Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BV6247

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-02-2012
Datum publicatie
20-02-2012
Zaaknummer
12/700022-11, 12/715145-11 en 12/700177-07 (TUL) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigerende observandus. Tbs. Eigen verantwoordelijkheid rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

Parketnummers: 12/700022-11, 12/715145-11 en 12/700177-07 (TUL) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 20 februari 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte 1],

geboren op [1988],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Vrouwen te Breda,

ter terechtzitting verschenen,

raadsman mr. Sol, advocaat te Terneuzen,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 februari 2012, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hofstede, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging onder parketnummer 12/700022-11 is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). De rechtbank heeft de feiten in de dagvaardingen met de parketnummers 12/700022-11 en 12/715145-11 van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 12/700022-11

1.

zij op of omstreeks 18 januari 2011 te Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, opzettelijk [slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een mes, althans een dergelijk scherp voorwerp, in de nek/hals heeft gestoken/gesneden en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen/gestompt en/of heeft geduwd en/of getrokken en/of die [slachtoffer 1] in een (inloop)kast heeft opgesloten en/of opgesloten gehouden (gedurende enige tijd)

terwijl de uitvoering daarvan niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal,

welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art. 288 Wetboek van Strafrecht

en/of

zij op of omstreeks 18 januari 2011 te Terneuzen met het oogmerk om zich en/of

een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met

geweld [slachtoffer1] heeft gedwongen tot de afgifte van een armband en/of

één of meer hoeveelhe(i)d(en) geld en/of één of meer portemonnee(s), in elk

geval van enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die

[slachtoffer 1] met een mes, althans een dergelijk scherp voorwerp, in de hals/nek

heeft gestoken/gesneden en/of die [slachtoffer 1] (meermalen) heeft geslagen en/of

gestompt en/of geduwd en/of getrokken en/of die Niewelink in een (inloop)kast

heeft opgesloten en/of opgesloten gehouden (gedurende enige tijd);

en/of

zij op of omstreeks 18 januari 2011 te Terneuzen met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een of meer hoeveelhe(i)d(en)

geld en/of één of meer portemonnees, in elk geval (een) goed(eren), geheel of

ten dele toebehorende aan [slachtoffer1], in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld

en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te

maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van heet gestolene te verzekeren, welk

geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte die

[slachtoffer 1] met een mes, althans een dergelijk scherp voorwerp, in de hals/nek

heeft gestoken/gesneden en/of die [slachtoffer 1] (meermalen) heeft geslagen en/of

gestompt en/of geduwd en/of die [slachtoffer 1] in een (inloop)kast heeft

opgesloten en/of opgesloten gehouden (gedurende enige tijd);

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij op of omstreeks 18 januari 2011 te Terneuzen opzettelijk [slachtoffer1]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, met dat

opzet die [slachtoffer 1] in een (inloop)kast heeft opgesloten en/of opgesloten

gehouden gedurende enige tijd;

art 282 lid 1 Wetboek van Strafrecht

12/715145-11

3.

zij op of omstreeks 30 januari 2011 te Koewacht, gemeente Terneuzen, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sieraden en/of één of meer

juwelenkist(en) en/of een fotocamera (Nikon) en/of één of meer jas(sen) en/of

één of meer sjaal(s) en/of een GSM (IPhone) en/of een GSM (Nokia), in elk

geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (IPhone) en/of [slachtoffer 5] (Nokia), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

haar mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan haar mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat die [slachtoffer 4] is vastgepakt en/of (vervolgens) op

de grond is geduwd en/of (vervolgens) een hand voor/op/rond haar mond heeft

gekregen en/of (waarbij) één of meer vingers in de mond van die [slachtoffer 4]

werd(en) gestopt/geduwd en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] is vastgehouden

rond/om haar nek/hals en/of dat die [slachtoffer 5] is vastgepakt en/of

vastgehouden;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

4.

zij in of omstreeks de periode van 26 januari 2011 tot en met 29 januari 2011

te Zaamslag, gemeente Terneuzen, tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

in/uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een magnetron

en/of decoder, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar

mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben

verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding

Op 18 januari 2011 is in Terneuzen [slachtoffer1] in haar woning overvallen. Naar aanleiding hiervan is een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Scheide. In dit onderzoek is [verdachte 1] als verdachte aangehouden en gehoord. Voor de verwijzing naar de bewijsmiddelen zal de rechtbank zich beperken tot het noemen van de specifieke pagina’s in het strafdossier Scheide waar de informatie staat vermeld. Tenzij anders vermeld wordt verwezen naar één pagina van een proces-verbaal in genoemd dossier, opgemaakt in de wettelijke vorm door een of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Op 30 januari 2011 is in Koewacht [slachtoffer 4] in de woning van haar ouders overvallen door vier daders. Naar aanleiding hiervan is een opsporingsonderzoek gestart onder de naam Strabeek. Het onderzoek Strabeek is in drie ordners opgenomen die alledrie over een eigen nummering beschikken. Hieronder zal de rechtbank voor de verwijzing naar de onderliggende bewijsmiddelen zich beperken tot het noemen van het nummer van de ordner (I, II of III) en de specifieke pagina’s in het strafdossier Strabeek waar de informatie staat vermeld. Tenzij anders vermeld, wordt verwezen naar één pagina van een proces-verbaal in genoemd dossier, opgemaakt in de wettelijke vorm door een of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Namen

In het onderzoek Strabeek zijn vier mensen aangehouden en vervolgd, te weten [verdachte 2], [verdachte 1], [verdachte 3] en [verdachte 4]. In het dossier worden verdachten ook wel bij hun bij- dan wel roepnaam genoemd. Zo wordt [verdachte 3] ook wel ‘[alias verdachte 3]’ genoemd en [verdachte 4] ‘[alias 1]’ of ‘[alias 2]’ . De rechtbank zal vanwege de leesbaarheid van het vonnis alle (mede)verdachten, getuigen en aangevers in deze zaak in het vonnis mede bij hun achternaam noemen.

5 De beoordeling van het bewijs

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot gekwalificeerde doodslag en baseert zich daarbij in het bijzonder op de aangifte, de medische verklaring, de foto van het slachtoffer en het proces-verbaal van de technische recherche waaruit blijkt dat het bejaarde slachtoffer flink is toegetakeld en hevig bloedde. In dit verband wijst hij voorts op de vordering van de benadeelde partij en op de schriftelijke slachtofferverklaring. Voor de bewezenverklaring van dit feit acht hij van belang dat het slachtoffer door [verdachte 1] in de halsstreek is gestoken en vervolgens in een kast is opgesloten. Door dit handelen bestond objectief de aanmerkelijke kans dat de mishandelde, opgesloten en bloedende bejaarde [slachtoffer 1] zou komen te overlijden, welke kans [verdachte 1] heeft aanvaard. Het is volgens de officier van justitie niet aan [verdachte 1] te danken dat het slachtoffer het feit heeft overleefd. Ook kan naar de mening van de officier van justitie worden bewezen verklaard de onder 1 ten laste gelegde afpersing van een armband en diefstal met geweld van geld en portemonnees van het slachtoffer [slachtoffer 1].

Feit 2

Ook het tweede feit acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen. Voor dit feit baseert hij zich ook op de aangifte en voorts op de verklaring van [verdachte 1] dat het haar bedoeling was het slachtoffer voor langere tijd op te sluiten, zodat [verdachte 1] kon vluchten.

Feit 3

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 4] zich tezamen op 30 januari 2011 in Koewacht schuldig hebben gemaakt aan de ten laste gelegde diefstal met geweld waarvan [slachtoffer 4] het slachtoffer is geworden. Hij baseert zich daarbij op de verklaringen van aangeefster [slachtoffer 4], de getuigenverklaring van [slachtoffer 5] en de door hen beiden genoemde signalementen van de vier daders die aansluiten bij de signalementen van de ter terechtzitting verschenen verdachten. Voorts wijst hij op de weggenomen goederen die later zijn teruggevonden bij [verdachte 4] en zijn ex-vriendin [getuige 4] en vervolgens door de eigenaar zijn herkend. Ook acht hij voor de bewezenverklaring van belang de in eerste instantie door [verdachte 2] afgelegde bekennende verklaringen, in combinatie met de tapgesprekken, en de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2]. Deze laatste twee hebben verklaard dat het [getuige 1] was die op de avond van de overval in de woning van [verdachte 2] oppaste en niet [verdachte 1]. [getuige 1] heeft bovendien verklaard dat [verdachte 3] ook de woning van [verdachte 2] heeft verlaten, terwijl hijzelf zegt dat hij ten tijde van de overval in de woning is gebleven en daar heeft geslapen. Met betrekking tot het aandeel van [verdachte 4] merkt de officier van justitie nog op dat hij geen sluitend alibi heeft. Zijn vriendinnen [getuige 3] en [getuige 4] kunnen immers beiden niet bevestigen dat [verdachte 4] bij hen was in het weekend van 30 januari 2011. Met het gegeven dat zijn telefoon rond de dag van de overval in Terneuzen is geweest acht de officier bewezen dat hij één van de daders is geweest.

