Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BV6785

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
02-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
Awb 11/294
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:CA0668, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

project Fonteyne

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 11/294

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigden mr. J. Boogaard en mr. J.C. Verhage, advocaten te Middelburg,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen,

te Vlissingen,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2010 heeft verweerder het verzoek van eiseres om vergoeding van planschade met betrekking tot de ontwikkeling van het project Fonteyne in de binnenstad van Vlissingen afgewezen. Aan eiseres is met toepassing van de Algemene nadeelcompensatie-verordening Vlissingen (ANV) op grond van nadeelcompensatie een schadevergoeding toegekend van € 31.033,- vermeerderd met wettelijke rente ten bedrage van € 2.920,70 vanaf 28 augustus 2008 en € 1.750,- voor vergoeding van deskundigenkosten (in totaal € 35.703,70).

Bij besluit van 4 maart 2011 heeft verweerder het door eiseres daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld.

Eiseres heeft bij brief van 5 oktober 2011 nadere stukken ingediend. Voorts heeft verweerder op verzoek van de rechtbank nadere stukken overgelegd.

Bij de rechtbank zijn meerdere beroepen met betrekking tot schadevergoeding in relatie tot het project Fontyne ingediend. Deze beroepen, waaronder het beroep van eiseres, zijn op 20 en 21 oktober 2011 ter zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door bovengenoemde gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door W.J.C. Vael, J. Francke en drs. P.A.J.M. van Bragt.

II. Overwegingen

1. In 2003 is de gemeente Vlissingen in de binnenstad van Vlissingen gestart met het doen uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden in het kader van het project Fonteyne. Met dit project is beoogd een verbetering van de positie van het kernwinkelgebied te realiseren waarbij het gebouw de Fonteyne met een ondergrondse parkeervoorziening fungeert als nieuw bronpunt van dat gebied. Het project omvat de aanleg van een tweelaagse ondergrondse parkeergarage met in totaal 310 parkeerplaatsen, alsmede het realiseren van nieuwbouw voor winkelruimte en woningen (Fonteyne-gebouw), herinrichting van het openbaar gebied, waaronder de Spuistraat, de Marktstraat, de Torenstraat, stroken grond aan de Oude Markt en een deel van de Lange Zelke. De werkzaamheden zijn in 2007 voltooid.

Voor het gebied waar het project is gerealiseerd golden de voorschriften van het bestemmingsplan “Spuistraat”. Thans gelden voor dit gebied de voorschriften van het bestemmingsplan “Binnenstad” dat op 29 augustus 2002 door de raad van de gemeente Vlissingen is vastgesteld en op 25 maart 2003 door Gedeputeerde Staten van Zeeland is goedgekeurd. Het plan is op 22 mei 2003 in werking getreden en op 16 juli 2003 onherroepelijk geworden.

Op 6 november 2007 heeft de raad van de gemeente Vlissingen de ANV vastgesteld en van toepassing verklaard op het project Fonteyne.

2. Eiseres is eigenares van het pand Oude Markt 15. Het betreft een winkelpand met een niet zelfstandige bovenwoning.

3. Op 1 mei 2008, aangevuld 21 augustus 2008, heeft eiseres een verzoek om planschade en een verzoek om nadeelcompensatie bij verweerder ingediend. Daaraan legt eiseres ten grondslag dat als gevolg van de bovengenoemde werkzaamheden, waaronder de bouw van de parkeergarage, het afsluiten van straten en de permanente onttrekking van een deel van de Marktstraat en andere delen van wegen aan het verkeer alsmede de wijziging van bestemmingen, schade is geleden als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO). De schade stelt eiseres in totaal op € 139.476,-. Eiseres stelt waardevermindering van haar pand te hebben geleden en zij heeft haar pand sedert 1 juli 2006 niet meer kunnen verhuren. De derving van huurinkomsten betreft de periode 1 juli 2006 tot en met 30 juni 2008. Daarnaast heeft eiseres verzocht om toepassing van de hardheidsclausule die is opgenomen in artikel 15, eerste lid, van de ANV.

4. Met betrekking tot dit verzoek heeft verweerder zich laten adviseren door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ), die op 1 april 2009 een concept-advies en op 24 juni 2009 het advies heeft uitgebracht.

