Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BW6843

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
20-09-2011
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
Awb 11/845
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking exploitatievergunning. Weerlegging betrokkenheid hennepkwekerij niet geloofwaardig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 11/845

Uitspraak van de voorzieningenrechter voor bestuursrechtelijke zaken

op het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (voorlopige voorziening)

inzake

[naam 1],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. K.M. Moeliker,

tegen

de burgemeester van de gemeente Schouwen-Duiveland,

gevestigd te Zierikzee,

verweerder.

I. Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2011 heeft verweerder de aan verzoeker verleende exploitatievergunningen voor de horecagelegenheden gevestigd in de panden [adres 1] en [adres 2] te [plaats] ingetrokken.

Verzoeker heeft hiertegen een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Het verzoek is op 16 september 2011 behandeld ter zitting. Verzoeker is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde D.J. Perquin en J.F. Okma, ambtenaren van de gemeente.

II. Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Verzoeker exploiteert in de door hem gehuurde panden aan de [adres 1] en [adres 2] te [plaats] twee horecagelegenheden met de handelsnamen “De Vismijn en “King Kebab”. Naar aanleiding van een brand op het adres [adres 2] op 9 mei 2011 is op 10 mei 2011 geconstateerd dat op de bovenverdiepingen van beide horecapanden hennepkwekerijen waren aangelegd. Bij brief van 25 mei 2011 heeft verweerder aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt om tot intrekking van de aan verzoeker op 26 januari 2009 en 28 juli 2009 verleende exploitatie- en terrasvergunningen over te gaan.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit het onderzoek naar aanleiding van de aangetroffen hennepkwekerijen is gebleken dat verzoeker betrokken is geweest bij deze hennepteelt en bij het buiten de electrameter om afnemen van stroom. Verder is verweerder thans op grond van door het Regionaal Informatie en Expertise Centrum (RIEC) beschikbaar gestelde informatie duidelijk geworden dat verzoeker reeds eerder als verdachte betrokken is geweest bij een hennepkwekerij, dat verzoekers onderhuurder [naam 2] toen voor die hennepteelt is veroordeeld, dat verzoeker in 2008 betrokken is geweest bij een winkeldiefstal, gepleegd samen met deze [naam 2] en dat verzoeker in 2010 betrokken is geweest bij openlijke geweldpleging in [plaats]. Volgens verweerder heeft de betrokkenheid van verzoeker bij deze activiteiten een schok in de lokale gemeenschap te weeg gebracht en staat deze op gespannen voet met de voorbeeldfunctie die verzoeker als ondernemer heeft. De intrekking heeft verweerder gebaseerd op de artikelen 1:6 en 1:8 jo 2:28 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2010 van de gemeente Schouwen-Duiveland (hierna: Verordening).

4. Korte weergegeven heeft verzoeker aangevoerd dat [naam 2] als enige verantwoordelijk is voor het opzetten van de aangetroffen hennepkwekerijen. [naam 2] huurde de bovenwoning [adres 2]. De bovenwoning [adres 1] bewoont verzoeker zelf alleen in de zomermaanden. Verweerder kan niet aannemelijk maken dat verzoeker betrokken is geweest bij de hennepkwekerijen. Verzoeker betwijfelt verder of verweerder op rechtmatige wijze over hem betreffende persoonsgegevens en gegevens van het RIEC kon beschikken. Verzoeker ontkent eerdere betrokkenheid bij een hennepkwekerij en wil zich niet uitlaten over zijn betrokkenheid bij de overige door verweerder genoemde strafbare feiten.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

5. Ingevolge artikel 2:28, eerste lid, van de APV is het verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

In artikel 1:6, aanhef en onder b., van de APV is bepaald dat de op grond van de APV verleende vergunning kan worden ingetrokken indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

In artikel 1:8 van de APV is bepaald dat de vergunning kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en de bescherming van het milieu.

Ingevolge artikel 2:28, vierde lid, van de APV kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Artikel 2:28, vijfde lid, van de APV bepaalt dat de burgemeester hierbij rekening houdt met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie.

6. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat ter zake genoemde bevoegdheden geen beleidsregels zijn opgesteld.

