Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BV2706

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
02-02-2012
Datum publicatie
03-02-2012
Zaaknummer
Awb 11/705
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

project Fonteyne

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 11/705

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam] v.o.f.,

waarvan de vennoten zijn [naam 1] en [naam 2],

gevestigd te Vlissingen,

eiseres,

gemachtigden mr. J. Boogaard en mr. J.C. Verhage, advocaten te Middelburg,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen,

te Vlissingen,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2010 heeft verweerder, in navolging van het advies van Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ), het verzoek van eiseres om vergoeding van planschade met betrekking tot de ontwikkeling van het project Fonteyne in de binnenstad van Vlissingen afgewezen. Aan eiseres is met toepassing van de Algemene nadeelcompensatie-verordening Vlissingen (ANV) een schadevergoeding toegekend van € 20.080,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 mei 2010 en € 1.750,- voor vergoeding van deskundigenkosten.

Bij besluit van 9 juni 2011 heeft verweerder het op 11 januari 2011 door eiseres daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij de rechtbank beroep ingesteld.

Eiseres heeft bij brief van 28 september 2011 nadere stukken ingediend. Voorts heeft verweerder op verzoek van de rechtbank nadere stukken overgelegd.

Bij de rechtbank zijn meerdere beroepen met betrekking tot schadevergoeding in relatie tot het project Fontyne ingediend. Deze beroepen, waaronder het beroep van eiseres, zijn op 20 en 21 oktober 2011 ter zitting behandeld. Namens eiseres is verschenen de heer [naam 1], bijgestaan door bovengenoemde gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen W.J.C. Vael, J. Francke en drs. P.A.J.M. van Bragt.

II. Overwegingen

1. In 2003 is de gemeente Vlissingen in de binnenstad van Vlissingen gestart met het doen uitvoeren van inrichtingswerkzaamheden in het kader van het project Fonteyne. Met dit project is beoogd een verbetering van de positie van het kernwinkelgebied te realiseren waarbij het gebouw de Fonteyne met een ondergrondse parkeervoorziening fungeert als nieuw bronpunt van dat gebied. Het project omvat de aanleg van een tweelaagse ondergrondse parkeergarage met in totaal 310 parkeerplaatsen, alsmede het realiseren van nieuwbouw voor winkelruimte en woningen (Fonteyne-gebouw), herinrichting van het openbaar gebied, waaronder de Spuistraat, de Marktstraat, de Torenstraat, stroken grond aan de Oude Markt en een deel van de Lange Zelke. De werkzaamheden zijn in 2007 voltooid.

Voor het gebied waar het project is gerealiseerd golden de voorschriften van het bestemmingsplan “Spuistraat”. Thans gelden voor dit gebied de voorschriften van het bestemmingsplan “Binnenstad” dat op 29 augustus 2002 door de raad van de gemeente Vlissingen is vastgesteld en op 25 maart 2003 door Gedeputeerde Staten van Zeeland is goedgekeurd. Het plan is op 22 mei 2003 in werking getreden en op 16 juli 2003 onherroepelijk geworden.

Op 6 november 2007 heeft de raad van de gemeente Vlissingen de ANV vastgesteld en van toepassing verklaard op het project Fonteyne.

2. Eiseres exploiteerde een kleinhandel en reparaties van naai- strijkmachines, dames- en heren- en kinderconfectie en onderkleding. Vanaf 10 maart 1997 was ter plaatse ook een kleinhandel en reparatie van audio- en videoapparatuur gevestigd, die per 1 april 2003 is verplaatst naar Heinkenszand. Op 31 januari 2006 is het bedrijf uitgeschreven uit het register van de Kamer van Koophandel. De kleinhandel werd gedreven in het pand Spuistraat [nummer] te Vlissingen.

Op 13 juli 2009, ontvangen door verweerder op 14 juli 2009, heeft eiseres een verzoek om planschade en een verzoek nadeelcompensatie bij verweerder ingediend. Daaraan legt eiseres ten grondslag dat als gevolg van de bovengenoemde werkzaamheden, waaronder de bouw van de parkeergarage, het afsluiten van straten en de permanente onttrekking van een deel van de Marktstraat en andere delen van wegen aan het verkeer alsmede de wijziging van bestemmingen, schade is geleden als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) van in totaal € 1.151.000,-. Daarnaast heeft eiseres verzocht om toepassing van de hardheidsclausule die is opgenomen in artikel 15, eerste lid, van de ANV.

