Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BX1953

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
21-08-2012
Zaaknummer
82989 / HA RK 12-48
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek per telefax direct na de zitting op nader aan te voeren gronden. Daartoe in de gelegenheid gesteld is vervolgens aangevoerd dat de bestuursrechter zich ter zitting vooringenomen heeft getoond. De echtgenote is in het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk, omdat zij geen procespartij is. Aan de eis van art. 8:16, derde en vierde lid, Awb is tijdig voldaan.

In het kader van de Nieuwe Zaaksbehandeling heeft de bestuursrechter kort na het begin van de behandeling ter zitting blijk gegeven van een voorlopig oordeel. Dat dat voorlopige oordeel niet overeenkomt met het standpunt van verzoeker is nog geen reden om van vooringenomenheid te spreken. De bestuursrechter heeft kennelijk een efficiënte behandeling voorgestaan. Met één opmerking heeft de bestuursrechter onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere gevoeligheid van verzoeker na een rechtsstrijd die reeds 15 jaren gaande is. De door een brief van de rechtbank gewekte verwachting dat verzoeker zijn standpunt ter zitting ten volle naar voren zou kunnen brengen, is in het kader van de Nieuwe Zaaksbehandeling niet gehonoreerd. Bij verzoeker is daardoor de indruk ontstaan dat de bestuursrechter niet openstond voor zijn standpunt. Maar uit de gang van zaken ter zitting kan in redelijkheid niet worden afgeleid dat de bestuursrechter vooringenomen zou zijn jegens verzoeker. Het wrakingsverzoek is afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK MIDDELBURG

wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: 82989 / HA RK 12-48

Beschikking van 3 april 2012

op het schriftelijke wrakingsverzoek van

[verzoeker sub 1],

wonende te [adres],

[verzoekster sub 2],

wonende te [adres],

verzoekers,

verschenen in persoon,

gericht tegen mr. [A], rechter-plaatsvervanger in deze rechtbank.

De procedure

[Verzoeker sub 1] – verder [verzoeker] – en [verzoekster sub 2] hebben bij faxbrief van 8 maart 2012 de wraking verzocht van mr. [A].

Bij brief van 16 maart 2012 is aan verzoekers, mr. [A] en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele – verder Borsele – meegedeeld dat het wrakingsverzoek door de wrakingskamer zal worden behandeld op dinsdag 27 maart 2012 om 11.00 uur. Verzoekers en Borsele zijn bij deze brief opgeroepen voor de behandeling op 27 maart 2012. Het proces-verbaal van behandeling van het beroepschrift door de rechtbank op 8 maart 2012 is als bijlage bij de brief aan verzoekers en Borsele gevoegd. Mr. [A] heeft bij brief van 19 maart 2012 meegedeeld dat zij niet in de wraking berust en schriftelijk haar standpunt toegelicht. Bij faxbrief van 23 maart 2012 hebben verzoekers hun verzoek nader toegelicht. Bij faxbrief van 26 maart 2012 heeft mr. [A] schriftelijk op deze nadere toelichting van verzoekers gereageerd.

Het wrakingsverzoek is behandeld ter terechtzitting van 27 maart 2012. Ter terechtzitting zijn verschenen verzoekers en Borsele vertegenwoordigd door de gemachtigden de heren [X] en [Y]. Verzoekers hebben het verzoek nader toegelicht en Borsele heeft inlichtingen verstrekt.

Het verzoek

Verzoekers zijn van mening dat bij mr. [A] sprake is van vooringenomenheid althans dat hun vermoeden dat daarvan sprake is gerechtvaardigd is. Verzoekers baseren hun standpunt, gelet op hun toelichting op het verzoek, op de gang van zaken ter terechtzitting gehouden op 8 maart 2012.

Verzoekers stellen dat zij ter terechtzitting niet, althans in onvoldoende mate, de gelegenheid hebben gekregen om hun standpunt uiteen te zetten. Verzoekers zijn door mr. [A] niet in de gelegenheid gesteld om een korte pleitnota met aangehecht een bouwtekening, die volgens verzoekers betrekking heeft op een belangrijk nieuwe ontwikkeling, voor te lezen en/of te overhandigen. Mr. [A] heeft verzoekers meegedeeld dat zij de zitting liever op haar manier deed. Mr. [A] heeft meegedeeld dat er later op de zitting mogelijk weer op zou worden teruggekomen, maar dat is volgens verzoekers niet gebeurd. Volgens verzoekers waren zij niet op de hoogte van een nieuwe wijze van zaaksbehandeling in bestuurszaken, waarbij geen of weinig ruimte bestaat voor het voorlezen van pleitnota’s. Verzoekers zijn van mening dat door de gang van zaken ter zitting het recht van hoor en wederhoor is geschonden.

