Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BX8059

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
14-03-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
80639 / FA RK 11-1293
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing van het gezag ondanks dat niet voldaan is aan de termijn van art. 1:268, lid 2, sub a. BW (18 maanden uithuisplaatsing).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaak/reknr: 80639 / FA RK 11-1293

zaak/reknr: 80640 / FA RK 11-1294

beschikking d.d. 7 maart 2012

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad),

gevestigd te Middelburg,

verzoeker,

zittingsvertegenwoordiger: de heer P.J.G. Belde

tegen:

verweerster (hierna: de moeder),

thans gedetineerd te Breda,

verweerster,

advocaat: mr. R.T.K. Davidse.

Als belanghebbenden in onderhavige zaak zijn aan te merken:

- de Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland (hierna: de Stichting) gevestigd te 4330 AB Middelburg, Postbus 62;

- pleegouders van minderjarig kind 2

- pleegouders van minderjarig kind 1;

1. Het procesverloop

1.1 De rechtbank oordeelt op grond van het navolgende stuk:

- het verzoek ontheffing van het ouderlijk gezag subsidiair tijdelijke voogdij.

1.2 Het verzoek is behandeld ter zitting van 8 februari 2012.

2. De feiten

2.1. De moeder heeft de navolgende minderjarige kinderen:

- [naam kind 1 + geboorteplaats + geboortedatum];

- [naam kind 2 + geboorteplaats + geboortedatum].

2.2 De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen.

2.3 Op 22 oktober 2009 is de minderjarige Kind 1 bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank (voor zijn geboorte voorlopig) onder toezicht gesteld met benoeming van de Stichting als gezinsvoogdij-instelling. Op 9 november 2009 is een machtiging tot uithuisplaatsing gegeven. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn sindsdien steeds verlengd.

2.6 Op 6 november 2010 is de minderjarige Kind 2 bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank (voor zijn geboorte voorlopig) onder toezicht gesteld met benoeming van de Stichting als gezinsvoogdij-instelling. Op 23 december 2010 en is een machtiging tot uithuisplaatsing gegeven. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn sindsdien steeds verlengd.

Het verzoek

3.1 De Raad verzoekt, na wijziging ter zitting, de moeder gedwongen te ontheffen van het gezag over de minderjarigen en de Stichting te benoemen tot voogdes over de minderjarigen. Subsidiair verzoekt de Raad om de Stichting te belasten met de tijdelijke voogdij over de minderjarigen.

3.2 Het verzoek ten aanzien van Kind 2 is gebaseerd op de stelling dat de moeder ongeschikt of onmachtig is in haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige Kind 2 te vervullen. Het verzoek ten aanzien van Kind 1 is gebaseerd op de stelling dat de moeder ongeschikt of onmachtig is in haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarige Kind 1 te vervullen omdat na een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing van een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat de maatregelen onvoldoende zijn om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) af te wenden.

3.3 Mr. Sijnesael, kantoorgenoot van mr. Davidse, heeft namens de moeder ter zitting verweer gevoerd.

4. De beoordeling

4.1 De enkelvoudige kamer van de rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard van de zaak, onderhavige zaak in aanmerking komt voor een beslissing door de meervoudige kamer en heeft de zaak daarnaar verwezen.

4.2 Ingevolge artikel 1:266 van het BW kan een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen worden ontheven op grond dat de ouder ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen. Blijkens artikel 1:268 lid 1 BW kan een ontheffing niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet. Ingevolge artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW leidt deze regel uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel -door de ongeschiktheid of onmacht van de ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen- onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.3 De moeder verzet zich tegen de ontheffing. Zij erkent dat zij onmachtig is geweest haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, maar naar haar mening brengt dit niet zonder meer met zich dat zij van het gezag over Kind 1 en Kind 2 ontheven moet worden. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst zij op haar duurzame bereidheid om Kind 2 en Kind 1 in het pleeggezin te laten opgroeien. De moeder wil graag haar gezag blijven uitoefenen en meebeslissen over zaken die de minderjarigen aangaan. Ze is met name bevreesd dat zij als gevolg van de ontheffing niet meer bij zaken aangaande de minderjarigen betrokken zal worden en dat het invloed zal hebben op haar omgangsrecht.

4.4 Vast staat dat de minderjarige Kind 1 sinds oktober 2009 onder toezicht staat en sinds zijn geboorte uit huis is geplaatst, alsmede dat beide maatregelen tot op heden zijn verlengd. De minderjarige Kind 2 staat sinds november 2010 onder toezicht en is sinds zijn geboorte uit huis geplaatst. Aldus is ten aanzien van de minderjarige Kind 1 voldaan aan de in artikel 1:268 lid 2 aanhef en onder a BW genoemde termijnen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Ten aanzien van de minderjarige Kind 2 is niet voldaan aan de in voornoemd artikel genoemde termijnen. Onderzocht dient te worden of door de ongeschiktheid of onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen te vervullen, voornoemde maatregelen onvoldoende zijn om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

