Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BV8658

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
12-03-2012
Datum publicatie
14-03-2012
Zaaknummer
12/700329-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor mensenhandel in verschillende periodes gepleegd te Vlissingen en Middelburg, feiten die bekend staan als zogenaamde “loverboy”-praktijken. Hij heeft daarbij twee verschillende slachtoffers aangezet tot prostitutie en daarvan financieel geprofiteerd. Via internet heeft hij ook door het plaatsen van advertenties op misleidende wijze geld afhandig gemaakt van mannen, die op die advertenties reageerden, en hen op deze wijze opgelicht.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/700329-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 12 maart 2012

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen

[verdachte],

geboren op [1983],

wonende te [adres],

raadsman mr. Nijssen, advocaat te Zierikzee.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 27 februari 2012, waarbij de officier van justitie mr. Rammeloo en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

1.

hij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 mei 2008 tot en met

29 maart 2010, in de gemeente(n) Vlissingen en/of Middelburg en/of elders in

Nederland, [slachtoffer 1] (telkens) door dwang, geweld of een of andere

feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of

door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft

geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van

uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar

te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten,

immers heeft verdachte (wetende van haar mentale weerbaarheid en/of kwetsbaar-

heid van die [slachtoffer 1] en/of dat die [slachtoffer 1] nagenoeg geen toevlucht en/of

onderdak bij vrienden, familie of bekenden had):

- die [slachtoffer 1] huisvesting/onderdak gegeven en/of

- zich tegenover die [slachtoffer 1] -sterk- dominant opgesteld en/of gedragen en/of

- die [slachtoffer 1] één of meermalen geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of

getrapt en/of aan haar (hoofd)haren getrokken en/of

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat (er schulden waren en/of meer geld nodig was

-voor uitgaven in het dagelijks leven- en/of dat geld bijverdiend moest

worden en) zij seksuele handelingen met mannen tegen betaling moest

gaan verrichten en/of

- (hierbij/vervolgens) die [slachtoffer 1] bedreigd haar (weer) te mishandelen

en/of haar uit huis te zetten, indien zij voornoemde handelingen zou

weigeren en/of

- op het internet één of meer advertenties geplaatst, waarin die [slachtoffer 1]/een

vrouw werd aangeboden tegen betaling seksuele handelingen met derden te

verrichten en/of

- contacten gelegd/onderhouden en/of afspraken gemaakt met één of meer

personen die reageerden op voornoemde advertentie(s)/klanten en/of

- die [slachtoffer 1] in contact gebracht met één of meer personen die hadden

gereageerd op voornoemde advertentie(s)/klanten en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 1] één of meermalen vervoerd/gebracht naar de met die

persoon/klant afgesproken plaats (teneinde tegen betaling seksuele

handelingen te verrichten) en/of

- die [slachtoffer 1] in één of meer woningen (gelegen in [adres a] en/of de [adres b]) een ruimte en/of de gelegenheid

aangeboden/gegeven voor het verrichten van voornoemde seksuele handelingen

met derden en/of

- (op het moment dat die [slachtoffer 1] haar klanten ontving) in de nabijheid van die

[slachtoffer 1] gebleven/verbleven, teneinde toezicht op die [slachtoffer 1] te kunnen

uitoefenen en/of

- het door die [slachtoffer 1] in de prostitutie verdiende geld (telkens) geheel of

gedeeltelijk opgeëist/aangenomen en/of voor zichzelf gehouden/aangewend;

art 273f lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

2.

hij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 1 maart 2011 tot en

met 20 mei 2011, in de gemeente(n) Vliissingen en/of Middelburg en/of Kapelle

en/of elders in Nederland, [slachtoffer 2] (telkens) door dwang, geweld of een

of andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of een andere

feitelijkheid en/of door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke

omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare

positie, heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met

het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 2] en/of heeft gedwongen of bewogen

zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten,

immers heeft verdachte (wetende dat die [slachtoffer 2] erg verliefd op hem was en/of

van haar mentale weerbaarheid en/of kwetsbaarheid van die [slachtoffer 2]):

- zich tegenover die [slachtoffer 2] -sterk- dominant opgesteld en/of gedragen en/of

- één of meermalen tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij in geldnood zat en/of

