Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BY1657

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
30-10-2012
Zaaknummer
78937 / HA ZA 11-269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemeente gedoogt langere tijd dat verslaafden in een pand worden opgevangen gelegen naast dat van eiser.

De opvang is in strijd met het bestemmingsplan. Eiser vordert schade wegens onrechtmatig handelen van de gemeente.

Rechtbank oordeelt hinder als ontoelaatbaar. Schadevergoeding wordt toegekend. Geen vergoeding werkelijke advoccaatkosten in de diverse bestuursrechtelijke procedures.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/504
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 78937 / HA ZA 11-269

Vonnis van 6 juni 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te Hong Kong,

eiser,

advocaat mr. K.M. Moeliker te Middelburg,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE VLISSINGEN,

gevestigd te Vlissingen,

gedaagde,

advocaat mr. J.G. Cabboort te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiser] en Gemeente Vlissingen genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 september 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 20 december 2011.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiser] is eigenaar van het perceel [straatnaam] [straatnummer] te Vlissingen. In het belendende perceel (nrs [straatnummers]) is sedert 1978 een opvangcentrum ten behoeve van drugshulpverlening gevestigd, geëxploiteerd door de Stichting Huiskamerprojekt voor Drugsgebruikers (HKPD). Deze drugshulpverlening is in strijd met het vigerende bestemmingsplan en de Verordening recreatiewoningen en wordt sinds de aanvang gedoogd door de gemeente Vlissingen.

2.2. [eiser] heeft bij schrijven van 30 oktober 2003 de gemeente Vlissingen verzocht handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de panden door HKPD. De gemeente Vlissingen heeft bij besluit van 9 maart 2004 meegedeeld: “(…) hebben wij op 2 maart 2004 besloten dat de verslavingszorg op een andere wijze inhoud moet worden gegeven, zonder dat wij hiermee de huidige werkzaamheden van de Stichting willen diskwalificeren. (…) In het licht hiervan komen wij tot de conclusie dat de verslavingszorg nieuwe stijl (…) niet meer gerealiseerd kan worden aan de [straatnaam]. Dit heeft ertoe geleid dat wij hebben besloten de activiteiten van de Stichting H.K.P.D. aan de [straatnaam] binnen afzienbare tijd (zie hierna) te beëindigen.

(…) Indien de gemeenteraad hiermee instemt zullen wij een geschikt pand zoeken waarin de verslavingszorg nieuwe stijl gerealiseerd kan worden. Indien daarvoor planologische procedures noodzakelijk zijn verwachten wij die binnen een tijdsbestek van 2 jaar te kunnen afronden. (…) Resumerend besluiten wij dan ook:

1. met instemming van de gemeenteraad de activiteiten van de Stichting H.K.P.D. aan de [straatnaam] [straatnummers] te beeindigen en vervangende huisvesting te zoeken op basis van de door ons geambieerde verslavingszorg nieuwe stijl;

2. niet over te gaan tot handhaving van de voorschriften van het geldende bestemmingsplan en het huidige gebruik aan de [straatnaam] [straatnummers] te gedogen gedurende de overgangsperiode naar de nieuwe huisvesting;

3. de openbare orde gedurende de overgangsperiode adequaat te doen handhaven, op basis van de daartoe gemaakte afspraken met de verantwoordelijke instanties.

(…)”.

2.3. Bij brief van 30 maart 2004 heeft [eiser] meegedeeld met deze oplossing akkoord te gaan, tenzij de termijn van twee jaar wordt overschreden of de overlast niet wordt teruggebracht.

2.4. De Raad van de gemeente Vlissingen is op 6 september 2005 akkoord gegaan met een project ten behoeve van de oprichting van een Centrum van Sociale verslavingszorg Vlissingen. Het project voorziet onder meer in de verhuizing van HKPD naar een locatie aan de President Rooseveltlaan te Vlissingen.

2.5. [eiser] heeft bij brief van 2 mei 2006 de gemeente Vlissingen verzocht onmiddellijk handhavend op te treden. Bij beschikking van 19 juli 2006 deelt de gemeente Vlissingen [eiser] mee niet over te gaan tot handhaving van de gebruiksvoorschriften van het geldende bestemmingsplan en het huidige gebruik door HKPD te gedogen gedurende de overgangsperiode naar de nieuwe huisvesting.

