Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BX9896

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
11-10-2012
Zaaknummer
67001 / FA RK 09-346
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

dwangsom opgelegd aan moeder voor begeide omgang met vader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaak/reknr: 67001 / FA RK 09-346

beschikking d.d. 11 april 2012

[de man] (hierna: de man),

wonende te Vlissingen,

verzoeker,

advocaat: mr. C.J. de Wit te Vlissingen,

tegen:

[de vrouw] (hierna: de vrouw),

wonende te Middelburg,

verweerster,

advocaat: mr. J. Wouters te Middelburg.

1 Het verdere procesverloop

1.1. De rechtbank oordeelt op grond van de volgende stukken:

- de beschikking van 10 augustus 2011;

- de brief met bijlagen d.d. 24 november 2011 van de Stichting Juvent.

1.2. De verzoeken zijn behandeld ter zitting van 16 maart 2012.

2 De verdere beoordeling

2.1. In geschil is de omgang tussen de man en het minderjarige kind van partijen, [het kind], geboren te Vlissingen op [geboortedatum] 2005.

2.2. Bij beschikking van 10 augustus 2011 is bepaald dat er voorlopig omgang zal zijn tussen de man en de minderjarige gedurende drie maanden na aanvang van het eerste bezoekcontact in het omgangshuis, met een door het omgangshuis te bepalen frequentie en duur. De beslissing is dan ook aangehouden totdat de omgangsbegeleiding een schriftelijk verslag zou uitbrengen.

2.3. Stichting Juvent heeft vervolgens meegedeeld dat op 9 november 2011 het startgesprek met de ouders stond gepland. De vrouw kwam naar de mening van de omgangsbegeleidster boos en aanvallend binnen en deelde mee dat het startgesprek kort zal zijn, omdat [het kind] zijn vader niet wil zien. De man was de afspraak vergeten, met als gevolg dat het startgesprek niet is doorgegaan. De vrouw heeft vervolgens op 16 november 2011 telefonisch laten weten af te zien van verdere omgangsbegeleiding. Zij is ook niet verschenen op de vervolgafspraak van 23 november 2011. De man is wel verschenen. Gelet op het voorgaande is er geen omgangsregeling tot stand gekomen en heeft de Stichting de opdracht weer teruggeven.

2.4. Ter zitting heeft de man zijn verzoek gewijzigd c.q. aangevuld in die zin, dat aan de niet nakoming door de vrouw van een door de rechtbank opgelegde omgangsbegeleiding dan wel –regeling een dwangsom zal worden verbonden.

2.5. Partijen zijn sedert 2009 met elkaar aan het strijden over de omgang tussen de man en de minderjarige, terwijl de man de minderjarige vanaf 2007 niet meer heeft gezien. Uit een door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) uitgevoerd onderzoek is gebleken dat het in het belang van de minderjarige is dat hij contact heeft met de man. In de afgelopen jaren is steeds door middel van omgangsbegeleiding getracht het contact tussen de man en de minderjarige tot stand te brengen. De eerste verwijzing (in 2009) naar het Omgangshuis heeft niet geresulteerd in een omgangsregeling, nu de minderjarige eerst op de hoogte gesteld diende te worden van het feit dat de man zijn biologische vader is. Doordat de vrouw uiteindelijk is begonnen met een levensboek, is de minderjarige hiervan thans wel op de hoogte.

De tweede verwijzing naar het Omgangshuis (2010) is voor de duur van de appelprocedure die door de vrouw was gestart, opgeschort. Nadat het Hof heeft geoordeeld dat “de moeder de juistheid van haar stellingen met betrekking tot de redenen waarom een begeleide omgangsregeling tussen [het kind] en zijn vader niet in het belang van [het kind] zou zijn, tegenover de gemotiveerde betwisting door de vader, volstrekt niet aannemelijk (heeft) gemaakt.” Bij beschikking van 10 augustus 2011 heeft wederom een verwijzing naar het Omgangshuis plaatsgevonden, maar ook deze verwijzing heeft – enerzijds omdat de man de eerste afspraak was vergeten en anderzijds omdat de vrouw niet langer bereid was haar medewerking te verlenen – niet geleid tot een omgangsregeling tussen de man en de minderjarige. De vrouw stelt zich nog steeds op het standpunt dat omgang tussen de man en de minderjarige niet in het belang is van de minderjarige.