Feit 4

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 1], [verdachte 3] en [verdachte 4] de onder 4 ten laste gelegde woninginbraak in Zaamslag hebben gepleegd en dat [verdachte 2] wist dat de – bij die inbraak weggenomen – magnetron van misdrijf afkomstig was. De officier van justitie baseert zich daarbij op de aangifte, het feit dat op 29 januari 2011 een rode Opel Corsa bij de woning in Zaamslag is gezien, en voorts dat de – bij de inbraak – weggenomen magnetron in de woning van [verdachte 2] is aangetroffen. [verdachte 2] en [verdachte 1] hebben beiden verklaard dat het de ander was die met de magnetron bij [verdachte 2] thuis kwam. Gezien de relatie die [verdachte 1] met [verdachte 3] en [verdachte 4] heeft, acht de officier van justitie de hierover door [verdachte 1] afgelegde verklaring minder geloofwaardig.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de poging tot gekwalificeerde doodslag als onder 1 is ten laste gelegd. Uit het dossier blijkt onvoldoende duidelijk hoe aangeefster de verwondingen heeft opgelopen. Wel is naar mening van de verdediging duidelijk dat [verdachte 1] niet de intentie heeft gehad aangeefster van het leven te beroven. Zij wilde haar alleen uitschakelen om de diefstal met geweld te vergemakkelijken. Gelet op de aard van de verwondingen blijkt niet dat het leven van aangeefster in gevaar is geweest. Het enkele opsluiten in een kast is niet voldoende om de dood te veroorzaken. Opzet en ook voorwaardelijk opzet op de dood van aangeefster kan daarom niet worden bewezen. Met betrekking tot de vermogensrechtelijke varianten van het ten laste gelegde merkt de verdediging op dat [verdachte 1] erkent dat zij geld en enkele voorwerpen heeft meegenomen uit de woning van aangeefster. Verder is sprake van samenloop.

Feit 2

Ten aanzien van het tweede ten laste gelegde feit refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Feit 3

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het wettelijk bewijsminimum van artikel 342, tweede lid Sv en op de jurisprudentie hierover. Naar mening van de verdediging bevinden zich in het dossier enkele verklaringen van [verdachte 2] waaruit de betrokkenheid van [verdachte 1] bij de overval blijkt. [verdachte 1] zelf heeft haar betrokkenheid ontkend. [getuige 1] heeft weliswaar verklaard dat [verdachte 1] de avond van de overval de woning heeft verlaten en dat zij na verloop van tijd is teruggekeerd, maar uit haar verklaringen kan niet worden afgeleid dat zij weet heeft van enige betrokkenheid van [verdachte 1] bij de overval. De verklaringen van [verdachte 2] worden – naar mening van de verdediging – in onvoldoende mate ondersteund door ander (objectiveerbaar) bewijsmateriaal. Verder zijn de signalementen vaag en is er geen zogeheten fotoconfrontatie gedaan.

Feit 4

Ook voor dit feit is de verdediging van mening dat niet voldaan is aan het wettelijk gestelde bewijsminimum, nu verdachte dit feit heeft ontkend en niet meer bewijs voorhanden is dan dat de weggenomen magnetron in de woning van [verdachte 2] is aangetroffen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 18 januari 2011 is [slachtoffer 1] in haar eigen woning in Terneuzen door [verdachte 1] overvallen. [verdachte 1] heeft daarbij [slachtoffer 1] geslagen, geduwd, getrokken, met een mes in de hals gesneden en in een kast opgesloten door een andere kast voor de kastdeur te plaatsen. Met portemonnees, geld en een armband heeft [verdachte 1] de woning verlaten, met achterlating van [slachtoffer 1] in die kast. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaringen van verdachte afgelegd tijdens de zitting , en bij de politie ;

- de aangifte van [slachtoffer 1] ;

- de letselbeschrijving .

De rechtbank overweegt hierover in het bijzonder dat [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij door [verdachte 1] met een mes uit haar eigen keuken in haar nek is gestoken en dat ook uit de letselbeschrijving blijkt dat bij [slachtoffer 1] snijwonden bij haar hoofd en hals zijn gezien. Bovendien zijn ook door verbalisanten snijwonden ter hoogte van de keel van [slachtoffer 1] gezien en voorts lagen op het tapijt in de woning diverse ophopingen bloed en ook de binnenzijde van de kastdeur was besmeurd met bloed . Daarbij komt dat [verdachte 2], bij wie [verdachte 1] sinds de dag na de overval verbleef , op 3 februari 2011 een tas met onder andere portemonnees, twee messen en een antiek ogende schaar bij het politiebureau heeft afgeleverd . Deze goederen waaronder de messen werden door mevrouw [slachtoffer 1] herkend als weggenomen bij de overval . Gelet op het voorgaande in combinatie met de omstandigheid dat [verdachte 1] in haar eerste verklaring bij de politie op de vraag of zij [slachtoffer 1] met dat mesje heeft gestoken heeft geantwoord: ‘Het zou kunnen want mijn kleren zaten ook onder het bloed.’ , acht de rechtbank wettig en ook overtuigend bewezen dat [verdachte 1] [slachtoffer 1] in de hals/nek heeft gesneden.

Door [slachtoffer 1], een toen 83-jarige hoogbejaarde vrouw, met een mes in de hals te snijden en verder zodanig te mishandelen dat zij hevig bloedde en vervolgens in een kast op te sluiten, heeft [verdachte 1] zich blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden en heeft zij deze kans ook willens en wetens aanvaard. Aangezien [verdachte 1] het plan had opgevat een overval te plegen en zij dit plan heeft doorgezet na het door haar toegepaste geweld, acht de rechtbank de poging gekwalificeerde doodslag wettig en overtuigend bewezen. Daarnaast acht zij bewezen de afpersing van een armband en diefstal met geweld van geld en portemonnees, gelet op de aangifte van [slachtoffer 1] en de bekennende verklaring van [verdachte 1].

Feit 2

Op 18 januari 2011 heeft [verdachte 1] [slachtoffer 1] opgesloten in een kast in de woning van die [slachtoffer 1]. Hierdoor heeft zij zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving, als onder 2 is ten laste gelegd.

Feit 3

De rechtbank baseert haar oordeel over de feitelijke gang van zaken in Koewacht op 30 januari 2011 op de navolgende bewijsmiddelen.

Op zondag 30 januari 2011 rond 21.00 uur was [slachtoffer 4] in Koewacht in de woning van haar ouders. Zij had [slachtoffer 3], haar moeder, aan de telefoon toen de voordeurbel ging. Met de telefoon in de hand is zij naar de voordeur gelopen en heeft deze open gedaan. Voor de deur stond een blank meisje van begin 20 jaar oud. De deur werd opengetrokken en twee negroïde mannen sprongen op haar af. Door de grootste van de negroïde mannen werd [slachtoffer 4] vastgepakt en op de grond geduwd. Hij hield zijn hand rond haar mond en stak een aantal van zijn vingers in haar mond. Ze kreeg hierdoor geen lucht. De man hield haar hoofd vast onder zijn arm zodat zij niets kon zien en sleepte haar door het huis, naar boven en weer naar beneden. Bij de negroïde mannen waren ook twee meisjes, het blanke meisje dat voor de deur had gestaan en een negroïde vrouw. De mannen zeiden dat zij geld wilden. Door de twee negroïde mannen, de negroïde vrouw en de blanke vrouw werd het huis doorzocht. Op een gegeven moment kwam [slachtoffer 5] binnen. Zij was door [slachtoffer 3], de moeder van [slachtoffer 4], op de hoogte gesteld van de overval. De kleine negroïde man pakte haar vast. Op aanwijzen van [slachtoffer 4] is de juwelenkist van haar ouders meegenomen. Deze werd door de blanke vrouw gepakt en meegenomen. Door de daders zijn in totaal twee juwelenkisten weggenomen, een gsm van [slachtoffer 4] (merk I-phone), een gsm van [slachtoffer 5], een aantal jassen, sjaals en een fotocamera. Na de overval heeft [slachtoffer 4] haar moeder teruggebeld.

[slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] verklaren beiden over vier daders, te weten twee negroïde mannen, één negroïde vrouw en een blanke vrouw. Een van de mannen is ongeveer 1.90 meter lang en de andere man is kleiner, ongeveer 1.70 tot 1.75 meter lang. Het was de lange man die [slachtoffer 4] heeft vastgehouden en de kleinere man die [slachtoffer 5] heeft vastgepakt. [slachtoffer 4] heeft [slachtoffer 3] verteld dat de lange man een gouden tand had. De negroïde vrouw had steil zwart haar met een lengte net over de schouders.

