Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2012:BV1286

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
19-01-2012
Datum publicatie
19-01-2012
Zaaknummer
12/715439-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Minderjarigenstrafrecht. Diefstal vergezeld van geweld. Strafmaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715439-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 januari 2012

in de strafzaak tegen de minderjarige verdachte

[verdachte],

geboren op [1994],

wonende te [adres],

ter terechtzitting verschenen,

raadsman mr. Van Hevele, advocaat te Terneuzen,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting met gesloten deuren van 5 januari 2012, waarbij de officier van justitie mr. Van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 augustus 2011, te Goes tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening heeft weggenomen 12, althans een hoeveelheid (sloffen) sigaretten

en/of shag en/of 10 pakjes shag, althans een hoeveelheid pakjes shag en/of een

hoeveelheid contant geld (ter waarde van (ongeveer) 100 Euro dan wel enig

ander geldbedrag) en/of een sigarendoos (van blik,van het merk:"Uil"), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] (geboren op [1927]), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of

aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld

hierin bestond(en) dat hij,verdachte en/of zijn mededader(s):

- die [slachtoffer] de toegang tot haar sigarenzaak heeft/hebben ontzegd

door (met geweld) de toegangsdeur tot die zaak dicht te drukken, in elk geval

dicht te houden toen die [slachtoffer] probeerde haar zaak te betreden,

en/of

- nadat die [slachtoffer] via een andere route haar sigarenzaak alsnog had

betreden - die [slachtoffer] (hard) met twee handen tegen de borst,in elk

geval tegen het lichaam heeft/hebben geduwd waardoor die [slachtoffer] ten

val kwam en/of (daardoor) het bewustzijn verloor en/of letsel opliep;

