Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BX8029

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
04-09-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
12/700403-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gewapende overval op supermarkt Aldi te Oost-Souburg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/700403-10 (P)

tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Middelburg, locatie Torentijd, Torentijdweg 1 te Middelburg,

ter terechtzitting verschenen,

raadsman mr. Den Haan, advocaat te Amsterdam,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. Van der Hofstede en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging luidt als volgt:

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 03 december 2010, te Oost-Souburg, in gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een kluis in een

supermarkt ALDI) heeft weggenomen geld, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan supermarkt ALDI, in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen één of meer medewerkers van die supermarkt

ALDI, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of

- een pistool/vuurwapen, althans een op een pistool/vuurwapen gelijkend

voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gezet/gedrukt en/of

- die [slachtoffer 2] dreigend een pistool/vuurwapen, althans een op een

pistool/vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of

- (hierbij of vervolgens) die [slachtoffer 2] heeft toegevoegd: "Waar is de kluis!" en/of

- die [slachtoffer 2] heeft (vooruit)geduwd en/of

- een pistool/vuurwapen, althans een op een pistool/vuurwapen gelijkend

voorwerp, op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend een pistool/vuurwapen, althans een op een

pistool/vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of

- een pistool/vuurwapen, althans een op een pistool/vuurwapen gelijkend

voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gezet en/of (hierbij) die

[slachtoffer 1] heeft toegevoegd: "Snel, snel geld", althans woorden van gelijke

aard of strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] (be)dreigend heeft toegevoegd: "Hou je rustig

dan gebeurt niets. Niet bellen, want daar komen we achter", althans woorden

van gelijke aard of strekking;

en

hij op of omstreeks 03 december 2010, te Oost-Souburg, in gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld één of meer medewerkers van supermarkt

ALDI, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], heeft gedwongen tot de afgifte

van ongeveer 2000 euro, in elk geval van enig geld/goed, geheel of ten dele

toebehorende aan supermarkt ALDI, in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of zijn mededader(s)

- die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of

- een pistool/vuurwapen, althans een op een pistool/vuurwapen gelijkend

voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gezet/gedrukt en/of

- die [slachtoffer 2] dreigend een pistool/vuurwapen, althans een op een

pistool/vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of

- (hierbij of vervolgens) die [slachtoffer 2] heeft toegevoegd: "Waar is de kluis!" en/of

- die [slachtoffer 2] heeft (vooruit)geduwd en/of

- een pistool/vuurwapen, althans een op een pistool/vuurwapen gelijkend

voorwerp, op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend een pistool/vuurwapen, althans een op een

pistool/vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of

- een pistool/vuurwapen, althans een op een pistool/vuurwapen gelijkend

voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gezet en/of (hierbij) die

[slachtoffer 1] heeft toegevoegd: "Snel, snel geld", althans woorden van gelijke

aard of strekking, en/of

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] (be)dreigend heeft toegevoegd: "Hou je rustig

dan gebeurt niets. Niet bellen, want daar komen we achter", althans woorden

van gelijke aard of strekking;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 8 januari 2011, althans in of omstreeks de maand januari

2011, te Oost-Souburg, in gemeente Vlissingen, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten

- diefstal met geweld, aldan niet gepleegd door twee of meer verenigde

personen, hetgeen het misdrijf van artikel 312 lid 1 (en lid 2 onder 2) van

het Wetboek van Strafrecht oplevert, of

- afpersing, aldan niet gepleegd door twee of meer verenigde personen,

hetgeen het mnisdrijf van artikel 317 lid 1 (en lid 3) van het Wetboek van

Strafrecht oplevert,

opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoer-

middelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of

vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of

voorhanden heeft gehad;