De rechtbank neemt voorts als vaststaand aan:

Op 30 januari 2011 waren in ieder geval [verdachte 2], één van haar kinderen, [verdachte 1] en [verdachte 3] in de woning van [verdachte 2] aan de [adres] in Terneuzen. Die middag is [verdachte 3] met de auto naar de woning van de moeder van [getuige 1] in Terneuzen gereden om die [getuige 1] op te halen. [getuige 1] kwam in de woning van [verdachte 2] oppassen op de kinderen van [verdachte 2]. In eerste instantie was er één kind. Later kwam een familielid van [verdachte 2] met het andere kind van [verdachte 2], [kind verdachte 2]. . Het voorgaande wordt bevestigd door de moeder van [verdachte 2], [getuige 2]. Zij heeft namelijk met zoveel woorden verklaard dat, toen haar kleinzoon [kind verdachte 2] op een avond midden of eind januari 2011 rond 18.30 uur door een familielid werd thuisgebracht, een meisje genaamd [getuige 1] aan het oppassen was. [verdachte 2] was toen niet thuis .

[verdachte 2] heeft op 30 januari 2011 een aantal uren haar woning verlaten. Met anderen is zij in een auto meegereden naar Koewacht en heeft met die anderen een overval gepleegd op een woning.

Op 30 januari 2011 rond 22.00 uur heeft [verdachte 3] [getuige 1] weer thuisgebracht. Daarna is hij teruggereden naar de woning van [verdachte 2], heeft daar een jongen opgepikt en hem een lift naar Goes gegeven. Daar heeft hij die jongen op het station afgezet. Deze jongen werd ‘broertje’ genoemd.

Auto

[verdachte 3] heeft sinds 6 december 2010 een rode Opel Corsa, kenteken [nummer] op zijn naam staan. Deze rode Opel Corsa is op 31 januari 2011, 2.01 uur bij de Westerscheldetunnel de kassa van het Tolplein gepasseerd.

Telefoons

[verdachte 4] heeft twee telefoons, een Nokia E71 en een Blackberry Curve. De onder [verdachte 4] in beslag genomen Blackberry heeft het IMEI nummer [nummer]. Van het genoemde IMEI nummer werden de gebruiksgegevens opgevraagd in de periode van 15 januari 2011 tot en met 15 februari 2011. Uit de ontvangen gegevens bleek dat in de periode van 15 januari 2011 tot en met 15 februari 2011 in het toestel de SIM-kaart met het nummer [telefoonnummer 1] van Vodafone werd gebruikt. Voorts bleek dat het genoemde toestel tussen 27 januari 2011 te 21.41 uur en 31 januari 2011 te 1.49 uur voor geregistreerde gesprekken en SMS berichten een zendmast gebruikte in Terneuzen. Op 31 januari 2011 om 1.41 uur werd gebruik gemaakt van een zendmast aan het Kerkepad in Terneuzen. Op 31 januari 2011 om 1.49 uur werd gebruik gemaakt van een zendmast aan de Willemskerkeweg in Terneuzen, nabij de ingang van de Westerscheldetunnel. Uit de ontvangen gegevens is ook gebleken dat het genoemde toestel op 26 januari 2011 om 12.11 uur voor een gesprek een zendmast gebruikte in Delft en vervolgens op 1 februari 2011 om 16.03 uur voor de eerstvolgende keer weer een zendmast in Delft gebruikte. In de contactenlijst uit genoemde Blackberry is de naam [verdachte 2] opgenomen.

In de gsm van [verdachte 2] is in de contactenlijst de naam [alias verdachte 3], met telefoonnummer [telefoonnummer 2] opgenomen. In afgeluisterde telefoongesprekken heeft [verdachte 3] zijn stem herkend. Hij was het die in die gesprekken gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Op 30 januari 2011, na 23.00 uur is er gebeld en zijn er SMS-berichten gestuurd tussen [verdachte 1] en [verdachte 3] over een oplader van een Blackberry die zou zijn meegenomen. [verdachte 3] heeft een SMS-bericht gestuurd, inhoudende ‘k heb m niet en k heb ook geen bb. En me broertje zegt hij heeft m niet’. Bij onderzoek in de gsm van [verdachte 3] is een foto aangetroffen waarop drie negroïde mannen staand staan afgebeeld. De man in het witte shirt met prints is [verdachte 3] en de man in het sportjack in de kleuren rood, wit en blauw is [verdachte 4].

Relaties

[verdachte 3] en [verdachte 4] zijn halfbroers. [verdachte 4] heeft een relatie gehad met [getuige 4]. Zij woont in Delfgauw, een dorp tegen Delft aan. Ten tijde van de ten laste gelegde overval in Koewacht had [verdachte 4] een relatie met [getuige 3], die in Luik woont. Ook had [verdachte 4] nog een scharrel in Antwerpen, [getuige 5].

Weggenomen goederen

Onder [getuige 4] zijn twee goudkleurige oorbellen in beslag genomen , die door [slachtoffer 3] zijn herkend als haar eigendom. [getuige 4] heeft die oorbellen van [verdachte 4] gekregen. Toen [verdachte 4] met die oorbellen bij haar thuis kwam, had hij ook een zilveren ketting bij zich in de vorm van een panter. Van die ketting heeft [getuige 4] een schets gemaakt, waarvan [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij in die tekening ook een halssieraad herkende dat net als de oorbellen op 30 januari 2011 bij haar was ontvreemd. Onder [verdachte 4] is een oud biljet van 50 miljard Dinara (Jugoslavija) in beslag genomen. [slachtoffer 3] herkent dit biljet in die zin dat zij soortgelijke biljetten thuis in een portemonneetje had. Dat portemonneetje is bij de overval op 30 januari 2011 weggenomen.

Overwegingen

De rechtbank stelt allereerst vast dat de verklaring van [slachtoffer 5] aansluit bij de aangifte van [slachtoffer 4]. Ook de door [verdachte 2] in maart 2011 afgelegde verklaringen sluiten aan bij de aangifte van [slachtoffer 4]. [verdachte 2] heeft bekend één van de daders te zijn geweest van de ten laste gelegde diefstal met geweld in Koewacht op 30 januari 2011. In een rode auto is zij met haar mededaders vanuit Terneuzen naar Koewacht gereden. Zij was het die heeft aangebeld bij de woning en is vervolgens met twee mannen en een vrouw de woning binnengegaan. De twee mannen beschrijft zij als broers, ze hebben allebei rastahaar, dreadlocks, en een negroïde uiterlijk. Later heeft zij verklaard dat de ene jongen [alias verdachte 3] heet en de ander [alias 1]. [alias verdachte 3] is volgens haar 1.80 meter lang en [alias 1] is 20 of 30 centimeter langer. Het was [alias 1] die in de woning aangeefster heeft vastgepakt. De vrouwelijke mededader is [verdachte 1] geweest. [verdachte 2] heeft een juwelenkistje gepakt. Na afloop hebben de twee mannen de sieraden meegenomen . Ook sluiten de door [verdachte 2] in maart afgelegde verklaringen aan bij het door [getuige 1] geschetste scenario. Het was immers [getuige 1] die op de avond van de overval in de woning van [verdachte 2] heeft opgepast op de kinderen van [verdachte 2]. [getuige 1] heeft verklaard dat zij alleen in de woning is achtergebleven en dat [verdachte 1], [verdachte 2] en twee negroïde mannen tegelijkertijd de woning hebben verlaten en samen terug zijn gekomen. [verdachte 3] en [verdachte 4] zijn op de eerdergenoemde foto door haar aangewezen als die negroïde mannen.

Verklaringen [verdachte 2]

Nadat [verdachte 3] is aangehouden, is [verdachte 2] opnieuw over dit feit gehoord. Als zij bij de politie en later bij de rechter-commissaris wordt geconfronteerd met de eerder door haar afgelegde verklaringen, komt zij terug op hetgeen zij eerder heeft verklaard. Zij verklaart weliswaar dat zij één van de daders is geweest van de ten laste gelegde overval in Koewacht, maar verklaart verder dat noch [verdachte 3], noch [verdachte 4], noch [verdachte 1] hierbij betrokken waren.

De rechtbank overweegt hierover dat de in maart 2011 door [verdachte 2] afgelegde verklaringen – in het licht van de overige bewijsmiddelen – haar het meest aannemelijk voorkomen. In het bijzonder overweegt de rechtbank dat [verdachte 2] zichzelf op 7 maart 2011 bij de politie heeft gemeld, toen heeft bekend betrokken te zijn geweest bij de overval op een woning in Koewacht en daarbij (vermoedelijk uit vrees) niet meteen de namen van de mededaders heeft genoemd. De rechtbank acht haar later afgelegde verklaring dat zij bij onbekenden in een auto is gestapt en met die onbekenden de overval heeft gepleegd op zichzelf al niet geloofwaardig, temeer gelet op het hiervoor en hierna overwogene.