2.6. De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de vrouw weigert mee te werken aan omgang tussen de man en de minderjarige. Zij is weliswaar verschenen op de eerste afspraak in november 2011, maar wel met de mededeling dat een startgesprek geen nut had, omdat de minderjarige zijn vader niet wilde zien. De vrouw kan worden toegegeven dat het de man verweten kan worden dat hij de afspraak is vergeten, maar dit leidt er niet toe dat er nu wel contra-indicaties zijn die ertoe zouden kunnen leiden dat er geen omgang tussen de man en de minderjarige plaats kan vinden. Zoals de Raad ter zitting heeft gesteld, is het nog altijd in het belang van de minderjarige dat hij contact heeft met zijn biologische vader. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, blijkt dat de vrouw de beslissing over het al dan niet zien van de man bij de minderjarige legt. Dit is een onjuiste opstelling van de vrouw. Immers, de minderjarige is slechts (bijna) 7 jaar en hij heeft zich vanaf zijn tweede levensjaar geen eigen beeld kunnen vormen van zijn vader.

2.7. Het lijkt erop dat de vrouw zelf grote moeite heeft met de contacten met de man. Echter, op de vrouw als verzorgende ouder rust de verantwoordelijkheid een klimaat te scheppen waarin de minderjarige het gevoel krijgt dat de vrouw hem de ruimte geeft contact te hebben met de man en hier ook van te kunnen genieten. Door de weigerachtige houding van de vrouw schaadt zij de identiteitsontwikkeling van de minderjarige, onder meer omdat de vrouw hierdoor de minderjarige niet in staat stelt om zich zelf een beeld te vormen van zijn vader. De rechtbank is van oordeel dat de weigering van de vrouw om aan omgang mee te werken nog steeds niet wordt gerechtvaardigd door in het dossier aanwezige stukken, noch door het verhandelde ter zitting. De rechtbank ziet derhalve gronden om het eerder door de Raad gegeven en later gehandhaafde advies te blijven volgen en te oordelen dat er begeleide omgang opgestart dient te worden bij het Omgangshuis te Middelburg.

De opstelling van de vrouw in de onderhavige procedure rechtvaardigt een aan de vrouw te geven prikkel tot nakoming van de omgangsbegeleiding. De rechtbank ziet aanleiding tot het opleggen van een dwangsom aan de vrouw. De man dient zich er bovendien voor in te zetten dat hij de afspraken bij het Omgangshuis nauwgezet nakomt.

2.8. De rechtbank zal de zaak voor de duur van zes maanden aanhouden en verwijzen naar de familiekamerrol van dinsdag 16 oktober 2012, met het verzoek aan het Omgangshuis alsdan te rapporteren omtrent het verloop van de omgangscontacten tussen de vrouw en de minderjarigen. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren en het door hen gewenste verdere procesverloop kenbaar te maken.

3. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat er voorlopig omgang zal zijn tussen de man en de minderjarige [het kind], geboren te Vlissingen op [geboortedatum] 2005, gedurende (maximaal) zes maanden na aanvang van het eerste omgangscontact, zulks via omgangsbegeleiding in het Omgangshuis te Middelburg, op een nader door de omgangsbegeleiding te bepalen wijze;

bepaalt dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 250,-- (tweehonderd en vijftig euro) voor iedere keer dat zij nalaat haar volledige medewerking te verlenen aan omgang volgens de door het Omgangshuis in overleg met partijen opgestelde agenda dan wel aan hetgeen het Omgangshuis ter voorbereiding daarop noodzakelijk acht, met een maximum van € 5.000,--;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de zaak ten aanzien van de omgangsregeling, om reden zoals vermeld onder 2.8 van deze beschikking, naar de familiekamerrol van dinsdag 16 oktober 2012;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kuypers in tegenwoordigheid van de griffier N. Zwaanswijk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 april 2012.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, kan – uitsluitend door een advocaat – hoger beroep tegen deze beschikking worden ingesteld, zulks door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, en door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.