Op basis van dit advies stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres door de wijziging van het planologische regime niet in een nadeliger positie is gekomen en geen schade in de zin van waardevermindering van het pand heeft geleden. Ten aanzien van het verzoek om nadeelcompensatie stelt verweerder vast dat eiseres een schade heeft geleden van € 31.033,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 28 augustus 2008, de datum van de formele aanvraag. Het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule heeft verweerder afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 20 december 2010 dit standpunt gehandhaafd.

5. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aangevoerd.

SAOZ kan niet als een onafhankelijk en onpartijdig adviseur worden aangemerkt. Daartoe merkt eiseres op dat SAOZ, naast advisering over het verzoek van eiseres, verweerder ook heeft geadviseerd over de begrenzing van het schadegebied. Dit afbakeningsadvies is volgens eiseres bepalend geweest voor de afwijzing van haar verzoek. Eiseres stelt dat het afbakeningsadvies, in strijd met de Procedureregeling Planschade-vergoeding 2005, niet aan haar is voorgelegd en dat zij daar niet op heeft kunnen reageren.

Het is evident dat sprake is van planologisch nadeel als gevolg van het wegvallen van de verkeersbestemming voor de voorheen bestaande Marktstraat en Torenstraat. Verweerder heeft het verzoek om nadeelcompensatie ten onrechte afgewezen.

Eiseres heeft voorts verwezen naar het aanvullende verzoek om schadevergoeding van 2 december 2010 waarin eiseres het bedrag van de geleden schade heeft gewijzigd. Bij deze wijziging heeft eiseres rekening gehouden met de verkoop van haar pand op 13 oktober 2010 voor het bedrag van € [bedrag]. De waardevermindering van haar pand stelt eiseres op € 209.000,- Voorts heeft eiseres daarin de gederfde huurinkomsten gesteld op

€ [bedrag]. De schade bedraagt in totaal € 271.306,45.

Niet duidelijk is welke criteria gelden bij de toepassing van de hardheidsclausule. Er is ruimhartig uitgekeerd aan ondernemers die zich in de Vlissingse binnenstad gevestigd hebben terwijl de werkzaamheden voor het project Fonteyne al in volle gang waren. In het geval van eiseres heeft verweerder ten onrechte de hardheidsclausule niet toegepast. Er sprake van willekeur nu geen beleid is geformuleerd, dan wel is het beleid niet juist toegepast.

6. Het aanvullende verzoek tot vergoeding van planschade en nadeelcompensatie van 2 december 2010 is ook onderwerp van horen geweest bij de hoorzitting van 13 december 2011. De rechtbank gaat er van uit, hoewel zulks niet uitdrukkelijk blijkt uit het advies van de bezwarencommissie en het bestreden besluit, dat dit aanvullende verzoek betrokken is bij de besluitvorming, mede omdat verweerder in zijn verweer van 12 mei 2011, waarbij hij zich aan het nadere advies van SAOZ van 29 april 2011 heeft geconformeerd, inhoudelijk op het aanvullende verzoek is ingegaan. De rechtbank zal daarom het aanvullende verzoek bij de beoordeling van het bestreden besluit betrekken.

De rechtbank overweegt verder als volgt.

7. SAOZ is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer 13 januari 2010, 200904677, LJN: BK8953) te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. Verweerder mag in beginsel dan ook op een door SAOZ uitgebracht advies afgaan. Dit is slechts anders indien moet worden geoordeeld dat het advies van SAOZ onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins ernstige gebreken kleven.

Ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat SAOZ met het oog op een te reserveren budget is verzocht een schatting te maken van uit te keren schadevergoedingen inzake het Fonteyne-project. Daartoe is SAOZ nagegaan uit welk gebied rondom de bouwput schadeclaims te verwachten waren. Daarbij is uitdrukkelijk geen gebiedsbegrenzing voor de ANV bepaald. Het budget is naar aanleiding van de analyse door SAOZ verhoogd tot