Verklaringen [verdachte 1]

[verdachte 1] heeft verklaard dat niet [getuige 1], maar zij degene was die in de woning van [verdachte 2] op de kinderen heeft gepast. Gelet op de hiervoor aangehaalde verklaringen van [verdachte 2], [verdachte 3], [getuige 1] en [getuige 2] acht de rechtbank de verklaring van [verdachte 1] dat zij heeft opgepast niet geloofwaardig. Aan die geloofwaardigheid doet mede af de omstandigheid dat [verdachte 1] heeft verklaard dat twee blanke vrouwen, te weten [verdachte 2] en een blank meisje met een paarsachtig kapsel, en twee negroïde mannen zijn weggegaan en later terugkwamen met een of twee sieradenkistjes , terwijl zoals hiervoor overwogen, aangeefster [slachtoffer 4] en getuige [slachtoffer 5] beiden verklaren dat de overval is gepleegd door één blank meisje en twee negroïde mannen tezamen met één negroïde vrouw.

Verklaringen [verdachte 4]

[verdachte 4] heeft ontkend betrokken te zijn geweest bij de ten laste gelegde overval in Koewacht. Hij is nog nooit in Terneuzen geweest, kent geen [verdachte 2] of [verdachte 2], kent geen [verdachte 1] en kent ook geen meisje met de naam [getuige 1]. In het weekend van 29 en 30 januari 2011 – zegt hij – is hij bij zijn vriendin [getuige 3] in Luik geweest. Hij had dat weekend zijn beide telefoons mee en zegt zijn telefoon nog nooit kwijt te zijn geweest. Later verklaart hij dat het mogelijk is dat [getuige 4] zijn telefoon heeft gestolen en weer later – bij de rechter-commissaris – verklaart hij dat hij in de periode van het ten laste gelegde een van zijn telefoons met SIM-kaart aan een vriend had uitgeleend. Als dank daarvoor heeft hij van die vriend oorbellen, een ketting en een bankbiljet met veel nullen gekregen. De oorbellen en de ketting heeft [verdachte 4] aan [getuige 4] gegeven. Die vriend heet [naam 1] en lijkt op [verdachte 4].

De rechtbank overweegt hierover dat zij – in het licht van de overige bewijsmiddelen – de verklaring van [verdachte 4] niet geloofwaardig acht. De rechtbank wijst in dat verband op de door [getuige 3] afgelegde verklaring. Zij heeft immers niet kunnen bevestigen dat [verdachte 4] in het weekend van 29 en 30 januari 2011 bij haar in Luik was. [getuige 4] heeft verklaard dat [verdachte 4] zijn spullen niet bij haar liet liggen en boos werd als zij maar met een vinger naar zijn telefoon wees. Voorts heeft zij verklaard dat zij [verdachte 4] via ping had gevraagd of hij het weekend van 28 tot en met maandag 31 januari 2011 zou komen. Op de dinsdag na dat weekend stond [verdachte 4] ineens bij haar voor de deur in Delfgauw. Hij was die dag moe en vies. Volgens haar was dat ook de dag dat hij haar de oorbellen heeft gegeven . Gelet op de omstandigheid dat in het overzicht van met zijn telefoon gevoerde gesprekken en gestuurde SMS-berichten geen verandering is te zien rond de dag van het ten laste gelegde, acht de rechtbank de verklaring van [verdachte 4] dat hij zijn telefoon heeft uitgeleend aan [naam 1], van wie hij geen achternaam kent en waarvan hij niet weet waar hij woont of verblijft, niet aannemelijk geworden. Daarbij heeft de rechtbank tevens de omstandigheid betrokken dat er in die periode dat de telefoon zou zijn uitgeleend aan [naam 1] er ook meermalen is gebeld met [verdachte 3], terwijl [verdachte 3] als getuige ter zitting heeft verklaard dat hij geen [naam 1] kent.

Signalementen

De rechtbank heeft ter terechtzitting waargenomen dat [verdachte 4] duidelijk langer is dan [verdachte 3] en over een gouden tand beschikt en tevens dat [verdachte 1] steil zwart haar met een lengte over de schouders heeft.

Gelet op vorenstaande vaststellingen en overwegingen, in onderling verband en in samenhang bezien, gaat de rechtbank er van uit dat [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3] en [verdachte 4] op 30 januari 2011, in de rode Opel Corsa van [verdachte 3], vanuit Terneuzen naar Koewacht zijn gereden en daar met elkaar de ten laste gelegde overval in de woning hebben gepleegd. Naar het oordeel van de rechtbank is [verdachte 1] de door [slachtoffer 4] genoemde negroïde vrouw, [verdachte 2] de blanke vrouw, [verdachte 3] de kleinere negroïde man en [verdachte 4] de lange negroïde man. [verdachte 4] was het die [slachtoffer 4] gedurende de overval heeft vastgehouden waarbij mogelijk verdikte lippen en pijn in de nek is geconstateerd. Nadat zij met de buit de woning hebben verlaten, zijn zij teruggereden naar de woning van [verdachte 2] aan de [adres] in Terneuzen. Door [verdachte 3] is [getuige 1] thuis gebracht en later op de avond hebben [verdachte 4] en [verdachte 3] – in de auto van [verdachte 3] – Terneuzen verlaten, via de Westerscheldetunnel. Onderweg is nog contact geweest met [verdachte 1] over een oplader voor een Blackberry.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte 1], [verdachte 3], [verdachte 2] en [verdachte 4] zich tezamen hebben schuldig gemaakt aan de onder 3 ten laste gelegde diefstal met geweld, waarvan [slachtoffer 4], [slachtoffer 5] en [slachtoffer 3] slachtoffers zijn geworden.

Feit 4

Op 29 januari 2011 heeft [slachtoffer 6] aangifte gedaan van inbraak in een woning in Zaamslag. In de periode van 26 januari 2011 tot en met 29 januari 2011 is in die woning ingebroken en een magnetron weggenomen. Op 29 januari 2011 is bij genoemde woning een rode Opel Corsa gezien. Op aanwijzen van [verdachte 2] wordt de magnetron in haar woning aangetroffen. [verdachte 1] heeft ontkend bij de inbraak betrokken te zijn geweest en ook [verdachte 3] en [verdachte 4] ontkennen enige betrokkenheid bij de inbraak. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het dossier onvoldoende aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat het [verdachte 1] is geweest die betrokken is geweest bij de feitelijke wegneming van de magnetron. De enkele belastende verklaring van [verdachte 2] is daarvoor onvoldoende. De rechtbank zal derhalve [verdachte 1] vrijspreken van het onder 4 ten laste gelegde feit.

5.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 18 januari 2011 te Terneuzen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, opzettelijk [slachtoffer1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een mes, in de nek/hals heeft gesneden en vervolgens die [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen en heeft geduwd en getrokken en die [slachtoffer 1] in een (inloop)kast heeft opgesloten en opgesloten gehouden gedurende enige tijd

terwijl de uitvoering daarvan niet is voltooid,

welke vorenomschreven poging doodslag werd vergezeld van enig strafbaar feit, te weten diefstal,

welke poging doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

en

op 18 januari 2011 te Terneuzen met het oogmerk om zich te bevoordelen door geweld [slachtoffer1] heeft gedwongen tot de afgifte van een armband toebehorende aan [slachtoffer 1], welk

geweld hierin bestond dat verdachte die

[slachtoffer 1] met een mes, in de hals/nek

heeft gesneden en die [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen en geduwd en getrokken en die [slachtoffer 1] in een (inloop)kast

heeft opgesloten en opgesloten gehouden gedurende enige tijd;

en

op 18 januari 2011 te Terneuzen met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen hoeveelheden

geld en portemonnees, toebehorende aan [slachtoffer1], welke diefstal werd vergezeld

van geweld tegen die [slachtoffer 1],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te

maken, welk

geweld hierin bestond dat verdachte die

[slachtoffer 1] met een mes, in de hals/nek

heeft gesneden en die [slachtoffer 1] meermalen heeft geslagen en geduwd en die [slachtoffer 1] in een (inloop)kast heeft

opgesloten en opgesloten gehouden gedurende enige tijd;

2.

op 18 januari 2011 te Terneuzen opzettelijk [slachtoffer1]

wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met dat

opzet die [slachtoffer 1] in een (inloop)kast heeft opgesloten en opgesloten

gehouden gedurende enige tijd;

3.

op 30 januari 2011 te Koewacht, gemeente Terneuzen, tezamen

en in vereniging met anderen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sieraden en

juwelenkisten en een fotocamera (Nikon) en jassen en

sjaals en een GSM (IPhone) en een GSM (Nokia), toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (IPhone) en/of [slachtoffer 5] (Nokia), welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal

gemakkelijk te maken welk geweld hierin bestond dat die [slachtoffer 4] is vastgepakt en vervolgens op de grond is geduwd en vervolgens een hand rond haar mond heeft

gekregen en waarbij vingers in de mond van die [slachtoffer 4] werden gestopt/geduwd en die [slachtoffer 4] is vastgehouden rond/om haar nek/hals en dat die [slachtoffer 5] is vastgepakt en/of vastgehouden;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