4. Met betrekking tot dit verzoek heeft verweerder zich laten adviseren door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ), die op 27 augustus 2010 een concept-advies aan partijen heeft toegezonden en op 2 november 2010 het advies heeft uitgebracht.

Op basis van dit advies stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres door de wijziging van het planologische regime niet in een nadeliger positie is gekomen en geen schade in de zin van waardevermindering van het pand heeft geleden. Ten aanzien van het verzoek om nadeelcompensatie stelt verweerder vast dat eiseres een schade heeft geleden van € 20.080,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 26 mei 2010 en vergoeding voor deskundigenkosten van € 1.750,-. Het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule heeft verweerder afgewezen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 4 april 2011 dit standpunt gehandhaafd.

5. Eiseres heeft – samengevat – het volgende aangevoerd.

SAOZ kan niet als een onafhankelijk en onpartijdig adviseur kan worden aangemerkt. Daartoe merkt eiseres op dat SAOZ, naast advisering over het verzoek van eiseres, verweerder ook heeft geadviseerd over de begrenzing van het schadegebied. Dit afbakeningsadvies is volgens eiseres bepalend geweest voor de afwijzing van haar verzoek. Eiseres stelt dat het afbakeningsadvies, in strijd met de Procedureregeling Planschade-vergoeding 2005, niet aan haar is voorgelegd en dat zij heeft daar niet op kunnen reageren.

Het is evident dat sprake is van indirect planologisch nadeel als gevolg van het wegvallen van de verkeersbestemming voor de voorheen bestaande Marktstraat en Torenstraat. Het winkelgebied sterk verkleind. De Spuistraat heeft parkeergelegenheid verloren en hoort niet meer bij het kernwinkelgebied. Er is een waardevermindering van het pand opgetreden van

€ 150.000,-

Verweerder heeft het toegekende bedrag voor nadeelcompensatie ten onrechte op een te laag bedrag gesteld.

De rechtbank overweegt het volgende.

6. SAOZ is volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer 13 januari 2010, 200904677, LJN: BK8953) te beschouwen als een onafhankelijke deskundige op het gebied van planschade. Verweerder mag in beginsel dan ook op een door SAOZ uitgebracht advies afgaan. Dit is slechts anders indien moet worden geoordeeld dat het advies van SAOZ onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daaraan anderszins ernstige gebreken kleven.

Ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat SAOZ met het oog op een te reserveren budget is verzocht een schatting te maken van uit te keren schadevergoedingen inzake het Fonteyne-project. Daartoe is SAOZ nagegaan uit welk gebied rondom de bouwput schadeclaims te verwachten waren. Daarbij is uitdrukkelijk geen gebiedsbegrenzing voor de ANV bepaald. Het budget is naar aanleiding van de analyse door SAOZ verhoogd tot € 600.000,-. Deze beoordeling heeft niet ten doel gehad om verzoeken om schadevergoeding op voorhand af te wijzen of het toepassingsbereik van de ANV te beperken, aldus verweerder.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat SAOZ de gemeente Vlissingen ook heeft geadviseerd bij de hiervoor omschreven schatting nog niet meebrengt dat het aan verweerder uitgebrachte advies over het verzoek van eiseres niet als onafhankelijk kan worden aangemerkt. Ook heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat haar verzoek met name is afgewezen op de grond dat haar onderneming niet is gelegen is binnen een bepaald gebied. In dat kader stelt de rechtbank vast dat het door de raad van de gemeente Vlissingen aanvaarde voorstel van verweerder van 7 april 2009, waar eiseres naar verwijst ter ondersteuning van haar grief, een voorlopige raming betreft van de uit te keren schadevergoedingen waarbij nadrukkelijk het voorbehoud is gemaakt van nieuwe claims aangezien SAOZ nog niet in alle gevallen over de omvang van de schade heeft geadviseerd. In het voorstel is verder opgenomen dat deze budgetraming aan wijzigingen onderhevig kan zijn. Naar het oordeel van de rechtbank maakt deze passage aannemelijk dat het niet de bedoeling van verweerder is geweest om schadeclaims op voorhand af te wijzen en dat alle claims van ondernemingen reëel zijn beoordeeld. Eiseres heeft geen andere feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van SAOZ in twijfel getrokken zou moeten worden. Van strijd met de Procedureregeling is de rechtbank niet gebleken. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Planschade

7. Op 1 juli 2008 is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken en is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden.

Ingevolge artikel 9.1.18, eerste lid, van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, voor zover hier van belang, blijft het recht, zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet.