€ 600.000,-. Deze beoordeling heeft niet ten doel gehad om verzoeken om schadevergoeding op voorhand af te wijzen of het toepassingsbereik van de ANV te beperken, aldus verweerder.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat SAOZ de gemeente Vlissingen ook heeft geadviseerd bij de hiervoor omschreven schatting nog niet meebrengt dat het aan verweerder uitgebrachte advies over het verzoek van eiseres niet als onafhankelijk kan worden aangemerkt. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar verzoek met name is afgewezen op de grond dat haar onderneming niet is gelegen is binnen een bepaald gebied. In dat kader stelt de rechtbank vast dat het door de raad van de gemeente Vlissingen aanvaarde voorstel van verweerder van 7 april 2009, waar eiseres naar verwijst ter ondersteuning van haar grief, een voorlopige raming betreft van de uit te keren schadevergoedingen waarbij nadrukkelijk het voorbehoud is gemaakt van nieuwe claims aangezien SAOZ nog niet in alle gevallen over de omvang van de schade heeft geadviseerd. In het voorstel is verder opgenomen dat deze budgetraming aan wijzigingen onderhevig kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank maakt deze passage aannemelijk dat het niet de bedoeling van verweerder is geweest om schadeclaims op voorhand af te wijzen en dat alle claims van ondernemingen reëel zijn beoordeeld. Eiseres heeft geen andere feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van SAOZ in twijfel getrokken zou moeten worden. Van strijd met de Procedureregeling is de rechtbank niet gebleken. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Planschade

8. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, voor zover hier van belang, blijft het recht, zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Ingevolge artikel 49 van de WRO, zoals deze wet luidde tot 1 juli 2008 en voor zover thans van belang, kent het college, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Bij de beoordeling van een aanvraag om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de nieuwe planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van het oude planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd en na de planologische maatregel maximaal kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Het bestemmingsplan "Binnenstad" kent aan de gronden van het plangebied voor zover van belang de bestemming "Centrumdoeleinden” toe. Daartoe behoren de bestemmingen detailhandel, dienstverlenende bedrijven, zakelijke dienstverlening, horecabedrijven, hotel-pensionbedrijven, kantoren, maatschappelijke doeleinden, toeristisch-recreatieve bedrijven, woondoeleinden, ambachtelijke bedrijven en sekswinkels. Toegelaten worden gebouwen met een maximale goothoogte van respectievelijk 12 meter en 16 meter en een maximale bouwhoogte van respectievelijk 12 meter en 19 meter.

Op de gronden met de aanduiding opg (ondergrondse parkeergarage toegestaan) is de realisatie van een ondergrondse parkeergarage mogelijk. Op de gronden met de bestemming “Verkeersdoeleinden” is mede de realisatie van een bovengrondse en ondergrondse parkeergarage mogelijk.

Uit de toelichting op dit plan blijkt dat de verkeersfunctie van de Marktstraat en de Torenstraat komt te vervallen. Het winkelcircuit in de Lange Zelke zal worden doorgetrokken tot de Spuistraat. Via een aan te leggen passage zal de Oude Markt kunnen worden bereikt. Ook de verkeersfunctie van de Lange Zelke tussen de Spuistraat en de Torenstraat komt te vervallen.

Voorheen gold ter plaatse het bestemmingsplan "Spuistraat", met voor zover van belang de bestemmingen "Detailhandel”, “Woondoeleinden”, “Kantoren”, “Openbare en bijzondere doeleinden” en “Verkeersdoeleinden”. Gebouwen ten behoeve van deze bestemmingen mochten een goothoogte hebben van negen meter, met dien verstande dat voor gebouwen ten behoeve van de bestemming “Detailhandel” een goothoogte van 12 meter was toegestaan. Gronden met de bestemming “Verkeersdoeleinden” waren bestemd voor verkeerswegen, parkeerplaatsen, fiets- en voetpaden, pleinen en bouwwerken niet zijnde gebouwen.

Eiseres stelt dat als gevolg van het bestemmingsplan “Binnenstad” de Torenstraat en een deel van de Marktstraat hun verkeersbestemming hebben verloren. Daarmee is ook het winkelrondje Walstraat, Kleine Markt, Sint Jacobsstraat, Oude Markt, Marktstraat, Lange Zelke, Walstraat komen te vervallen en zijn het Bellamypark, de Oude Markt, de Kerkstraat, de Sint Jacobspassage en de Kleine Markt buiten het kernwinkelgebied komen te liggen. Met het wegvallen van deze bestemming is het stratenpatroon in nadelige zin gewijzigd en is slechts een verbindende steeg tussen Spuistraat en de Oude Markt overgebleven die voor het winkelend publiek onaantrekkelijk is. Het pand van eiseres is minder goed bereikbaar.

