Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BX2083

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
18-07-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
12/700328-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging tot binnentreden. Hennepteelt. Geen verklaring verdachte voor het extreem hoge energieverbruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/700328-11

vonnis van de politierechter van 18 juli 2012

in de strafzaak tegen

[naam verdachte],

geboren op [1964] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

ter terechtzitting verschenen,

raadsman mr. Van der Want, advocaat te Middelburg,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 juli 2012, waarbij de officier van justitie mr. Janssen en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een hennepkwekerij in de periode van 18 juli 2007 tot en met 31 maart 2011 en in de periode van 1 april 2011 tot en met 18 juli 2011.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De politierechter is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 De bewijsmiddelen

De politierechter acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder 4.3 vermeld, gelet op:

* feit 1

- een proces-verbaal van bevindingen van 14 september 2011 van verbalisant [verbalisant A], met als bijlagen foto’s ;

- een proces-verbaal van bevindingen van 21 september 2011 van verbalisant [verbalisant A], met als bijlagen meterstanden en verbruiksgegevens ;

* feit 2

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 juli 2012;

- een proces-verbaal van bevindingen van 27 september 2011 van verbalisanten [verbalisant B] en [verbalisant C], met als bijlagen foto’s ;

- een proces-verbaal van bevindingen van 18 juli 2011 van verbalisanten [verbalisant B] en [verbalisant C] .

4.2 De bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

- het verweer van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat op 19 juli 2011 onrechtmatig in de woning van verdachte is binnengetreden en dat om die reden bewijsuitsluiting moet volgen, inhoudende dat onder meer het proces-verbaal van bevindingen van 14 september 2011 van verbalisant [verbalisant A], met bijlagen, niet voor het bewijs van feit 1 mag worden gebezigd. Daartoe is aangevoerd dat op 18 juli 2011 op basis van de machtiging tot het binnentreden in een woning van 18 juli 2011 rechtmatig is binnengetreden en dat vervolgens het doel van het binnentreden, in beslagname op grond van artikel 9 van de Opiumwet, is gerealiseerd. Daardoor heeft genoemde machtiging zijn geldigheid verloren en had deze niet opnieuw, namelijk op 19 juli 2011, mogen worden gebruikt. Daar komt bij dat verbalisant [verbalisant A] die op 19 juli 2011 van genoemde machtiging gebruik heeft gemaakt niet een verbalisant is die op de machtiging bij naam is genoemd.

- het oordeel van de politierechter over het verweer van de verdediging

De politierechter stelt het volgende vast. In de machtiging tot het binnentreden in een woning van 18 juli 2011 is machtiging verleend aan de verbalisanten [verbalisant B] en [verbalisant C] om zonder toestemming van de bewoner binnen te treden in de woning aan [adres], [plaats], zijnde de woning van verdachte. Blijkens de machtiging is het doel van binnentreden inbeslagneming op grond van artikel 9 van de Opiumwet van daarvoor vatbare voorwerpen. Uit een proces-verbaal van inbeslagneming van 18 juli 2011 blijkt dat op 18 juli 2011 hennepplanten en 1.934 gram hennep in beslag zijn genomen.

Uit een proces-verbaal van bevindingen van 27 september 2011 blijkt dat het voor de gemeente Middelburg niet mogelijk was om de kwekerij direct te ontmantelen en dat om die reden de afspraak is gemaakt dat de gemeente dit zal doen op 19 juli 2011.

Uit een proces-verbaal van bevindingen van 14 september 2011 blijkt dat verbalisant [verbalisant A] op 19 juli 2011, met gebruikmaking van de reeds eerder afgegeven machtiging, de woning van verdachte heeft betreden. In genoemd proces-verbaal is vermeld dat de verbalisant assistentie heeft verleend bij het ruimen van de aangetroffen hennepkwekerij.

Artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet bepaalt dat het gemeentebestuur bevoegd is tot toepassing van bestuursdwang. Aan de gemeente Middelburg komt in het kader van het toepassen van bestuursdwang op basis van artikel 5:27 van de Algemene wet bestuursrecht de bevoegdheid toe tot het geven van een machtiging als bedoeld in artikel 2 van de Algemene wet op het binnentreden. Het is een feit van algemene bekendheid dat in Zeeland ten behoeve van de gezamenlijke aanpak van hennepkwekerijen op 8 juni 2006 een convenant is gesloten, ondertekend door Politie Zeeland, het Openbaar Ministerie, de Zeeuwse gemeenten, Delta Netwerkbedrijf B.V. en de Zeeuwse woningcorporaties. Aannemelijk is dat de gemeente Middelburg bij de ontmanteling van de aangetroffen hennepkwekerij op 19 juli 2011 toepassing heeft gegeven aan genoemd convenant en dat medewerkers van de gemeente Middelburg op 19 juli 2011 in het kader van bestuursdwang in de woning van verdachte zijn binnengetreden.

Naar het oordeel van de politierechter is niet komen vast te staan of aannemelijk geworden dat verbalisant [verbalisant A] op 19 juli 2011 is binnengetreden in het kader van een opzettelijk verzwegen ander doel dan de ondersteuning van de medewerkers van de gemeente Middelburg die met de ontmanteling van de kwekerij waren belast. Dat maakt het betreden van de woning door de verbalisant rechtmatig in het kader van zijn politietaken op basis van art 2 Politiewet (hulpverlening). Dat de verbalisant zelf zijn bevoegdheid baseert op een andere wettelijke grond, maakt dat niet anders. De verdachte heeft daarvan in zoverre geen nadeel ondervonden.

De conclusie is dat op 19 juli 2011 rechtmatig in de woning van verdachte is binnengetreden. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen. De waarnemingen van de verbalisant tijdens de ontmanteling van de hennepkwekerij zoals gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen van 14 september 2011, met bijlagen, kunnen voor het bewijs worden gebruikt.

- bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen (het proces-verbaal van bevindingen van 14

september 2011 met bijlagen en het proces-verbaal van bevindingen van 21 september 2011

met bijlagen) valt af te leiden dat de in de woning aangetroffen filters sterk vervuild waren

en dat in het filterschuim geen sporen aanwezig waren waaruit bleek dat deze filters eerder

ergens anders gehangen hadden. De beide aangetroffen ventilatoren vertoonden een extreme

gelijkmatige vervuiling en dit impliceert dat de ventilatoren tientallen kweken

doorstaan hebben. Uit de historische meterstanden van de woning blijkt dat in de periode

van 20 juli 2007 tot 19 juli 2011 in totaal 109.138 kilowatt/uur stroom is verbruikt. Volgens

gegevens van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting verbruikt een twee

persoonshuishouden ongeveer 3.500 kilowatt/uur per jaar. Verdachte heeft verklaard dat hij

gedurende genoemde jaren met een dochter de woning heeft bewoond.

Naar het oordeel van de politierechter is genoemd bewijs zeer belastend voor verdachte. De feiten en omstandigheden wijzen nadrukkelijk op zijn betrokkenheid bij het kweken van hennep gedurende de tenlastegelegde periode. De politierechter stelt vast dat verdachte juist op de onderdelen waar van hem een verklaring wordt gevraagd (de sterke vervuiling van de aangetroffen apparatuur en het opvallend hoge energieverbruik) onvoldoende duidelijkheid verschaft. Verdachte heeft volstaan met het ter zitting overleggen van een factuur van 22 september 1997 van de aankoop van een waterbed, een factuur van 7 maart 2011 van een installatiebedrijf waaruit blijkt dat in het kader van de installatie van centrale verwarming vier electrische kachels zijn ingeruild alsmede stukken waaruit onder meer blijkt dat verdachte in 1983 en 1998 examens voor booglassen heeft behaald. Dit is naar het oordeel van de politierechter geen verklaring voor het extreem hoge energieverbruik. Tevens zijn foto’s in het geding gebracht waarop te zien is dat verdachte aan het lassen is. In dat kader is gesteld dat verdachte in zijn woning voor derden laswerkzaamheden verricht. Hiervan zijn geen nadere stukken beschikbaar omdat van de inkomsten die met die werkzaamheden zijn gegenereerd geen opgave bij de belastingdienst is gedaan. Naar het oordeel van de politierechter is de stelling over de laswerkzaamheden daarmee onvoldoende onderbouwd.