art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Feit 1

4.1.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde onder 1 wettig en overtuigend bewezen. Hij baseert zich daarbij op het volgende. Volgens de aangevers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] is de overval omstreeks 08.00 uur gepleegd door twee overvallers die donkere kleding droegen en een zwarte plunjebaal bij zich hadden waar zij de buit in hebben gedaan. Uit de informatie van de Aldi is gebleken dat de overvallers ongeveer 25 kg aan muntgeld hebben weggenomen. Dit sluit aan op de verklaring van getuige [getuige 1] die op 3 december 2010 omstreeks 08.15 uur twee personen in donkere kleding de Paspoortstraat in zag lopen, komende uit de richting van de Aldi en die tussen hen in een lange zwarte tas droegen. Een van de jongens klopte op de deur of het raam van [adres a] waarop de deur snel werd geopend en beide jongens de woning in zijn gegaan. Volgens getuige [getuige 1] spraken de mannen een Oost-Europese taal maar op dit punt wijst de officier van justitie erop dat de mannen zich aan de overkant van de straat bevonden en het raam van getuige [getuige 1] slechts op een kier stond. Bovendien is het moeilijk een taal te herkennen die men zelf niet spreekt. Duidelijk is dat de twee mannen een buitenlandse taal spraken. Daarnaast heeft medeverdachte [medeverdachte 1], die woonachtig was op het adres [adres a], verklaard dat hij die vrijdag bezoek had van twee jongens te weten [medeverdachte 2] en [verdachte]. [medeverdachte 1] heeft de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] herkend op een foto als zijnde [medeverdachte 2] en [verdachte]. Zij hadden die nacht bij hem geslapen en zij zijn ’s ochtends vroeg vertrokken en na een half uur tot uur weer teruggekomen. [medeverdachte 1] stelt ziek op bed te hebben gelegen op die momenten. Bij die terugkeer werd er door [verdachte] op het raam van medeverdachte [medeverdachte 1] geklopt. Daar komt bij dat het telefoonnummer van [verdachte] van 1 tot en met 3 december 2010 aanstraalde op een mast in Oost-Souburg. Uit de tapgesprekken is tevens gebleken dat er veel telefonisch contact plaatsvindt tussen verdachten onderling in deze zaak. Het telefoonnummer van [verdachte] straalt in de ochtend van de overval nog aan op een mast in Oost-Souburg en vervolgens gaat de telefoon na de overval via Kruiningen en Roosendaal naar Amsterdam. In Amsterdam worden twee nieuwe telefoonnummers, die elkaar numeriek opvolgen, gekocht door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] en direct in gebruik genomen.

Deze bewijsmiddelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en op grond hiervan concludeert de officier van justitie dan ook dat verdachte tezamen met medeverdachte [medeverdachte 2] naar Oost-Souburg is gekomen om de overval op de Aldi te plegen.

4.1.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte bepleit vrijspraak van het ten laste gelegde. Op grond van het dossier komt niet vast te staan dat verdachte op het tijdstip van de overval daadwerkelijk in Oost-Souburg was. Dit is op grond van de gegevens betreffende de telecommunicatie niet onomstotelijk vast te stellen. Het telefoonnummer [06-........] wordt in het onderzoek aan verdachte gekoppeld. Weliswaar blijkt uit het dossier dat de telefoon met dit nummer op

3 december 2010 in Oost-Souburg is geweest, maar de vraag is wie deze telefoon bij zich had en gebruikte. Er wordt in het dossier van uitgegaan dat verdachte meerdere telefoonnummers gebruikte. Aangezien verdachte heeft verklaard dat hij zijn telefoon vaak uitleent, kan er vanuit gegaan worden dat hij niet altijd alle nummers zelf gebruikte. En ook al zouden de aanwijzingen uit de telecommunicatie wel voldoende zijn om vast te stellen dat verdachte op het tijdstip van de overval in Oost-Souburg was, dan is daarmee nog geen bewijs geleverd voor daderschap met betrekking tot de overval op de Aldi. Het is immers maar de vraag of verdachte één van de mannen is die door getuige [getuige 1] is gezien bij het betreden van [adres a]. Zij verklaart dat de mannen heel licht bruin of blank waren en een Oost-Europese taal spraken. Antilliaans was het volgens haar in ieder geval zeker niet. Tevens brengt de getuigenverklaring van [getuige 1] de vraag naar voren of de daders van de overval wel dezelfde personen waren als de twee personen die zij in de Paspoortstraat zag lopen. Niet alleen medeverdachte [medeverdachte 1] was woonachtig op [adres a] en meerdere malen met politie en justitie in contact gekomen maar ook dhr. [betrokkene] die bovendien de Poolse nationaliteit heeft. Dat zou aansluiten bij de verklaring van [getuige 1] omtrent de taal die zij gehoord heeft. Tot slot zijn de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] te mager om bij te dragen aan wettig en overtuigend bewijs tegen verdachte.