2.6. Op 21 december 2006 heeft de gemeenteraad besloten af te zien van de locatie President Rooseveltlaan.

2.7. De Commissie Bezwaarschriften heeft op 19 februari 2007 overwogen dat “uit het dossier en het verhandelde ter zitting naar het oordeel van de commissie genoegzaam is komen vast te staan dat het HKPD binnen een termijn van twee jaar zou zijn verhuisd. [eiser] kon aan die toezegging van het college dat het HKPD binnen twee jaar zou zijn verhuisd een rechtens te honoreren verwachting ontlenen.”.

2.8. Bij brief van 10 mei 2007 heeft [eiser] de gemeente Vlissingen aansprakelijk gesteld voor door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van onrechtmatig handelen.

2.9. Bij besluit van 12 juni 2007 heeft de gemeente Vlissingen aan het HKPD meegedeeld:

“(…)

8. Besluit

1. Overeenkomstig het advies van de Commissie bezwaarschriften d.d. 26 februari 2007 besluiten wij tot handhaving van de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan Boulevard, 1e herziening. (…) Dit impliceert dat wij het bezwaar van de heer [eiser] gegrond hebben verklaard, ons primaire besluit van 19 juli 2006 hebben herroepen en daarvoor in de plaats een nieuw besluit hebben genomen.

2. Wij stellen u zelf in de gelegenheid om binnen 18 maanden na datum van verzending van dit besluit de drughulpverlening onder te brengen in een pand:

a. waar dat planologisch geen beletselen met zich brengt.

b. waarin of waaruit geen verstoring van de openbare orde (het rustig woon- en leefklimaat) plaats vindt.

(…)”

2.10. Het door (onder meer) [eiser] en het HKPD ingestelde beroep tegen laatstgenoemd besluit is door deze rechtbank op 10 januari 2008 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bevestigd bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 3 september 2008.

2.11. Op 9 december 2008 heeft het HKPD feitelijk gevolg gegeven aan de hem bij besluit van 12 juni 2007 opgelegde last het gebruik van zijn panden ten behoeve van drugshulpverlening te beëindigen.

2.12. Bij brief van 23 november 2009 heeft [eiser] de gemeente Vlissingen aansprakelijk gesteld voor door hem geleden schade ten bedrage van € 85.744,96 (gederfd woongenot, gederfde huurinkomsten en kosten van rechtsbijstand).

2.13. De gemeente Vlissingen heeft bij besluit van 13 januari 2010 geweigerd de aansprakelijkheid te aanvaarden. Nadat [eiser] tegen dit besluit bezwaar heeft aangetekend, heeft de gemeente Vlissingen bij besluit van 6 april 2010 het bezwaar ongegrond verklaard. De sector bestuursrecht van deze rechtbank heeft vervolgens het beroep van [eiser] op 7 april 2011 gegrond verklaard en overwogen “dat de rechtbank het aannemelijk acht gemaakt door eiser ([eiser], rb) dat hij beoogt verweerder in civiele zin aansprakelijk te stellen”. De rechtbank heeft de gemeente Vlissingen veroordeeld in de proceskosten van de bezwaarprocedure tot een bedrag van € 437,-- en voor de beroepsprocedure tot € 1.024,-- (incl. griffierecht).

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – uitvoerbaar bij voorraad:

1. te verklaren voor recht dat de gemeente Vlissingen onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door te handelen en/of na te laten, zulks door:

- uitdrukkelijk en/of stilzwijgend te gedogen dat de Stichting HKPD te Vlissingen gedurende vele jaren aan het adres [straatnaam] [straatnummers] te Vlissingen een opvangcentrum voor drugsverslaafden kon exploiteren in strijd met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan en in strijd met de Verordening recreatiewoningen 1994, zulks terwijl bij de gemeente Vlissingen bekend was en/of kon en/of moest zijn dat omwonenden zoals eiser daarvan ontoelaatbare overlast ondervonden en,

- meer in het bijzonder doch niet uitsluitend, door met dit gedogen ook na maart 2004 voort te gaan, zulks ondanks de gedane toezegging dat tegen overlast effectief zou worden opgetreden en dat uiterlijk twee jaren na maart 2004 aan de illegale activiteiten van de Stichting HKPD aan genoemd adres een einde zou zijn/worden gemaakt.

