, hulp in de huishouding, reiskosten, medische kosten en overige materiële schade. De immateriële schade bestaat uit de gevolgen van de aanhoudende rugklachten van [eiser] voor zijn privé- en werksituatie.

Op het verweer van het Waterschap reageert [eiser] door te betwisten dat er sprake is van eigen schuld.

3.3. Het Waterschap voert verweer strekkende tot afwijzing van de vordering van [eiser] met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Zij voert daartoe het navolgende aan.

Het Waterschap is niet aansprakelijk voor het ontstaan van het ongeval.

Door het Waterschap is ter comparitie niet meer betwist dat [eiser] ten gevolge van de gladheid door de algengroei op de stelconplaten ten val is gekomen.

Het Waterschap betwist wel dat er sprake is van een gebrekkige opstal. Algvorming en eventuele daarmee gepaard gaande gladheid leveren namelijk geen gebrek op in de zin van artikel 6:174 BW. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst het Waterschap onder andere naar het Rook-Staat arrest (HR 3 mei 2002, NJ 2002, 465).

Het Waterschap erkent dat de keuze voor de opgeruwde stelconplaten uitsluitend is gemaakt op basis van de nieuwe onderhoudssituatie. Andere mogelijkheden zijn niet overwogen. De huidige trailerhelling is echter niet gladder dan de helling in het verleden.

Voorts betwist het Waterschap dat er op grond van de Kelderluikcriteria sprake was van een gevaarzettende situatie. Uit het enkele feit dat [eiser] ter plaatse ten val is gekomen, kan nog niet worden afgeleid dat de trailerhelling niet voldeed aan de te stellen eisen.

Hiertoe stelt het Waterschap dat algvorming onder water een algemeen bekend verschijnsel is.

De trailerhelling wordt daarnaast beperkt gebruikt met een specifiek doel: het in en uit het water laten van boten. Een deel van deze trailerhelling ligt daarom in het water. Uit het rapport van Lemkes & Velthuijs b.v. (productie 5 bij de dagvaarding) blijkt dat de stroefheid van de trailerhelling op het droge gedeelte voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Op het natte gedeelte is daarnaast geen bijzondere gladheid geconstateerd. Het Waterschap betwist in het verlengde daarvan dat zij een verkeerde keuze zou hebben gemaakt door in plaats van grasbetonblokken gebruik te maken van stelconplaten voor het rijoppervlak van de trailerhelling.

Het weghalen van algen heeft het Waterschap nooit als onderhoud beschouwd. Het is niet redelijk om de beheerder van een trailerhelling de verplichting op te leggen de helling constant vrij te houden van algvorming. Een dergelijke verplichting is praktisch gezien niet na te komen en zou voor de samenleving een grote financiële last met zich brengen.

Verder betwist het Waterschap dat op haar een waarschuwingsplicht rustte. Het is voor een ieder duidelijk dat er op een dergelijke plaats sprake van gladheid kan zijn. [eiser] was hiermee bekend en diende hier dan ook rekening mee te houden. Dat de gebruikers van de boothelling nu geattendeerd worden op mogelijke gladheid middels een bord, doet aan het voorgaande niets af.

Het Waterschap heeft nooit van andere ongevallen op één van de zes trailerhellingen rond het Veerse Meer gehoord. De constructie van al deze hellingen is dezelfde.

Indien het Waterschap wel aansprakelijk is, doet zij subsidiair een beroep op eigen schuld bij [eiser]. Op een trailerhelling moet namelijk altijd rekening worden gehouden met mogelijke gladheid. [eiser] had daarnaast toen hij ter plaatse kwam kunnen zien dat de trailerhelling zowel boven als onder water was aangepast.

Een eventuele vergoedingsplicht van het Waterschap kan niet hoger liggen dan 50%.

Het Waterschap maakt bezwaar tegen verwijzing naar de schadestaatprocedure. Bijna twee jaar na dato zal er een eindtoestand zijn ingetreden en kan de schade begroot worden in de hoofdprocedure.

4. De beoordeling

4.1. Doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een gebrekkige opstal, is of de aanwezigheid van algen op de trailerhelling, meer specifiek op de stelconplaten, de helling gebrekkig maakt, omdat zij de trailerhelling bijzonder glad maakt, althans gladder dan van een trailerhelling in redelijkheid verwacht mag worden.

