Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BY0806

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
23-10-2012
Zaaknummer
Awb 11/883
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geregistreerd kindercentrum; landelijk register kinderopvang en peuterspeelzalen; Wet kinderopvang; wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen; besluit kinderopvangtoeslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 11/883

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde mr. J.B. de Meester, advocaat te Goes,

tegen

Belastingdienst/Toeslagen,

verweerder.

I. Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen verweerders besluit op bezwaar van 17 augustus 2011 (het bestreden besluit)

Het beroep is op 31 januari 2012 behandeld ter zitting. Eiseres is daar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Daarnaast is [naam 1] verschenen, werkzaam bij Stichting Kinderopvang De Bevelanden, thans genaamd Kibeo. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam 2].

II. Overwegingen

1. Bij besluit van 5 december 2009 heeft verweerder een voorschot kinderopvangtoeslag voor het berekeningsjaar 2010 (hierna het voorschot) toegekend van € 1796,--.

Bij besluit van 19 maart 2010 heeft verweerder het voorschot gewijzigd in € 1353,--.

Bij besluit van 22 september 2010 heeft verweerder het voorschot gewijzigd in € 2932,--.

Bij besluit van 19 oktober 2010 heeft verweerder het voorschot gewijzigd in € 3406,--.

2. Op grond van de van eiseres ontvangen urenopgave 2010 van Stichting Kinderopvang De Bevelanden (hierna: KOB) ten behoeve van [naam 3] heeft verweerder bij besluit van 3 mei 2011 het voorschot kinderopvang herzien en bepaald op € 1551,- per jaar. Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar (kennelijk) ongegrond verklaard.

3. Verweerder stelt zich ten aanzien van de opvang van de op [2007] geboren zoon van eiseres ([naam 3]) in “De Huus” dat sprake is geweest van opvang in een peuterspeelzaal en dat voor die vorm van opvang geen recht op kinderopvangtoeslag bestaat.

4. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij stelt dat de kinderopvang in kwestie heeft plaatsgevonden in de door KOB geëxploiteerde instelling “De Huus” te Hoedekenskerke. Op het jaaroverzicht van KOB is het LRK nummer van de opvang vermeld. Daaruit volgt dat sprake is van een landelijk erkende kinderopvang. Een ouder heeft aanspraak op kinderopvangtoeslag indien het kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum betreft. Blijkens de Wet Kinderopvang wordt onder kinderopvang verstaan het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor kinderen begint. Er is in dit geval geen sprake van een peuterspeelzaal, maar van kinderopvang die op grond van het Besluit Kinderopvangtoeslag en tegemoetkomingen in kosten kinderopvang voor het toekennen van een toeslag in aanmerking komt. Het bestreden besluit is daarnaast in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aangezien andere klanten van KOB onder dezelfde omstandigheden wel aanspraak kunnen maken op de toeslag.

5. Het recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2010 is gebaseerd op de Wet kinderopvang (Wko) zoals deze destijds gold.

In artikel 1, eerste lid, van de Wko is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kinderopvang wordt verstaan het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet

onderwijs voor die kinderen begint.

In artikel 1, tweede lid aanhef en onder b, van de Wko is bepaald dat tot kinderopvang niet worden gerekend verzorging en opvoeding in een peuterspeelzaal, waaronder wordt verstaan: een voorziening waarin uitsluitend kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop zij kunnen deelnemen aan het basisonderwijs, verblijven in een speelgroep.

In artikel 5, eerste lid, onder a, van de Wko is bepaald dat een ouder aanspraak heeft op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum betreft.

De Wko is met ingang van 1 augustus 2010 gewijzigd in de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is bepaald dat in dit hoofdstuk (“kinderopvang”) en de op dit hoofdstuk rustende bepalingen onder kinderopvang wordt verstaan het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen tot de eerste dag van de maand waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.

In artikel 1.1, tweede lid aanhef en onder b, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is bepaald dat tot kinderopvang niet worden gerekend de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen in een peuterspeelzaal als bedoeld in artikel 2.1.

In artikel 2.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is bepaald dat in dit hoofdstuk (“kwaliteitseisen peuterspeelzalen”) en de op dit hoofdstuk rustende bepalingen wordt verstaan onder:

peuterspeelzaalwerk: de verzorging, de opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs;

peuterspeelzaal: voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt, anders dan gastouderopvang of kinderopvang in een kindercentrum.

In artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen is bepaald dat een ouder aanspraak heeft op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten jegens het Rijk onderscheidenlijk aanspraak op een tegemoetkoming in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang jegens de gemeente of jegens het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien het kinderopvang in een geregistreerd kindercentrum betreft.