- (hierbij/vervolgens) die [slachtoffer 2] voorgesteld samen met hem tegen betaling

seksuele handelingen met derden te gaan verrichten (teneinde uit die

geldnood te komen) en/of

- (nadat zij hiermee had ingestemd) op het internet één of meer advertenties

geplaatst, waarin die [slachtoffer 2]/een vrouw/één of meer personen werd(en)

aangeboden tegen betaling seksuele handelingen met derden te verrichten en/of

- contacten gelegd/onderhouden en/of afspraken gemaakt met één of meer

personen die had(den) gereageerd op voornoemde advertentie(s)/klanten en/of

- (vervolgens) die [slachtoffer 2] één of meermalen vervoerd/gebracht naar de met

die persoon/klant afgesproken plaats (teneinde tegen betaling seksuele

handelingen te verrichten) en/of

- tegen de voornoemde met die [slachtoffer 2] gemaakte afspraak in, niet deelgenomen

aan het tegen betaling verrichten van seksuele handelingen met een derde

en/of

- (op het moment dat die [slachtoffer 2] met/bij een klant was) in de nabijheid van

die [slachtoffer 2] gebleven/verbleven, teneinde toezicht op die [slachtoffer 2] te kunnen

uitoefenen en/of

- het door die [slachtoffer 2] in de prostitutie verdiende geld (telkens) geheel of

gedeeltelijk opgeëist/aangenomen en/of voor zichzelf gehouden/aangewend;

art 273f lid 1 ahf/sub 4° Wetboek van Strafrecht

3.

hij op één of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode 31 oktober

2011 tot en met 8 november 2011, althans in de maanden oktober en/of november

2011, te Middelburg en/of elders in Nederland, (telkens) met het oogmerk om

zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het

aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of

meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte 115 euro en/of 50 euro en/of

50 euro, althans (telkens) van enig geld en/of

- [slachtoffer 4], heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro, althans van enig

geld,

hebbende verdachte (telkens) met vorenomschreven oogmerk valselijk en/of

listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid - zakelijk

weergegeven -:

- op het internet zes, althans één of meer advertenties geplaatst (telkens)

met de tekst: "Ben meisje van 18 die vandaag nog 300 nodig heeft met spoed.

mail me voor meer info, betaal het terug door middel van spannende dates",

althans tekst van gelijke aard of strekking en/of

- nadat die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] op voornoemde advertentie(s) hadden

gereageerd, zich (via de e-mail) tegenover die [slachtoffer 3] en/of die

[slachtoffer 4] voorgedaan als zijnde het meisje dat die advertentie(s) had geplaatst

en/of

- (hierbij) die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] laten weten dat bedoeld geld

diende te worden overgemaakt naar een rekening bij de Rabobank (nummer

12.86.45.113, waarover verdachte onrechtmatig/onbevoegd de beschikking had),

waardoor die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (telkens) werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

art 326 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1, 2 en 3 heeft begaan en baseert zich ten aanzien van feit 3 op de bekennende verklaring van verdachte, het proces-verbaal van bevindingen en de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]. Voor de feiten 1 en 2 ziet de officier van justitie naast de aangiften, de getuigenverklaringen van onder meer [getuige 1] en enkele klanten, de wijze van manipuleren door verdachte tevens als steunbewijs voor de feiten 1 en 2.

Het verweer van verdachte dat [slachtoffer 1], [getuige 1] en [slachtoffer 2] tegen verdachte een complot beramen gaat volgens de officier van justitie niet op. Verdachte heeft zelf verklaard dat [slachtoffer 1] op internet verre van bekwaam was, zodat niet kan worden aangenomen dat [slachtoffer 1] zelf haar diensten op internet heeft aangeboden. [getuige 1] had geen belang bij een complot en [slachtoffer 2] kende de beide anderen niet. De officier van justitie vindt het daarbij frappant dat de aanvullende verklaring van [slachtoffer 1], waarin verdachte wordt vrijgepleit, verzonden is vlak na diens eerste verhoor als verdachte bij de politie. In een latere verklaring geeft [slachtoffer 1] aan dat zij een door verdachte zelf opgestelde tekst heeft overgeschreven en dat verdachte zelf het laatste stuk geschreven heeft. Deze verklaring wordt door het handschriftonderzoek en de verklaring van [getuige 1] ondersteund.

De aangifte van [slachtoffer 2] (feit 2) staat volledig los van [slachtoffer 1] en [getuige 1] (feit 1). Het contact van [slachtoffer 2] liep via de site [site 1]. [slachtoffer 2] verklaart daarover authentiek. Zij vormt in haar positie het prototype van een loverboy-slachtoffer. In het dossier zijn geen aanwijzingen gevonden die erop wijzen dat uitgerekend deze vrouw, op seksueel gebied bleu en door de klanten omschreven als verlegen en timide, met het initiatief zou zijn gekomen om betaalde seks met mannen te hebben.