SAOZ heeft daarover gesteld dat in planologische zin nog steeds sprake is van een winkelrondje Spuistraat, Oude Markt, Sint Jacobsstraat, Walstraat, Lange Zelke, Spuistraat en dat de wijziging van het stratenpatroon geen planologische verslechtering betekent. De rechtbank deelt die conclusie. Zij stelt vast dat in het kernwinkelgebied door de realisatie van de parkeergarage (met een voorheen niet bestaande ruime capaciteit van ongeveer 300 voertuigen) op de locatie Lange Zelke-Spuistraat een nieuw bronpunt voor het gebied is gecreëerd. Naar het oordeel van de rechtbank houdt dit een verbetering in van het kernwinkelgebied alsmede van de bereikbaarheid daarvan. In dit verband neemt de rechtbank mede in aanmerking dat een doorgang is gerealiseerd door het Fonteynegebouw van de Lange Zelke naar de Oude Markt. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de bereikbaarheid van haar pand slechter is geworden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond van het advies van SAOZ het verzoek van eiseres om vergoeding van planschade terecht afgewezen omdat het plan eiseres niet in een nadeliger positie heeft gebracht. De rechtbank merkt hierover op dat eiseres de gestelde waardevermindering van haar pand als gevolg van het inwerkingtreden van het bestemmingsplan “Binnenstad” niet heeft gestaafd met een taxatierapport van een beëdigd taxateur. De omstandigheid dat eiseres haar pand in oktober 2010, ver onder de aanvankelijke vraagprijs, heeft kunnen verkopen kan naar het oordeel van de rechtbank niet in verband worden gebracht met een planologische verslechtering, waarvan overigens, zoals hierboven is overwogen, geen sprake is. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Nadeelcompensatie

9. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de ANV ontstaat het recht op schadevergoeding slechts bij uitvoering van een gemeentelijk werk, indien de gemeenteraad deze verordening op dat werk van toepassing heeft verklaard. Ingevolge het tweede lid kent het college degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een gemeentelijk werk, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van verzoeker behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de ANV komt binnen het normale maatschappelijk risico of het normale ondernemersrisico vallende schade niet voor vergoeding in aanmerking. Ingevolge het tweede lid komt schade als gevolg van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, alleen voor vergoeding in aanmerking wanneer deze in belangrijke mate afwijkt van de schade die dientengevolge op een ieder drukt, dan wel wanneer deze schade op een naar verhouding gering aantal natuurlijke of rechtspersonen die in vergelijkbare positie verkeren, drukt.

Ingevolge artikel 4 van de ANV wordt schade ten gevolge van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, die voor de belanghebbende redelijkerwijs voorzienbaar was ten tijde van de beslissing te investeren in het geschade belang, niet vergoed.

Ingevolge artikel 5 van de ANV kan de in artikel 4 bedoelde voorzienbaarheid onder meer betrekking hebben op de aard van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, op het tijdstip waarop deze schadeoorzaak zijn werking doet gevoelen, op de plaats waarop ze betrekking heeft, op de wijze van voltrekken of uitvoering daarvan, alsmede op de aard en omvang van de daardoor veroorzaakte schade.

De werkzaamheden in het kader van het project Fonteyne - kort weergegeven en beschreven in het rapport van SAOZ - zijn gefaseerd uitgevoerd. Tussen februari 2003 en augustus 2004 zijn de werkzaamheden beperkt van omvang. Vanaf augustus 2004 zijn de werkzaamheden geïntensiveerd met sloopwerkzaamheden aan de voormalige Aldi en de Hema, waarbij de Torenstraat en de Marktstraat zijn afgesloten. Vanaf november 2004 is gewerkt aan de aanleg van de parkeergarage aan de Spuistraat. Vanaf april 2006 werden herinrichtingswerkzaamheden uitgevoerd en eind 2007 zijn de laatste werkzaamheden uitgevoerd. De aard en omvang van de werkzaamheden zijn door eiseres niet bestreden.