7. De voorzieningenrechter begrijpt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat het in bezwaar aangevallen besluit in elk geval berust op de volgende feiten en omstandigheden:

Verzoeker is huurder van de onderhavige panden. Zijn horecabedrijven op de begane grond zijn geopend gedurende de zomermaanden (1 mei tot en met 31 oktober). Verzoeker is daarnaast de enige in de Gemeentelijke Basisadministratie geregistreerde bewoner van de woonruimte gelegen boven de horeca op de begane grond. Verzoeker bewoont, gedurende de zomermaanden ook daadwerkelijk de woonruimte op het adres [adres 1]. Verzoeker heeft gesteld dat hij de woonruimte [adres 2] heeft verhuurd aan [naam 2]. Hij heeft daartoe een (niet-ondertekende) huurovereenkomst overgelegd. Deze [naam 2] heeft voor verzoeker werkzaamheden verricht in de beide horecapanden.

Politie en bijzondere opsporingsambtenaren van de gemeente Schouwen-Duiveland hebben vastgesteld dat in het horecagedeelte van het pand [adres 1] vanuit de meterkast op zichtbare wijze buiten de meterkast om een stroomverbinding naar de hennepkwekerijen in de bovenwoningen was aangelegd. Daarnaast was er ten behoeve van de kwekerij in het woonhuis van verzoeker tussen de woningen [adres 1] en [adres 2] een aan de buitenzijde van de panden zichtbare elektriciteitskabel aangebracht. De kwekerij op de zolder van het adres [adres 1] was uitsluitend toegankelijk via het woonhuis van verzoeker. Afval afkomstig van de kwekerijen werd ondermeer aangetroffen op het balkon van het woonhuis van verzoeker. Ook in een aanhangwagen met opschrift van het horecabedrijf van verzoeker werd afval afkomstig van de hennepteelt aangetroffen.

8. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder uit genoemde feiten en omstandigheden kunnen afleiden dat verzoeker betrokken is bij de hennepkwekerijen boven beide horecagelegenheden.

9. De verklaringen waarmee verzoeker dit heeft trachten te weerleggen heeft verweerder terecht als niet-geloofwaardig afgedaan. Verzoeker heeft verklaard dat de kwekerijen voor hem niet toegankelijk waren, omdat hij niet beschikt over sleutels die toegang verschaffen tot de woning [adres 2] of de zolderruimte van [adres 1]. De woning [adres 2] bleek bij controle echter niet afgesloten. Voorts is het niet aannemelijk dat verzoeker [naam 2] toegang verleent tot verzoekers woning en daarbij aan [naam 2] de daar aanwezige zolderruimte ter beschikking stelt zonder dat verzoeker enig toezicht heeft op hetgeen zich daar afspeelt. In dat verband kan worden opgemerkt dat verzoeker bij de controle op 10 mei 2011 naar aanleiding van de brand op 9 mei 2011 heeft verklaard dat de brand zou zijn ontstaan door een frituurpan, terwijl verzoeker later heeft verklaard dat hij reeds op 9 mei 2011 had gezien dat de hennepkwekerij de oorzaak was van de brand. Hierbij komt nog bij dat verzoeker geacht kan worden op de hoogte te zijn geweest van eerdere betrokkenheid van [naam 2] bij hennepteelt. Verzoeker is namelijk in 2009 als verdachte gehoord in het strafrechtelijk onderzoek naar een hennepkwekerij, waarvoor uiteindelijk [naam 2] – destijds onderhuurder van verzoekers broer – is veroordeeld.

10. De door verzoeker opgeworpen vraag dat niet duidelijk is of verweerder langs rechtmatige weg de beschikking heeft gekregen over informatie vanuit het RIEC is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet van invloed op de waardering van bovengenoemde gebleken feiten en omstandigheden.

11. Verweerder heeft een en ander zonder meer kunnen betrekken bij de vraag naar de toepassing van zijn bevoegdheid op grond van 1:6 van de APV. Daarbij heeft verweerder in redelijkheid kunnen oordelen dat bovengenoemde, eerst thans bekend geworden feiten en omstandigheden blijk geven van veranderde omstandigheden, dan wel een gewijzigd inzicht omtrent de vraag of het belang van de openbare orde zich wel verdraagt met het verlenen van een horeca-exploitatievergunning aan verzoeker. Verweerder heeft die vraag vooralsnog negatief kunnen beantwoorden. Niet van doorslaggevend belang is dat er (nog) geen sprake is van strafvervolging van verzoeker.

12. Gelet op het belang van de openbare orde en het reparatoire karakter van het thans voorliggende besluit, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen besluiten tot intrekking van de exploitatievergunningen voor onbepaalde tijd.

13. Nu daarom voorshands moet worden aangenomen dat het bestreden besluit in bezwaar zal standhouden, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

14. Evenmin is er aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de Rechtbank Middelburg

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier en op 20 september 2011 in het openbaar uitgesproken.

Griffier, Voorzieningenrechter,

Afschrift verzonden op: