Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BX8012

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
01-02-2012
Datum publicatie
21-09-2012
Zaaknummer
76556 / HA ZA 10-632
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde verkoopt loods met vloer die niet oliedicht blijkt te zijn. Gedaagde kon weten dat die eigenschap voor eiseres van belang was. Gedaagde kon weten dat de voer niet meer de geëigende kwaliteit had onder meer omdat hij na een brand een uitkering van de verzekering heeft gekregen omdat de vloer beschadigd was. Gedaagde is veroordeeld tot betaling van de schade ontstaan als gevolg van het vloeistofdicht maken van de vloer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 76556 / HA ZA 10-632

Vonnis van 1 februari 2012

in de zaak van

1. eisers 1,

wonende te Hulst,

2. eisers 2,

wonende te Hulst,

eiserss,

advocaat mr. N.A. Koole te Middelburg,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ BLEIJENBERGH BV,

gevestigd te Sint Jansteen,

gedaagde,

advocaat mr. A.H. Rijkse te Hulst.

Partijen zullen hierna Eisers en Bleijenbergh genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis d.d. 23 maart 2011

- het proces-verbaal van de op 20 april 2011 gehouden comparitie van partijen

- de conclusie van repliek tevens houdende akte overlegging productie tevens houdende akte vermeerdering van eis

- de conclusie van dupliek tevens antwoordakte

- de antwoordakte zijdens Eisers

- het proces-verbaal van het op 3 november 2011 gehouden pleidooi en de ter gelegenheid daarvan door mr. Rijkse overgelegde pleitnota.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bleijenbergh heeft bij overeenkomst d.d. 12 november 2009 een perceel grond met fundering en vloer verkocht aan Eisers. Het eerder op dit perceel aanwezige pand is in augustus 2009 door brand verwoest. De koopovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 20

(…)

2. Door en voor rekening van verkoper zal een vloeroppervlakte van 37,5 x 20 m2 afgeschrapt worden en voorzien worden van een oliewerende laag. Partijen zijn er van op de hoogte dat dit nà de juridische levering zal plaatsvinden. “

2.2. De juridische levering heeft plaatsgevonden op 15 december 2009.

2.3. In september 2010 heeft Bleijenbergh van Bouwbedrijf van Driessche & de Koster, hierna: Driessche, dat de werkzaamheden aan de vloer zou verrichten, te horen gekregen dat het uitvoeren van die werkzaamheden niet mogelijk was en dat er een geheel nieuwe vloer gelegd diende te worden, waarbij de oude vloer verwijderd diende te worden. De kosten daarvan zijn door Driessche op 3 november 2010 begroot op € 40.018,22.

2.4. In haar brief d.d. 17 november 2010 aan Eisers stelt Bleijenbergh dat de bedrijfsvloerspecialist Bolidt de bestaande vloer zal stralen en egaliseren waarna een nieuwe gietvloer Bolidt 500, zoals voorheen aanwezig, geplaatst zal worden en dat het uitvoeren van die werken voor rekening van Bleijenbergh zal zijn, op welke wijze zij wil voldoen aan de afspraak gemaakt in de koopovereenkomst “De vloer af te schrapen en voorzien van een oliewerende laag”.

2.5. Bleijenbergh heeft aan Eisers laten weten niet in te stemmen met het plaatsen van een nieuwe vloer. Eisers heeft Bleijenbergh bij dagvaarding d.d. 14 december 2010 gesommeerd de koopovereenkomst na te komen. Toen aan die sommatie geen gehoor is gegeven heeft Eisers Driessche zelf opdracht gegeven de vloer vloeistofwerend te maken voor een bedrag van € 45.900,-- exclusief BTW.

3. Het geschil

3.1. Eisers vordert samengevat en na vermeerdering van eis - veroordeling van Bleijenbergh tot betaling van € 45.900,-- exclusief BTW + p.m., vermeerderd met rente en kosten. De vordering betreft primair vervangende schadevergoeding. Eisers stelt daartoe dat deze kosten, die hij gemaakt heeft teneinde de vloer vloeistofwerend te maken, voor rekening van Bleijenbergh dienen te komen op grond van het bepaalde in artikel 20 van de overeenkomst. Het feit dat de kosten vanwege de slechte staat van de vloer aanzienlijk hoger uitvielen dan aanvankelijk gedacht dient volgens Eisers voor rekening en risico van Bleijenbergh te komen nu zij als verkoper tot in detail op de hoogte was van de staat van de vloer. Subsidiair beroept Eisers zich op ongerechtvaardigde verrijking.

3.2. Bleijenbergh voert verweer. Zij stelt dat Eisers het risico dient te dragen voor het feit dat de bestaande vloer niet geschikt was om af te schrappen en te voorzien van een oliewerende laag. Volgens Bleijenbergh had Eisers zich dienen te vergewissen omtrent de geschiktheid van de vloer voor de door hem te ondernemen activiteiten en hieromtrent voor de koop een kwaliteitsonderzoek dienen uit te voeren. Zij beroept zich op overmacht, nu zij thans niet meer in staat is de contractuele verplichtingen uit te voeren aangezien de betreffende werkzaamheden inmiddels in opdracht van Eisers zijn uitgevoerd.

4. De beoordeling

4.1. Nu Bleijenbergh zich niet heeft verzet tegen de wijziging van eis door Eisers, zal de rechtbank op de gewijzigde eis beslissen.