2. de gemeente Vlissingen te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de somma van € 98.744,96, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 december 2009, althans vanaf 26 mei 2011 tot de dag der algehele voldoening;

3. de gemeente Vlissingen te veroordelen in de kosten van het geding, het salaris van de advocaat van [eiser] en de noodzakelijke verschotten daaronder begrepen, zulks met bepaling dat de gemeente Vlissingen over het bedrag van deze proceskosten aan [eiser] de wettelijke rente verschuldigd zal zijn vanaf de vijftiende dag na betekening van het te dezen te wijzen vonnis tot die der algehele voldoening;

4. de gemeente Vlissingen te veroordelen in de nakosten, volgens het toepasselijke liquidatietarief te begroten op een bedrag van € 131,-- en, indien en voor zover de gemeente Vlissingen niet binnen veertien dagen na het te deze te wijzen vonnis daaraan zal hebben voldaan, te vermeerderen met een bedrag van € 68,--.

3.2. [eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. De gemeente Vlissingen wist al vele jaren dat het HKPD het bestemmingsplan overtrad en heeft daar niet tegen opgetreden. [eiser] stelt dat hij aan de toezegging van de gemeente Vlissingen – zoals die is opgenomen in het besluit van 9 maart 2004 (zie onder 2.2.) – een rechtens te honoreren verwachting heeft kunnen ontlenen. De gemeente Vlissingen heeft zich echter niet aan de toezegging gehouden nu er eind maart 2006 geen einde is gemaakt aan de overlast van de activiteiten van HKPD en de gemeente Vlissingen heeft evenmin daadwerkelijk en effectief opgetreden tegen de overlast na maart 2004. De gemeente Vlissingen heeft zelfs in 2005 tegen de zin van de omwonenden in, toestemming gegeven voor uitbreiding van het HKPD met een gebruikersruimte, eveneens strijdig met het bestemmingsplan. [eiser] stelt dat hij gedurende een aantal jaren beroofd is geweest van zijn woongenot, wat dient te leiden tot een (im)materiele vergoeding van € 15.000,--. Daarnaast heeft hij gederfde huurinkomsten. In verband met zijn verblijf in Shanghai heeft hij ervoor gekozen om zijn woning te laten verhuren. Echter, de woning was onverhuurbaar als gevolg van de overlast van het HKPD. Als gevolg daarvan heeft hij in de periode van 1 september 2005 tot 1 januari 2009 maandelijks een bedrag van € 1.300,-- (in totaal € 52.000,--) misgelopen aan huurinkomsten. Tenslotte stelt [eiser] een bedrag van € 35.217,96 aan kosten rechtsbijstand te hebben moeten maken teneinde de gemeente Vlissingen handhavend optreden af te dwingen. De gemeente Vlissingen heeft een bedrag van € 3.473,-- reeds betaald, zodat resteert een bedrag van € 31.744,96.