Ingevolge artikel 49 van de WRO, zoals deze wet luidde tot 1 juli 2008 en voor zover thans van belang, kent het college, voor zover een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

Bij de beoordeling van een aanvraag om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de nieuwe planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van het oude planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd en na de planologische maatregel maximaal kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Het bestemmingsplan "Binnenstad" kent aan de gronden van het plangebied voor zover van belang de bestemming "Centrumdoeleinden” toe. Daartoe behoren de bestemmingen detailhandel, dienstverlenende bedrijven , zakelijke dienstverlening, horecabedrijven, hotel-pensionbedrijven, kantoren, maatschappelijke doeleinden, toeristisch-recreatieve bedrijven, woondoeleinden, ambachtelijke bedrijven en sekswinkels. Toegelaten worden gebouwen met een maximale goothoogte van respectievelijk 12 meter en 16 meter en een maximale bouwhoogte van respectievelijk 12 meter en 19 meter.

Op de gronden met de aanduiding opg (ondergrondse parkeergarage toegestaan) is de realisatie van een ondergrondse parkeergarage mogelijk. Op de gronden met de bestemming “Verkeersdoeleinden” is mede de realisatie van een bovengrondse en ondergrondse parkeergarage mogelijk.

Uit de toelichting op dit plan blijkt dat de verkeersfunctie van de Marktstraat en de Torenstraat komt te vervallen. Het winkelcircuit in de Lange Zelke zal worden doorgetrokken tot de Spuistraat. Via een aan te leggen passage zal de Oude Markt kunnen worden bereikt. Ook de verkeersfunctie van de Lange Zelke tussen de Spuistraat en de Torenstraat komt te vervallen.

Voorheen gold ter plaatse het bestemmingsplan "Spuistraat", met voor zover van belang de bestemmingen "Detailhandel”, “Woondoeleinden”, “Kantoren”, “Openbare en bijzondere doeleinden” en “Verkeersdoeleinden”. Gebouwen ten behoeve van deze bestemmingen mochten een goothoogte hebben van negen meter, met dien verstande dat voor gebouwen ten behoeve van de bestemming “Detailhandel” een goothoogte van 12 meter was toegestaan. Gronden met de bestemming “Verkeersdoeleinden” waren bestemd voor verkeerswegen, parkeerplaatsen, fiets- en voetpaden, pleinen en bouwwerken niet zijnde gebouwen.

Eiseres stelt dat als gevolg van het bestemmingsplan “Binnenstad” de Torenstraat en een deel van de Marktstraat hun verkeersbestemming hebben verloren. Er is geen logische, directe passantenverbinding voor in de plaats gekomen. Daarmee is ook het winkelrondje Walstraat, Kleine Markt, Sint Jacobsstraat, Oude Markt, Marktstraat, Lange Zelke, Walstraat komen te vervallen en zijn het Bellamypark, de Oude Markt, de Kerkstraat, de Sint Jacobspassage en de Kleine Markt buiten het kernwinkelgebied komen te liggen. Ook de Spuistraat is buiten dit gebied komen te liggen, mede door het vervallen van parkeergelegenheid voor de deur.

SAOZ heeft daarover gesteld dat in planologische zin nog steeds sprake is van een winkelrondje Spuistraat, Oude Markt, Sint Jacobsstraat, Walstraat, Lange Zelke, Spuistraat en dat de wijziging van het stratenpatroon geen planologische verslechtering bertekent. De rechtbank deelt die conclusie. Zij stelt vast dat in het kernwinkelgebied door de realisatie van de parkeergarage (met een voorheen niet bestaande ruime capaciteit van ongeveer 300 voertuigen) op de locatie Lange Zelke-Spuistraat een nieuw bronpunt voor het gebied is gecreëerd. Naar het oordeel van de rechtbank houdt dit een verbetering in van het kernwinkelgebied alsmede van de bereikbaarheid daarvan. In dit verband neemt de rechtbank mede in aanmerking dat een doorgang is gerealiseerd door het Fonteynegebouw van de Lange Zelke naar de Oude Markt. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de bereikbaarheid van de onderneming van eiseres is slechter is geworden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder op grond van het advies van SAOZ het verzoek van eiseres om vergoeding van planschade terecht afgewezen omdat het plan eiseres niet in een nadeliger positie heeft gebracht. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Nadeelcompensatie

8. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de ANV ontstaat het recht op schadevergoeding slechts bij uitvoering van een gemeentelijk werk, indien de gemeenteraad deze verordening op dat werk van toepassing heeft verklaard. Ingevolge het tweede lid kent het college degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van een gemeentelijk werk, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van verzoeker behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de ANV komt binnen het normale maatschappelijk risico of het normale ondernemersrisico vallende schade niet voor vergoeding in aanmerking.