Mr. [A] heeft onmiddellijk na het weigeren van de pleitnota uiteengezet dat volgens haar ingevolge de uitspraak van de Raad van State uit 2009 niet het vigerende bestemmingsplan voor verzoekers gold maar het voorgaande, voor verzoekers onvoordelige bestemmingsplan. Ter terechtzitting is daaromtrent een discussie ontstaan. Verzoekers zijn het met dit door mr. [A] ingenomen standpunt, dat met het standpunt van de gemeente Borsele overeenkomt, niet eens. Het innemen van het juridische standpunt zoals door mr. [A] ter zitting verwoord, houdt in dat zij al hetgeen in het beroepschrift is aangevoerd naast zich neerlegt. Op de inhoud van het beroepschrift is bij de behandeling ter terechtzitting ook niet ingegaan.

De kern van het beroepschrift:- termijnoverschrijdingen door Borsele en de consequenties daarvan -, is ter terechtzitting in het geheel niet aan de orde gekomen. Ook dit levert een bijdrage aan het vermoeden van verzoekers dat mr. [A] partijdig en bevooroordeeld is.

Mr. [A] heeft in het kader van de vraag of het schuurtje de toets aan de daaraan te stellen eisen van welstand voldeed haar subjectieve, negatieve mening gegeven omtrent de wijze waarop het schuurtje is uitgevoerd. Daarbij gaf zij aan dat zij het met enkele punten van kritiek van Borsele eens was. Verzoekers vinden dat ongepast. Volgens verzoekers had verwacht mogen worden dat mr. [A] ter zitting aan de gemeente had voorgelegd of het schuurtje was uitgevoerd zodanig dat het aan “redelijke eisen van welstand” voldeed en paste binnen de ruimte die de Welstandsnota biedt. Dit is niet ter sprake gekomen. Mr. [A] leek ervan uit te gaan dat het standpunt van Borsele over welstandsaspecten overeenkomt met de Welstandsnota. Volgens verzoekers is de jurisprudentie waarnaar de rechtbank verwijst en op grond waarvan een welstandsoordeel niet mag leiden tot belemmering van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt niet ter gelegenheid van de behandeling aan de orde geweest. Zij hebben hiervan pas bij ontvangst van het proces-verbaal kennis genomen.

Ter gelegenheid van de behandeling heeft mr. [A] voorts gezegd dat van ondernemers toch verwacht mag worden dat zij in samenspraak met de gemeente in goed overleg tot overeenstemming zouden moeten kunnen komen over bouwvergunningen en daarmee samenhangende welstandsaspecten. De schuld van het jarenlang slepende conflict wordt door mr. [A] op deze manier ten onrechte in de schoenen van verzoekers geschoven. Mr. [A] heeft uit het oog verloren dat verzoekers al gedurende 15 jaar in een juridische strijd met Borsele verwikkeld zijn. Uit de stukken gevoegd bij het beroepschrift komt duidelijk naar voren dat het Borsele is, die op allerlei mogelijke manieren tracht te verhinderen dat bouwvergunningsaanvragen van verzoekers worden gehonoreerd en thans doende is een faillissement van verzoekers te bewerkstelligen. Van een klimaat waarin plaats is voor redelijk overleg tussen een burger en een overheidsinstantie is als gevolg van de opstelling van Borsele dan ook geen sprake. Verzoekers vinden de voormelde opmerking van mr. [A] jegens ondernemers in het algemeen al ongepast maar zeker, gelet op hun jarenlange juridische strijd met Borsele, jegens hen.

Mr. [A] heeft in haar eerste schriftelijke reactie op het door verzoekers ingediende wrakingsverzoek, nu dat door verzoekers aanvankelijk niet met feiten of omstandigheden geconcretiseerd was, verwezen naar artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge dat artikel moeten alle relevante feiten en omstandigheden tegelijk worden voorgedragen zodra deze aan de verzoeker bekend zijn geworden. Voorts merkt mr. [A] in algemene zin op dat de zitting volgens de nieuwe zaaksbehandeling heeft plaatsgevonden. De rechter beproeft actief of het ter zitting mogelijk is om tot een oplossing van het geschil te komen. Daarbij hoort het stellen van (juridische) vragen en het geven van inzicht in de proces- of bewijspositie van partijen.

