Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BY0663

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
19-10-2012
Zaaknummer
79938 / HA ZA 11-355
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering tot vergoeding van schade als gevolg van mishandeling. Toegewezen.

Bewijs van mishandeling volgt uit vonnis politierechter.

Beroep op rechtvaardigingsgrond of noodweer afgewezen.

Geen gederfde inkomsten, € 400,00 immateriële schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 79938 / HA ZA 11-355

Vonnis van 6 juni 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te Yerseke,

eiser,

advocaat mr. drs. J. Wouters te Middelburg,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Yerseke,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Kruiningen,

gedaagden,

advocaat mr. C.C. Janssen te Goes.

Eiser zal hierna [eiser] worden genoemd; gedaagden zullen gezamenlijk Van [gedaagden] genoemd worden, gedaagde sub 1 [gedaagde sub 1] en gedaagde sub 2 [gedaagde sub 2].

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 oktober 2011

- het proces-verbaal van comparitie van 6 december 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In de nacht van 18 op 19 augustus 2007 heeft op de mosselfeesten te Yerseke een vechtpartij tussen partijen plaatsgevonden. Zowel [gedaagde sub 1] als [gedaagde sub 2] is in verband met die vechtpartij bij vonnis van 25 februari 2008 van de politierechter te Middelburg ter zake van eenvoudige mishandeling veroordeeld tot een werkstraf.

2.2. [eiser] is eigenaar van een grondverzetbedrijf. In 2000 is hem een verkeersongeval overkomen. Op enig moment daarna is hij voor 80-100% arbeidsongeschikt verklaard.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

- voor recht verklaart dat Van [gedaagden] jegens hem hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem tengevolge van de mishandeling op 19 augustus 2007 geleden, en nog te lijden, materiële en immateriële schade;

- Van [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling – als vergoeding van immateriële schade – van € 5.000,-- althans een bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 19 augustus 2007, althans vanaf 2 augustus 2011, tot aan de dag der algehele voldoening;

- Van [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling – als voorschot op de door [eiser] geleden schade – van € 5.000,--;

- de zaak voor verdere behandeling verwijst naar een schadestaatprocedure voor begroting van de door [eiser] tengevolge van de mishandeling geleden materiële schade;

- Van [gedaagden] hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de kosten van dit geding.

3.2. [eiser] stelt op genoemd mosselfeest van achteren door [gedaagde sub 1] te zijn aangevallen, vervolgens tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heen en weer te zijn geslagen en door hen beiden, ook nadat hij op de grond was gevallen, te zijn geschopt en geslagen. Er was sprake van een vooropgezet plan en buitensporig geweld. Door aldus te handelen heeft Van [gedaagden] onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. Dat handelen is ernstig, omdat Van [gedaagden] op de hoogte was van de slechte conditie – ten gevolge van het verkeersongeval in 2000 – van [eiser]. [eiser] heeft door de vechtpartij opnieuw letsel opgelopen (bloeduitstortingen, nek- en hoofdpijn, duizelingen, verminderd zicht) en zijn eerdere klachten zijn verergerd. Er is sprake van inkomensderving. Hoewel arbeidsongeschikt verklaard, werkte [eiser] vóór de vechtpartij weer zo’n 20 tot 30 uur per week in zijn eigen bedrijf. Dat was na de vechtpartij – vooral door pijn in de nek – gedurende vijf maanden niet mogelijk. De nekpijn was toen weer even erg als na het verkeersongeval in 2000. Voorts heeft hij zes weken last gehad van zijn oog. Een half jaar na de vechtpartij werkte hij weer op dezelfde wijze als kort ervoor. [eiser] schat de maandelijkse inkomstenderving op € 5.000,--. Daarnaast heeft hij buitengerechtelijke kosten gemaakt en lijdt hij immateriële schade ter hoogte van € 5.000,--. Hij acht een voorschot op de vergoeding van de materiële schade van € 5.000,-- redelijk; voor het overige dient de schade in een schadestaatprocedure te worden vastgesteld.