Op grond van het voorgaande acht de politierechter feit 1 wettig en overtuigend bewezen. De overtuiging wordt mede gevormd door het feit dat verdachte blijkens zijn strafblad in 1999 en in 2004 voor hennepteelt is veroordeeld en verdachte een uitgesproken mening heeft over het Nederlandse softdrugsbeleid inhoudende dat hennepteelt niet strafbaar zou moeten zijn. De verklaring van verdachte dat hij pas in maart 2011 weer met het telen van hennep is begonnen en daartoe sterk vervuilde apparatuur heeft gekocht, is in het licht van het voorgaande, ongeloofwaardig.

- beroeps- of bedrijfsmatige teelt

Met betrekking tot de vraag of sprake is geweest van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf overweegt de politierechter het volgende.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 11, derde lid, van de Opiumwet blijkt dat de wet geen definitie bevat van het begrip ‘in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ omdat de wetgever de invulling ervan heeft willen overlaten aan de rechtspraak. Dit biedt de gelegenheid om in voorkomende gevallen alle feiten en omstandigheden mee te wegen. Als criteria voor beroeps- of bedrijfsmatige teelt gelden: het aantal planten, de te behalen oogsten per jaar, het gebruik van technische hulpmiddelen/toepassing van hoogwaardige technologie ter vermeerdering van de opbrengst, de omvang van de teelt, mede gelet op de daarvoor noodzakelijke investeringen en risico’s, de omstandigheden waaronder wordt gekweekt, bijvoorbeeld in loodsen of onder glas, met gebruik van zogeheten daglichtlampen of met behulp van temperatuur- en bevloeiingsregulering.

Vastgesteld kan worden dat verdachte met de aankoop van de aangetroffen materialen en apparatuur heeft geïnvesteerd met de bedoeling een hennepkwekerij op te zetten waarmee verschillende keren kon worden geoogst. Zoals hiervoor is overwogen, is dit gedurende de periode van 18 juli 2007 tot en met 18 juli 2011 ook gebeurd. Aannemelijk is dat dit in een omvang is geweest als bij feit 2 bewezen is verklaard. In de woning van verdachte waren twee kweekruimtes, met in elke ruimte assimilatielampen, transformatoren, een afzuiginstallatie en in een van de kweekruimtes een ventilator. Het teeltproces geschiedde aldus in afzonderlijke daartoe ingerichte ruimtes onder gecontroleerde condities. Volgens verdachte wilde hij de opbrengst van de teelt zoals onder feit 2 bewezen is verklaard deels zelf gebruiken en deels verkopen aan een coffeeshop. Gelet op die verklaring acht de politierechter aannemelijk dat verdachte zo ook bij eerdere oogsten heeft gehandeld.

Gelet op het voorgaande is de politierechter van oordeel dat het handelen van verdachte gekwalificeerd kan worden als hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

4.3 De bewezenverklaring

De politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. op tijdstip(pen) in de periode van 18 juli 2007

tot en met 31 maart 2011 te [plaats], in de uitoefening van zijn beroep of

bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, (in een pand aan de

[adres]) een (grote) hoeveelheid, in elk geval (telkens) een

hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde

hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. de periode van 1 april 2011 tot en met 18 juli 2011 te

[plaats], in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf, opzettelijk heeft

geteeld en bereid en bewerkt en verwerkt, (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van

(in totaal) ongeveer 1934 gram hennep en 63 hennepplanten, zijnde

hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De politierechter acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) maand geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 en heeft om die reden verzocht een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd.

6.3 Het oordeel van de politierechter

Verdachte heeft zich gedurende een periode van vier jaar in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf schuldig gemaakt aan hennepteelt. Het kweken van hennep is een strafbaar feit dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn namelijk stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts levert een kwekerij (brand)gevaar op voor de omgeving, in dit geval de binnenstad van Middelburg. Verdachte heeft zich kennelijk om deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Blijkens het uittreksel uit de Justitiële Documentatie op naam van verdachte is hij eerder wegens Opiumwetdelicten in aanraking geweest met justitie.

Alles afwegend komt de politierechter tot de conclusie dat voor het bewezenverklaarde de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden is. Verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) maand geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Met de voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De politierechter:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 2: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 240 (tweehonderd veertig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (eenhonderd twintig) dagen;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, politierechter, in tegenwoordigheid van mw. Polderdijk, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 juli 2012.

BIJLAGE I: De tenlastelegging