Op de inbeslaggenomen computer van verdachte zijn sporen van de internetsites en e-mail met klanten aangetroffen. Verdachte brengt daar tegenin dat zijn computer is gehackt en dat deze sporen niet uitsluitend van hem hoeven te zijn. Daarvan uitgaand is het vreemd dat juist [slachtoffer 2], wonend in Kruiningen, uitgerekend in Middelburg op zijn netwerk komt inloggen.

Op zendmasten in de omgeving van de locaties waar [slachtoffer 2] en verdachte met klanten hebben afgesproken is het gsm-nummer van verdachte aangestraald en is door de klanten telkens een man gezien, waarvan getuigen zeggen dat hij op verdachte lijkt. Verdachte ontkent en weerlegt dit door te stellen dat dit gsm-nummer dan wel op zijn naam stond maar in gebruik was bij [slachtoffer 1]. Verdachte zou daarmee aangeven dat [slachtoffer 2] nog een andere man kende, die met haar mee ging naar de afspraken. Er zijn volgens de officier van justitie teveel toevalligheden, die maken dat deze op zichzelf iets gaan betekenen.

Er is voor een bewezenverklaring een overdaad aan geloofwaardige verklaringen over verdachte, zoals die van [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8], [getuige 9] en [getuige 10], die de zaak kleuren en die elkaar overlappen, aldus de officier van justitie.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank tot een bewezenverklaring kan komen van feit 3. Verdachte erkent dit feite te hebben gepleegd.

De raadsman bepleit vrijspraak van de feiten 2 en 3, omdat daar onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor is. Hij voert daartoe het volgende aan.

Verdachte heeft [slachtoffer 1] wel gehuisvest, maar dit was niet met het oogmerk van uitbuiting. Het was omdat [slachtoffer 1] de zorg voor hun dochter niet aankon.

De verklaringen van de twee opgevoerde getuigen, [getuige 2] en [getuige 4], komen van dezelfde bron, namelijk [slachtoffer 1]. Bovendien is de verklaring van [getuige 2] onbetrouwbaar omdat haar herinnering vaag was. Verdachte heeft geen schulden met [slachtoffer 1] besproken. De aangifte van [slachtoffer 1] is ingegeven door [getuige 1], die een conflict had met verdachte. [slachtoffer 1] zou dan sterker staan in de zaak om de toedeling van de zorg voor hun dochter [naam]. Later heeft zij die eerste aangifte, die volgens haar gebaseerd was op leugens, ingetrokken. Het handschriftonderzoek was een puzzel, maar de conclusie zou luiden dat het laatste stuk van de brief door verdachte is geschreven. Verdachte stelt echter niets van een brief te weten. Met de conclusie over de doordruk kan men twee kanten op. [slachtoffer 1] is niet door verdachte maar door [getuige 1] voor de webcam beland. Verdachte wist daar niets van af en is er via-via achtergekomen. De berekening van [slachtoffer 1] over het aantal klanten (1000 per jaar) en het daarmee verdiende geld is ongeloofwaardig. Verdachte ontkent de e-mailadressen en advertenties te kennen en geeft aan dat [slachtoffer 1] via haar gsm zijn IP-adres gebruiken kon. Eveneens ontkent verdachte [slachtoffer 1] te hebben vervoerd naar haar klanten of gelegenheid te hebben verschaft. Verdachte was ’s avonds vaak niet thuis en heeft er niets van geweten. Ook kan verdachte niet worden verweten dat [slachtoffer 1] weinig mentale weerbaarheid heeft en zich door [getuige 1] heeft laten beïnvloeden.

Feit 2 is hetzelfde patroon, alleen met een andere persoon en in een andere periode. Verdachte heeft [slachtoffer 2] via internet leren kennen en heeft zich tegenover haar niet anders voorgedaan dan hij is. Ook met haar heeft hij zijn financiële problemen niet besproken. Hij heeft haar slechts tweemaal ontmoet in Middelburg. Verdachte heeft geen idee wie de advertenties met de foto’s heeft gemaakt. Hij heeft daarover ook geen e-mailcontact gehad. Verdachte vermoedt dat [slachtoffer 2] onder één hoedje speelt met [slachtoffer 1] en [getuige 1]. Ook de advertenties met [slachtoffer 2] als onderwerp kunnen door meerdere personen geplaatst zijn via het IP-adres van verdachte, omdat zijn MSN en Hyves gehackt zijn geweest.