4.1.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 3 december 2010 omstreeks 08.00 uur is er een overval gepleegd op de Aldi te Oost-Souburg. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren die ochtend aan het werk bij de Aldi. Op het moment dat getuige [slachtoffer 2] de achterdeur opende om bevoorrading binnen te laten, stapte er een man naar binnen die haar bij haar bovenarm pakte en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op haar hoofd drukte waarbij hij tevens vroeg naar de kluis. Hij duwde haar het magazijn in waarna er nog een man binnenstapte en achter hen aan kwam. De eerste man hield [slachtoffer 2] constant vast bij haar arm en hield daarbij het op een vuurwapen gelijkend voorwerp naast zijn lichaam met de loop naar voren gericht. [slachtoffer 1] bevond zich op dat moment in het kantoor. Zodra [slachtoffer 2] hier met de twee overvallers aankwam, werd het voorwerp op aangever [slachtoffer 1] gericht en werd door de overvallers gezegd dat hij de kluis moest openen. Vervolgens werd het op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van [slachtoffer 1] gehouden en daarbij werden de woorden toegevoegd “Snel, snel, het geld”. [slachtoffer 1] heeft hierop de kluis geopend en moest daarna ook op de grond gaan liggen. Een van de overvallers is daarbij op hem, [slachtoffer 1], gaan zitten . De buit, een totaal van € 2.000,- à € 2.500,- werd in een zwarte tas gelijkend op een plunjebaal gedaan. Het geldbedrag bestond uit wisselgeld en rollen met muntgeld bestaande uit rollen van € 0,01 cent tot en met € 2,- euro . Hierna zijn de twee overvallers vertrokken waarbij zij tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben gezegd “Hou je rustig dan gebeurt er niets” en “Niet bellen want daar komen we achter” .

De overvallers waren twee negroïde mannen van circa 1.70m, droegen zwarte kleding en hadden bedekte gezichten. Ze hadden een zwarte tas bij zich die leek op een plunjebaal. Ze hadden een iel postuur en spraken met een Antilliaans accent .

Naar aanleiding van de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaring van [slachtoffer 2] is het onderzoek Katsberg gestart. In dit onderzoek zijn uiteindelijk drie verdachten aangehouden waaronder [verdachte], verdachte in onderhavige zaak.

Op 3 december 2010 omstreeks 08.15 uur is door getuige [getuige 1] gezien dat er twee personen met donkere kleding de Paspoortstraat te Oost-Souburg in liepen, komende uit de richting van de Aldi en dat zij tussen hen in een donkere tas droegen. Het leek erop dat ze zich probeerden te haasten maar wegens de gladheid door sneeuwval lukte dit niet. Een van de personen is gehurkt tussen aldaar geparkeerde auto’s gaan zitten en de andere man klopte aan bij [adres a]. De deur werd na enkele tellen geopend door een niet voor haar zichtbare persoon. De persoon die had aangeklopt –zo begrijpt de rechtbank- is terug gelopen naar de persoon bij de auto waarna beide mannen de tas hebben gedragen en de woning aan de [adres a] binnen zijn gegaan. Omdat het raam van [getuige 1] op een kier stond hoorde zij dat de mannen een buitenlandse taal spraken, ze dacht dat het Oost-Europees klonk .

