Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BX4062

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
24-05-2012
Datum publicatie
08-08-2012
Zaaknummer
11/5392
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nu de motivering in de uitspraak op bezwaar berust op een blote bewering, is de rechtbank van oordeel dat niet is voldaan aan de motiveringsplicht van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is daarom gegrond. Omdat de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld, blijven de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraak op bezwaar in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2012/1962
Belastingblad 2013/125
V-N 2013/12.22.6
FutD 2012-2097
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 11/5392

Uitspraakdatum: 24 mei 2012

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Veere,

de heffingsambtenaar.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van de heffingsambtenaar van 4 oktober 2011 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning), is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelastingen 2011.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 mei 2012 te Middelburg.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], en namens de heffingsambtenaar, [gemachtigden].

1. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraken op bezwaar in stand blijven;

- gelast dat de heffingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 41 aan deze vergoedt.

2. Gronden

2.1. De heffingsambtenaar heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de waarde van de woning, per waardepeildatum 1 januari 2010 (hierna: de waardepeildatum), vastgesteld voor het tijdvak 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 op € 577.000. In het desbetreffende geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2011 bekend gemaakt. In de uitspraken op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de waarde en de aanslagen gehandhaafd.

2.2. Belanghebbende is eigenaar van de woning. De woning is een vrijstaande woning met garage en berging. De inhoud van de woning is 535 m³ en de oppervlakte van het perceel is 1.300 m².

2.3. De rechtbank verstaat, gelet op het beroepschrift en hetgeen daaromtrent ter zitting is verklaard, dat in geschil is het antwoord op de volgende vragen:

a. zijn de uitspraken op bezwaar deugdelijk gemotiveerd?

b. is de waarde van de woning op de waardepeildatum terecht op € 636.000 vastgesteld?

Motivering uitspraak op bezwaar

2.4. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen dient de uitspraak op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering (Rechtbank Middelburg 9 september 2010, AWB 09/995, LJN: BN9634 en 14 oktober 2010, AWB 10/134). De bewijslast inzake de juistheid van de aan de woning toegekende waarde ligt bij de heffingsambtenaar. Dit brengt mee, dat de heffingsambtenaar in de uitspraak dient te motiveren waarom de referentieobjecten die hij voor de waardevaststelling aanvoert, vergelijkbaar zijn met de woning, alsmede dient aan te geven op welke wijze de vastgestelde waarde van de woning is afgeleid uit de verkoopprijzen van de referentieobjecten. Hoewel de wijze van motiveren aan de heffingsambtenaar vrijstaat, ligt het voor de hand, gelet op de wijze waarop hij zich van zijn bewijslast in de beroepsfase pleegt te kwijten, dat hij daartoe een matrix, waarin onder meer de m³- en m²- van de referentieobjecten zijn opgenomen, overlegt. Voor het voldoen aan de bewijslast maakt het geen verschil of het de motivering in de bezwaarfase dan wel het verweer in de beroepsfase betreft.

In de bestreden uitspraken op bezwaar zijn onder meer de afleiding van de vastgestelde waarde uit de verkoopprijzen van de referentieobjecten niet opgenomen, maar is volstaan met de opmerking dat na onderzoek naar de waarde van de woning en rekening houdende met alle waardebepalende factoren, in het bijzonder de aangevoerde grieven en de rond de waardepeildatum beschikbare verkoopgegevens van de referentieobjecten gebleken is dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. Aldus is sprake van een blote bewering. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel, dat de uitspraken op bezwaar niet op een deugdelijke motivering berusten.

De stelling van de heffingsambtenaar, dat op grond van de instructie “gerechtvaardigd belang” de opneming van de door belanghebbende gevraagde gegevens in de uitspraken op bezwaar achterwege kan blijven, is onjuist, omdat deze instructie niet kan afdoen aan de op grond van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op de heffingsambtenaar rustende motiveringsplicht.

Het beroep is gegrond. De uitspraken op bezwaar dienen vernietigd te worden.

De rechtbank zal op de voet van artikel 8:72, derde lid, van de Awb onderzoeken of de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel of gedeeltelijk in stand kunnen blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Waarde van de woning

2.5. Krachtens artikel 17, eerste lid, van de Wet WOZ, wordt aan een onroerende zaak een waarde toegekend. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt deze waarde bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dit is de prijs, die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald.

2.6. De heffingsambtenaar heeft in beroep taxatieverslagen overgelegd met gegevens van een aantal referentieobjecten en een taxatiematrix waarin de referentieobjecten in een overzicht zijn opgenomen. De rechtbank neemt de taxatiematrix als uitgangspunt voor het in 2.4 bedoelde onderzoek. De referentieobjecten [referentieobject 1] en [referentieobject 2] zijn omstreeks de waardepeildatum verkocht en evenals als de woning in [woonplaats] gelegen. De rechtbank acht deze beide objecten wat type, onderhoud en voorzieningentoestand betreft voldoende vergelijkbaar met de woning. Hoewel de objecten een jonger bouwjaar hebben dan de woning, staat dit naar het oordeel van de rechtbank een vergelijking niet in de weg, nu de woning in latere jaren is verbouwd. Het object [referentieobject 2] is een buurpand van belanghebbende en heeft derhalve dezelfde ligging. Dit object acht de rechtbank het meest met de woning vergelijkbaar. De rechtbank is van oordeel dat in vergelijking tot het object [referentieobject 2] de waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld.

Belanghebbende heeft de aan de taxatiematrix ontleende gegevens in onvoldoende mate ontzenuwd. De enkele stelling dat de grondwaarde van de woning op € 323.750 bepaald dient te worden, legt, gelet op de verkeersintensiteit op de [straat], minder gewicht in de schaal dan de in de matrix opgenomen grondstaffel, nu deze is gebaseerd op de kennis en kunde van de gemachtigde maar niet is onderbouwd met een afleiding uit verkooptransacties rond de waardepeildatum.

2.7. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag niet te hoog zijn vastgesteld. De rechtsgevolgen van de vernietigde uitspraken op bezwaar dienen daarom in stand te blijven.

2.8. Belanghebbende heeft de rechtbank verzocht de heffingsambtenaar een dwangsom op te leggen in verband met het niet verstrekken van gegevens op grond van artikel 40 van de Wet WOZ. Nu dit verzoek geen betrekking heeft op de vaststelling van de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2010, noch op de aanslag onroerende- zaakbelastingen 2011, gaat het verzoek de reikwijdte van dit geschil te buiten, en kan de rechtbank hierop geen acht slaan.

2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan op 24 mei 2012 door mr. J.C.K.W. Bartel, rechter, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. drs. I.E. Rijsdijk-van Eerd, griffier.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 7 juni 2012

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.