6 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van vier jaar en de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging (TBS). Hoewel verdachte heeft geweigerd aan het gedragskundige deel van het onderzoek in het Pieter Baan Centrum (PBC) mee te werken en de deskundigen in het PBC niet hebben kunnen vaststellen of verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, is hiervan wel sprake. In dat verband wijst de officier van justitie in het bijzonder op het door psycholoog Bögels opgestelde rapport van 12 november 2007 waarin is vastgesteld dat bij verdachte sprake is van persoonlijkheidsstoornis en voorts op het gegeven dat zij hiervoor niet is behandeld. Aangenomen mag worden dat de geconstateerde stoornis nog steeds in volle omgang aanwezig is, dat de stoornis tijdens het ten laste gelegde heeft bestaan, dat er een causaal verband bestaat tussen de stoornis en het ten laste gelegde, en voorts dat er een causaal verband bestaat tussen de stoornis en het gevaar voor recidive. Aan alle wettelijke vereisten voor oplegging van de maatregel van TBS is – naar de mening van het openbaar ministerie – voldaan.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat niet vastgesteld kan worden dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling en dat dientengevolge het niet mogelijk is aan verdachte de maatregel van TBS op te leggen. Anders dan de officier van justitie kan naar mening van de verdediging geen gebruik worden gemaakt van het psychologisch rapport van Bögels. Verdachte was ten tijde van dat rapport 19 jaar oud. Haar persoonlijkheid was toen nog niet zodanig ontwikkeld dat nu aangenomen kan worden dat de inhoud van dat rapport nog steeds geldt. De raadsman verzet zich tegen oplegging van de TBS-maatregel en verzoekt verdachte - voor hetgeen hij vindt dat bewezen kan worden - een gevangenisstraf op te leggen van vier jaar.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich in een periode van twee weken schuldig gemaakt twee woningovervallen waarbij geweld is gebruikt.

Bij de eerste overval was verdachte als enige betrokken. Daarbij heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan diefstal, afpersing en opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving. Over de aanleiding voor deze overval heeft verdachte het volgende verklaard. De vader van verdachte is taxichauffeur. Op enig moment heeft haar vader aan haar moeder verteld dat hij met een vrouw uit Terneuzen naar een bank in België was gereden. Daarbij bleek dat die vrouw de zus was van [slachtoffer 1] waar haar moeder had gewerkt. Verdachte heeft hierover verklaard dat zij wel in de gaten had dat je niet voor 5000 euro een bankrekening in België neemt en dat die vrouw dus wel behoorlijk wat geld zou hebben. Zo was bij haar langzaam het idee ontstaan om die vrouw te beroven. Ze heeft het adres in het telefoonboek opgezocht en heeft haar in 2010 een paar keer gebeld en zomaar ‘hallo’ gezegd.

In de ochtend van 18 januari 2011 heeft verdachte aangebeld bij mevrouw [slachtoffer 1], is binnen gelaten, heeft even met haar gepraat en heeft toen – zoals verdachte ter terechtzitting heeft verklaard – ‘gewoon naar geld gevraagd’ en vervolgens is een worsteling ontstaan. Verdachte heeft het hoogbejaarde slachtoffer van 83 jaar geslagen, geduwd en met een mes in de nek/hals gesneden, waardoor het slachtoffer bloed heeft verloren. Vervolgens heeft verdachte het slachtoffer bloedend opgesloten in een (inloop)kast en de deur van de kast geblokkeerd met een andere kast. Daarna heeft verdachte zich niet bekommerd om het gewonde slachtoffer. Integendeel, zij heeft een hoeveelheid geld en meerdere portemonnees van het slachtoffer ontvreemd en is vertrokken uit de woning van het slachtoffer. De rechtbank rekent verdachte deze compassieloze handelwijze zeer aan.

Ook tilt de rechtbank zwaar aan de wijze waarop het plan voor de overval tot stand kwam en het feit dat het slachtoffer kwetsbaar is, te weten een alleenstaande bejaarde vrouw van 83 jaar. Daarbij is het plan voor deze overval reeds in 2010 ontstaan, terwijl zij toen nog onder reclasseringstoezicht stond behorend bij de straf voor de overval met geweld op een eveneens bejaarde man in juli 2007.

Na de onderhavige woningoverval op de bejaarde vrouw heeft verdachte binnen veertien dagen een tweede woningoverval gepleegd met anderen, waarbij door een ander geweld is gebruikt.

Verdachte heeft zich door het begaan van de bewezenverklaarde feiten schuldig gemaakt aan een zware vorm van criminaliteit, die niet alleen zeer bedreigend en traumatiserend is voor de slachtoffers, maar die bovendien grote onrust veroorzaakt in de samenleving in het algemeen. Verdachte heeft met het plegen van deze feiten op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van de slachtoffers. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van delicten als de onderhavige nog geruime tijd lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hen is aangedaan. Daarnaast brengen feiten zoals het onderhavige bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

A.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van de volgende rapporten:

1. Psychologisch rapport van T.J.P.M. Bögels, psycholoog d.d. 12 november 2007;

2. Voorlichtingsrapport Reclassering Nederland (RN) d.d. 4 december 2007;

3. Voortgangsverslag RN 3 januari 2011;

4. NIFP rapport locatie Pieter Baan Centrum (PBC) d.d. 28 december 2011 ;

5. Reclasseringsadvies (beknopt) ten behoeve van tbs met voorwaarden d.d. 27 januari 2012.

Ad 1. Psychologisch rapport van T.J.P.M. Bögels, psycholoog d.d. 12 november 2007

Dit rapport is opgemaakt in voornoemde strafzaak uit 2007. Hieruit blijkt onder meer het volgende:

“(…) 8. Differentiaal diagnostische overwegingen

Onderzochte geeft aan vanaf (ongeveer) het 10e levensjaar stemmen te hebben gehoord (“een duiveltje in mij”) die haar opdracht gaven onder meer haar moeder aan te vallen. Testonderzoek geeft ook enkele aanwijzingen die zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van bijvoorbeeld hallucinaties of tenminste een afwijkende of atypische perceptie van de realiteit. Binnen het contact werden verder geen aanwijzingen gevonden, die dit nadrukkelijk bevestigen. Gelet op de familiaire belasting (biologische moeder) is echter bijvoorbeeld (de aanzet tot) een schizofrene ontwikkelingsgang niet geheel uit te sluiten.

Gelet op de nog (relatief) jonge leeftijd van de onderzochte lijkt een classificatie op as II in formele zin niet wenselijk, zij is immers pas 19 jaar, en een duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen die duidelijk binnen de cultuur afwijken van de verwachtingen is weliswaar aanwezig, doch (nog) niet “stabiel en van lange duur” (althans niet na de adolescentie). Wel worden problemen op alle bij de algemene diagnostische (DSM) criteria voor een persoonlijkheidsstoornis omschreven domeinen reeds zichtbaar: cognitie, interpersoonlijk functioneren, affecten, impulsbeheersing) en

– ook anamnestisch – herkend. De classificatie Gedragsstoornis lijkt actueel (vooralsnog) beter op onderzochte van toepassing te zijn, waarbij dan wel trekken van de cluster B persoonlijkheid worden gezien. Voor het bestaan van een floride depressief beeld worden onvoldoende aanwijzingen gevonden.

9. Forensisch psychologische beschouwing

Onderzochte imponeert als een ernstig getraumatiseerde jonge vrouw, die ook na de (geslaagde, tweede) adoptie niet in staat is gebleken zich aan te passen aan de gunstigere omgeving en/of te worden tot een autonome, mature persoonlijkheid. De indruk ontstaat dat er sprake is van ernstige hechtingsproblematiek, nadrukkelijke verlatingsangsten en een structureel aanvoelend onvermogen de eigen impulsen afdoende te controleren. (…)

Het delict (indien bewezen) past binnen het verhaal van onderzochte: de ander wordt instrumenteel ingezet (om aan geld te komen) op een actief toenaderende (geplande) wijze; geweld wordt daarna onnadenkend en zonder rekening te houden met het effect en de gevolgen, noch voor het slachtoffer, noch anderszins, impulsief vormgegeven. (…)

10. Beantwoording van de vragen (…)

1. Is onderzochte lijdende aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens en zo ja, hoe is dat in diagnostische zin te omschrijven?

Ziekelijke stoornis: Ja, Gedragsstoornis en Trekken van de cluster B (met name borderline) persoonlijkheid.

Gebrekkige ontwikkeling: onderzochte toont een cognitieve intelligentie van beneden- tot laag gemiddeld. Tot een feitelijk gebrekkige ontwikkeling in de zin van zwakbegaafdheid kan niet worden geconcludeerd.

