Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BX9843

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
11-10-2012
Datum publicatie
11-10-2012
Zaaknummer
12/715455-11 en 12/715286-11 (ttz gev) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vrjispraak moord, doodslag op partner met messteken bewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715455-11 en 12/715286-11 (ttz gev) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 oktober 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1963],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Middelburg, locatie Torentijd, te Middelburg,

ter terechtzitting verschenen,

raadsman mr. Sol, advocaat te Terneuzen,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 september 2012, waarbij de officier van justitie mr. Bethlehem en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

12/715455-11

hij op of omstreeks 27 augustus 2011, te Breskens, gemeente Sluis,

opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven heeft

beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die

[slachtoffer 1], meermalen, althans éénmaal, met een mes in haar lichaam gestoken

en/of gesneden, waardoor die [slachtoffer 1] ernstig(e) letsel(s) heeft opgelopen

en/of veel bloed heeft verloren, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is

overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 27 augustus 2011, te Breskens, gemeente Sluis,

opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer 1], meermalen, althans

éénmaal, met een mes in haar lichaam gestoken en/of gesneden, waardoor die

[slachtoffer 1] ernstig(e) letsel(s) heeft opgelopen en/of veel bloed heeft

verloren, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

12/715286-11

1.

hij op of omstreeks 14 mei 2011 te Breskens, gemeente Sluis,

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden

toegevoegd: "Ik steek je overhoop" en/of "Ik ga je vermoorden", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 14 mei 2011, in de gemeente Sluis,

[verbalisant 1] (agent van de politie Zeeland) en/of [verbalisant 2] (agent van de

politie Zeeland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 1] en/of [verbalisant 2] dreigend de

woorden toegevoegd: "Ik ga jullie vermoorden" en/of "Jullie gaan er aan",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2011 tot

en met 14 mei 2011 te Breskens, gemeente Sluis,

(telkens) opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te

weten [slachtoffer 1], heeft geslagen en/of bij de keel/hals heeft

vastgepakt en/of vervolgens (in) die hals/nek heeft (dicht)geknepen, waardoor

deze letsel (telkens) heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 304 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrech

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Ten aanzien van parketnummer 12/715455-11

4.1.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op [slachtoffer 1], zoals primair ten laste is gelegd. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op het sectierapport, het sporenonderzoek in de woning van verdachte en [slachtoffer 1] en de verklaringen van verdachte zelf, de buren, zijn dochter [dochter] en zijn zoontje [zoontje].

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte in de keuken een groot scherp keukenmes uit de lade van de trolley heeft gepakt en daarna veelvuldig met dit mes op het lichaam van [slachtoffer 1] heeft ingestoken, waarna hij het mes heeft achtergelaten in haar nek. In deze handelingen ligt het opzet op de dood van [slachtoffer 1] en de voorbedachte rade hiertoe besloten. Zij is in dit kader van mening dat vast staat dat verdachte - na het toebrengen van de eerste steek- voldoende tijd en gelegenheid heeft gehad zich te beraden op wat hij aan het doen was, de gevolgen daarvan en om zich daarvan rekenschap te geven. Er zijn geen contra-indicaties aannemelijk geworden die aan het trekken van deze conclusie in de weg zouden staan.

4.1.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit verdachte vrij te spreken van moord, zoals primair ten laste is gelegd. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet volgt dat er bij verdachte sprake was van kalm overleg.

Hij is van mening dat er wel voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde doodslag. Hij heeft, onder verwijzing naar het forensisch onderzoek, gesteld dat verdachte [slachtoffer 1] om het leven heeft gebracht terwijl hij in een hevige gemoedsbeweging verkeerde.

4.1.3 Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat het slachtoffer, [slachtoffer 1] (verder: [slachtoffer 1]), op 27 augustus 2011 in de woning aan de [adres slachtoffer], alwaar zij samen met verdachte woonachtig was, is overleden. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het volgende naar voren gekomen.