Verdachte ontkent [slachtoffer 2] te hebben vervoerd. Hij heeft niet eens een rijbewijs. Bovendien is hij door geen van de klanten van [slachtoffer 2] herkend. Er is geen enkel bewijs dat verdachte het door [slachtoffer 2] verdiende geld zou hebben aangenomen.

Het door [slachtoffer 2] over verdachte geschetste beeld is onjuist, getuige ook de verklaringen van [getuige 11], [getuige 7], [getuige 9], [getuige 8], [getuige 12] en vier telefonisch gehoorde personen. De getuigen die wel nadelig verklaren over verdachte komen van dezelfde bron.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Aangezien verdachte feit 3 heeft bekend, wordt onder verwijzing naar artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht feit 3 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd bij de politie en ter terechtzitting;

- het proces-verbaal van bevindingen ;

- de getuigeverklaring van [slachtoffer 4] d.d. 16 november 2011 ;

- de getuigeverklaring van [slachtoffer 3] d.d. 22 november 2011

- de bijlage bij het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 november 2011 .

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit, waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2, die verdachte heeft ontkend te hebben gepleegd, overweegt de rechtbank het volgende.

Met het in artikel 273f Sr neergelegde verbod op mensenhandel heeft de wetgever beoogd uitbuiting van een ander in de prostitutie tegen te gaan. Een situatie van uitbuiting doet zich onder meer voor indien de prostitutie niet op vrijwillige basis geschiedt, maar het gevolg is van een vorm van dwang die door een ander wordt uitgeoefend. Deze dwang hoeft niet noodzakelijkerwijs te bestaan uit fysiek geweld, bedreiging of financiële dwang, maar kan ook worden bewerkstelligd doordat het slachtoffer komt te verkeren in een afhankelijke situatie waarin zij onder de gegeven omstandigheid redelijkerwijze geen andere keuze heeft dan in een toestand van uitbuiting te geraken of te verblijven. Het dwangmiddel wordt dan gevormd door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht.

Uit de in het dossier aanwezige stukken kan worden vastgesteld dat verdachte een relatie kreeg met het slachtoffer [slachtoffer 1] toen zij problemen met haar ouders had. Verdachte is met haar gaan samenwonen, waarna kort daarop hun dochter geboren is. Na beëindiging van hun twee jaar durende relatie door verdachte is [slachtoffer 1] in de woning bij verdachte blijven wonen. Verdachte heeft haar in 2008 voorgehouden dat hij met schulden kampte en dat hij voor het draaien van het huishouden extra geld nodig had. Verdachte heeft [slachtoffer 1] toen aangezet om zich te prostitueren. [slachtoffer 1] heeft in eerste instantie geweigerd, maar onder bedreiging van geweld is zij gezwicht en als prostituee gaan werken, eerst buitenshuis, later in de woning aan de Bonedijkestraat te Vlissingen en na hun verhuizing in de woning aan de [adres b]. Haar verklaring vindt steun in die van [getuige 1], ook wel genoemd [getuige 1]. De getuige [getuige 13], een klant, bevestigt dat zij zich prostitueerde in die woningen.

Verdachte heeft gesteld dat [slachtoffer 1] zich uit eigen beweging heeft geprostitueerd en dat hij, verdachte, dat pas drie weken voor zijn aanhouding heeft vernomen van een caissière in de supermarkt, waar [slachtoffer 1] haar condooms zou hebben gekocht.

Ook zou [slachtoffer 1] haar aangifte hebben gebaseerd op leugens en de aangifte hebben ingetrokken bij een door haar geschreven brief die zich in het dossier bevindt.

De rechtbank verwerpt die verweren en overweegt daartoe het volgende.

[slachtoffer 1] heeft in haar aangifte verklaard dat zij door verdachte werd gedwongen een bandje in te spreken voor een webcam, waarop haar diensten als prostituee werden aangeboden. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte haar sloeg en stompte toen zij aangaf dit niet te willen doen. [getuige 1] heeft bevestigd dat [slachtoffer 1] door verdachte werd geslagen. Vervolgens heeft verdachte op verschillende sites advertenties geplaatst met het telefoonnummer van [slachtoffer 1]. Ook dit wordt bevestigd door [getuige 1], die aangeeft dat zij de foto’s van [slachtoffer 1] moest maken. Het is niet aannemelijk dat [slachtoffer 1] deze advertenties zelf op internet heeft geplaatst. Immers heeft verdachte zelf aangegeven dat [slachtoffer 1] op internet niet verder kwam dan spelletjes spelen.