3.3. Gemeente Vlissingen voert verweer. Zij voert allereerst aan dat de gemeente Vlissingen al een regeling heeft getroffen met [eiser] op basis van alle reeds gevoerde procedures. Door betaling van een bedrag van € 3.473,-- aan [eiser] zijn alle procedures afgewikkeld en de lopende procedures ingetrokken. Deze afspraken hebben de strekking van kwijting, zodat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn recht om de volledige schade en kosten alsnog in deze procedure te vorderen. Daarnaast betwist de gemeente Vlissingen dat zij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser]. Zij stelt dat er geen toezeggingen zijn gedaan aan [eiser], maar dat een inschatting is gegeven over de tijdsduur van de planologische procedures. De gemeente Vlissingen heeft zich na maart 2004 ingespannen de openbare orde zo goed mogelijk te handhaven. Er is veelvuldig overleg gevoerd met als resultaat dat er een Buurtbeheerplan HKPD is opgesteld in april 2005. De gemeente Vlissingen heeft de APV aangevuld met een samenscholingsverbod, een verblijfsontzegging en diverse andere verboden. De gebruikersruimte maakt deel uit van het Buurtbeheerplan. Daarnaast is er geen causaal verband tussen de door [eiser] gestelde schade en het door de gemeente Vlissingen gehanteerde gedoogbeleid. Tenslotte betwist zij de omvang van de door [eiser] gestelde schade.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Anders dan de gemeente Vlissingen heeft aangevoerd, heeft [eiser] geen afstand gedaan van zijn recht om de gemeente Vlissingen in civielrechtelijk kader aansprakelijk te stellen voor de door hem gestelde schade als gevolg van onrechtmatig handelen. De procedures die zijn beëindigd/ingetrokken zijn immers alle bestuursrechtelijke procedures en laten onverlet dat [eiser] de onderhavige procedure kan voeren. Dat volgt bovendien uit de beslissing van de bestuursrechter van 7 april 2011, waarin is bepaald dat de brief van [eiser] van 23 november 2009 niet opgevat moest worden als een verzoek om een zelfstandig schadebesluit te nemen, maar als een civielrechtelijke aansprakelijkheidsstelling. De rechtbank komt dan ook toe aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering van [eiser].

4.2. Tussen partijen staat vast dat de aanwezigheid van het HKPD in de [straatnaam] in de periode van 1978 tot en met december 2008 in strijd met het vigerende bestemmingsplan was en dat de gemeente Vlissingen dit heeft gedoogd. Het bestemmingsplan Boulevard bepaalt dat op de panden aan de [straatnaam] de bestemming “woondoeleinden/stapelbouw” rust. Voor het HKPD is geen vrijstelling verleend. De vraag is of de gemeente Vlissingen, met deze wetenschap, onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser].

4.3. Uit het bestemmingsplan mag worden afgeleid dat omwonenden mogen rekenen op een rustig woon- en leefklimaat, hetgeen als de te beschermen norm kan worden beschouwd. Door de aanwezigheid van een zogenaamd drugspand bestaat het risico dat dit woongenot in het gedrang komt en dient de gemeente Vlissingen dit nauwlettend in de gaten te houden. [eiser] heeft de gemeente Vlissingen in oktober 2003 gemeld dat er sprake is van ernstige overlast en hij heeft verzocht handhavend op te treden. De gemeente Vlissingen betwist weliswaar dat met zekerheid valt vast te stellen dat de gestelde overlast is te wijten aan de aanwezigheid van het HKPD, maar dit verweer treft geen doel. Immers, uit de diverse overgelegde verslagen en besluiten blijkt dat de gemeente Vlissingen zelf ook spreekt over overlast door de gebruikers van het pand. De vraag is echter of genoemde overlast van dien aard is dat gesproken kan worden van schade en/of hinder en dat de gemeente Vlissingen in strijd handelt met de zorgvuldigheid die zij in het maatschappelijk verkeer in acht dient te nemen door daar geen/onvoldoende maatregelen tegen te nemen. De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer moet worden rekening gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te nemen.

4.4. Bij de beantwoording van deze vraag is enerzijds van belang dat [eiser] zijn woning (in gedeelten) heeft aangekocht met de wetenschap dat het drugspand zich naast zijn woning bevindt. Een zekere mate van overlast dient [eiser] dan ook te accepteren. Anderzijds dient de mate van overlast in ogenschouw genomen te worden. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk gemaakt dat vanaf de eeuwwisseling sprake is van een (forse) toename van de bestaande overlast door de gebruikers van het pand in de vorm van verstoring van de openbare orde, af- en aanrijden van dealers, het dealen zelf, vechtpartijen, schreeuwen, schelden, openbare dronkenschap, braaksel, ontlasting, drugsresten enz.. Deze (toename van) overlast had de gemeente Vlissingen kunnen voorkomen door eerder maatregelen te nemen, zeker na de diverse meldingen uit de buurt. De gemeente Vlissingen heeft gesteld dat zij door middel van het Buurtpreventieplan die maatregelen heeft getroffen die noodzakelijk waren. Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat dit onvoldoende is geweest. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat dit plan zijn uitwerking heeft gemist. Van andere maatregelen is niet gebleken. Daar komt bij dat de gemeente Vlissingen een toezegging heeft gedaan dat de overlast na een overgangsperiode van twee jaar beëindigd zou zijn. De gemeente Vlissingen heeft weliswaar betwist dat deze toezegging is gedaan, maar gelet op de bewoordingen van het besluit, zoals onder rechtsoverweging 2.2. is weergegeven, mocht [eiser] ervan uitgaan dat er in maart 2006 een ongestoord woongenot zou zijn teruggekeerd. Daarnaast heeft de gemeente Vlissingen op zich genomen om gedurende die overgangsperiode ervoor zorg te dragen dat de overlast wordt verminderd. Ook daarvan is in het geheel niet gebleken. De enkele niet onderbouwde stelling van de gemeente Vlissingen dat de overlast is afgenomen, is onvoldoende om anderszins te oordelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gemeente Vlissingen niet voortvarend is opgetreden.