Uit onderzoek is gebleken dat op [adres a] te Vlissingen onder andere medeverdachte [medeverdachte 1] woonachtig was. [medeverdachte 1] heeft op 7 december 2011 verklaard dat [medeverdachte 2] en [verdachte] de afgelopen week bij hem op bezoek zijn geweest en twee nachten bij hem gelogeerd hebben. Op een ochtend zijn ze vroeg weggegaan. Na een half uur tot een uur werd er op het raam geklopt en waren ze weer terug . De politie heeft aan [medeverdachte 1] een foto getoond met daarop de afbeelding van verdachte. [medeverdachte 1] herkende deze persoon als [verdachte] . Weliswaar herkent hij de andere persoon op de foto die door politie wordt getoond niet als [medeverdachte 2] maar [medeverdachte 1] heeft wel verklaard dat hij maar één [medeverdachte 2] kent . [medeverdachte 2] zelf heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] kent en met hem in contact is gekomen . Verder blijkt uit het onderzoek van de politie dat verdachte [medeverdachte 2] wordt bedoeld als gesproken wordt over [medeverdachte 2] . Zo heeft [moeder medeverdachte 1], de moeder van [medeverdachte 1], verklaard dat zij op 1 december 2011 [medeverdachte 2] en [verdachte] in de keuken bij [medeverdachte 1] heeft gezien . Zij heeft van een foto [medeverdachte 2] herkend als [medeverdachte 2] . Daar komt bij dat er op 2 december 2010 omstreeks 16.41 uur is er vanaf de bankrekening van [medeverdachte 2] geld is opgenomen via een pinautomaat in Vlissingen . De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 2] degene moet zijn die door medeverdachte [medeverdachte 1] wordt aangeduid als [medeverdachte 2], welke [medeverdachte 2] samen met [verdachte] bij [medeverdachte 1] heeft overnacht van 2 op 3 december 2011 en die samen met [verdachte] vroeg in de ochtend een korte periode is weggeweest, waarna men weer terugkwam in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1].

Verder is uit onderzoek gebleken dat het telefoonnummer [06-........] in de getapte periode in gebruik is bij [verdachte], verdachte . Het door de raadsman op dit punt gevoerde verweer verwerpt de rechtbank nu dit zijn weerlegging vindt in de feiten.

Dit telefoonnummer heeft van 1 tot en met 3 december 2010 aangestraald op een telefoonmast in Oost-Souburg. Vanaf 11.29 uur op 3 december 2010 is via telefoonmastgegevens waar te nemen dat de telefoon zich via Krabbendijke, Rilland, Breda, Meerkerk, Eemnes, Huizen verplaatst naar Almere, alwaar verdachte woonachtig is . Vanaf 16.30 uur verplaatst de telefoon zich naar Amsterdam en straalt om 19.53 aan op het Damrak. Zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] hebben daar allebei direct een nieuw, numeriek elkaar opvolgend telefoonnummer in gebruik genomen .

Tot slot zijn er rekeninggegevens opgevraagd van medeverdachte [medeverdachte 2]. Op 2 december 2010 is er vanaf het rekeningnummer van [medeverdachte 2] om 16.41 uur in Vlissingen 10 euro gepind . Op 4 december 2010 is er op diezelfde rekening een bedrag van € 298,50 gestort aan muntgeld, bestaande uit 10 x € 0,10, 139 x € 0,50, 30 x € 1,- euro en 99 x € 2,- euro. Hierboven is reeds melding gemaakt van het feit dat bij de overval ook rollen muntgeld van € 0,10, € 0,50, € 1,- en € 2,- zijn buitgemaakt, zodat de aard en de datum van de storting op de rekening van [medeverdachte 2] correspondeert met de muntsoorten die op het moment van de overval op de Aldi zijn buitgemaakt.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte tezamen met medeverdachte [medeverdachte 2] ten tijde van de overval op 3 december 2010 in Oost-Souburg aanwezig was. Immers [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte], door [medeverdachte 1] [verdachte] genoemd, tezamen met [medeverdachte 2], bij hem heeft gelogeerd. Daar komt bij dat gebleken is dat de telefoon die in de getapte periode doorgaans in gebruik was bij verdachte tussen 1 en 3 december 2010 heeft aangestraald op een telefoonmast in Oost-Souburg. Vanaf 3 december 2010 heeft deze telefoon zich, zoals eerder omschreven, uiteindelijk verplaatst naar Amsterdam waar hij tezamen met [medeverdachte 2] een nieuw telefoonnummer heeft gekocht en in gebruik genomen.