Ingevolge het tweede lid komt schade als gevolg van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, alleen voor vergoeding in aanmerking wanneer deze in belangrijke mate afwijkt van de schade die dientengevolge op een ieder drukt, dan wel wanneer deze schade op een naar verhouding gering aantal natuurlijke of rechtspersonen die in vergelijkbare positie verkeren, drukt.

Ingevolge artikel 4 van de ANV wordt schade ten gevolge van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, die voor de belanghebbende redelijkerwijs voorzienbaar was ten tijde van de beslissing te investeren in het geschade belang, niet vergoed.

Ingevolge artikel 5 van de ANV kan de in artikel 4 bedoelde voorzienbaarheid onder meer betrekking hebben op de aard van een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, op het tijdstip waarop deze schadeoorzaak zijn werking doet gevoelen, op de plaats waarop ze betrekking heeft, op de wijze van voltrekken of uitvoering daarvan, alsmede op de aard en omvang van de daardoor veroorzaakte schade.

Ingevolge artikel 7 blijft de schade die door het treffen van zodanige maatregelen voorkomen of beperkt had kunnen worden ten laste van de verzoeker indien hij nagelaten heeft redelijke maatregelen ter voorkoming of beperking van schade te nemen.

De werkzaamheden in het kader van het project Fonteyne - kort weergegeven en omschreven in het rapport van SOAZ - zijn gefaseerd uitgevoerd. Tussen februari 2003 en augustus 2004 zijn de werkzaamheden beperkt van omvang. Vanaf augustus 2004 zijn de werkzaamheden geïntensiveerd met sloopwerkzaamheden aan de voormalige Aldi en de Hema, waarbij de Torenstraat en de Marktstraat zijn afgesloten. Vanaf november 2004 is gewerkt aan de aanleg van de parkeergarage aan de Spuistraat. Vanaf april 2006 werden herinrichtingswerkzaamheden uitgevoerd en eind 2007 zijn de laatste werkzaamheden uitgevoerd. De aard en omvang van de werkzaamheden zijn door eiseres niet bestreden.

In het advies van SAOZ is het toe te kennen bedrag voor nadeelcompensatie gesteld op

€ 20.080,- te vermeerderen met wettelijke rente en deskundigenkosten van € 1.750,-. Blijkens het advies is het jaar 2003 als referentiejaar genomen en dat het laatste kwartaal van 2004 en het jaar 2005 als te beoordelen schadeperiode wordt aangemerkt. De omzetderving in het laatste kwartaal van 2004 (€ 18.113,-) en 2005 (€ 107.095,-) ten opzichte van de referentieperiode is in totaal berekend op € 125.208,- waarvan aan de werkzaamheden aan het project De Fonteyne is toegerekend € 86.431,-. Met toepassing van een gemiddelde winstmarge van 28,05 % komt dit neer op een verlies aan brutowinst van

€ 26.774,-. Vervolgens is een korting toegepast van 25% voor normaal maatschappelijk risico. De te vergoeden schade komt daarmee op € 20.080,-.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de aan het advies van SAOZ toegevoegde omzetcijfers over de jaren 2001 tot en met 2006 niet stroken met de door eiseres bij haar aanvraag en bij het beroep overgelegde gegevens. Laatstbedoelde gegevens laten andere en hogere bedragen zien dan de cijfers waar SAOZ zijn bevindingen op heeft gebaseerd. Een verklaring voor het verschil heeft de rechtbank niet aangetroffen.

De rechtbank constateert voorts dat die cijfers een hogere omzet over het laatste kwartaal van 2004 (€ [bedrag] in totaal) laten zien dan waar SAOZ (€ [bedrag]) van uit is gegaan. Voorts is rechtbank niet duidelijk geworden hoe de door SAOZ genoemde percentages van 18,9% en 9,34% waarmee de omzet over 2004 in de onderneming van eiseres zou zijn gedaald zich verhouden tot het bedrag van € [bedrag] en het eveneens door SAOZ genoemde bedrag van

€ [bedrag] dat ziet op de daling van de omzet die aan de werkzaamheden van het project wordt toegerekend.

Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat dit deel van het advies niet begrijpelijk is. Het deel van het bestreden besluit dat op dit deel van het advies is gebaseerd komt daarom wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in aanmerking.