4.2. Uitgangspunt bij de beoordeling is de tussen partijen gesloten overeenkomst die in artikel 20 bepaalt dat voor rekening van Bleijenbergh de vloer over de daar aangegeven oppervlakte zal worden afgeschrapt en voorzien van een oliewerende laag. Gelet op hun stellingen is tussen partijen niet in geschil dat enige tijd nadat de overeenkomst was gesloten bleek dat de bestaande vloer niet geschikt was om af te schrappen en te voorzien van een oliewerende laag. De kosten van het oliewerend maken van de vloer vielen daardoor een stuk hoger uit dan aanvankelijk voorzien.

4.3. De vraag die bij de beoordeling centraal staat is of de extra kosten van het verwijderen van de bestaande vloer en het aanbrengen van een nieuwe vloer teneinde de oliewerende laag te kunnen aanbrengen, voor rekening van Bleijenbergh dan wel van Eisers dienen te komen. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

Aan de hand van haar eigen stellingen is duidelijk dat Bleijenberg ten tijde van de verkoop van het perceel grond op de hoogte was van het doel waarmee Eisers het wilde kopen, namelijk het plaatsen van een loods op de bestaande fundering en betonvloer, teneinde aldaar zijn bedrijf voort te zetten. Dat Bleijenbergh zich heeft gerealiseerd dat de kwaliteit van de vloer, in de zin dat deze oliewerend was, voor Eisers van belang was, blijkt uit het feit dat zij zich in artikel 20 van de overeenkomst heeft verbonden de kosten gemoeid met het oliewerend maken van de vloer op zich te nemen. In haar brief d.d. 17 november 2010 aan Eisers heeft zij nogmaals bevestigd dat zij de kosten van het stralen, egaliseren en aanbrengen van een nieuwe gietvloer, zoals voorheen aanwezig, voor haar rekening zal nemen. Aan de hand van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat partijen de bedoeling hadden de vloer in oude staat, dat wil zeggen oliewerend, terug te laten brengen op kosten van Bleijenbergh.

Dat het oliewerend maken van de vloer aanzienlijk duurder uitviel vanwege de slechte staat van de vloer, dient voor rekening en risico van Bleijenbergh te komen, nu zij als verkoper in het algemeen geacht wordt op de hoogte te zijn van de kwaliteit van de vloer die zij (mee)verkoopt. Meer in het bijzonder is daarnaast nog het volgende van belang. In het kader van de afwikkeling van de verzekeringskwestie naar aanleiding van de brand die in augustus 2009 het voordien op het perceel aanwezige pand had verwoest was onderzoek verricht naar de waardevermindering van (onder andere) de betonvloer. Uit de als productie 3 bij de conclusie van repliek overgelegde taxatie van Troostwijk blijkt dat de waardevermindering van de betonvloer door de brand € 43.400,-- bedroeg. Voorts is als onweersproken vast komen te staan dat Bleijenbergh een verzekeringsuitkering heeft ontvangen vanwege deze waardevermindering.

In casu kan Bleijenberg dan ook geacht worden op het moment dat hij het perceel verkocht op de hoogte te zijn geweest van de slechte kwaliteit van de vloer en van de mogelijke (extra) kosten die dat voor het oliewerend maken daarvan met zich mee zou kunnen brengen.

4.4. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat zowel de kosten van het aanbrengen van een oliewerende laag op de vloer als de kosten van het verwijderen van de bestaande vloer en het aanbrengen van een nieuwe vloer voor rekening van Bleijenbergh dienen te komen. Nu Eisers Bleijenbergh bij dagvaarding in de gelegenheid heeft gesteld na te komen, maar Bleijenbergh van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, is hij in verzuim komen te verkeren, op grond waarvan Eisers gerechtigd was vervangende schadevergoeding te vorderen zoals hij heeft gedaan. Gelet hierop kan dan ook geen sprake zijn van overmacht aan de zijde van Bleijenbergh. De vordering, die ten aanzien van de hoogte van het gevorderde bedrag en de mede gevorderde rente niet gemotiveerd is betwist, zal dan ook op na te melden wijze worden toegewezen. De rechtbank merkt daarbij op dat de “p.m. post” niet voor toewijzing in aanmerking komt, nu deze niet is onderbouwd en ook uit de stellingen van Eisers op geen enkele wijze volgt waar deze op ziet.

4.5. Bleijenberg zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten van Eisers. De kosten aan de zijde van Eisers worden begroot op:

- dagvaarding € 87,93

- betaald vast recht 580,00

- salaris advocaat 4.917,00 (5,5 punt x tarief € 894,00)

- beslagexploit 301,36

- beslagrekest 894,00 (1 punt x tarief € 894,00)

Totaal € 6.780,29

De mede gevorderde nakosten, waartegen geen verweer is gevoerd, zijn toewijsbaar op na te melden wijze.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt Bleijenbergh tot betaling aan Eisers van een bedrag van € 45.900,-- exclusief BTW vermeerderd met de wettelijke handelsrente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van betaling,

5.2. veroordeelt Bleijenbergh in de proceskosten aan de zijde van Eisers tot op heden begroot op € 6.780,29,

5.3. veroordeelt Bleijenbergh in de nakosten, volgens het toepasselijke liquidatietarief begroot op een bedrag van € 131-, en, indien en voor zover Bleijenbergh niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis aan dit vonnis heeft voldaan, vermeerderd met een bedrag van € 68-,

5.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2012.(