De overval is gepleegd omstreeks 08.00 uur ’s morgens waarbij 25 kg aan muntgeld is weggenomen. De verklaring van [getuige 1] sluit hier naadloos op aan. Zij ziet namelijk omstreeks 08.15 uur twee donkergeklede mannen met bedekte gezichten en een donkere tas tussen hen in gehaast de Paspoortstraat in komen lopen, komende uit de richting van de Aldi. Nu heeft zij weliswaar op dit punt verklaard dat zij de twee personen een buitenlandse taal hoorde spreken die leek op een Oost-Europese taal, in ieder geval geen Antilliaans, doch de rechtbank acht haar verklaring op het punt van de gesproken taal niet betrouwbaar nu de twee mannen voor haar aan de overkant van de straat liepen en haar raam slechts op een kier stond. Het is daarom twijfelachtig of zij die enkele woorden die bovendien in een zeer kort tijdsbestek zijn gesproken dermate goed heeft kunnen verstaan dat zij daaruit op kon maken wat voor soort taal er door de twee mannen werd gesproken. Niet is gebleken dat getuige [getuige 1] deskundig is op het gebied van herkenning van vreemde talen. Wel blijkt hieruit naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat het niet de Nederlandse taal was. [getuige 1] ziet verder dat een van de mannen aanklopt bij [adres a] waarna de deur wordt geopend en beide mannen naar binnen gaan. Dit komt overeen met de verklaring van [medeverdachte 1] die heeft verklaard dat [medeverdachte 2] en [verdachte] bij hem hebben gelogeerd en op een ochtend vroeg zijn vertrokken en na een half uur tot een uur weer terug zijn gekomen. Volgens hem werd er door [verdachte] op het raam geklopt waarop hij de deur voor hen heeft geopend.

De rechtbank overweegt dat de donkere tas, die door [medeverdachte 2] en [verdachte] werd gedragen naar de [adres a] te Oost-Souburg zwaar moet zijn geweest, omdat de mannen de tas, zo blijkt uit de verklaring van getuige [getuige 1] tussen hen in droegen en omdat degene de bij de Paspoortstraat heeft aangeklopt weer terug ging naar de tussen de auto’s wachtende persoon, waarop de beide mannen de tas naar binnen droegen.

De rechtbank betrekt daarbij dat het muntgeld dat bij de overval werd buitgemaakt ongeveer 25 kilo moet hebben gewogen .

Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de zwarte tas die door [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is waargenomen tijdens de overval, dezelfde moet zijn als de donkere tas die door de twee door getuige [getuige 1] waargenomen personen gezamenlijk de woning aan de [adres a] te Oost-Souburg werd gedragen, omdat de tas te zwaar was door het gewicht van (onder meer) ongeveer 25 kilo muntgeld om door één persoon te worden gedragen.

In onderlinge samenhang en (tijds-)verband gezien kan het niet anders zijn dan dat verdachte tezamen met medeverdachte [medeverdachte 2] in nauwe en bewuste samenwerking de overval op de Aldi in de vroege ochtend van 3 december 2012 te Oost-Souburg heeft gepleegd. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierna bewezen zal worden verklaard.