Verdachte heeft de situatie, die eenmaal was begonnen laten voortduren, door zich dominant en dreigend op te stellen, wanneer [slachtoffer 1] aangaf te willen stoppen. Deze houding van verdachte wordt bevestigd door [getuige 2], die met verdachte een seksuele relatie heeft onderhouden In 2008 heeft verdachte aan [getuige 4] verteld, toen hij tijdens een bezoek herhaaldelijk geheimzinnige telefoongesprekken voerde, dat “hij geld van een vrouwtje kreeg nadat zij seks met mannen had gehad en dat hij dit groter wilde gaan opzetten”.

Nadat [slachtoffer 1] eind maart 2010 bij verdachte is weggegaan en zij zich in juli 2010 gedwongen voelde weer met haar kind bij verdachte in te trekken heeft zij op 17 juli 2010 in een handgeschreven brief een nieuwe/aanvullende verklaring afgelegd, waarin zij haar aangifte ongedaan wilde maken.

Kort na het schrijven van deze aanvullende brief is verdachte gehoord door de politie.

Vervolgens heeft [slachtoffer 1] bij de politie verklaard dat zij de brief onder dwang heeft moeten overschrijven naar een voorbeeld van verdachte en dat het laatste stuk van de brief waarover zij eerder verklaarde dat het door een maatschappelijk werker was geschreven door verdachte zelf is geschreven.

Getuige [getuige 1] heeft over deze brief verklaard dat zij het handschrift van [slachtoffer 1] en de laatste alinea als het handschrift van verdachte herkende.

Uit vergelijkend handschriftonderzoek door de NFI-deskundige handschriftonderzoek, C. Verhulst, blijkt dat het hoogst waarschijnlijk is dat het eerste deel van de brief door [slachtoffer 1] en het laatste deel door verdachte is geschreven. Daarnaast is waarschijnlijk dat een doorgedrukte tekst op het eerste blad van die brief eveneens van verdachte afkomstig is.

De rechtbank stelt aan de hand van beide verklaringen en de uitkomst van het handschriftonderzoek vast, dat [slachtoffer 1], zelfs nog nadat zij eind maart 2010 bij verdachte is weggegaan, onder zijn sterke invloed heeft gehandeld. Ter terechtzitting heeft verdachte [slachtoffer 1] ook omschreven als “een kind met een kind”, waaruit volgt dat hij zich van het verschil in geestelijk niveau bewust was.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door middel van de samenloop van de hiervoor genoemde omstandigheden het slachtoffer in een situatie van afhankelijkheid doen verkeren, hetgeen, mede als gevolg van het tussen hen bestaande niveauverschil op geestelijk gebied, ertoe heeft geleid, dat verdachte overwicht op [slachtoffer 1] had. Door deze omstandigheden heeft verdachte het slachtoffer, een kwetsbare persoon, uiteindelijk in een toestand gebracht waarin zij geen andere weg zag dan aan zijn wensen gevolg te geven. Verdachte heeft [slachtoffer 1] in de daarop volgende periode op onaanvaardbare wijze geëxploiteerd door de inkomsten uit deze werkzaamheden onder zich te houden en aan te wenden voor het huishouden en andere persoonlijke zaken, zoals zijn weedgebruik. Dat ook [slachtoffer 1] zelf enigermate heeft geprofiteerd van deze verdiensten, doet aan het exploiterende karakter van zijn handelen niet af, nu verdachte zich een onevenredig groot deel van die inkomsten heeft toegeëigend, hetgeen op niets anders kan duiden dan uitbuiting. Verdachte heeft gedurende een lange periode voortdurend op manipulatieve wijze bewerkstelligd dat het slachtoffer haar werkzaamheden in de prostitutie voortzette, onder meer door haar voor te houden dat zij anders zonder haar kind op straat zou worden gezet, terwijl hij wist dat ze vrijwel geen mogelijkheden had om ergens anders te gaan wonen.