artikel 310 Wetboek van Strafrecht

artikel 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Feiten

Op basis van de zich in het dossier bevindende stukken alsmede gelet op het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank de navolgende feiten vast.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1]) hebben op zondagavond 14 augustus 2011 of maandag 15 augustus 2011 het plan opgevat om een overval te plegen op het sigarettenwinkeltje van [slachtoffer] aan de Voorstad in Goes. Zij hadden daar op school al eerder in het jaar met elkaar over gesproken, maar deze dagen is het plan uitgewerkt. Ze hebben op maandag 15 augustus 2011 de medeverdachte [medeverdachte 3] (verder: [medeverdachte 3]) bij het plan betrokken en hij heeft aan medeverdachte [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2]) gevraagd om ook mee te doen. Ze kenden [slachtoffer] al, omdat ze wel in haar winkel kwamen om sigaretten te kopen. Ze noemden haar ‘oma’. Ze hebben haar uitgekozen voor de overval, omdat ze een gemakkelijk doelwit is en omdat er geen bewakingscamera’s in haar winkel hangen. Ze hebben afgesproken dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] als eersten naar de Veste zouden gaan omdat ze vanaf daar de winkel in de gaten konden houden. Met de gsm van [medeverdachte 2] zouden ze contact houden met verdachte en [medeverdachte 1] om hen te laten weten wanneer het een geschikt moment was om naar binnen te gaan en om te waarschuwen als er mensen aankwamen. Verdachte en [medeverdachte 1] hadden zwarte kousen bij zich om over hun hoofden te doen. Zij zouden op een geschikt moment naar binnen gaan. [medeverdachte 1] zou de deur tussen de winkel en de woonkamer van [slachtoffer] dichtduwen om te voorkomen dat ze de winkel in zou komen. Ondertussen zou verdachte sigaretten en geld pakken. Verdachten sliepen in de periode van maandag 15 augustus 2011 tot woensdag 17 augustus 2011 alle vier bij [logeeradres] in Goes. Op dinsdag 16 augustus 2011 hebben de verdachten gezamenlijk een eerste poging gedaan om dit plan uit te voeren. De poging is toen afgebroken omdat het te druk bleek. Op woensdagochtend 17 augustus 2011 zijn verdachten rond 7.00 uur vertrokken vanaf hun logeeradres. [medeverdachte 3] had iedereen wakker gemaakt en gepusht om de overval te plegen. Ook deze keer vertrokken [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] als eersten en verdachte en [medeverdachte 1] vijf minuten later. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gingen op het bankje op de Veste tegenover de winkel zitten en hielden contact met verdachte en [medeverdachte 1] via de gsm van [medeverdachte 2]. Eerst was er nog een andere klant, maar nadat die was vertrokken zijn verdachte en [medeverdachte 1] de winkel in gegaan. Op dat moment trokken ze de zwarte kousen over hun hoofd. [medeverdachte 1] duwde de deur tussen de winkel en de woonkamer dicht. Verdachte zocht ondertussen naar sigaretten en geld. [slachtoffer] hoorde geluiden in de winkel en probeerde via de deur naar binnen te komen, wat niet lukte omdat [medeverdachte 1] de deur dicht duwde. Daarop is ze via een andere deur de winkel ingekomen. Verdachten hadden zich van te voren niet gerealiseerd dat er nog een deur was. Op het moment dat [slachtoffer] binnenkwam riep verdachte: ‘ga weg, ga weg’. [slachtoffer] liep op verdachte af en probeerde de kous van zijn hoofd te trekken. Verdachte heeft haar vervolgens met beide handen een duw gegeven waardoor [slachtoffer] ten val kwam. Zij is daardoor korte tijd buiten bewustzijn geraakt en heeft enige tijd versuft op de grond gelegen. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn vertrokken en namen sloffen sigaretten, shag, ongeveer € 100,00 en een sigarendoos van blik mee. Ze zijn toen uit elkaar gegaan en hebben elkaar weer ontmoet in het huis van [logeeradres]. Daar hebben ze de buit verdeeld, waarbij verdachte en [medeverdachte 1] een groter deel kregen.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met geweld. Hij baseert zich daarbij op de bekennende verklaringen van verdachte bij de politie en op de terechtzitting. De officier van justitie benadrukt dat er onderscheid moet worden gemaakt tussen een uit de hand gelopen winkeldiefstal waarbij op het moment van betrapping geweld wordt gebruikt en een overval, waar, met een vooropgezet plan, de overvallers met gezichtsbedekking de winkel binnen komen om de eigenares al dan niet met geweld of bedreiging daarmee te beroven. In deze zaak was er een vooropgezet plan, verdachten hadden zwarte kousen om te gebruiken als gezichtsbedekking en zij waren tevens bereid om geweld te gebruiken. Er was dus sprake van een overval en zo spraken de verdachten er onderling ook over.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich met betrekking tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit aan het oordeel van de rechtbank.

4.4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen en zal, op grond van artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 5 januari

2012;

- de aangifte van [slachtoffer];

- het proces-verbaal van bevindingen met aanvullingen op de aangifte en de bijlage

goederen d.d. 22 augustus 2011;

- de beschrijving letsel opgemaakt door E.M. Bakker, forensische geneeskundige

GGD Zeeland d.d. 17 augustus 2011.

4.5 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 17 augustus 2011, te Goes tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen sloffen sigaretten en shag en een

hoeveelheid contant geld (ter waarde van (ongeveer) 100 Euro en een sigarendoos (van blik,van het merk: "Uil") toebehorende aan [slachtoffer] welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] (geboren op [1927]), gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken welk geweld hierin bestond dat hij,verdachte en zijn mededader(s):

- die [slachtoffer] de toegang tot haar sigarenzaak heeft/hebben ontzegd door (met geweld) de toegangsdeur tot die zaak dicht te drukken,

en

- nadat die [slachtoffer] via een andere route haar sigarenzaak alsnog had

betreden - die [slachtoffer] (hard) met twee handen tegen het lichaam hebben geduwd waardoor die [slachtoffer] ten

val kwam en (daardoor) het bewustzijn verloor en letsel opliep.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