4.2 Feit 2

4.2.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte van het ten laste gelegde onder twee vrijgesproken dient te worden. Volgens de delictsomschrijving dient er immers sprake te zijn van het opzettelijk middelen verwerven, vervaardigen, invoeren, doorvoeren of voorhanden hebben die bestemd zijn voor het begaan van een misdrijf. In het dossier zitten slechts tapgesprekken waaruit onmiskenbaar blijkt dat er een overval voorbereid wordt maar dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het ten laste gelegde.

4.2.2 Standpunt van de verdediging

Volgens de raadsman dient verdachte eveneens vrijgesproken te worden van het onder twee ten laste gelegde, kort gezegd, wegens gebrek aan bewijsmiddelen voor de vereiste verfeitelijkingen die ten laste zijn gelegd.

4.2.3 Het oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is, kort gezegd, ten laste gelegd dat hij opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd of voor handen heeft gehad ter voorbereiding van een diefstal met geweld dan wel afpersing. Verdachte ontkent dit ten stelligste. In het dossier bevinden zich tapverslagen van diverse telefoongesprekken die gevoerd zijn op 8 januari 2011. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden tussen telefoonnummers die op naam staan van verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2]. Dat de gesprekken ook daadwerkelijk door henzelf zijn gevoerd blijkt uit een uitgevoerde stemherkenning door een tolk. Uit deze gesprekken kan worden afgeleid dat er een intentie was om een overval te plegen in Oost-Souburg die uiteindelijk wegens omstandigheden niet is doorgegaan. Verder bevinden zich in het dossier geen bewijsmiddelen die de delictsomschrijving ondersteunen. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van voorbereidingshandelingen dient er sprake te zijn van het opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoersmiddelen verwerven, vervaardigen, doorvoeren, uitvoeren of voorhanden hebben, bestemd tot het begaan van dat misdrijf. Hiervan is uit het dossier op geen enkele wijze gebleken. Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden gebleken die tot een ander oordeel moeten leiden.

De rechtbank zal verdachte dan ook bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen van dit feit vrijspreken.

4.3 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 03 december 2010, te Oost-Souburg, in gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kluis in een

supermarkt ALDI heeft weggenomen geld, toebehorende aan supermarkt ALDI,

dan aan verdachte en zijn mededader,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld

en bedreiging met geweld tegen meer medewerkers van die supermarkt

ALDI, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die

diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping

op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte

en zijn mededader

- die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en

- een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gezet/gedrukt en

- die [slachtoffer 2] dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en

- hierbij of vervolgens die [slachtoffer 2] heeft toegevoegd: "Waar is de kluis!" en

- die [slachtoffer 2] heeft (vooruit)geduwd en

- een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, op die [slachtoffer 1] heeft gericht en

- die [slachtoffer 1] dreigend een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en

- een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gezet en hierbij die

[slachtoffer 1] heeft toegevoegd: "Snel, snel geld", en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] (be)dreigend heeft toegevoegd: "Hou je rustig

dan gebeurt niets. Niet bellen, want daar komen we achter" ;

en

op 03 december 2010, te Oost-Souburg, in gemeente Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en bedreiging met geweld één of meer medewerkers van supermarkt

ALDI, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], heeft gedwongen tot de afgifte

van enig geld toebehorende aan supermarkt ALDI,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte

en zijn mededaders

- die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en

- een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft gezet/gedrukt en

- die [slachtoffer 2] dreigend een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en

- hierbij of vervolgens die [slachtoffer 2] heeft toegevoegd: "Waar is de kluis!" en

- die [slachtoffer 2] heeft (vooruit)geduwd en

- een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, op die [slachtoffer 1] heeft gericht en

- die [slachtoffer 1] dreigend een op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, heeft getoond en

- een op een vuurwapen gelijkend

voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft gezet en hierbij die

[slachtoffer 1] heeft toegevoegd: "Snel, snel geld", en

- die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] (be)dreigend heeft toegevoegd: "Hou je rustig

dan gebeurt niets. Niet bellen, want daar komen we achter";