De rechtbank ziet in het tweede aan verdachte tenlastegelegde feit overeenkomsten met het eerste hiervoor besproken feit. Nadat [slachtoffer 1] uiteindelijk toch definitief bij verdachte is weggegaan heeft verdachte met een soortgelijke strategie bewerkstelligd dat [slachtoffer 2], zij het voor een veel kortere periode, voor hem in de prostitutie ging werken. [slachtoffer 2] had te kampen met psychische problemen en was daarvoor onder behandeling bij Emergis. Verdachte wist van die psychische problematiek. Het contact met [slachtoffer 2] verliep via de internetsite [site 1]. Verdachte heeft ook haar geconfronteerd met zijn gebrek aan geld. Nadat hij eerst geld van [slachtoffer 2] heeft aangenomen, heeft hij haar overgehaald samen met hem, als koppel, geld aan seks te gaan verdienen. [slachtoffer 2] heeft aan zijn verzoek toegegeven, maar uiteindelijk kwam het er op neer dat [slachtoffer 2] de sekshandelingen alleen moest uitvoeren, zij het dat verdachte op enige afstand daarbij aanwezig was, en het door [slachtoffer 2] daarmee verdiende geld op 50/50-basis werd gedeeld .

De verklaringen van [slachtoffer 2] en verdachte over hun ontmoetingen lopen op sommige punten uiteen. Verdachte heeft ontkend [slachtoffer 2] in Kruiningen te hebben ontmoet en stelt slechts twee keer in Middelburg met haar te hebben afgesproken. Deze verklaring van verdachte is ongeloofwaardig, nu getuige [getuige 12] [slachtoffer 2] in haar auto, een Seat, heeft zien zitten met verdachte achter het stuur, rijdend op de nieuwe rotonde van de Zanddijk tussen Kruiningen en Yerseke. [getuige 12] herkende verdachte van een foto die [slachtoffer 2] van haar nieuwe vriend had laten zien. Deze getuige heeft verdachte nog een keer alleen in de auto zien rijden . Getuige [getuige 14], een kennis van [slachtoffer 2], heeft [slachtoffer 2] met een man in de auto gezien nabij de Agri sneltank tussen Kruiningen en Yerseke. Toen [getuige 14] later van [slachtoffer 2] een fotootje van haar vriend, verdachte, te zien kreeg herkende zij deze als de man die bij haar in de auto had gezeten.

Het is op grond daarvan niet geloofwaardig dat verdachte en [slachtoffer 2] elkaar uitsluitend en alleen op een parkeerplaats in Middelburg hebben ontmoet, zoals verdachte heeft gesteld.

De klanten hebben via de account [accountnaam] op [site 2] gemaild en ge-smst met “de vriend van de vrouw”, waardoor het met [slachtoffer 2] tot een afspraak is gekomen. De drie mannen beschrijven de vrouw, die zij herkenden van de advertentie, als verlegen, stil, teruggetrokken en onervaren, en steeds in het gezelschap van een man, die in de buurt bleef tijdens de seksuele handelingen. In tegenstelling tot de afspraak die [slachtoffer 2] en verdachte hadden gemaakt over de seksuele contacten heeft verdachte niet lijfelijk meegedaan.

Uit de processen-verbaal van bevindingen blijkt dat de telefoon van verdachte contact maakte met de gsm’s van de klanten en dat zij ten tijde van de afspraken gebruik maakten van zendmasten in de buurt van de afgesproken plaats waar de seksuele contacten tussen [slachtoffer 2] en die klanten plaats zouden vinden.

Verdachte heeft, eerst ter zitting, als verweer aangevoerd dat het [gsm-nummer] in die periode nog wel op zijn naam stond, maar dat het toen al in gebruik was bij [slachtoffer 1].

Aangenomen dat dit zo zou zijn, dan zou [slachtoffer 1] bij de afspraken in de buurt moeten zijn geweest. Dit is zeer onwaarschijnlijk omdat zij door geen van de drie klanten is gezien. Wel is steeds een man in de nabijheid gezien. Het is eveneens zeer onwaarschijnlijk dat de gsm in gebruik was bij een andere man, die met [slachtoffer 2] naar de afspraken zou zijn gegaan. Ook is het zeer onwaarschijnlijk dat [slachtoffer 2], gelet op haar gereformeerde achtergrond , haar onwetendheid op seksueel gebied en haar persoonlijkheidsstoornis , uit eigen beweging ertoe is overgegaan seksuele contacten tegen betaling te gaan verrichten. Daarvoor ontbrak om te beginnen al het motief, namelijk geldgebrek.