3.3. Van [gedaagden] stelt dat er geen sprake is van een onrechtmatige daad. Van [gedaagden] is door de politierechter veroordeeld; bewezenverklaard is slechts “eenvoudige mishandeling”. Het door [eiser] gestelde buitensporige geweld en het daardoor ontstane letsel passen niet bij die kwalificatie; Van [gedaagden] betwist het gestelde letsel. De stellingen van [eiser] zijn met het strafvonnis niet bewezen; Van [gedaagden] biedt tegenbewijs aan. Van [gedaagden] stelt dat sprake is geweest van korte vechtpartijen (één met [gedaagde sub 2] en één met [gedaagde sub 1]), waarbij steeds [eiser] het initiatief nam. Er zijn over en weer een paar klappen gevallen. Er was geen vooropgezet plan bij Van [gedaagden]; zij waren ook niet op de hoogte van een slechte conditie van [eiser]. Ten aanzien van [gedaagde sub 2] stelt Van [gedaagden] dat sprake was van uitlokkend gedrag aan de zijde van [eiser]; het gedrag van [gedaagde sub 2] is (daardoor) niet onrechtmatig. Subsidiair stelt Van [gedaagden] dat gelet op het gedrag van [eiser] zelf sprake is van een hoge mate van eigen schuld, althans komt de schadevergoedingsplicht door de billijkheid te vervallen. Ten aanzien van [gedaagde sub 1] stelt Van [gedaagden] dat hij handelde uit zelfverdediging; er is sprake van noodweer, een rechtvaardigingsgrond waardoor zijn handelen niet onrechtmatig was. Subsidiair stelt hij dat sprake was van een schulduitsluitingsgrond (noodweer-exces). Meer subsidiair stelt hij dat zijn handelen door de uitlokking door [eiser] niet onrechtmatig was, althans dat sprake is van een hoge mate van eigen schuld dan wel dat de schadevergoedingsplicht door billijkheid komt te vervallen.

Van [gedaagden] betwist de gestelde schade. Er is geen recente medische informatie overgelegd; welk letsel [eiser] aan de gestelde vechtpartij heeft overgehouden blijkt niet. De ziektekostenverzekeraar van [eiser] heeft tot een bedrag van slechts € 839,90 aan voor [eiser] betaalde ziektekosten op Van [gedaagden] getracht te verhalen. Dat sprake is van inkomstenderving heeft [eiser] nauwelijks toegelicht en niet bewezen; hij geeft geen vergelijking tussen de situatie voor en die na de vechtpartij. Al vóór de vechtpartij was [eiser] 80-100% arbeidsongeschikt verklaard. Overigens heeft hij in de maanden direct na de vechtpartij gewerkt op dezelfde (beperkte) wijze als daarvoor; zijn bedrijf is al jaren slapend. [eiser] schat zijn inkomstenderving nu op € 5.000,-- per maand, terwijl eerder € 1.000,-- per maand werd genoemd. De immateriële schade is niet onderbouwd, terwijl van de buitengerechtelijke kosten wordt betwist dat deze zijn gemaakt. Er is geen reden voor bevoorschotting. Een schadestaatprocedure is niet nodig.

4. De beoordeling

4.1. Bij onherroepelijke vonnissen van de politierechter van 25 februari 2008 is bewezenverklaard dat Van [gedaagden] [eiser] heeft mishandeld. Die strafvonnissen leveren in de onderhavige civiele procedure dwingend bewijs op van het feit dat Van [gedaagden] [eiser] heeft mishandeld. Tegen dat bewijs staat tegenbewijs open. Van [gedaagden] heeft tegenbewijs aangeboden, maar niet van de eenvoudige mishandeling. Uit de eigen stellingen van Van [gedaagden] blijkt ook dat zij beiden erkennen dat zij [eiser] hebben geslagen. Het aangeboden tegenbewijs betreft de door [eiser] gestelde heftigheid van de mishandeling en de aard en ernst van het daardoor ontstane letsel, en betreft aldus niet de mishandeling zelf, maar de gevolgen ervan en de omvang van de schade. De (eenvoudige) mishandeling staat derhalve vast. Een dergelijk handelen is in beginsel onrechtmatig jegens de mishandelde.

4.2. Van [gedaagden] heeft echter een beroep gedaan op rechtvaardigingsgronden en op een schulduitsluitingsgrond: zij stellen dat sprake was van uitlokkend gedrag aan de kant van [eiser], dat voorts dat [gedaagde sub 1] handelde uit noodweer dan welk in een situatie van noodweer-exces. Van deze rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgrond ligt de stelplicht en – zo nodig – de bewijslast bij Van [gedaagden]. Van [gedaagden] verwijst naar overgelegde verklaringen van door de politie gehoorde getuigen en legt zelf een aantal nieuwe, schriftelijke verklaringen over.