2. Hoe was dit ten tijde van het ten laste gelegde?

Aanzet zichtbaar vanaf ongeveer het 12e levensjaar, ergo sedertdien en ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig.

4c. (…)

(…) tot een licht verminderende toerekenbaarheid geconcludeerd wordt. (…)

6. (…)

(…) In het verleden zijn er (zinvolle) pogingen ondernomen, ook door jeugdzorg/hulpverlening om tot langerdurende klinische behandeling te komen. Tot een dergelijke behandeling is het niet werkelijk gekomen. Een dergelijke behandeling is echter (ook) nu nadrukkelijk geïndiceerd om onderzochte te begeleiden naar het moment dat zij in staat zal blijken voldoende fundament in zichzelf te vinden om haar leven op adequate en maatschappelijk aanvaardbare wijze vorm te geven. Naar verwachting zal een dergelijke behandeling nog gevolgd dienen te worden door een periode van intensieve (ambulante) begeleiding, in de richting van zowel onderzochte als haar kind. (…)”

Ad 2. Voorlichtingsrapport RN d.d. 4 december 2007

Volgend op het rapport van Bögels heeft RN in voormelde strafzaak een rapportage opgesteld, waaruit onder meer het volgende blijkt (zie p. 4):

“Responsiviteit

Betrokkene geeft aan hulp te willen omdat ze zich al tijden niet goed voelt. Gegeven de huidige omstandigheden, lijkt zij daadwerkelijk ontvankelijk voor hulp. Rekening houdend met eerdere ervaringen in de hulpverlening schatten wij echter in dat het, lopende een mogelijke behandeling, er de nodige inzet gevraagd zal worden om betrokkene gemotiveerd te houden.

Conclusie en advies

Betrokkene is een 19 jarige vrouw, die (…) een oudere man, bij wie ze als thuishulp werkzaam was, op brutale wijze [heeft] beroofd. Deze jonge vrouw kampt al sinds haar vroegste jeugd met ernstige gedrags- en/of persoonlijkheidsproblemen. De huidige zwangerschap maakt de situatie nog complexer dan die al is. Betrokkene erkent dat het haar niet lukt om haar leven in goede banen te leiden. (…)

Wij willen ons conformeren aan de bevindingen van het psychologisch onderzoek. Bij betrokkene zou, blijkens deze rapportage, in meer of mindere mate sprake zijn van persoonlijkheidsproblematiek die (klinische) behandeling behoeft. Het blijkt echter niet mogelijk middels deze voorlichtingsrapportage, een uitgewerkt plan voor te leggen. Het gegeven dat betrokkene zwanger is, blijkt in de praktijk een contra-indicatie te zijn voor een klinische opname. (…) ”

Ad 3. Voortgangsverslag RN 3 januari 2011

Behorend bij de straf die volgde op het strafbare feit in 2007 hoorde een toezicht van RN. Uit het verslag van het toezicht blijkt onder meer:

“(…) Dit voortgangsverslag wordt uitgebracht omdat mevrouw [verdachte 1] (OTG) tot 3 maal toe de bijzondere voorwaarden (verwijtbaar) heeft overtreden (…).

Het toezicht loopt sinds april 2009. Het begin van dit toezicht heeft voornamelijk in het teken gestaan van het vertrouwen winnen en motiveren van OTG voor dit toezicht. OTG liet aanvankelijk veel vechtgedrag zien en was vaak boos, geïrriteerd, ongeïnteresseerd en passief agressief. Deze houding heeft zij over het algemeen gehouden, afgewisseld met periodes, waarin OTG iets rustiger in de gesprekken en minder achterdochtig was. Er moet gezegd worden dat OTG nooit volledige openheid heeft gegeven in de gesprekken, daar informatie werd achtergehouden of later pas verteld als OTG boos was en het kwijt wilde. Wij waren wel gematigd tevreden over hoe OTG zich van augustus 2009 tot mei 2010 heeft opgesteld in de gesprekken; dit afgezet tegen de uitspraken in de NIFP rapportage van 2007, waarin van een gedragsstoornis en trekken van de cluster B (met name borderline) persoonlijkheid wordt gesproken. De factoren voortkomend uit de stoornis van OTG die mogelijk van invloed kunnen zijn op de kans op recidive waren, volgens het NIFP, impulsiviteit, gebrek aan empathie, hechtingsproblemen, manipuleerbaarheid, beperkte stressbestendigheid. Deze factoren zijn binnen dit toezicht duidelijk zichtbaar en bemoeilijken de beïnvloeding van OTG binnen het toezicht. OTG reageert voornamelijk vanuit impulsen, zowel tijdens de gesprekken als in het dagelijks leven waar OTG gemakkelijk wisselt van voorgenomen plannen t.a.v. wonen, werken, oplossen van haar financiële situatie en het gezag/omgang omtrent haar kind. OTG kan zich niet of nauwelijks inleven in de ander, zoals het slachtoffer of haar ouders. (…)

De situatie thuis bij haar ouders is niet wenselijk. Volgens OTG, maar ook volgens moeder, zijn er vaak conflicten. OTG zegt dat deze conflicten niet tot een handgemeen leiden, maar wel heftig zijn. Moeder wil als referent niets zeggen, omdat ze bang is voor de reactie van OTG als die verneemt wat er gezegd is. (…)

Conclusie:

OTG is een lastig te begeleiden vrouw die zich moeilijk laat sturen in het toezicht en voornamelijk haar eigen plan trekt. (…)

Advies:

(…) Binnen het toezicht is OTG tot tweemaal toe aangemeld voor ambulante behandeling. (…) Beide aanmeldingen zijn mislukt en blijken niet uitvoerbaar te zijn. (…)

Toezicht met een ambulante behandeling is volgens ons niet meer haalbaar en wij zien een klinische behandeling als noodzakelijk om vervolgens in de toekomst OTG te kunnen begeleiden in haar resocialisatieproces na behandeling. (…) ”

Ad 4. NIFP rapport locatie PBC d.d. 28 december 2011

In de huidige strafzaak heeft de rechtbank verdachte laten observeren bij het PBC. Uit het rapport blijkt onder meer het volgende:

”(…) forensische analyse en beantwoording van de vraagstelling

Betrokkene heeft geweigerd aan het gedragskundige deel van het onderzoek mee te doen. Mede omdat moeder vervolgens ook weigerde om mee te werken, kwam een milieurapportage slechts zeer beperkt tot stand. Betrokkene weigerde niet uit pathologische gronden. Met andere woorden: aan de weigering lag geen psychiatrisch ziektebeeld ten grondslag. Ze vertelde meerdere keren dat zij dit in overleg met haar advocaat zo had besloten. De angst voor een tbs-advies ligt hieraan ten grondslag, zo gaf zij ook te kennen. (…) (p. 38 van 40)

5. psychologisch onderzoek

(…) c. diagnostische beschouwing

Betrokkene is een thans 23-jarige vrouw die wordt verdacht van het plegen van twee berovingen. Betrokkene is eerder in 2008 al veroordeeld voor een soortgelijk feit. Betrokkene is destijds voor de eerste keer Pro Justitia onderzocht. Destijds werd er geconcludeerd dat er bij betrokkene sprake was een gedragsstoornis (niet anderszins omschreven) met daarnaast trekken van zowel borderline als de antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dat er destijds niet gesproken werd van een persoonlijkheids-stoornis heeft te maken met de jonge leeftijd van betrokkene. Ze is ten tijde van dat onderzoek 19 jaar oud waardoor niet gesteld kan worden volgens de onderzoeker destijds dat er sprake is van een stabiel en langdurig gedragspatroon. (…) Deze in 2007 door de psycholoog Bögels geconstateerde probleemgebieden kunnen momenteel door de weigerende houding van betrokkene niet voldoende bevestigd worden middels eigen onderzoek. Er kan dan ook niet geconcludeerd worden of er bij betrokkene sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Wel zijn hier vanuit de aanwezige collaterale informatie aanwijzingen voor. Het dossier doornemend kan namelijk wel geconcludeerd worden dat betrokkene herhaaldelijk niet in staat is geweest om zich te conformeren aan de maatschappelijke norm. Daarnaast kan zij al geruime tijd haar leven niet zelfstandig op een sociaal adequate wijze vorm geven waarbij er verder nog sprake is van het schenden van opgelegde voorwaarden doordat betrokkene zich nauwelijks begeleidbaar opstelt in de richting van bijvoorbeeld de reclassering. Ook zijn er uit het dossier aanwijzingen naar voren gekomen dat er bij betrokkene sprake is van hechtingsproblematiek en tevens is er een instrumentele omgang met anderen zichtbaar waarbij betrokkene haar eigen belang voorop stelt en zij verder niet belemmerd wordt in haar handelen door oprecht ervaren gevoelens van spijt. Dit laatste kan wijzen op een gebrekkige ontwikkeling van de gewetensfuncties. Door de weigerachtige houding van betrokkene kunnen hier echter geen diagnostische conclusies aan verbonden worden. Ten slotte is het door de houding van betrokkene niet mogelijk gebleken de eventuele mate van psychopathie te objectiveren (pp. 28-29 van 40). (…)

6. psychiatrisch onderzoek

(…) Concluderend

Geen aanwijzingen, in dit beperkte onderzoek, voor een actueel psychiatrisch toestandsbeeld (…) (p. 33 van 40).