De rechtbank acht de ontkenning van verdachte gezien zijn volstrekt onwaarschijnlijke verklaringen als hiervoor weergegeven en gelet op de verklaring van aangeefster en het ondersteunend bewijs als hiervoor gerelateerd niet geloofwaardig.

Zij acht de feiten 1 en 2 op grond van bovenstaande overwegingen dan ook wettig en overtuigend bewezen.

5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 mei 2008 tot en met

29 maart 2010, in de gemeentenVlissingen en Middelburg , [slachtoffer 1] door geweld, dreiging met geweld en misbruik van uit feitelijke omstandigheden

voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie heeft gedwongen zich beschikbaar

te stellen tot het verrichten van diensten,

immers heeft verdachte (wetende van haar kwetsbaar-

heid en dat die [slachtoffer 1] nagenoeg geen toevlucht en/of

onderdak bij vrienden, familie of bekenden had):

- zich tegenover die [slachtoffer 1] -sterk- dominant opgesteld en gedragen en

- die [slachtoffer 1] geslagen en gestompt en geschopt en

getrapt en

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat (er schulden waren en meer geld nodig was

-voor uitgaven in het dagelijks leven- en dat geld bijverdiend moest

worden en) zij seksuele handelingen met mannen tegen betaling moest

gaan verrichten en

- (hierbij) die [slachtoffer 1] bedreigd haar te mishandelen

en haar uit huis te zetten, indien zij voornoemde handelingen zou

weigeren en

- op het internet advertenties geplaatst, waarin die [slachtoffer 1] werd aangeboden tegen betaling seksuele handelingen met derden te verrichten en

- (op het moment dat die [slachtoffer 1] haar klanten ontving) in de nabijheid van die

[slachtoffer 1] gebleven en

- het door die [slachtoffer 1] in de prostitutie verdiende geld telkens geheel of

gedeeltelijk aangenomen en gedeeltelijk voor zichzelf gehouden;

2.

in de periode van 1 maart 2011 tot en

met 20 mei 2011, in de gemeenten Vlissingen en Middelburg [slachtoffer 2] door misleiding en door misbruik van een kwetsbare

positie, heeft geworven, vervoerd met

het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 2] en heeft bewogen

zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van diensten,

immers heeft verdachte (wetende dat die [slachtoffer 2] erg verliefd op hem was en

van haar mentale kwetsbaarheid):

- zich tegenover die [slachtoffer 2] -sterk- dominant opgesteld en gedragen en

- meermalen tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij in geldnood zat en

- (vervolgens) die [slachtoffer 2] voorgesteld samen met hem tegen betaling

seksuele handelingen met derden te gaan verrichten (teneinde uit die

geldnood te komen) en

- (nadat zij hiermee had ingestemd) op het internet advertenties

geplaatst, waarin die [slachtoffer 2] werd

aangeboden tegen betaling seksuele handelingen met derden te verrichten en

- contacten gelegd/onderhouden en afspraken gemaakt met personen die hadden gereageerd op voornoemde advertenties en

- (vervolgens) die [slachtoffer 2] meermalen vervoerd naar de met

die persoon afgesproken plaats (teneinde tegen betaling seksuele

handelingen te verrichten) en

- tegen de voornoemde met die [slachtoffer 2] gemaakte afspraak in, niet deelgenomen

aan het tegen betaling verrichten van seksuele handelingen met een derde

en

- (op het moment dat die [slachtoffer 2] met een klant was) in de nabijheid van

die [slachtoffer 2] gebleven en

- het door die [slachtoffer 2] in de prostitutie verdiende geld (telkens) gedeeltelijk aangenomen en voor zichzelf gehouden;

3.

in de periode 31 oktober

2011 tot en met 8 november 2011 te Middelburg telkens met het oogmerk om

zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het

aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid,

- [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig geld en

- [slachtoffer 4], heeft bewogen tot de afgifte van 300 euro,

hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk valselijk en bedrieglijk - zakelijk

weergegeven -:

- op het internet zes advertenties geplaatst telkens

met de tekst: "Ben meisje van 18 die vandaag nog 300 nodig heeft met spoed.

mail me voor meer info, betaal het terug door middel van spannende dates",

en

- nadat die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] op voornoemde advertenties hadden

gereageerd, zich (via de e-mail) tegenover die [slachtoffer 3] en die

[slachtoffer 4] voorgedaan als zijnde het meisje dat die advertenties had geplaatst

en

- (hierbij) die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 4] laten weten dat bedoeld geld

diende te worden overgemaakt naar een rekening bij de Rabobank (nummer [x])

3, waarover verdachte onrechtmatig de beschikking had),

waardoor die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] telkens werden bewogen tot

bovenomschreven afgifte.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

6 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie jaar.