In de ochtend van 27 augustus 2011 wordt er door [dochter], de dochter van verdachte, een melding gedaan bij de meldkamer ambulancedienst, inhoudende dat haar vader zijn vrouw [slachtoffer 1] heeft neergestoken op de [adres slachtoffer]. Hierop, omstreeks 10.20 uur, is de politie naar de betreffende woning gegaan. In de keuken van de woning zien de verbalisanten een vrouw op de grond liggen. In het achterhoofd van de vrouw steekt een groot vleesmes. Medewerkers van de ambulancedienst constateren vervolgens dat het slachtoffer geen hartactiviteit meer vertoont. Het slachtoffer wordt door haar ouders geïdentificeerd als zijnde [slachtoffer 1].

Uit de sectie op het stoffelijk overschot is onder meer gebleken dat [slachtoffer 1] is overleden door verbloeding opgetreden ten gevolge van steek- en snijletsels. Er zijn in totaal 22 scherprandige huidperforaties en klievingen toegebracht op het lichaam van [slachtoffer 1], waarvan vier doorsteken en twee insteken tot in de lichaamsholte. Het merendeel van de letsels was bij leven toegebracht en heeft geleid tot verbloeding.

Op 27 augustus 2011 omstreeks 10.45 heeft verdachte zich gemeld bij de politie in Rijswijk. Hij heeft daar verklaard dat hij iets ergs heeft gedaan met zijn vrouw. Hij is behoorlijk van streek en maakt een verwarde indruk. Omstreeks 11.30 uur heeft verdachte ten overstaan van een verbalisant verklaard dat hij [slachtoffer 1] met een mes heeft vermoord.

Verdachte is omtrent de feitelijke gang van zaken op 27 augustus 2011 en de directe aanleiding voor zijn handelen die tot de dood van [slachtoffer 1] hebben geleid verschillende malen gehoord. Hij heeft verklaard dat [slachtoffer 1] bij hem weg wilde gaan en dat hij het hiermee eens was. Op 26 augustus 2011 was besloten dat [slachtoffer 1] in de woning mocht blijven wonen met de kinderen en dat hij elders zou verblijven. Gedurende de avond van 26 augustus kwam hij er achter dat [slachtoffer 1] een man - naar later bleek van maatschappelijk werk - op bezoek had, terwijl dit niet van te voren met hem besproken was en [slachtoffer 1] hem had verteld dat zij op tijd naar bed zou gaan. Verdachte is naar de woning gereden en heeft de man de woning uitgestuurd. Vervolgens is hij gegaan naar het hotel De Vriendschap te Hoofdplaat, waar hij die nacht is verbleven. De volgende ochtend, 27 augustus 2011, is hij wederom naar de woning gereden. Ditmaal om zoals afgesproken was met [slachtoffer 1] te praten. [slachtoffer 1] opende de rolluiken en liet hem binnen. Allereerst heeft hij ontbijt gemaakt voor de kinderen. Vervolgens heeft hij in de keuken voor zichzelf een boterham met cervelaat gemaakt, terwijl hij daar met [slachtoffer 1] aan het praten was. De kinderen aten ondertussen hun ontbijt voor de televisie in de woonkamer. Verdachte vertelde [slachtoffer 1] dat hij, mede door het incident van de vorige avond, van gedachte was veranderd en wilde dat zij de woning verliet. Er ontstond een flinke discussie.

Volgens verdachte stond hij met zijn rug naar [slachtoffer 1] toe en voelde hij op een gegeven moment iets hards tegen zijn rug aankomen. Wat er daarna is gebeurd weet hij niet meer. Het eerst volgende dat hij zich kan herinneren is dat hij de kinderen zag huilen in de gang bij de deur. Hij voelde dat het niet goed was, pakte zijn kinderen, welke nog in pyjama waren gekleed, op en verliet de woning.

[zoontje], het zesjarige zoontje van [slachtoffer 1] en verdachte, is op 13 september 2011 gehoord. Hij bevestigt in grote lijnen de gang van zaken met betrekking tot de ochtend van 27 augustus 2011 zoals verklaard door verdachte. Uit zijn verklaring volgt dat [slachtoffer 1] de voordeur van de woning te Breskens opendeed voor verdachte, waarna hij de woning betrad. Beiden zaten in de keuken, terwijl hij met zijn zusje in de woonkamer aan het eten was. Op een gegeven moment hoorde [zoontje] zijn moeder heel hard zijn naam roepen en liep hij naar de keuken. Hij zag dat zijn moeder op de grond lag en dat zijn vader een scherp mes in zijn handen had. Hiermee stak hij heel hard in de buik van [slachtoffer 1] .