4.5. De door [eiser] gestelde feiten in onderling verband bezien, leveren voldoende grond op om te concluderen dat de aan [eiser] toegebrachte hinder als ontoelaatbare overlast kan worden beschouwd hetgeen jegens hem een onrechtmatige daad oplevert. [eiser] is door deze ontoelaatbare overlast, veroorzaakt door de HKPD terwijl de gemeente heeft nagelaten hiertegen op te treden, in zijn woongenot gestoord. Daarnaast dient een bestemmingsplan mede de privébelangen van burgers, die er tegenover de overheid aanspraak op hebben dat de vigerende bestemming wordt gehandhaafd. De gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar en de gemeente Vlissingen is aansprakelijk voor de schade die [eiser] door dit onrechtmatig handelen heeft geleden.

4.6. [eiser] vordert allereerst een vergoeding van € 15.000,-- wegens door hem gederfd woongenot. De gemeente Vlissingen heeft de hoogte van dit bedrag betwist. De rechtbank is van oordeel dat meegewogen dient te worden dat [eiser], nadat hij in 1998 het eerste appartement heeft gekocht, eerst in 2002 en eind 2003 de twee appartementen heeft aangeschaft. [eiser] heeft zelf verklaard dat vanaf circa 2001 de overlast steeds ernstiger vormen aannam, terwijl er in 2003 daadwerkelijk en serieus sprake van onaanvaardbare overlast bestond. [eiser] wist dan ook waar hij aan begon. Daar komt bij dat [eiser] een aanzienlijke periode niet in het pand woonachtig is geweest. De rechtbank acht het redelijk en billijk om aansluiting te zoeken bij de door de gemeente Vlissingen betaalde vergoeding van geleden schade aan een buurtgenoot. De rechtbank zal de schadevergoeding toewijzen tot een bedrag van € 6.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden tot aan de dag der algehele voldoening.

4.7. [eiser] vordert daarnaast gederfde huurinkomsten. In verband met zijn werkzaamheden in het buitenland, was hij voornemens zijn woning te verhuren. De woning bleek, aldus [eiser], onverhuurbaar wegens de aanwezigheid van het drugspand. Als gevolg hiervan heeft hij een bedrag van € 52.000,-- aan huurinkomsten misgelopen. De gemeente Vlissingen betwist de verschuldigdheid van dit bedrag.

4.8. De vraag die in dat kader gesteld dient te worden, is of onder de geschonden norm, namelijk het ongestoorde woongenot, ook het huurgenot omvat. Die vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Nog daargelaten dat [eiser] niet verplicht was om zijn woning te verhuren voor de tijd dat hij in het buitenland verbleef, is het verlies aan huurinkomsten niet te beschouwen als schade als gevolg van onrechtmatig handelen door de gemeente Vlissingen. Het bestemmingsplan Boulevard is immers bedoeld om handhavend op te treden als het woongenot wordt belemmerd, maar niet om een (ver)huurmogelijkheid te garanderen. Dat brengt met zich dat dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

4.9. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [eiser] aanspraak kan maken op de door hem gemaakte kosten in verband met de procedures in bezwaar en beroep. De gemeente Vlissingen stelt zich op het standpunt dat deze proceskosten onder de exclusieve werking van de Algemene wet bestuursrecht vallen. [eiser] grondt zijn vordering op de artikelen 6:96 en 6:162 BW. De omstandigheid dat dit onderdeel van de vordering is gegrond op onrechtmatig handelen en ertoe strekt schadevergoeding te verkrijgen, brengt mee dat de burgerlijke rechter bevoegd is daarvan kennis te nemen, zodat beoordeeld dient te worden of deze schade toewijsbaar is.