Voorts vordert hij dat het door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch gegeven bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis zal worden opgeheven op de datum van uitspraak.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte is van mening dat, gelet op de door hem bepleite vrijspraak van de feiten 1 en 2, een gevangenisstraf van 45 dagen, gelijk aan de reeds door verdachte ondergane voorlopige hechtenis, voor feit 3 een passende straf is.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel, door twee vrouwen in verschillende periodes aan te zetten tot prostitutie en daarvan financieel te profiteren. Daarnaast heeft hij zich via internet, door het plaatsen van wervende advertenties voorgedaan als zijn 17-jarige nichtje, en op misleidende wijze geld afhandig weten te maken van mannen, die op die advertentie hebben gereageerd. De rechtbank rekent verdachte deze feiten zwaar aan.

Door aldus te handelen heeft verdachte de slachtoffers van feiten 1 en 2 ernstige schade aan de lichamelijke en geestelijke integriteit toegebracht. Verdachte heeft zijn persoonlijk belang daarbij geheel boven het belang van zijn slachtoffers gesteld.

Los van het feit dat de slachtoffers naar de ervaring leert nog gedurende lange tijd psychische en emotionele schade kunnen ondervinden van wat haar is overkomen, is de reële mogelijkheid aanwezig dat de slachtoffers niet meer in staat zullen zijn een normale relatie aan te gaan.

Mensenhandel is een zeer vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting. De lichamelijke en geestelijke integriteit van mensen is totaal ondergeschikt gemaakt aan het geldelijk gewin. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze als “loverboy-praktijk” bekend staande vorm van mensenhandel alleen al vanuit het oogpunt van generale preventie fors bestraft moet worden. In het Wetboek van Strafrecht staat op mensenhandel in deze vorm een maximum gevangenisstraf van 8 jaar. Daarmee heeft de wetgever de ernst van dit delict willen benadrukken. De rechtbank zal hiermee in de op te leggen straf nadrukkelijk rekening houden. Ook houdt zij er rekening mee dat verdachte daarnaast twee mensen financieel heeft benadeeld door hen te misleiden en hen geld te laten betalen, terwijl hij tevoren wist dat hij hen daarvoor niet zou compenseren.

Anderzijds houdt zij rekening met de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 16 november 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, en met de voorlichtingsrapporten betreffende verdachte van de Stichting Reclassering Nederland d.d. 17 november 2011 en 22 februari 2012.

De rechtbank acht, alles afwegende, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. De rechtbank ziet aanleiding om een substantieel deel voorwaardelijk op te leggen, met de bedoeling verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw bezig te houden met dergelijke strafbare feiten. Zij zal aan verdachte geen bijzondere voorwaarde opleggen. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven niet te willen meewerken aan de in het reclasseringsrapport aanbevolen bijzondere voorwaarden. In het kader van een eventuele voorwaardelijke invrijheidsstelling kan verdachte zich dan met behulp van een programma in detentie voorbereiden op zijn terugkeer in de maatschappij.

Naar het oordeel van de rechtbank kan met deze straf, waarvan het onvoorwaardelijke deel lager is dan door de officier van justitie is gevorderd, worden volstaan nu verdachte van een deel van het onder 1 tenlastegelegde wordt vrijgesproken.

Gelet op de aard en duur van de op te leggen straf en het feit dat het persoonlijke belang dat verdachte tot op heden had bij de schorsing van de voorlopige hechtenis (de zorg voor zijn dochter), blijkens zijn verklaring ter zitting niet langer actueel is - zijn dochter blijft in afwachting van de strafzaak in een pleeggezin – zal de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot opheffing der schorsing toewijzen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57, 273f en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Mensenhandel, meermalen gepleegd.

feit 2: Mensenhandel, meermalen gepleegd

feit 3: Oplichting, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaar, waarvan 1 (één) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, zulks met onmiddellijke ingang.

Dit vonnis is gewezen door mr. Steenbeek, voorzitter, mr. Woltring en mr. Ruiter, rechters, in tegenwoordigheid van Heberlein-Guiran, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 12 maart 2012.

Mr. Ruiter is buiten staat dit vonnis mede te tekenen.