6. Tussen partijen is niet in geschil dat als de opvang door KOB als opvang door een peuterspeelzaal moet worden gekwalificeerd, eiseres geen aanspraak kan maken op kinderopvangtoeslag. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de opvang door KOB als opvang door een peuterspeelzaal moet worden begrepen.

Volgens eiseres is de opvang door KOB geen opvang door een peuterspeelzaal. Het gaat om kinderopvang, waarvoor zij aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag.

7. Vast staat dat KOB een zogenaamd LRK-nummer heeft en dus is geregistreerd in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen. Anders dan eiseres heeft aangevoerd volgt uit het enkele feit dat KOB een geregistreerd centrum is niet dat voor de door KOB geboden opvang automatisch aanspraak bestaat op kinderopvangtoeslag. Een dergelijke aanspraak ontstaat pas wanneer daarnaast sprake is van kinderopvang. Onder kinderopvang wordt niet gerekend verzorging en opvoeding in een peuterspeelzaal. Ook door een geregistreerd kindercentrum kan opvang plaatsvinden die toch als opvang door een peuterspeelzaal moet worden gekwalificeerd en waarvoor geen aanspraak op een kinderopvangtoeslag bestaat.

8. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wko volgt dat de invulling van de opvang bepalend is voor de vraag of sprake is van opvang in een peuterspeelzaal of kinderopvang (Kamerstukken II, Memorie van Toelichting, 2001-2002, nr. 28447, nr 3). De doelstelling van het peuterspeelzaalwerk is het creëren van optimale ontwikkelkansen voor kinderen in de leeftijd van 2 tot 4 jaar door het aanbieden van veelzijdige en passende speelmogelijkheden. Het verblijf in een peuterspeelzaal duurt 2 à 2,5 uur per dag. Dit is anders bij kinderopvang, waardoor kinderopvang -anders dan peuterspeelzaalwerk- tevens de combinatie van arbeid en zorg mogelijk maakt. De verzorging en opvoeding van de kinderen wordt door kinderopvang tijdelijk, op structurele basis van de ouders overgenomen.

9. Uit de urenopgave 2010 volgt dat KOB voor [naam 3], die in 2010 drie jaar werd, twee ochtenden per week opvang verzorgde op peutergroep “De Huus” gedurende in totaal 20 uur per maand. Hieruit volgt dat het verblijf steeds 2 tot 2,5 uur duurde.

Daarnaast blijkt uit de stukken dat op de op de website van KOB over de peutergroep is vermeld dat veel aandacht wordt besteed aan de taalontwikkeling van het kind. Voorts is vermeld dat van alle peuters de ontwikkeling wordt bijgehouden en dat deze gegevens met toestemming aan de basisschool worden overgedragen zodra de peuter 4 jaar oud wordt.

10. Dat, zoals door mevrouw [naam 1] van KOB ter zitting is benadrukt, de opvang van de peuters, waaronder [naam 3], voldoet aan alle kwaliteitseisen die aan kinderopvang worden gesteld, betekent niet dat die opvang naar zijn invulling als kinderopvang moet worden beschouwd. De opvang vormde naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande opvang door een peuterspeelzaal. De opvang was uitsluitend gericht op de ontwikkeling van de kinderen en bood daarnaast niet aan de ouders de reële mogelijkheid om zorg en arbeid te combineren. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de opvang als opvang door een peuterspeelzaal moet worden gekwalificeerd.

11. Nu de opvang van [naam 3] door KOB als opvang door een peuterspeelzaal moet worden gekwalificeerd, kan eiseres geen aanspraak maken op kinderopvangtoeslag.

Dat verweerder tijdens een voorlichtingsbijeenkomst aan mevrouw [naam 1] zou hebben bevestigd dat bij geregistreerde opvang een aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat, maakt niet dat eiseres in haar geval daarop aanspraak kan maken nu sprake is van opvang door een peuterspeelzaal. Niet is gebleken dat verweerder heeft aangegeven dat bij opvang door een peuterspeelzaal, geregistreerd of niet, er aanspraak gemaakt kan worden op kinderopvangtoeslag.

12. Eiser heeft aangevoerd dat het gelijkheidsbeginsel in de weg staat aan het herzien van het voorschot. Ouders van andere kinderen op de peutergroep van [naam 3] hebben wel aanspraak kunnen maken op kinderopvangtoeslag. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen nu de ouders van de andere kinderen ten onrechte aanspraak hebben kunnen maken op deze toeslag. Het gelijkheidsbeginsel noopt niet tot herhaling van een eerder gemaakte fout.

13. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het voorschot kinderopvangtoeslag 2010 terecht herzien, omdat eiser geen aanspraak kon maken op kinderopvangtoeslag voor opvang van [naam 3] door de peuterspeelzaal.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, in tegenwoordigheid van W.J. Steenbergen, griffier, en op 26 april 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 26 april 2012