Huurderving

De berekening van de huurderving is neergelegd in het advies van SAOZ. Daaruit is af te leiden dat de laatste huurder van eiseres het pand na de ontbinding van de huurovereenkomst per 1 juli 2005 heeft verlaten, terwijl de huurovereenkomst op zijn vroegst beëindigd had kunnen worden per 1 juli 2008. SAOZ heeft de ontbinding van de huurovereenkomst en de periode van huurderving tot 1 juli 2008 rechtstreeks in verband gebracht met de werkzaamheden aan het project Fonteyne. De huurderving heeft SAOZ berekend op

€ 59.382,96.

De rechtbank stelt vast dat SAOZ voor de periode 1 juli 2005 tot 1 juli 2006 van dezelfde maandelijkse huur bedragen is uitgaan als eiseres, die blijkens de bijlagen van haar brief aan de rechtbank van 4 oktober 2011 daarvoor gegevens van het CBS heeft gehanteerd. Voor de periode van 1 juli 2006 tot 1 juli 2008 hanteert SAOZ hogere maandbedragen vanwege een hogere indexering. Er is geen aanleiding de door SAOZ gebruikte gegevens niet te volgen, nu aannemelijk is dat zowel eiseres als SAOZ van dezelfde bron zijn uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft SAOZ bij deze berekening terecht de maanden juni 2005 en juli 2008 buiten beschouwing gelaten omdat deze maanden niet horen tot de periode waarover eiseres huurinkomsten van de laatste huurder heeft gederfd.

Verweerder merkt de onverhuurbaarheid van het pand gedurende de periode van 1 juli 2005 tot 1 juli 2008 als een tijdelijke bijzondere situatie aan. Voor de omstandigheid dat het pand na 1 juli 2008 niet meer is verhuurd zijn andere factoren verantwoordelijk. Ter zitting is door verweerder in dit verband gewezen op de economische crisis en voorts op het feit dat voorzover sprake zou zijn van een verminderde aantrekkelijkheid van de Vlissingse binnenstad dit alle ondernemers in dit gebied in gelijke mate treft. Eiseres heeft deze feiten en omstandigheden niet voldoende gemotiveerd weerlegd.

Op de huurderving heeft verweerder het bedrag in mindering gebracht dat eiseres van de laatste huurder heeft ontvangen na het aanspannen van een gerechtelijke procedure met toepassing van artikel 2 van de ANV. De huurderving bedraagt na aftrek van dit bedrag

€ 41.377,-. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag juist is berekend.

Normaal maatschappelijk risico

Eiseres stelt verder dat verweerder ten onrechte wegens normaal maatschappelijk risico een korting van 25% op het hiervoor bedoelde bedrag heeft toegepast, waardoor dit komt op

€ 31.033,-.

De rechtbank overweegt dat de beleidskeuze om vanwege normaal maatschappelijk risico, in beginsel niet meer dan 75 procent van de als gevolg van de bouwactiviteiten veroorzaakte winstderving of inkomstenderving over de daarvoor in aanmerking komende jaren te vergoeden, op zichzelf niet in strijd is met enige rechtsregel of enig rechtsbeginsel. De eigenaren van gebouwen in een binnenstad als Vlissingen dienen rekening te houden met de mogelijkheid van overlast als gevolg van infrastructurele aanpassingen, ook al bestaat geen zicht op de omvang en vorm waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkelingen zich zullen concretiseren en de op omvang van het nadeel dat daar mogelijkerwijs uit zal voortvloeien. Naar het oordeel van de rechtbank is het in aanmerking genomen kortingspercentage niet zodanig onredelijk, dat op grond daarvan het besluit vernietigd zou moeten worden. Van bijzondere omstandigheden in het concrete geval die nopen tot afwijking van het gestelde percentage is de rechtbank niet gebleken. Ook is door verweerder geen rechtens relevant vertrouwen gewekt dat de vorenbedoelde korting achterwege zou blijven.

In zoverre is het beroep ongegrond.