[eiser] vordert een bedrag van € 35.217,96, verminderd met het door de gemeente Vlissingen reeds betaalde bedrag van € 3.473,--, derhalve € 31.744,96. Hij stelt daartoe dat hij recht heeft op volledige vergoeding van de door hem gemaakte kosten, nu uit de gevoerde bestuursrechtelijke procedures is gebleken dat hij terecht heeft verzocht om handhavend op te treden. De gemeente Vlissingen had derhalve al eerder moeten optreden en door dit achterwege te laten is [eiser] op goede gronden in het geweer gekomen. De door [eiser] gevorderde proceskosten zien, zo begrijpt de rechtbank, op de door hem gevoerde bezwaar- en beroepprocedures, nu het door hem overgelegde overzicht ziet op de periode mei 2007 tot en met september 2009. Uit de correspondentie blijkt dat het door de gemeente Vlissingen betaalde bedrag van € 3.473,-- ziet op specifieke procedures, zodat [eiser] in beginsel geen afstand heeft gedaan van vergoeding van de overige proceskosten. Echter, bij de diverse beroepprocedures bij de bestuursrechter en de Afdeling is [eiser] in het ongelijk gesteld, waarbij deze instanties ook een beslissing hebben genomen op de proceskostenveroordeling (in die zin dat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling). Deze bestuursrechtelijke rechtsgang is met voldoende waarborgen omkleed, zodat [eiser] in civielrechtelijk kader niet nog eens deze kosten kan verhalen. Daarbij komt dat de raadsman van [eiser] in de diverse bezwaar- en beroepprocedures tegelijkertijd ook voor andere eisers heeft opgetreden en dat uit het overzicht niet blijkt welke kosten op wie betrekking hebben. Dit deel van de vordering zal derhalve als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

4.10. Nu de gemeente Vlissingen hoofdzakelijk in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 90,81

- griffierecht € 588,--

- salaris advocaat € 2.842,-- (2x tarief V)

Totaal € 3.520,81,

en daarnaast zal de gemeente Vlissingen worden veroordeeld in de nakosten.

5. De beslissing

De rechtbank

- verklaart voor recht dat de gemeente Vlissingen onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld door:

- uitdrukkelijk en/of stilzwijgend te gedogen dat de Stichting HKPD te Vlissingen gedurende vele jaren aan het adres [straatnaam] [straatnummers] te Vlissingen een opvangcentrum voor drugsverslaafden kon exploiteren in strijd met het ter plaatse vigerende bestemmingsplan en in strijd met de Verordening recreatiewoningen 1994, zulks terwijl bij de gemeente Vlissingen bekend was en/of kon en/of moest zijn dat omwonenden zoals eiser daarvan ontoelaatbare overlast ondervonden en,

- meer in het bijzonder doch niet uitsluitend, door met dit gedogen ook na maart 2004 voort te gaan, zulks ondanks de gedane toezegging dat tegen overlast effectief zou worden opgetreden en dat uiterlijk twee jaren na maart 2004 aan de illegale activiteiten van de Stichting HKPD aan genoemd adres een einde zou zijn/worden gemaakt;

- veroordeelt de gemeente Vlissingen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de somma van € 6.000,-- te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 juni 2012 tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt de gemeente Vlissingen in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 3.520,81;

- veroordeelt de gemeente Vlissingen in de nakosten tot een bedrag van € 131,-- en, indien en voor zover de gemeente Vlissingen niet binnen veertien dagen na het te deze te wijzen vonnis daaraan zal hebben voldaan, te vermeerderen met een bedrag van € 68,--;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kuypers en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.?