Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BW0704

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
12-09-2011
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
220761
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing vordering op grond van de "Baijingsleer".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2012/139
AR-Updates.nl 2012-0314
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector kanton

Locatie Middelburg

zaak/rolnr.: 220671 / 11-2134

vonnis van de kantonrechter d.d. 12 september 2011

in de zaak van

[partij A],

wonende te [adres],

eisende partij,

verder te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. J.B. de Meester,

t e g e n :

de besloten vennootschap

Delta Consult B.V.,

gevestigd te [adres],

gedaagde partij,

verder te noemen: Delta,

gemachtigde: J.E. Hoetink.

het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

- dagvaarding van 10 mei 2011,

- conclusies van antwoord, repliek en dupliek.

de beoordeling van de zaak

1. [Eiser] is tot 1 april 2011 krachtens arbeidsovereenkomst in dienst geweest van Delta. Bij beschikking van 17 maart 2011 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbonden. [Eiser] ontvangt vanaf 1 juli 2011 een WW-uitkering. Er was een Sociaal Plan van kracht op de reorganisatie die ten grondslag lag aan het ontbindingsverzoek. De kantonrechter heeft in afwijking van het Sociaal Plan een hoger bedrag aan ontbindingsvergoeding toegekend aan [eiser].

2. [Eiser] stelt dat hij conform het Sociaal Plan recht heeft op compensatie voor de door het UWV gehanteerde wachtperiode in verband met de fictieve opzegtermijn. In het Sociaal Plan is opgenomen dat die compensatie 75% van het laatstverdiende loon inclusief vakantietoeslag bedraagt. Volgens [eiser] is deze bepaling uit het Sociaal Plan op hem van toepassing omdat in het Sociaal Plan staat dat het Sociaal Plan, behoudens de zogenaamde Plusregeling, op medewerkers die niet met het voorstel hebben ingestemd, onverkort van kracht blijft. [Eiser] vordert, na vermeerdering van eis bij conclusie van repliek om Delta te veroordelen tot betaling van € 13.025,34 bruto, te verhogen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over een bedrag van € 4.341,78 bruto per 1 juni 2011 en de wettelijke verhoging en de wettelijke rente over een bedrag van € 8.683,56 bruto per 1 juli 2011, met veroordeling van Delta in de kosten van de procedure.

3. Delta heeft de vordering bestreden. Primair stelt Delta dat als de regeling in het Sociaal Plan, dat 75% van het salaris gedurende de wachttijd in verband met de fictieve opzegtermijn zou worden betaald, al op te vatten is als een onherroepelijk derdenbeding, [eiser] daarop geen aanspraak meer kan doen gelden omdat hij het gehele Sociaal Plan onverwijld heeft afgewezen en ook daarna telkens heeft laten weten dat hij Sociaal Plan niet accepteert. Subsidiair stelt Delta dat de vordering op grond van de ‘Baijingsleer’zou moeten worden afgewezen omdat [eiser] aanspraak maakt op een voorziening die al in de ontbindingsprocedure aan de orde is geweest en de kantonrechter de gevraagde voorziening, het rekening houden met de fictieve opzegtermijn, niet heeft gehonoreerd. Als de regeling in het Sociaal Plan nog steeds als een geldend aanbod zou kunnen worden beschouwd, dat [eiser] bij brief van 14 april 20011 nog steeds zou kunnen hebben aanvaarden, dient die aanvaarding te worden aangemerkt als in strijd met de tussen partijen geldende contractuele goede trouw. Uiterst subsidiair heeft Delta de hoogte van de vordering betwist.

4. De kantonrechter overweegt als volgt. De regeling in het Sociaal Plan betreffende de vergoeding van 75% van het laatstgenoten salaris als compensatie voor de door het UWV gehanteerde wachttijd in verband met de fictieve opzegtermijn, is op te vatten als een onherroepelijk derdenbeding. In het Sociaal Plan is immers opgenomen dat die regeling, die geen deel uitmaakt van de Plusregeling, ook van kracht is indien werknemers het aanbod volgend uit het Sociaal Plan niet aanvaarden. [Eiser] zou aanspraak op die regeling kunnen maken indien hij dat beding zou hebben aanvaard. De kantonrechter is van oordeel dat het beding niet is aanvaard door [eiser] omdat hij het gehele Sociaal Plan onverwijld heeft afgewezen bij brief van 3 januari 2011. Die afwijzing heeft hij verschillende keren herhaald, bij brieven van 7 en 11 januari 2011 en tijdens de ontbindingsprocedure. Nu het derdenbeding niet door [eiser] is aanvaard, kan hij daarop thans geen aanspraak meer doen gelden. De aanvaarding bij brief van 14 april 2011, na de beschikking in de ontbindingsprocedure, is te laat. In het kader van de ontbindingsprocedure heeft [eiser] betoogd dat de kantonrechter rekening moest houden met een fictieve opzegtermijn van vijf maanden. De kantonrechter heeft in zijn beschikking van 17 maart 2011 overwogen dat de inhoud van het Sociaal Plan niet de basis mag vormen waarop de hoogte van de vergoeding moet worden gebaseerd. Vervolgens heeft de kantonrechter een ontbindingsvergoeding toegekend van € 208.405,35 bruto. Die vergoeding is bedoeld om de gevolgen van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, waaronder ook de wachtperiode die het UWV hanteert in verband met de fictieve opzegtermijn, te compenseren. De vordering, voor zover gebaseerd op de stelling dat een deel van het Sociaal Plan alsnog aanvaard is door de brief van 14 april 2011, dient op grond van de ‘Baijingsleer’ te worden afgewezen, omdat die voorziening al aan de orde is gesteld in de ontbindingsprocedure en de kantonrechter de aldaar gevraagde voorziening op dit punt niet heeft toegewezen. Nu het verweer van Delta doel treft, zal de vordering worden afgewezen.

5. [Eiser] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordeeld.

de beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, welke aan de zijde van Delta tot op heden worden begroot op € 400,00 wegens salaris van de gemachtigde van Delta;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad, voor zover daarbij een veroordeling is uitgesproken.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.J.C. van Spronssen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.