(…) Indien betrokkene zou hebben meegewerkt aan het gedragskundige onderdeel van de observatie zouden een aantal problematische gebieden zijn onderzocht. (…) Bij de ontwikkelingsanamneses bij primaire opvoeder zouden vroegkinderlijke verlatingsangsten duidend op separatie-individuatieproblemen en identiteitsstagnatie beter onderzocht kunnen worden, naast mogelijk onderliggende oorzaken voor impulscontrolestoornissen zoals bijvoorbeeld ADHD.

De geconstateerde “stemmen” op haar 15e jaar zouden zorgvuldig zijn nagegaan als mogelijke tekenen of vroegsymptomen van de ziekte schizofrenie, waarmee betrokkene mogelijk erfelijk belast zou zijn.

Een complete sociale- en verslavingsanamnese zou afgenomen zijn en welke rol middelengebruik eventueel gespeeld zou kunnen hebben.

Het vermoeden op het bestaan van een (borderline) persoonlijkheidsstoornis zou uitvoerig zijn onderzocht en ook de antisociale ontwikkeling en bestendiging van grensoverschrijdend gedrag zou in kaart zijn gebracht.

Tegen het licht van de onbegeleidbaarheid van betrokkene, haar gerapporteerde gebrek aan empathie, het planmatige karakter van de ten laste gelegde feiten gebruikmakend van zwakke plekken bij een slachtoffer (overlijden van broer), zou zeker ook de psychopatiechecklist zijn afgenomen teneinde een eventuele mate van psychopathie te kunnen vaststellen en op welke wijze die zich zou verhouden tot antisociale karaktertrekken of gedragingen, te lezen in het strafdossier (…). (pp. 36-37 van 40).

7. forensische analyse en beantwoording van de vraagstelling

(…) Hoewel betrokkene zeer beperkt kon worden onderzocht zijn er zowel tijdens de beperkte contacten alsook, gesteund door de groepsobservaties, geen aanwijzingen voor een psychiatrisch toestandsbeeld zoals een depressie, psychose, angst- of dwangstoornis. Tevens zijn er geen tekenen die wijzen op een hersenorganische aandoening … evenmin kunnen uitspraken gedaan worden over de opbouw van de persoonlijkheid waarvoor langdurig (test)onderzoek eveneens een voorwaarde is.

De eerder beschreven problematiek wijzen op trekken van een borderline persoonlijkheidsstoornis (PJ-rapportage T.J.P.M. Bögels, psycholoog, 2007) kon niet worden vastgesteld. Hoewel haar levensgeschiedenis en sommige geobserveerde gedragingen binnen het leefmilieu zoals een wisselende stemming, zouden kunnen wijzen in de richting van die problematiek, kon deze dus niet [aanvulling rechtbank] definitief worden gestaafd met gedragskundig onderzoek. De vragen of betrokkene lijdende is aan een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling en hoe dit was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, indien bewezen, zijn door de weigerachtige houding van betrokkene niet te beantwoorden … geen uitspraak kan worden gedaan over diagnostiek, doorwerking noch over recidivekans” (pp. 38-39 van 40).

Ad 5. Reclasseringsadvies d.d. 27 januari 2012

Hieruit blijkt onder meer:

“(…) Betrokkene geeft aan niet afwijzend te staan ten opzichte van ambulante behandeling, maar zeker geen klinische behandeling wenst. Tevens maakt zij wederom kenbaar geen TBS-titel te willen. Uiteindelijk komt hetgeen ze vertelt erop neer, dat ze best open staat voor begeleiding door de reclassering en eventueel ambulante behandeling. Gezien haar eerdere negatieve ervaringen met reclasseringstoezicht, is ze echter wel sceptisch over hetgeen de reclassering haar eventueel kan bieden. (…) Het Pieter Baan Centrum is naar aanleiding van hun onderzoek, waarin betrokkene medewerking geweigerd heeft, niet tot het stellen van een diagnose dan wel een advies kunnen komen. Aangezien betrokkene haar medewerking aan onderzoek door gedragsdeskundigen weigert, zijn er voor Reclassering Nederland geen mogelijkheden om de mogelijkheden voor TBS met voorwaarden te onderzoeken. Haar medewerking aan diagnostiek is hiervoor nodig. (…)”

B.

Uit het dossier blijkt verder nog het volgende.

Uit het proces-verbaal van verhoor van [moeder verdachte 1] (e.v.[vader verdachte]) d.d. 3 februari 2011:

“Ik vind [verdachte 1] een meisje in geestelijke nood … ook had zij financiële nood … werk in prostitutie in Ossendrecht … heeft altijd veel begeleiding nodig gehad.’’

Uit het proces-verbaal van verhoor van getuige [vader verdachte 1], de vader van verdachte, d.d. 10 februari 2011 blijkt onder meer:

“”(…) [verdachte 1] heeft twee gezichten. Het ene moment is ze poeslief, het volgende moment haalt ze het bloed onder je nagels vandaan (…) [verdachte 1] was 13/14 jaar toen zij enkele maanden heeft ingewoond bij een oude man gezien haar leeftijd. (…) [verdachte 1] was in die tijd niet voor rede vatbaar. (…) [verdachte 1] nam altijd een agressieve houding aan tegen mijn vrouw. Ze noemde [moeder verdachte 1] vaak een kankervrouw. Dit terwijl [moeder verdachte 1] borstkanker heeft gehad toen zij 42 jaar oud was en nu ook een verlamming in haar gezicht. [verdachte 1] riep dan wel eens naar [moeder verdachte 1]: “jij met je scheef smoel.” Als [verdachte 1] boos was op mij zei ze dat haar vriendjes mijn kot wel zouden leeghalen. (…) Aan [verdachte 1] zit een steekje los, anders zeg je toch niet zulke dingen tegen je ouders. (…) Ik wil nog iets toevoegen. Namelijk dat gevangenisstraf niet gaat helpen bij [verdachte 1]. Zij zal toch terug in herhaling vallen. Tenzij [verdachte 1] heel goede begeleiding krijgt. [verdachte 1] heeft die nooit gehad en overigens geweigerd ook. Ze zei altijd: “ik ben niet zot”.”

Bij de rechter-commissaris heeft verdachte op 4 februari 2011 verklaard:

“(…) U vraagt mij hoe dit allemaal kan. Ik word er stil van en ik moet er van huilen. Ik heb zelf ook allerlei problemen en ik zit in de schulden. U zegt mij dat ik naar aanleiding van het vorige vonnis reclasseringsbegeleiding heb gekregen en dat ik mij niet altijd aan de afspraken heb gehouden. Het klopt dat ik drie keer niet ben komen opdragen. Bij de vorige zaak is gesproken over klinische behandeling, maar dat is er uiteindelijk niet van gekomen omdat ik zwanger was. Mijn zoontje [kind verdachte 1] is twee jaar oud en hij is nu bij mijn ouders. Ik denk dat klinische opname nu noodzakelijk is. Ik wil de problemen oplossen en het lukt kennelijk niet als ik alleen af en toe naar een behandelaar moet. Ik wil leren om te gaan met de stoornis die ik heb want dit kan zo niet. (…)”

C.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte ter beschikking dient te worden gesteld en van overheidswege dient te worden verpleegd, zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Krachtens de wet is voor een last tot terbeschikkingstelling een advies van twee gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater, die betrokkene hebben onderzocht, vereist. Op grond van artikel 37a lid 3 Sr juncto artikel 37 lid 3 Sr, kan echter ook aan een weigerende observandus een terbeschikkingstelling met dwangverpleging worden opgelegd. Uit het PBC-rapport blijkt dat verdachte een weigerende observandus is in de zin van artikel 37 lid 3 Sr en daardoor vervalt voor het opleggen van een terbeschikkingstelling de eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek als bedoeld in artikel 37 lid 2 Sr.

Maar nog steeds blijft vereist, dat wordt vastgesteld dat sprake is van een psychische stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte ten tijde van het plegen van het feit. Zonder die vaststelling is oplegging van TBS niet mogelijk.

Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt, om die vaststelling te doen. De rechter zal zich daarbij in zeer sterke mate moeten laten leiden door de bevindingen en conclusies van gedragsdeskundigen, maar als de gedragsdeskundigen aan de grenzen komen van wat zij vanuit hun wetenschap nog kunnen verantwoorden, zal de rechter zijn eigen verantwoordelijkheid moeten nemen voor zover de wet hem daartoe de ruimte geeft.