Gelet op de betwisting door het Waterschap is de rechtbank van oordeel dat [eiser] zijn stelling op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd. De Hiswa richtlijnen waarnaar [eiser] in dit verband verwijst (productie E bij de brief van 4 januari 2012), voldoen daartoe niet. Uit deze richtlijnen blijkt niet dat stelconplaten niet geschikt zijn als ondergrond voor een trailerhelling dan wel dat zij door de aanwezigheid van algen bijzonder glad worden, althans gladder dan in redelijkheid verwacht mag worden. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de primaire grondslag waarop [eiser] de vordering baseert niet leidt tot aansprakelijkheid van het Waterschap.

4.2. De volgende vraag die beantwoord dient te worden is of het Waterschap een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen en op grond daarvan aansprakelijk is.

Het is een feit van algemene bekendheid dat algvorming onder de waterlijn op een betonnen plaat leidt tot gladheid en het risico in zich bergt dat iemand daarover uitglijdt. Het bestaan van een dergelijk gevaar is echter op zichzelf niet voldoende om aansprakelijkheid van het Waterschap aan te nemen. Het Waterschap is alleen dan aansprakelijk als de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval ten gevolge van de gladheid door de algvorming op de stelconplaten zo groot is dat het Waterschap maatregelen had moeten nemen om dit te voorkomen. In dat kader zijn de volgende omstandigheden van belang.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat personen bijzonder oplettend en voorzichtig dienen te zijn, wanneer zij een boot te water laten op een trailerhelling die is begroeid met algen, ongeacht het type rijoppervlak van de trailerhelling. Uit de door [eiser] overgelegde Hiswa richtlijnen (productie E bij de brief van 4 januari 2012) blijkt namelijk dat de materiaalkeuze voor een onderwatertalud belangrijk is, maar niet dat het gebruikelijk is om voor grasbetonblokken te kiezen als materiaal voor een trailerhelling en ook niet dat door een bepaalde materiaalkeuze gladheid door algengroei geheel kan worden voorkomen. Zoals reeds is overwogen onder 4.1. is daarnaast niet gebleken dat de stelconplaten ongeschikt zijn als ondergrond voor een trailerhelling.

Uit de stukken blijkt tevens dat het in de onderhavige situatie gaat om een openbare gelegenheid waarbij geen toezicht wordt gehouden door het Waterschap. Van de zijde van de gebruiker van de trailerhelling mag dan extra oplettendheid worden verwacht.

Daarnaast is het niet aannemelijk dat [eiser] niet heeft kunnen zien dat de trailerhelling door de algengroei glad kon zijn. Het verschil tussen het droge en het natte gedeelte van de trailerhelling, en daarmee de algengroei, is op de door [eiser] ter comparitie overgelegde kleurenfoto’s (kleurenfoto’s bij het proces-verbaal van comparitie van 9 januari 2012) namelijk duidelijk te zien.

Bovendien had [eiser] al vaker boten via de trailerhelling te water gelaten. Hij was dus bekend met de situatie.

Voorts volgt de rechtbank het Waterschap in haar stelling dat het opleggen van de verplichting aan het Waterschap om de trailerhelling continue vrij te houden van algvorming niet redelijk is, gezien de praktische en financiële bezwaren van het Waterschap daartegen.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in het verleden geen waarschuwingsborden bij de trailerhelling stonden (productie A2 bij de brief van 4 januari 2012) en niet gesteld of gebleken is dat dit destijds tot problemen heeft geleid.

Verder is noch gesteld, noch gebleken dat er naast [eiser] andere personen zijn uitgegleden op de trailerhelling.

4.4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de subsidiaire grondslag waarop [eiser] de vordering baseert eveneens niet leidt tot aansprakelijkheid van het Waterschap. De mate van waarschijnlijkheid van een ongeval ten gevolge van de gladheid door de algvorming op de stelconplaten was niet dusdanig groot dat het Waterschap maatregelen had moeten nemen om dit te voorkomen. [eiser] kan zijn schade dus niet toerekenen aan het Waterschap.

4.5. Uit het hiervoor overwogene volgt dat de door [eiser] gevorderde aansprakelijkstelling van en schadevergoeding door het Waterschap moet worden afgewezen. Dit heeft tot gevolg dat de vorderingen tot betaling van rente en kosten niet meer aan de orde behoeven te komen.

4.6. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Waterschap worden begroot op:

- griffierecht € 568,00

- salaris advocaat € 768,00 (2 punt x tarief I, € 384,00 )

totaal € 1.336,00

5. De beslissing

De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het Waterschap tot op heden begroot op € 1.336,00;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.?

EZ