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Hij baseert zich daarbij op de door het openbaar ministerie opgestelde richtlijnen. Als strafverzwarende omstandigheden heeft hij daarbij meegewogen dat de overval in vereniging is gepleegd, de verdachten daarbij gemaskerd waren en zij ernstig geweld toegepast hebben door met een vuurwapen de slachtoffers te dwingen op de grond te gaan liggen en het vuurwapen gericht te houden op het hoofd van ieder van hen. Dit was voor de slachtoffers zeer bedreigend, angstig en traumatiserend. Verder heeft de officier van justitie acht geslagen op het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij eerder veroordeeld is voor een soortgelijk feit op grond waarvan enig recidiverisico aangenomen kan worden. Ook valt hieruit af te leiden dat artikel 63 van het wetboek van strafrecht van toepassing is. Op grond van het voorgaande acht de officier van justitie deze straf geboden.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman verzoekt, wanneer de rechtbank de door hem primair bepleitte vrijspraken niet volgt en toch tot een veroordeling komt, de eis te matigen nu deze hoog is in relatie tot uitspraken van andere rechtbanken in soortgelijke zaken. De opgelegde straffen liggen in die zaken tussen de twee en drie jaar gevangenisstraf. Volgens de raadsman van verdachte is deze zaak niet zo specifiek ernstig van aard dat afwijking hiervan noodzakelijk is.

Een ander punt waar rekening mee gehouden dient te worden bij de strafoplegging is het feit dat verdachte reeds lange tijd in voorarrest zit. Tot slot verzoekt de raadsman van verdachte rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij wijst daarbij in het bijzonder op het feit dat verdachte een dochter heeft met ernstige gezondheidsklachten en zij niet op bezoek heeft kunnen komen nu hij ver van huis gedetineerd zit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging plegen van een gewapende overval op de Aldi supermarkt te Oost-Souburg waarbij de loop, van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, maar hetgeen door de slachtoffers daadwerkelijk is ervaren als een vuurwapen, tegen het hoofd van beide slachtoffers is gehouden. Het spreekt voor zich dat een op deze manier uitgevoerde overval voor het slachtoffer een bijzonder traumatische ervaring is geweest. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan; hij heeft, samen met zijn medeverdachte, slechts zijn eigen geldelijk gewin voor ogen gehad. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, op deze manier aan geld te komen. Bovendien brengt een dergelijk delict in sterke mate gevoelens van onveiligheid en dreiging teweeg bij degenen die op plaatsen als supermarkten hun dagelijks werk moeten verrichten. Ook veroorzaakt een dergelijk feit grote onrust in de samenleving in het algemeen.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie voor een soortgelijk feit, hetgeen hem kennelijk niet heeft weerhouden om onderhavig feit te plegen.

De rechtbank zal een iets lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu zij van oordeel is dat het strafblad van verdachte een onderscheid in strafmaat rechtvaardigt ten opzichte van medeverdachte [medeverdachte 2]. Zij zal aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden. Daarmee acht zij de ernst van het bewezen verklaarde in zijn soort, gelet op de aard van het toepaste geweld met het vuurwapen door dit daadwerkelijk gericht tegen het hoofd van de slachtoffers te zetten hetgeen zij als een strafverzwarende omstandigheid ziet, voldoende tot uitdrukking gebracht.

Met betrekking tot de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht merkt zij op dat zij hierin geen aanleiding ziet voor strafvermindering. Het betreft weliswaar een lange periode maar de op dit punt geldende normen zijn niet overschreden. Bovendien is er voortdurend sprake geweest van onderzoekshandelingen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 63, 310, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat te dien aangaande meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Feit 1

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

En

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 42 maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Steenbeek, voorzitter, mr. Van Zinnen en mr. Sutorius, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 september 2012.

Mr. Sutorius is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.