Medewerkers van het Team Forensische Opsporing hebben een uitgebreid onderzoek verricht op de plaats van het delict en er zijn verschillende getuigen gehoord over de ochtend van 27 augustus 2011. Er zijn tijdens het sporenonderzoek geen indicaties verkregen van betrokkenheid van derden bij de dood van [slachtoffer 1].

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat vast staat dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer 1] heeft gedood door haar meerdere malen met een mes in het lichaam te steken.

Opzet

Ter zake het opzet van verdachte om [slachtoffer 1] van het leven te beroven, overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de hiervoor omschreven omstandigheden, te weten het met een groot vleesmes meerdere malen steken in onder andere vitale delen van het lichaam van [slachtoffer 1], waarna hij het mes heeft achtergelaten in haar nek, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte op dat moment het opzet heeft gehad om [slachtoffer 1] dodelijk letsel toe te brengen.

Moord of doodslag

Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de zich in het dossier bevindende stukken niet worden vastgesteld hoe en op welk moment het mes in handen van verdachte is gekomen, zodat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van enige reflexietijd alvorens hij is over gegaan tot het toebrengen van de steken. Ook is niet komen vast te staan, welke ste(e)k(en) uiteindelijk de verbloeding hebben veroorzaakt die heeft geleid tot de dood van [slachtoffer 1]. De rechtbank is zodoende, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat aan het feit dat verdachte na de eerste steek is doorgegaan met steken niet de conclusie kan worden getrokken dat daarmee vast staat dat verdachte tijd heeft gehad om kalm beraad en rustig overleg te plegen. De rechtbank acht het, met name gelet op het aantal steken en de plaatsen waarop deze op het lichaam zijn toegebracht, aannemelijk dat verdachte in een uitbarsting van hevige woede, gekomen is tot impulsief zeer verregaand geweld, waarbij hij [slachtoffer 1] uiteindelijk van het leven heeft beroofd. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van de primair ten laste gelegde moord.

Wel is rechtbank van oordeel dat daarmee wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de doodslag, zoals subsidiair ten laste gelegd.

4.2 Ten aanzien van parketnummer 12/715286-11

4.2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit gebaseerd op de aangifte van [slachtoffer 2] alsmede de verklaringen van [slachtoffer 1], de oom van [slachtoffer 1], te weten [getuige 1] en de achterbuurman [getuige 2]. Voor wat betreft het onder 2 ten laste gelegde feit heeft de officier van justitie verwezen naar de aangiftes van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1]. Voorts heeft zij ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit gewezen op de verklaring van [slachtoffer 1], die wordt bevestigd door de verklaring van haar oom [getuige 1] en de verklaring van [getuige 3].

4.2.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 2 ten laste gelegde feit. Hij is van mening dat niet is voldaan aan de elementen van bedreiging, nu de verbalisanten hebben vastgesteld dat de bedreiging jegens hen werd gedaan terwijl verdachte moest huilen. De raadsman is van mening dat dit aantoont dat verdachte in een zodanige gemoedstoestand verkeerde dat aan zijn dreigementen niet veel waarde kon worden gehecht.

Ook heeft de raadsman verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 3 ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zich in het dossier geen aangifte van mishandeling bevindt, terwijl een dergelijke aangifte volgens de Aanwijzing huiselijk geweld en eergerelateerd geweld wel is vereist. Daarnaast ontbreekt een geobjectiveerde letselbeschrijving opgesteld door een forensisch arts, waardoor er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

4.2.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 15 mei 2011 heeft [slachtoffer 2], de buurman van verdachte, aangifte gedaan van bedreiging. Hij heeft verklaard dat hij op 14 mei 2011 verdachte hoorde zeggen dat hij hem dood zou maken. Hij hoorde dat verdachte zei: ‘Ik steek je overhoop’. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij zich serieus bedreigd voelde door verdachte en dat hij bang voor hem is.

[getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard getuige te zijn geweest van de gebeurtenis tussen verdachte en [slachtoffer 2] op 14 mei 2011. Zowel [getuige 1] als [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte tegen zijn buurman [slachtoffer 2] heeft geroepen: ‘Ik maak je kapot’. [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte hierbij naar [slachtoffer 2] wees en praatte op een zeer harde en agressieve toon. Ook [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte heel boos was en helemaal over de rooie ging.

Op grond van bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging van [slachtoffer 2] met enig misdrijf tegen het leven gericht, zoals onder feit 1 ten laste gelegd is.

Feit 2

Zowel [verbalisant 2] als [verbalisant 1] , beiden werkzaam als agent bij de politie Zeeland, heeft op 15 mei 2011 aangifte gedaan van bedreiging. Uit de aangifte van [verbalisant 2] volgt dat verdachte op het moment dat hij werd overgebracht naar het politiebureau tegen hen begon te schreeuwen: ‘Jullie gaan eraan’. Ook [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij begon te schreeuwen dat hij hen af zou maken. Beiden hebben verklaard dat verdachte hierbij eerst dreigend naar [verbalisant 1] keek, en vervolgens naar [verbalisant 2]. Hierna hoorden zij verdachte tegen hen schreeuwen: ‘Ik ga jullie vermoorden’. Zij voelden zich hierdoor erg bedreigd en hadden beiden het gevoel dat de verdachte zijn bedreigingen tot uiting wilde brengen. Dit gevoel werd verstrekt door de boze blik en houding die verdachte aannam.

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de verbalisanten. Uitgangspunt bij de waardering van deze verklaringen is dat nu de verklaringen zijn gedaan door verbalisanten in de uitoefening van hun beroep, in het algemeen een belang om een voorstelling van zaken te geven die niet of niet volledig overeenstemt met de werkelijkheid ontbreekt. Uit deze verklaringen blijkt dat verdachte moest huilen nadat hij de bedreigingen had geuit. De rechtbank is anders dan de raadsman van oordeel dat deze gemoedstoestand niet met zich meebrengt dat aan de eerder geuite dreigementen van verdachte niet veel waarde kan worden gehecht. Verdachte heeft zijn dreigementen geuit terwijl hij zich kort daarvoor explosief had gedragen jegens zijn buurman en hij zich zodanig had verzet bij de aanhouding dat onder meer het gebruik van pepperspray noodzakelijk was om verdachte onder controle te brengen. Tijdens het uiten van de dreigementen heeft verdachte boos gekeken en nam hij een houding aan waardoor bij de verbalisanten het gevoel dat hij zijn dreigementen daadwerkelijk tot uiting wilde brengen, werd versterkt. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de vereisten van bedreiging.

De rechtbank is zodoende van oordeel dat op basis van de verklaringen van de verbalisanten wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zoals onder feit 2 ten laste gelegd is.

Feit 3

[slachtoffer 1], de partner van verdachte, heeft op 15 mei 2011 een verklaring afgelegd bij de politie. Zij heeft verklaard dat zij de afgelopen twee maanden vrijwel wekelijks is mishandeld door verdachte. Op 6 mei 2011 gaf verdachte haar een klap in het gezicht, waardoor ze achterover viel en hevige pijn in haar achterhoofd voelde. Vervolgens zag en voelde [slachtoffer 1] dat verdachte haar keel met één hand vastpakte en hierin heel hard begon te knijpen, ten gevolgde waarvan zij geen lucht meer kreeg. Dit laatste gebeurde ook op 7 mei 2011. [slachtoffer 1] heeft hierdoor twee dagen last gehad tijdens het slikken.

[getuige 1], de oom van [slachtoffer 1], heeft de verklaring van [slachtoffer 1] bevestigd. Hij heeft op 15 mei 2011 verklaard te hebben gezien dat verdachte [slachtoffer 1] een week eerder een aantal keer met vlakke hand sloeg op haar gezicht. Voorts heeft hij gezien dat verdachte de dag erna de keel van [slachtoffer 1] dichtkneep, ten gevolge waarvan zij gilde. Hij heeft de volgende dag gezien dat [slachtoffer 1] blauwe plekken had rond haar keel.