Verdachte heeft een zeer ernstig feit gepleegd. Gezien zijn leeftijd moet het jeugdstrafrecht worden toegepast. Het voorkomen van recidive en hulpverlening staat centraal, maar ook normbevestiging is van belang. Uitgangspunt bij strafoplegging voor dit delict is een jeugddetentie of een gedragsbeïnvloedende maatregel en er is geen reden om hiervan af te wijken. Wel moet rekening worden gehouden met het feit dat verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Er was ten aanzien van verdachte enige documentatie. Verdachte is de persoon geweest die daadwerkelijk geweld heeft toegepast en daarom is de eis iets hoger dan bij de andere verdachten. De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met begeleiding door de jeugdreclassering. Verdachte moet zich houden aan aanwijzingen die door de jeugdreclassering worden gegeven en dat kan inhouden een ambulante behandeling bij De Waag of het volgen van Multi Systeem Therapie (MST). Tevens vordert de officier van justitie aan verdachte een werkstraf van 200 uur op te leggen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Over verdachte is uitgebreid gerapporteerd. In het over hem uitgebrachte psychologisch rapport is beschreven hoe hij in een negatieve ontwikkeling terecht is gekomen waarin hij steeds meer is gaan blowen, opstandig is geworden en spijbelde. Uit het laatste rapport van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat het inmiddels goed gaat met verdachte. Hij houdt zich aan de afspraken.

Er moet rekening worden gehouden met het feit dat verdachte first offender is. Volgens de officier van justitie hebben de verdachten voorafgaand aan de overval al rekening gehouden met de kans dat geweld gebruikt zou worden. De verdediging ontkent dat. Verdachten hebben de deur dicht gehouden om te voorkomen dat het slachtoffer binnen zou komen. Hij heeft pas geduwd toen het slachtoffer op hem afkwam, het was een schrikreactie. Alhoewel dit een ernstige fout is, was er geen sprake van het vooraf bewust incalculeren van gebruik van geweld. De verdediging stelt zich op het standpunt dat een jeugddetentie het hulpverleningstraject, dat inmiddels is ingezet, doorkruist. De straf moet gericht zijn op het doorbreken van de negatieve ontwikkeling. De verdediging verzoekt de rechtbank een onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen die gelijk is aan het voorarrest. Daarbij kan ook een voorwaardelijke jeugddetentie of een werkstraf worden opgelegd met de maatregel hulp en steun en de verplichting om mee te werken aan hulpverlening vanuit De Waag.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het verdachte betreffende uittreksel justitiële documentatie d.d. 22 augustus 2011.

De rechtbank neemt bij de straftoemeting in aanmerking dat verdachte betrokken is geweest bij een overval op een winkel, waarbij de verdachten in het geheel geen rekening hebben gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer. Verdachten zijn berekenend te werk gegaan. Ze hebben bewust gekozen voor een kwetsbaar slachtoffer, een vrouw van 84 jaar die ze ook kenden, want ze kochten wel eens sigaretten bij haar en noemden haar ‘oma’. De overval heeft grote gevolgen gehad voor het slachtoffer. Sinds de overval heeft ze bij het lopen een rollator nodig. Angstgevoelens hebben er toe geleid dat ze sinds de overval haar winkel pas om 9.00 uur opent wanneer het drukker is op straat. Als er klanten in de winkel komen die qua postuur lijken op verdachten schrikt ze nog altijd. Ook in de samenleving heeft deze overval een grote impact gehad en veel verontwaardiging opgeroepen. Verdachten kozen expres een kleine winkel uit, waar geen bewakingscamera’s hangen. Juist voor kleine ondernemers is het moeilijker om zich tegen dit soort overvallen te verweren. De rechtbank rekent het verdachte zeer aan dat hij betrokken was bij dit zeer ernstige feit dat gelet op de kwetsbaarheid van het slachtoffer bijzonder laf is te noemen.

Uit het psychologisch rapport d.d. 8 november 2011 komt naar voren dat er bij verdachte geen problemen zijn geweest in de kindertijd. Zijn ouders zijn gescheiden, maar hebben goed contact met elkaar en verdachte heeft zelf ook met beiden een goede relatie. Sinds een jaar gaat het slechter op school en is verdachte gaan spijbelen en blowen. Het delict is gepleegd onder invloed van deze middelen. De psycholoog adviseert een voorwaardelijke straf met begeleiding door de jeugdreclassering op te leggen waarbij urinecontroles en gesprekken met verslavingszorg van belang zijn in het kader van terugvalpreventie. Voorts adviseert de psycholoog om verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank neemt dit advies over en houdt daarmee rekening bij het bepalen van de straf.