Gebleken is voorts dat eiseres het pand op 31 maart 2006 heeft verkocht. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat een dergelijke maatregel als schadebeperkend zou kunnen worden aangemerkt, in welk geval het nadeel het werkelijk geleden nadeel is, aldus verweerder ter zitting, maar in dit geval heeft verweerder daar geen aanleiding toe gezien. Verweerder heeft verder uiteengezet dat het ook voor de hand had gelegen dat eiseres over een maatregel tot verkoop overleg had gevoerd. Er zouden dan voorschotten verleend kunnen worden.

Eiseres heeft ter zitting gesteld dat zij met sluiting en verkoop de juiste keus heeft gemaakt omdat de omzetten zich niet hebben hersteld. Uit het advies van SAOZ blijkt dat de werkzaamheden aan het project de sluiting weliswaar niet veroorzaakt hebben maar mogelijk wel versneld. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het onaannemelijk dat de verkoop van het pand geen rationele ondernemingsbeslissing was om de verdere schade nog zoveel mogelijk te beperken. Aan de stelling van verweerder dat eiseres had kunnen overleggen komt naar het oordeel van de rechtbank geen gewicht toe. De rechtbank stelt daartoe vast dat in de artikel 7 van de ANV (schadebeperking) niet een voorschrift over overleg is opgenomen.

Ook op dit deel van het besluit ontbeert het bestreden besluit toereikende motivering en komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

Wettelijke rente

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de ingangsdatum van de wettelijke rente dient te worden berekend vanaf het ontstaan van de schade in 2003 en volgende, dan wel vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag.

Artikel 10 van de ANV bepaalt dat een vergoeding van wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek deel kan uitmaken van de toe te kennen vergoeding. Het tijdstip waarop de wettelijke rente ingaat, wordt gesteld op de datum van ontvangst van het verzoek door de gemeente.

De rechtbank is van oordeel dat artikel 10 van de ANV het tijdstip waarop de wettelijke rente ingaat uitputtend regelt en geen ruimte voor beleid biedt. De rechtbank verwerpt daarom het primair ingenomen standpunt van eiseres hierover.

Bij brief van 18 augustus 2011 heeft verweerder medegedeeld dat naar aanleiding van het advies van de bezwarencommissie de wettelijke rente alsnog is vastgesteld vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag en betaalbaar is gesteld. Gelet op hetgeen hierboven onder nadeelcompensatie is overwogen acht de rechtbank het niet uitgesloten dat de omvang van het bedrag herberekend zal moeten worden. Het beroep dient in zoverre grond te worden verklaard.

Onrechtmatigheid

11. Eiseres stelt dat sprake van onrechtmatig handelen omdat ten behoeve van de onttrekking van de Markstraat en de Torenstraat aan het verkeer geen onttrekkingsbesluiten op grond van de Wegenwet zijn genomen. Op grond van dit onrechtmatig handelen dient de schade van eiseres onverkort te worden vergoed.

De rechtbank neemt in aanmerking, dat de Wegenwet ziet op de zorg en het onderhoud van wegen, waarbij de overheid zorg heeft voor de instandhouding en bruikbaarheid der openbare wegen (Kamerstukken II 1927/28, 362, 3). De onttrekking van wegen aan de openbaarheid heeft aldus dan ook alleen betrekking op wegen die na de onttrekking aan de openbaarheid blijven bestaan; de onderhoudsverplichting gaat over op de particuliere eigenaar. Dit speelt geen rol indien wegen worden verwijderd. Daarnaast dient in aanmerking te worden genomen dat op grond van de WRO, die posterieur is aan de Wegenwet, bestemmingen van plandelen zoals verkeersbestemmingen, kunnen worden gewijzigd in andere bestemmingen, die vervolgens verwezenlijkt kunnen worden zonder nadere besluitvorming. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel, dat geen sprake is van onrechtmatig handelen door verweerder op grond van de omstandigheid dat hij geen onttrekkingsbesluiten heeft genomen.

12. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit voor gedeeltelijke vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is gedeeltelijk gegrond.

13. In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 874,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.

III. Uitspraak

De Rechtbank Middelburg

verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op de vaststelling van de vergoeding voor nadeelcompensatie en voorzover het ziet op de vaststelling van het bedrag van de wettelijke rente;

bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,- aan eiseres vergoedt;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op

€ 874,- (achthonderdvierenzeventig euro), te betalen door verweerder aan eiseres.

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.M. Reinarz als voorzitter en mr. J.C.K.W. Bartel en

mr. A. van der Knijff als leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis als griffier en op

2 februari 2012 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 2 februari 2012