Verdachte heeft hieromtrent op 15 mei 2011 een verklaring bij de politie afgelegd. Hij heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] niet op 13 mei 2011 bij haar keel heeft gepakt, maar dat dit veertien dagen geleden is geweest. Hij heeft verklaard dat dit echter niet zodanig was dat dit zeer heeft gedaan.

De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer 1], nu deze zeer gedetailleerd en authentiek is en steun vindt in zowel de verklaring van [getuige 1] als de verklaring van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen zoals hierboven weergegeven voldoende wettig en overtuigend bewijs vormen voor het meermalen mishandelen van [slachtoffer 1], zoals onder 3 ten laste is gelegd. Een geobjectiveerde letselbeschrijving opgesteld door een forensisch arts is voor een bewezenverklaring niet noodzakelijk.

Anders dan door de raadsman bepleit is de rechtbank van oordeel dat de Aanwijzing huiselijk geweld en eergerelateerd geweld (verder: de Aanwijzing) niet voorschrijft dat er sprake moet zijn van een aangifte van mishandeling. In de Aanwijzing staat in dit kader onder meer vermeld: ‘Wanneer het slachtoffer uitdrukkelijk aangeeft geen aangifte te willen doen, wordt zoveel mogelijk bewijs verzameld ten behoeve van een eventuele ambtshalve vervolging’.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

12/715455-11

Subsidiair:

op 27 augustus 2011, te Breskens, gemeente Sluis,

opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet die [slachtoffer 1], meermalen, met een mes in haar lichaam gestoken en gesneden, waardoor die

[slachtoffer 1] ernstige letsels heeft opgelopen en veel bloed heeft

verloren, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

12/715286-11

1.

op 14 mei 2011 te Breskens, gemeente Sluis,

[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden

toegevoegd: "Ik steek je overhoop" en/of "Ik ga je vermoorden";

2.

op 14 mei 2011, in de gemeente Sluis,

[verbalisant 1] (agent van de politie Zeeland) en [verbalisant 2] (agent van de

politie Zeeland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 1] en [verbalisant 2] dreigend de

woorden toegevoegd: "Ik ga jullie vermoorden" en "Jullie gaan er aan",

3.

op één of meer tijdstippen in de periode van 1 mei 2011 tot

en met 14 mei 2011 te Breskens, gemeente Sluis,

(telkens) opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te

weten [slachtoffer 1], heeft geslagen en bij de keel/hals heeft

vastgepakt en vervolgens (in) die hals/nek heeft dichtgeknepen, waardoor

deze letsel (telkens) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 Noodweerexces

5.1.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken niet is gebleken van een noodweersituatie. Zij is zodoende van mening dat een beroep op noodweer niet kan slagen en dat daardoor ook niet meer aan noodweerexces wordt toegekomen. Er is niet voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Evenmin is er sprake geweest van een hevige gemoedsbeweging die door een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is veroorzaakt. De officier van justitie is van mening dat het meer aannemelijk is dat er mogelijk een hevige gemoedsbeweging is ontstaan door boosheid en agressie jegens het slachtoffer en dus niet uit angst en/of vrees voor haar.

5.1.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien de verklaring van verdachte als uitgangspunt wordt genomen, er sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer. Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn rug naar [slachtoffer 1] stond gekeerd toen hij ineens iets zwaars tussen zijn schouderbladen voelde. Hij draaide zich hierna om en vervolgens kan hij zich niets meer herinneren. De raadsman heeft aangevoerd dat er weliswaar niet is voldaan aan de vereisten van noodweer, zoals de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit, maar wel aan het criterium van overschrijding van een buiten zichzelf gaan van de aangerande persoon. De raadsman is van mening dat er kennelijk sprake was van een hevige gemoedsbeweging waaronder verdachte tot zijn daad is gekomen. Die hevige gemoedstoestand wordt aangetoond door het forensisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 1].

Voorts heeft de raadsman er in dit verband op gewezen dat niet uit te sluiten is dat [slachtoffer 1] het mes uit de lade heeft gehaald. De bovenkant van de rechterhand van verdachte vertoonde oppervlakkige wondjes. Die wondjes kan verdachte zichzelf niet met het mes hebben aangedaan. Naar de mening van de raadsman valt niet uit te sluiten dat verdachte deze wondjes heeft opgelopen op het moment dat hij zich afweerde tegen [slachtoffer 1] en hij vervolgens het mes van haar heeft overgenomen.