4.2.1. De gestelde uitlokking zou gelegen zijn in het geven van de eerste klap met een klomp en het blijven aanvallen nadat de vechtpartij al was begonnen. De rechtbank kan uit de overgelegde verklaringen niet afleiden dat de door enkele getuigen genoemde, door [eiser] gegeven klap met een klomp, de eerste klap zou zijn geweest. Dat wordt namelijk door geen van die getuigen uitdrukkelijk gezegd. Dat [eiser] nadat het gevecht was begonnen, daarmee is doorgegaan rechtvaardigt niet dat Van [gedaagden] dan ook moet doorvechten en daarbij [eiser] dient te mishandelen. De gestelde feiten zijn dan ook onvoldoende om te kunnen komen tot het oordeel dat sprake was van zodanige uitlokking, dat daardoor het onrechtmatige karakter aan de mishandeling is komen te ontvallen.

4.2.2. Ten aanzien van [gedaagde sub 1] is voorts gesteld dat sprake was van noodweer dan wel noodweer-exces. Van noodweer is sprake wanneer een gedraging is geboden door de noodzakelijk verdediging van (onder meer) het eigen lijf tegen een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding; van noodweer-exces is sprake, wanneer de grenzen van de noodzakelijke verdediging worden overschreden als onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. Uit de overgelegde verklaringen blijkt op geen enkele wijze dat het door [gedaagde sub 1] jegens [eiser] gebruikte geweld noodzakelijk was ter verdediging van zijn eigen lijf. De bij de politie gehoorde getuigen en die, waarvan verklaringen door Van [gedaagden] zijn overgelegd, spreken slechts van over en weer gegeven klappen. [gedaagde sub 1] zelf heeft bij de politie verklaard dat hij [eiser], toen deze dreigend op hem af kwam, enkele vuistslagen heeft gegeven. In die verklaringen is geen aanknopingspunt te vinden voor de stelling dat sprake was van noodzakelijke zelfverdediging. Gesteld noch gebleken is dat er voor [gedaagde sub 1] geen ander mogelijkheden waren (zoals bijvoorbeeld weglopen) om de gestelde dreiging van [eiser] af te weren. Ook voor de voor noodweer-exces vereiste hevige gemoedsbeweging is in de overgelegde verklaringen geen enkel aanknopingspunt te vinden.

4.2.3. De rechtbank zal daarom aan de gestelde rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgrond voorbij gaan, zonder Van [gedaagden] tot bewijs toe te laten.

4.3. Vervolgens dient te worden bezien of er sprake was van eigen schuld aan de zijde van [eiser]. Ter onderbouwing van de stelling dat de door [eiser] geleden schade mede is veroorzaakt door omstandigheden die aan hemzelf dienen te worden toegerekend, verwijst Van [gedaagden] naar de overgelegde verklaringen. Zoals in 4.2 al overwogen, kan uit die verklaringen niet worden afgeleid dat de eerste klap door [eiser] is gegeven. Evenmin blijkt daaruit dat [eiser] uitdrukkelijk op een vechtpartij uit was. Wel blijkt daaruit dat Van [gedaagden] naar aanleiding van een eerder incident een hartig woordje met [eiser] wilde spreken en dat dat gesprek is ontaard in een vechtpartij. In die omstandigheden ziet de rechtbank geen grond om te komen tot het oordeel dat de eventueel door [eiser] geleden schade door eigen schuld is ontstaan en om die reden voor zijn eigen rekening moet blijven. Ook de stelling dat een eventuele verplichting tot schadevergoeding aan de zijde van Van [gedaagden] door billijkheid is komen te vervallen, moet in het licht van het vorenstaande worden verworpen.

4.4. Het vorenstaande betekent dat vast staat dat Van [gedaagden] door hem te mishandelen jegens [eiser] toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld en gehouden is de daardoor ontstane schade te vergoeden. De gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen, met dien verstande dat de aansprakelijkheid van Van [gedaagden], nu – zoals onder 4.5 wordt vastgesteld – inmiddels sprake is van een eindtoestand, slechts ziet op reeds geleden schade.

4.5. Dan komt de rechtbank toe aan de vraag of en zo ja, welke schade [eiser] als gevolg van de mishandeling lijdt en/of heeft geleden. Daartoe zal – nu ook in stellingen van [eiser] sprake is van een eindtoestand – de zaak niet worden verwezen naar een schadestaatprocedure, maar zal de rechtbank over de schade in de onderhavige procedure inhoudelijk beslissen.