Hardheidsclausule

10. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de ANV kan het college, de adviseur gehoord, in bijzondere gevallen van deze verordening afwijken indien een strikte toepassing van deze verordening zou leiden tot een beslissing die onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt. Deze regeling wordt hierna aangeduid als de hardheidsclausule.

Verweerder stelt zich op standpunt dat toepassing van hardheidsclausule aan de orde is indien de formele beoordeling van het verzoek om nadeelcompensatie niet leidt tot de conclusie, dat er sprake is van in causaal verband staand en voor vergoeding in aanmerking komend nadeel, doch dat de daarop gebaseerde beslissing zou leiden tot onredelijke onwenselijke en/of schrijnende uitkomsten. Bijzondere feiten of omstandigheden zijn hiervoor van belang.

De rechtbank acht dit standpunt niet onredelijk. Nu in het geval van eiseres nadeelcompensatie is toegekend is verweerder terecht niet toegekomen aan de vraag of in het geval van eiseres de hardheidsclausule moet worden toegepast. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Onrechtmatigheid

11. Eiseres stelt dat sprake van onrechtmatig handelen omdat ten behoeve van de onttrekking van de Markstraat en de Torenstraat aan het verkeer geen onttrekkingsbesluiten op grond van de Wegenwet zijn genomen. Op grond van dit onrechtmatig handelen dient de schade van eiseres onverkort te worden vergoed.

De rechtbank neemt in aanmerking, dat de Wegenwet ziet op de zorg voor en het onderhoud van wegen, waarbij de overheid zorg heeft voor de instandhouding en bruikbaarheid der openbare wegen (Kamerstukken II 1927/28, 362, 3). De onttrekking van wegen aan de openbaarheid heeft aldus dan ook alleen betrekking op wegen die na de onttrekking aan de openbaarheid blijven bestaan; de onderhoudsverplichting gaat over op de particuliere eigenaar. Dit speelt geen rol indien wegen worden verwijderd. Daarnaast dient in aanmerking te worden genomen dat op grond van de WRO, die posterieur is aan de Wegenwet, bestemmingen van plandelen zoals verkeersbestemmingen, kunnen worden gewijzigd in andere bestemmingen, die vervolgens verwezenlijkt kunnen worden zonder nadere besluitvorming. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel, dat geen sprake is van onrechtmatig handelen door verweerder op grond van de omstandigheid dat hij geen onttrekkingsbesluiten heeft genomen.

Wettelijke rente

12. Eiseres betoogt dat de uit te keren vergoeding dient te worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade.

Artikel 10 van de ANV bepaalt dat een vergoeding van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek deel kan uitmaken van de toe te kennen vergoeding. Het tijdstip waarop de wettelijke rente ingaat, wordt gesteld op de datum van ontvangst van het verzoek door de gemeente. De rechtbank is van oordeel dat artikel 10 van de ANV het tijdstip waarop de wettelijke rente ingaat uitputtend regelt en geen ruimte voor beleid biedt. Het betoog faalt.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door verweerder aangehouden datum ontvangst van de aanvraag echter onjuist. Aannemelijk is dat het verzoek van eiseres gelet op het advies van de bezwarencommissie door verweerder is ontvangen op 6 mei 2008. Verweerder heeft over de toegekende schadevergoeding wettelijke rente berekend vanaf 28 augustus 2008, de datum van ontvangst van de aanvraag ingediend door gemachtigde van eiseres. Gelet op de datum van ontvangst van het verzoek van eiseres dient de wettelijke rente te worden berekend vanaf 6 mei 2008. Het beroep is in zoverre gegrond.

De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat wettelijke rente over de aan eiseres toegekende vergoeding wordt berekend vanaf 6 mei 2008.

14. Gelet op al het voorgaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit voor gedeeltelijke vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is gedeeltelijk gegrond.

15. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 874,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voorzover het ziet op de berekening van de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2008;

bepaalt dat de berekening van de wettelijke rente geschiedt vanaf 6 mei 2008;

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op

€ 874,- (achthonderdvierenzeventig euro), te betalen door verweerder aan eiseres.

verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.M. Reinarz als voorzitter en mr. J.C.K.W. Bartel en

mr. A. van der Knijff als leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis als griffier en op

2 februari 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 2 februari 2012