5.1.3 Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweerexces dient eerst te worden vastgesteld of er sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs moest verdedigen. De rechtbank stelt voorop dat op basis van de zich in het dossier bevindende stukken niet is vast te stellen of al dan niet sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de zijde van [slachtoffer 1] tegen verdachte, waartegen verdachte zich noodzakelijkerwijs heeft moeten en mogen verdedigen. Verdachte heeft verklaard zich van dit moment niets meer te herinneren. Ooggetuigen van de aanleiding tot het steken zijn er niet. Dit betekent dat de rechtbank zich geen oordeel kan vormen over de vraag of al dan niet sprake is geweest van een situatie waarin een beroep op noodweerexces zou kunnen slagen. Zij overweegt daartoe dat verdachte heeft verklaard zich slechts te kunnen herinneren dat hij iets hards, mogelijk een stoel, tegen zijn rug heeft gevoeld, waarna er bij hem iets knapte. Het gooien van iets hards, mogelijk een stoel, wijst op zichzelf niet op een gevaar voor (verdere) wederrechtelijke aanranding. Behoudens de verklaring van verdachte en mogelijk de wondjes aan zijn rechterhand is er in het dossier evenmin andere informatie die steun geeft aan de lezing voor een noodweersituatie. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van deze gegevens niet worden geconcludeerd dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het latere slachtoffer tegen verdachte.

Bovendien heeft verdachte niet verklaard dat [slachtoffer 1] hem heeft aangevallen en dat hij, verdachte, daaraan niet kon ontvluchten. Voorts heeft hij niet verklaard dat hij zich enigszins bedreigd heeft gevoeld door het handelen van [slachtoffer 1]. De rechtbank is zodoende van oordeel dat de situatie waarin verdachte zich volgens zijn verklaring bevond niet zodanig dreigend was dat verdachte zich daartegen mocht verweren op de wijze zoals hij heeft gedaan. Tenslotte is niet gebleken dat verdachte zich in een zodanige positie bevond dat hij zich niet aan een eventuele aanval van of dreiging door [slachtoffer 1] kon onttrekken, door bijvoorbeeld de woning te verlaten. De rechtbank verwerpt zodoende het beroep op noodweerexces.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5.2 Toerekenbaarheid

In het Pieter Baan Centrum in Utrecht (PBC) is door P.E. Geurking, GZ-psycholoog en D. Kuijpers, psychiater onder supervisie van A.E. Grochowka, psychiater allen verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), een onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte. De bevindingen zijn gerapporteerd in de rapportage Pro Justitia van 6 september 2012.

Uit het rapport volgt dat verdachte een vermoedelijk gemiddeld intelligente man is die op niet-pathologische gronden grotendeels heeft geweigerd aan het onderzoek mee te werken.

Er zijn in het onderzoek geen aanwijzingen voor een actueel psychiatrisch toestandsbeeld. Het is niet mogelijk geweest om een psychiatrisch toestandsbeeld, al dan niet onder invloed van middelen, ten tijde van de ten laste gelegde feiten vast te stellen of uit te sluiten. Ook kan middelenmisbruik dan wel –afhankelijkheid niet worden aangetoond, noch uitgesloten. Hoewel er in het onderzoek sprake was van een narcistische kleuring in de persoonlijkheid is dit onvoldoende om te kunnen spreken van een persoonlijkheidsstoornis of trekken van deze stoornis. Gelet op het voorgaande is het onderzoek te onvolledig geweest om antwoord te kunnen geven op de vraag of er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling.