4.5.1. [eiser] stelt zodanig (m.n. nek- en schouder-)letsel dat hij daardoor zijn verdienvermogen volledig verloor gedurende vijf of zes maanden. Ten aanzien van de ernst van het letsel legt hij een verslag van het onderzoek in het Oosterscheldeziekenhuis op 19 augustus 2007 (derhalve direct na de vechtpartij) over, waarin met name het uitwendige onderzoek wordt gerelateerd. Over nek-/schouderklachten wordt niet gesproken en evenmin wordt iets gezegd over de fysieke mogelijkheden van [eiser] ten aanzien van arbeid. Voorts legt hij over een brief van 29 november 2007 van – naar de rechtbank aanneemt - zijn huisarts, waarin wordt verwezen naar een “journaal 20/8”, een “journaal 29/10” en een “copie brief van bevindingen” van de oogarts. Al die stukken heeft [eiser] niet overgelegd. In de brief staat verder: “al bekend met chronische nekklachten/whiplash syndroom na een auto-ongeval”, “vaker geweest met schouderklachten” en “Nog geen medische eindtoestand. Nog te veel klachten nek en schouders. Veel hinder in werk op de trekker en dergelijke. Of patiënt ooit klachtenvrij zal worden is zeer de vraag”. De klachten van [eiser] worden aldus (ook) gezien in het licht van het eerdere verkeersongeval. Vast staat dat [eiser] al voor de vechtpartij voor 80-100% arbeidsongeschikt was verklaard. Daarmee valt niet de rijmen de stelling dat hij kort voorafgaand aan het ongeval 20 tot 30 uur per week werkte; die stelling wordt door Van [gedaagden] ook gemotiveerd betwist. Voorts strookt de stelling van [eiser] dat hij na de vechtpartij vijf maanden niet heeft kunnen werken niet met hetgeen hij – blijkens de eerder genoemde brief van zijn huisarts – ruim drie maanden na de vechtpartij aan die huisarts heeft verteld (nl. dat hij werkte op de trekker). Alles bij elkaar genomen komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen komen tot de vaststelling dat hij bij de mishandeling zodanig letsel heeft opgelopen, dat hij daardoor niet heeft kunnen werken en derhalve inkomsten heeft gederfd. Voor bewijsvoering ter zake ziet de rechtbank – nu ten aanzien van het letsel nagenoeg geen onderbouwing is gegeven – geen grond.

4.5.2. Naast inkomstenderving heeft [eiser] immateriële schade gesteld. Anders dan [eiser] kennelijk meent, is niet de heftigheid van de vechtpartij voor de hoogte van deze schade maatgevend, maar de aard en ernst van het lichamelijk letsel, dat [eiser] heeft opgelopen. Dat letsel blijkt – zoals hiervoor onder 4.5.1. al overwogen - uit het onderzoeksverslag van het Oosterscheldeziekenhuis van 19 augustus 2007; er was sprake van verwondingen – waaronder de afdruk van een schoen – en zwellingen in het gezicht, hoofdpijn, en niet beperkende wonden aan pols en duim). Aanknopend bij gelijksoortige zaken, oordeelt de rechtbank een vergoeding voor immateriële schade van € 400,-- redelijk. De vordering zal tot dat bedrag worden toegewezen

4.5.3. Tenslotte stelt [eiser] buitengerechtelijke kosten te hebben gemaakt. Hij stelt dat uitvoerig met de advocaat van Van [gedaagden] is gecorrespondeerd; Van [gedaagden] betwist dat. [eiser] heeft zijn stelling op geen enkele wijze onderbouwd; de correspondentie van/aan zijn (voormalige) advocaat die hij overlegt, heeft betrekking op eigen onderzoek van die advocaat, mogelijk ter voorbereiding op aansprakelijkheidsstelling, maar dat Van [gedaagden] daarover is aangesproken met de bedoeling buitengerechtelijk tot een vergelijk te komen blijkt daaruit niet. De gestelde kosten moeten worden afgewezen.

4.6. Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal Van [gedaagden] worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van [eiser] worden tot op heden begroot op:

- kosten dagvaarding € 97,83

- vast recht € 260,--

- salaris advocaat € 904,-- (2 x tarief II, € 452,--)

Totaal € 1.261,83.

5. De beslissing

De rechtbank

verklaart voor recht dat Van [gedaagden] wegens onrechtmatig handelen jegens [eiser] hoofdelijk aansprakelijk is voor de door [eiser] tengevolge van de mishandeling op 19 augustus 2007 geleden schade;

veroordeelt Van [gedaagden] hoofdelijk om uit hoofde van schadevergoeding aan [eiser] te betalen een bedrag van € 400,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 19 augustus 2007;

veroordeelt Van [gedaagden] hoofdelijk in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 1.261,83;

verklaart dit vonnis – voor zover Van [gedaagden] daarbij is veroordeeld tot betaling van geldsbedragen – uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2012.?