Naar aanleiding van de nadere toelichting van het wrakingsverzoek heeft mr. [A] nog opgemerkt dat bij de nieuwe zaaksbehandeling een praktische aanpak van de zitting hoort en dat partijen inderdaad niet in de gelegenheid zijn gesteld om pleitnota’s voor te dragen of over te leggen. Mr. [A] verwijst naar het proces-verbaal van de zitting. Volgens mr. [A] blijkt daar uit dat zij aan beide partijen feitelijke en juridische vragen heeft gesteld.

Mr. [A] betwist dat de termijnoverschrijding door Borsele niet aan de orde is geweest. Zij verwijst naar de laatste twee alinea’s van het proces-verbaal.

De beoordeling

De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 8:15 van de Awb op verzoek van een partij rechters kunnen worden gewraakt. Het beroepschrift is ingediend door [verzoeker sub 1]. [Verzoekster sub 2], is geen partij in de beroepsprocedure. Zij zal in het verzoek tot wraking door de rechtbank dan ook niet-ontvankelijk verklaard worden. De verdere beoordeling ziet dus op het verzoek zoals dat is gedaan door verzoeker sub 1 – verder verzoeker –.

De rechtbank is van oordeel dat verzoeker heeft voldaan aan de eisen die artikel 8:16 van de Awb aan een verzoek tot wraking stelt. Verzoeker heeft het verzoek nog dezelfde dag als die waarop de terechtzitting is gehouden per fax ingediend. Aan de eis van artikel 8:16, derde en vierde lid, van de Awb heeft verzoeker voldaan door het verzoek bij faxbrief van 22 maart 2012 uitgebreid te motiveren en daarbij alle feiten en omstandigheden voor te dragen.

De rechtbank overweegt dat een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, de subjectieve toets. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn, de objectieve toets. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

Ten aanzien van de door verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt. In de brief van 20 januari 2012 waarin de rechtbank verzoeker uitnodigt om bij de behandeling van de zitting aanwezig te zijn, is vermeld dat er tijdens de zitting geen of weinig ruimte bestaat voor het voorlezen van een pleitnota, zodat verzoeker daarvan op de hoogte had kunnen zijn. Ook Borsele beschikte over een pleitnota en is niet in de gelegenheid gesteld deze voor te lezen en in het geding te brengen. In de brief van 20 januari 2012 is echter ook vermeld dat verzoeker alle gelegenheid zal krijgen om zijn standpunt naar voren te brengen. Uit hetgeen verzoeker over de wijze van behandeling ter terechtzitting meedeelt komt het beeld naar voren dat door mr. [A] de zaak in een ander juridisch kader is geplaatst dan het kader waarvan verzoeker is uitgegaan. Het gevolg daarvan is kennelijk geweest dat de argumenten van verzoeker daardoor niet aan de orde zijn gekomen en verzoeker, anders dan hem was voorgehouden, niet in de gelegenheid is geweest het door hem ingenomen standpunt naar voren te brengen.

Mr. [A] heeft voorts, zo volgt uit hetgeen verzoeker aanvoert, kennelijk vlak na aanvang van de behandeling, haar (voorlopige) oordeel omtrent de zaak te kennen gegeven welk oordeel overeenkomt met de visie van Borsele en inhoudt dat als gevolg van de uitspraak van de Raad van State uit 2009 niet het [nieuwe bestemmingsplan] van toepassing is, maar het [voorheen geldende bestemmingsplan]. Dit bestemmingsplan is voor verzoeker minder gunstig. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het feit dat het (voorlopige) oordeel van mr. [A] overeenkomt met het standpunt van Borsele niet worden aangenomen dat naar objectieve maatstaven van vooringenomenheid sprake is. Het is de taak van de rechter om aan de hand van de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen een (voorlopig) oordeel omtrent een geschil uit te spreken. Het enkele feit dat dat voorlopige oordeel overeenkomt met het standpunt van de wederpartij geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat sprake is van vooringenomenheid.