Dit advies komt overeen met de inhoud van het rapport van 2 december 2011 van de Raad voor de Kinderbescherming. De Raad vindt begeleiding nodig om te voorkomen dat verdachte terugvalt in het drugsgebruik en adviseert een werkstraf, gedeeltelijk voorwaardelijk, met de maatregel hulp en steun, ook als dit betekent meewerken aan hulpverlening vanuit De Waag of MST.

De rechtbank acht [medeverdachte 1] en verdachte beiden verantwoordelijk voor het toegepaste geweld en ziet in het door verdachte gebruikte geweld dan ook geen reden om aan verdachte een (aanmerkelijk) zwaardere straf op te leggen dan aan [medeverdachte 1]. Hoewel het een zeer ernstig feit betreft waarvoor jeugddetentie van enige duur in beginsel een passende sanctie is, zal de rechtbank gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in het bijzonder het belang van voortgang van de ingezette behandeling en begeleiding, aan verdachte geen langere jeugddetentie opleggen dan het voorarrest. De rechtbank legt verdachte een jeugddetentie van 180 dagen op, waarvan 122 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de Jeugdreclassering, ook als dat inhoudt een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling en ook als dat inhoudt meewerken aan Multi System Therapy en het opvolgen van aanwijzingen ten aanzien van middelengebruik alsmede het meewerken aan urinecontroles. Tevens zal de rechtbank een contactverbod met [slachtoffer] opleggen, gezien de persoon van het slachtoffer, haar hoge leeftijd en haar uitdrukkelijke wens geen contact te hebben met de verdachte. Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen tot het verrichten van een werkstraf van tweehonderd uur.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 1.202,30 voor het ten laste gelegde feit, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en vordert de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag hoofdelijk aan verdachte op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de vordering niet betwist.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de schade van € 1.202,30 een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit, waarvan € 602,30 ter zake van materiële schade, te weten € 349,30 voor sigaretten, € 153,00 voor shag en € 100,00 aan contanten en € 600,00 aan immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen alsmede de gevorderde wettelijke rente vanaf 17 augustus 2011.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte het feit samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 36f, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.5 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die

diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer

verenigde personen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 180 (honderdtachtig) dagen, waarvan 122 (honderdtweeëntwintig) voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Zeeland, Jeugdreclassering, voor zolang de jeugdreclassering dit nodig acht, ook als dat inhoudt het volgen van een ambulante behandeling bij De Waag of een soortgelijke instelling en ook als dat inhoudt meewerken aan Multi System Therapy en het opvolgen van aanwijzingen ten aanzien van middelengebruik alsmede het meewerken aan urinecontroles;

* dat verdachte gedurende de proeftijd direct noch indirect op welke wijze dan ook contact zoekt of opneemt met [slachtoffer], geboren [1927];

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te geven bij de naleving van de voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

- stelt in dit verband vast dat verdachte aldus de opgelegde vrijheidsstraf reeds heeft ondergaan, voorzover het voorarrest niet op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 200 (tweehonderd) uur;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast van 100 (honderd) dagen;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte, zulks met onmiddellijke ingang;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], [adres], van een schadevergoeding van € 1.202,30 , waarvan € 602,30 ter zake van materiële schade en € 600,00 ter zake van immateriële schade; vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 17 augustus 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag geheel of gedeeltelijk door één of meer mededaders is betaald, verdachte in zoverre niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 1.202,30 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 22 dagen jeugddetentie, met dien verstande dat toepassing van de vervangende jeugddetentie de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag geheel of gedeeltelijk door één of meer mededaders is betaald, verdachte in zoverre niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. De Roos en mr. Haesen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meester, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 januari 2012.