De wet noch de jurisprudentie vereist dat de stoornis wordt geclassificeerd volgens het handboek DSM-IV en dat deze dient te worden vastgesteld door een gedragsdeskundige.

Dit betekent dat in het uiterste geval de rechter, uiteraard slechts met grote behoedzaamheid, tot de vaststelling van een stoornis kan komen, ook al kunnen de gedragsdeskundigen op basis van de voor hen geldende wetenschappelijke criteria en tuchtrechtelijke normen niet tot die conclusie komen.

Voor zijn beslissing dient de rechter dan wel voldoende steun te vinden in hetgeen gedragsdeskundigen zo mogelijk wél hebben kunnen vaststellen en hetgeen de rechter verder aan feiten en omstandigheden is gebleken met betrekking tot de persoon van verdachte.

In dit verband hecht rechtbank in het bijzonder waarde aan het hiervoor onder A genoemde onderzoek van de psycholoog Bögels uit 2007, waaraan verdachte wel heeft meegewerkt en welk onderzoek heeft geleid tot de hierboven vermelde conclusie dat sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van een gedragsstoornis en trekken van de cluster B (met name borderline) persoonlijkheid.

Verder constateert de rechtbank dat verdachte aan wie in de vorige strafzaak als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht werd opgelegd in dat kader twee maal tevergeefs is aangemeld voor een ambulante behandeling en in de contacten met de reclassering de volgende factoren duidelijk zichtbaar zijn: impulsiviteit, gebrek aan empathie, hechtingsproblemen, manipuleerbaarheid, beperkte stressbestendigheid. Niet gebleken is dat verdachte zich nadien nog heeft laten behandelen.

Voorts acht de rechtbank van bijzonder belang de hiervoor onder A aangehaalde bevindingen en conclusies van de twee PBC-deskundigen. De psycholoog concludeerde onder andere dat betrokkene herhaaldelijk niet in staat is geweest om zich te conformeren aan de maatschappelijke norm. Daarnaast kan zij al geruime tijd haar leven niet zelfstandig op een sociaal adequate wijze vorm geven. Ook zijn er uit het dossier aanwijzingen naar voren gekomen dat er bij betrokkene sprake was van hechtingsproblematiek en tevens is er een instrumentele omgang met anderen zichtbaar waarbij betrokkene haar eigen belang voorop stelt en zij verder niet belemmerd wordt in haar handelen door oprecht ervaren gevoelens van spijt. Dit laatste kan wijzen op een gebrekkige ontwikkeling van de gewetensfuncties. Ten slotte is het door de houding van betrokkene niet mogelijk gebleken de eventuele mate van psychopathie te objectiveren. De psychiater noemde vijf onderzoeksmogelijkheden als betrokkene wel zou hebben meegewerkt aan het gedragskundige onderdeel: (1) vroeg-kinderlijke verlatingsangsten, naast mogelijk onderliggende oorzaken voor impulscontrolestoornissen zoals bijvoorbeeld ADHD, (2) de geconstateerde “stemmen” op haar 15e jaar zouden zijn nagegaan als mogelijke tekenen van de ziekte schizofrenie, (3) welke rol middelengebruik eventueel gespeeld zou kunnen hebben, (4) het vermoeden op het bestaan van een (borderline) persoonlijkheidsstoornis en ook de antisociale ontwikkeling en bestendiging van grensoverschrijdend gedrag zou in kaart zijn gebracht en (5) tegen het licht van de onbegeleidbaarheid van betrokkene, haar gerapporteerde gebrek aan empathie, het planmatige karakter van de ten laste gelegde feiten gebruikmakend van zwakke plekken bij een slachtoffer (overlijden van broer), zou zeker ook de psychopatiechecklist zijn afgenomen teneinde een eventuele mate van psychopathie te kunnen vaststellen en op welke wijze die zich zou verhouden tot antisociale karaktertrekken of gedragingen, te lezen in het strafdossier.

Dit alles, in samenhang met de in deze strafmotivering onder letter B weergegeven passages uit het strafdossier, maakt het voor de rechtbank in voldoende mate aannemelijk dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond.

Deze stoornis is zodanig dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. Het door verdachte begane feit is een misdrijf dat een gevaar oplevert voor of een krenking is van de lichamelijke integriteit van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.

De rechtbank zal daarom de terbeschikkingstelling gelasten met een bevel tot verpleging van overheidswege, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit eist.

De rechtbank ziet door het mislukken van het toezicht in de eerder opgelegde straf en de bevindingen van de deskundigen op dit punt, geen mogelijkheid voor een minder zwaar alternatief.

D.

De rechtbank acht aannemelijk dat de bewezen verklaarde feiten verdachte slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend vanwege de bij haar bestaande stoornis.

Die verminderde toerekeningsvatbaarheid betekent, dat de strafbaarheid van verdachte niet (geheel) is uitgesloten.

De rechtbank is van oordeel dat daarom naast de maatregel van TBS met verpleging een gevangenisstraf dient te worden opgelegd.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten zoals aan het begin van de motivering van de straf is weergegeven alsmede met het uittreksel uit de justitiële documentatie betreffende verdachte d.d. 16 januari 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld alsmede voor een ander geweldsmisdrijf en ook voor vermogensdelicten. De rechtbank acht een gevangenisstraf van vier jaar passend en geboden.

De rechtbank acht in de duur van de tijdens het voorarrest aan verdachte opgelegde beperkingen, noch in de gewijzigde VI-regeling, noch in de afschaffing van de zogenaamde Fokkens-regeling redenen aanwezig voor een verdere vermindering van de op te leggen straf.

Evenmin ziet de rechtbank in de persoon van verdachte aanleiding om in deze uitspraak een advies op te nemen als bedoeld in artikel 37b lid 2 Sr. omtrent het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege dient aan te vangen. Dit betekent dat in beginsel de behandeling in het kader van de TBS-maatregel pas zal ingaan op het moment, dat tweederde gedeelte van de straf is ondergaan.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 Sr. zal de tijd, door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, voorlopige hechtenis en in een inrichting bestemd voor klinische observatie ingevolge een bevel tot observatie doorgebracht, geheel in mindering worden gebracht op de opgelegde vrijheidsstraf.

8 De benadeelde partij

Feiten 1 en 2

De benadeelde partij [slachtoffer1] (wonende te [adres]) vordert een schadevergoeding van € 6.090,64 voor feiten 1 en 2.

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van de vordering van de benadeelde partij voor het volledige bedrag. Naar zijn mening houdt de gevorderde schade rechtstreeks verband met het ten laste gelegde. De officier van justitie vordert voorts oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de gevorderde materiële schade voor toewijzing vatbaar is, maar verzoekt de gevorderde immateriële schade af te wijzen, subsidiair niet ontvankelijk te verklaren.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De verdediging heeft de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] deels betwist. De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 6.090,64 een rechtstreeks gevolg is van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten, waarvan € 2.090,64 euro ter zake van materiële schade en € 4.000,- ter zake van immateriële schade, en acht [verdachte 1] aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht de rechtbank tot dat bedrag, te weten € 6.090,64 , voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, bij niet betaling te vervangen door vervangende hechtenis.

9 De vordering tot tenuitvoerlegging

9.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 19 december 2007 die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer in het arrondissement Middelburg ten uitvoer zal worden gelegd.

9.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering tenuitvoerlegging op 24 november 2011 door het gerechtshof Den Haag is behandeld en dat het gerechtshof op 8 december 2011 hierover een beslissing heeft genomen.

9.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat namens verdachte tegen het vonnis van de rechtbank hoger beroep is ingesteld en dat door het gerechtshof in Den Haag op 27 augustus 2008 aan verdachte een gevangenisstraf is opgelegd voor de duur van zesentwintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich in de proeftijd zou gedragen naar de aanwijzingen door of namens Stichting Reclassering Nederland. Op 8 december 2011 is door datzelfde hof de tenuitvoerlegging gelast van de opgelegde voorwaardelijke straf van zes maanden, omdat verdachte zich niet had gehouden aan de bijzondere voorwaarde.

Nu de vordering tenuitvoerlegging niet is gebaseerd op een uitspraak van de rechtbank Middelburg en voorts de tenuitvoerlegging reeds is gelast, dient de officier van justitie in de vordering tot tenuitvoerlegging niet-ontvankelijk te worden verklaard.

10 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 55, 57, 282, 288, 310, 312, en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 4 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1:

Samenloop van

Poging tot doodslag, vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken,

en

afpersing,

en

diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

feit 2:

Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

feit 3:

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte, met verpleging van overheidswege;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer1] van € 6.090,64, waarvan € 2.090,64 ter zake van materiële schade en € 4.000,- ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 18 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1], € 6.090,64 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 65 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Vordering tenuitvoerlegging

- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak onder parketnummer 12/700177-07.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Jager, voorzitter, mr. Vos en mr. Haesen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Paulus, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 20 februari 2012.