5.2.1 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt met de officier van justitie en de raadsman de conclusie van bovengenoemd rapport, op grond van de onderbouwing daarvan en legt deze ten grondslag aan haar beslissing. Zij is van oordeel dat ook op grond van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet voldoende is komen vast te staan dat de ten laste gelegde en bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaar met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Voor moord wordt in de regel een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaar als uitgangspunt gehanteerd. De officier van justitie is gelet op verschillende omstandigheden van mening dat een hogere gevangenisstraf gerechtvaardigd is. Zij heeft daarbij verwezen naar de gewelddadige wijze waarop verdachte het slachtoffer van het leven heeft beroofd en vervolgens totaal respectloos heeft achtergelaten. De kinderen waren hiervan ongewild getuigen. Met zijn handelen heeft verdachte niet alleen het leven van het slachtoffer ontnomen, maar ook de familie en naaste omgeving van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht. Daarnaast heeft zij meegewogen dat verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven en ook geen blijk heeft gegeven van spijt richting de nabestaanden. Voorts heeft de officier van justitie bij het bepalen van de strafeis rekening gehouden met de beveiliging van de samenleving in zijn algemeenheid. Zij is van mening dat niet uitgesloten kan worden dat verdachte zich nogmaals schuldig zou kunnen maken aan een feit als het onderhavige.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te houden met het als laag gemiddeld ingeschatte recidiverisico, de vrijwel blanco documentatie van verdachte en het feit dat verdachte zich niet aan justitie heeft onttrokken. De raadsman heeft onder verwijzing naar jurisprudentie aangevoerd dat blijkt dat in soortgelijke situaties een gevangenisstraf voor de duur van zeven respectievelijk zes jaar wordt opgelegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf aan verdachte moet worden opgelegd houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij neemt zij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft op 27 augustus 2011 zijn 35-jarige vriendin voor de ogen, althans in bijzijn van hun twee kinderen, de zesjarige zoon [zoontje] en tweejarige dochter [dochter 2], met 22 messteken van het leven beroofd. Het slachtoffer is in een mensonterende situatie achtergelaten. Doodslag wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als één van de ernstigste delicten. Het benemen van een andermans leven is een onomkeerbaar misdrijf. Verdachte heeft met dit misdrijf het slachtoffer haar kostbaarste bezit, het leven, ontnomen. Verdachte heeft daarmee eveneens onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de familie en naasten van het slachtoffer. De moeder van het slachtoffer heeft ter terechtzitting gebruik gemaakt van het spreekrecht. Nog steeds vraagt zij zich af hoe dit heeft kunnen gebeuren. Haar leven en dat van haar man en de kinderen [zoontje] en [dochter 2] is na de dood ingrijpend veranderd. Zij heeft met haar man de opvoeding van de kinderen op zich genomen. De kinderen en met name [zoontje] zijn ernstig getraumatiseerd. [zoontje] kampt met veel angsten en woede. Hij is vrijwel direct na de dood van zijn moeder in behandeling gegaan bij het kindertraumacentrum, welke behandeling voorlopig nog niet afgerond zal zijn. Daarnaast is dit feit ook voor de samenleving schokkend en zeer ernstig, waardoor de gevoelens van onveiligheid worden versterkt.

Tevens heeft verdachte zich op 14 mei 2011 schuldig gemaakt aan het bedreigen van zijn buurman en een tweetal politieagenten. Ook heeft hij zich in de periode van 1 mei 2011 tot en met 14 mei 2011 schuldig gemaakt aan het mishandelen van zijn vriendin, die hij enkele maanden later, zoals hierboven beschreven, van het leven heeft beroofd.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van de Justitiële Documentatie van verdachte, waaruit volgt dat hij recentelijk niet is veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Voorts heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapportages die met betrekking tot verdachte zijn opgemaakt, te weten:

- een beknopt reclasseringsadvies (in het kader van vroeghulp) van 29 augustus 2011, opgesteld door D. Rötjes, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland;

- een reclasseringsadvies van 30 november 2011, opgesteld door Rötjes, voornoemd;

- een psychologisch rapport van 2 november 2011, opgesteld door drs. I.J.G.P. Neissen, GZ-psycholoog;

- een psychiatrisch rapport van 3 december 2011, opgesteld door P.J. Veltman, psychiater;

- een rapportage Pro Justitia van 6 september 2012, opgesteld door P.E. Geurking, GZ-psycholoog en D. Kuijpers, psychiater onder supervisie van A.E. Grochowka.

Zoals hierboven reeds onder 5.2. vermeld, hebben de deskundigen Geurking en Kuijpers, doordat verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek, niet kunnen bepalen of er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling. Ook hebben zij zich niet kunnen uitlaten over het mogelijke recidiverisico. De reclassering heeft in haar rapport van 30 november 2011 het recidiverisico ingeschat als laag gemiddeld.

Het baart de rechtbank zorgen dat verdachte zich zo heeft verloren binnen zijn relatie en in staat is geweest zijn vriendin te doden. Uit de zich in het dossier bevindende verklaringen volgt dat verdachte een agressieve man kan zijn als hij zijn zin niet krijgt en zich gekrenkt voelt. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat niet uitgesloten kan worden dat verdachte zich binnen een volgende relatie nogmaals schuldig zal maken aan een dergelijk feit. Zij schat het recidiverisico dan ook hoger in dan de reclassering.

Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat oplegging van een langdurige gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank zal een lagere gevangenisstraf opleggen van de door de officier van justitie geëiste straf, nu zij van oordeel is dat niet moord maar doodslag bewezen is. De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf naast het voorgaande ook rekening met de straffen die doorgaans in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank houdt daarbij in strafverzwarende zin rekening met de gruwelijke wijze waarop verdachte zijn vriendin heeft gedood en de wijze waarop hij haar heeft achtergelaten. Voorts neemt de rechtbank het de verdachte bijzonder kwalijk dat hij deze daad heeft verricht in het bijzijn van zijn kinderen, die hierdoor ernstig getraumatiseerd zijn geraakt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar passend en geboden is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

7 De benadeelde partij

7.1 De benadeelde partij [vader slachtoffer]

De benadeelde partij [vader slachtoffer] heeft een vordering ingediend, strekkende tot vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 170,99, voor schade geleden als gevolg van het feit onder parketnummer 12/715455-11.

7.1.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering en om voor dat bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen subsidiair vervangende hechtenis.

7.1.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vordering benadeelde partij niet betwist.

7.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering benadeelde partij toewijzen, nu zij het feit bewezen acht en de grondslag en de hoogte van de vordering niet zijn betwist.

Omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, ziet de rechtbank aanleiding te dezer zake tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

7.2 De benadeelde partij [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering ingediend, strekkende tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 150,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, voor schade geleden als gevolg van feit 1 onder parketnummer 12/715286-11.

7.2.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering en om voor dat bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen subsidiair vervangende hechtenis.

7.2.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de vordering benadeelde partij betwist. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de vordering algemeen geformuleerd is en niet wordt onderbouwd met bewijsstukken. De verwijzing naar jurisprudentie is onjuist, aangezien het in die jurisprudentie gaat om een politieagent die tijdens de uitoefening van zijn werk werd bedreigd. De raadsman is van mening dat die situatie niet te vergelijken is met de onderhavige.

7.2.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering benadeelde partij toewijzen, nu zij het feit bewezen acht en van oordeel is dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gevorderde schade daadwerkelijk heeft geleden. Dat de benadeelde partij heeft verwezen naar jurisprudentie waarin een politieagent tijdens de uitoefening van zijn werk werd bedreigd, brengt naar het oordeel van de rechtbank geen ander oordeel met zich mee. De rechtbank acht deze situatie vergelijkbaar met de onderhavige. Beiden zijn met de dood bedreigd en hebben ten gevolge daarvan enige psychische schade ondervonden. Dat de bedreigde persoon in de door de benadeelde partij aangehaalde jurisprudentie een politieagent betreft, maakt dit niet anders.

Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Omdat verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, ziet de rechtbank aanleiding te dezer zake tevens de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 285, 287 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder parketnummer 12/715455-11 onder 1 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

12/715455-11

Subsidiair: doodslag;

12/715286-11

feit 1: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 3: Mishandeling begaan tegen zijn levensgezel;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [vader slachtoffer], wonende te [adres], van € 170,99, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [vader slachtoffer], wonende te [adres], € 170,99 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres], van € 150,00 ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 mei 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], wonende te [adres], € 150,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Oijen, voorzitter, mr. Van der Ploeg-Hogervorst en

mr. Geelhoed, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Verdonk, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 oktober 2012.