4.5 De rechtbank is van oordeel dat uit de door de Raad gestelde en door de moeder niet betwiste omstandigheden voldoende blijkt dat de moeder onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van de minderjarigen te vervullen. De minderjarigen verblijven vanaf hun geboorte in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin. De minderjarigen groeien in het pleeggezin voorspoedig op, worden goed verzorgd en hechten zich aan hun pleegouders. Zij zijn uit huis geplaatst omdat de moeder niet in staat is gebleken haar verantwoordelijkheid te dragen over de minderjarigen. De moeder heeft de levenskansen van de minderjarigen ernstig bedreigd door haar alcohol- en drugsgebruik tijdens de zwangerschappen. Zij heeft in haar leven geen ruimte gehad voor haar kinderen en heeft de belangen van de minderjarigen nooit voorop gesteld. Hoewel de moeder op meerdere momenten de kans heeft gehad om haar betrokkenheid bij de minderjarigen te tonen, heeft zij daarvan geen gebruik gemaakt. De moeder was, onder meer vanwege haar detentie, niet voor de minderjarigen beschikbaar en bereikbaar. Ook thans moeten vraagtekens worden geplaatst bij de door de moeder gestelde beschikbaarheid voor de minderjarigen. De moeder verblijft op dit moment wederom in detentie, waardoor zij traceerbaar was en op de hoogte kon worden gesteld van de onderhavige verzoeken. Hoewel de moeder nu wel beschikbaar lijkt te zijn voor de minderjarigen, valt niet te verwachten dat haar situatie, mede gelet op de voorgeschiedenis, op korte termijn wijzigt. De stelling van de moeder dat zij thans duurzaam bereid is de minderjarigen in het pleeggezin te laten verblijven, doet niets af aan deze verwachting. Hierbij dient voorts in aanmerking te worden genomen dat de moeder in Polen twee kinderen heeft voor wie zij eveneens niet haar verantwoordelijkheid heeft genomen en niet in staat is geweest de zorg te dragen. De geschiedenis lijkt zich te herhalen. Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niets meer worden verwacht van de moeder. Ze heeft er ook nu voor gekozen om niet naar de zitting te komen om haar situatie toe te lichten.

4.6 De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn van tijdelijke aard en dienen gericht te zijn op (het werken aan) de terugkeer van de minderjarigen naar de ouders. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat gelet op het voorgaande geen enkel perspectief is op plaatsing van de minderjarigen bij de moeder. De moeder kon en kan de minderjarigen geen veilige en stabiele opvoedingssituatie bieden. De minderjarigen ontwikkelen zich positief in de pleeggezinnen waar zij thans verblijven. De pleeggezinnen bieden de minderjarigen de stabiliteit en veiligheid die zij nodig hebben en de rechtbank is van oordeel dat de huidige situatie in het belang van de minderjarigen gecontinueerd dient te worden.

Het recht van de minderjarigen op duidelijkheid omtrent hun opvoedingsperspectief en op een ongestoorde hechting in het pleeggezin dient zwaarder te wegen dan de wens van de moeder om het gezag over de kinderen te blijven uitoefenen. Daarnaast is het in het belang van de minderjarigen en de moeder dat zij zekerheid verkrijgen over het opvoedingsperspectief van Kind 1 en Kind 2 en dat zij niet belast worden met de jaarlijks terugkerende zittingen bij de rechtbank in verband met verlenging van de

ondertoezicht¬stel¬ling en machtiging tot uithuisplaatsing. Rust en zekerheid zullen de ontwikkeling en hechting van de minderjarigen in het pleeggezin ten goede komen en daarmee hun basisveiligheid.

4.7 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat is gebleken dat de huidige kinderbeschermingsmaatregelen, door de ongeschiktheid en onmacht van de moeder om haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, onvoldoende zijn om de bedreiging van de zedelijke en geestelijke belangen van de minderjarigen af te wenden en dat de belangen van de minderjarigen zich niet verzetten tegen een gedwongen ontheffing. Ten aanzien van Kind 1 is voldaan aan de in artikel 1:268 lid 2 onder a gestelde voorwaarden tot gedwongen ontheffing zodat de rechtbank het verzoek van de Raad op onderstaande wijze zal toewijzen. Hoewel ten aanzien van Kind 2 niet is voldaan aan de termijn van achttien maanden, zal de rechtbank het verzoek van de Raad toewijzen nu redelijkerwijs niet valt te verwachten dat de situatie van de moeder, mede gelet op de voorgeschiedenis, de situatie van Kind 1 en de soortgelijke situatie in Polen, binnen vier maanden zal wijzigen. Bovendien is ter zitting geen verweer gevoerd tegen de termijn, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat geen bezwaar bestaat tegen het feit dat de termijn van achttien maanden nog niet is verstreken.

4.8 De Raad heeft, na wijziging ter zitting, verzocht de Stichting te benoemen tot voogdes over de minderjarigen. Uit de door de bij het verzoekschrift gevoegde verklaring

d.d. 30 september 2011 van de Stichting alsmede de door Stichting overgelegde verklaring d.d. 14 februari 2012 volgt dat zij bereid is de voogdij over de minderjarigen te aanvaarden. De rechtbank zal derhalve de Stichting benoemen tot voogdes.

De beslissing

De rechtbank:

ontheft de moeder, van het gezag over de minderjarigen Kind 1 en Kind 2;

benoemt de Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland tot voogdes over voornoemde minderjarigen;

veroordeelt de moeder tot het afleggen van rekening en verantwoording aan de voogd over het gevoerde bewind;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. S. Kuypers, voorzitter, mr. S.M.J. van Dijk en

mr. I. Dijkman, kinderrechters, in tegenwoordigheid van de griffier J.J. Tramper en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 7 maart 2012.

((ST)