Uit het proces-verbaal blijkt niet dat ter zitting is gesproken over termijnoverschrijdingen door Borsele. Dat is volgens verzoeker de kern van zijn beroep. Aangenomen moet worden dat dit niet aan de orde is geweest. Verzoeker is dus ook op dit punt niet in de gelegenheid geweest zijn standpunt naar voren te brengen.

Mr. [A] heeft kennelijk een subjectief oordeel gegeven ten aanzien van de wijze waarop de schuur is uitgevoerd. De rechtbank overweegt dat in het algemeen terughoudendheid gepast is bij het geven van een waardeoordeel op gebieden die buiten de deskundigheid van de rechter vallen. Afgezien daarvan blijkt uit het proces-verbaal dat mr. [A] Borsele kritisch heeft bevraagd omtrent de gestelde eisen van welstand. Voorts blijkt daar uit dat zij Borsele jurisprudentie voorgehouden heeft die zij in acht moet nemen en op grond waarvan een welstandsoordeel niet mag leiden tot een belemmering van de bouwmogelijkheden die een bestemmingsplan biedt. Borsele heeft desgevraagd ook meegedeeld dat mr. [A] kritische vragen heeft gesteld met betrekking tot de welstandsaspecten.

De rechtbank is van oordeel dat de kennelijk door mr. [A] in het algemeen gemaakte opmerking dat van ondernemers verwacht mag worden dat zij zich in het overleg met betrekking tot de aanvraag van een bouwvergunning en in het kader daarvan aan de orde zijnde eisen van welstand zodanig opstellen dat overeenstemming wordt bereikt, niet een verwijt inhoudt ten aanzien van verzoeker die daarin niet is geslaagd. In het onderhavige geval is echter sprake van een al 15 jaar durende juridische strijd van verzoeker tegen Borsele. Mr. [A] diende zich daarom bewust te zijn van de als gevolg daarvan bij verzoeker bestaande gevoeligheden waar het Borsele betreft. Met het maken van voormelde opmerking heeft mr. [A] onvoldoende blijk gegeven zich daarvan bewust te zijn.

Uit de gang van zaken zoals vorenstaand geschetst kan naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet worden afgeleid dat mr. [A] jegens verzoeker een persoonlijke vooringenomenheid zou koesteren. Verzoeker heeft diengaangaande ook niets gesteld. De subjectieve toets levert geen grond voor wraking op.

De rechtbank overweegt voorts, zij verwijst naar hetgeen vorenstaand onder punt 3.4. is overwogen, dat het beeld is ontstaan dat mr. [A] een efficiënte behandeling van de zaak voor ogen heeft gehad die er in heeft geresulteerd dat, anders dan hem in de brief van 20 januari 2012 was voorgehouden, verzoeker niet in de gelegenheid is gesteld om zijn standpunt ten volle naar voren te brengen. Bij verzoeker is daardoor de indruk ontstaan dat mr. [A] niet openstond voor zijn standpunt, omdat dat niet relevant zou zijn voor de beoordeling van het geschil. De rechtbank is van oordeel dat voorop dient te staan dat elke partij na afloop van de zitting voldoende in staat is gesteld om haar kant van de zaak toe te lichten en dat elke partij dat zo mogelijk ook zal beamen. Efficiëncy mag hieraan niet in de weg staan. In dit geval heeft mr. [A] verzoeker niet de gelegenheid gegeven zijn standpunt ten volle toe te lichten. Deze tekortkoming is naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende voor toewijzing van het verzoek, ook indien de overige door verzoeker aangevoerde gronden daarbij in aanmerking worden genomen. Deze zijn ieder op zich en ook in onderlinge samenhang onvoldoende om aan te nemen dat de uiterlijke schijn is gewekt dat de rechter partijdig is in deze zaak. De rechter wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn. Dat vermoeden is naar objectieve maatstaven niet weerlegd door de voormelde tekortkoming en de andere aangevoerde gronden. Ook de objectieve toets levert geen grond voor wraking op.

Gelet op het vorenstaande zal het verzoek tot wraking worden afgewezen.

De beslissing

De rechtbank

- Verklaart verzoekster sub 2 niet-ontvankelijk;

- wijst het verzoek tot wraking van mr. [A] af;

- beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, mr. [A] en Borsele een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing te zenden;

- bepaalt dat de zaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek bevond.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J.M. Klarenbeek, mr. J. Sinack en mr. S. Kuypers en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2012.