Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BV3720

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
08-02-2011
Datum publicatie
13-02-2012
Zaaknummer
12/005000-89
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

TBS met dwangverpleging verlengd conform nadrukkelijke wens van TBS-gestelde en mede vanwege praktische uitvoerbaarheid van de behandeling binnen dit dwangkader, ondanks advies en vordering tot voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Afwijzing verzoek onderzoek naar minder ingrijpend beveiligingsalternatief (BOPZ-kader).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/005000-89

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 8 februari 2011

op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging van

[terbeschikkinggestelde],

geboren op [1952],

(hierna: terbeschikkinggestelde),

thans met proefverlof verblijvende in het psychiatrisch ziekenhuis Emergis, Oostmolenweg 101, 4481 PM Kloetinge.

1. De stukken

Het dossier bevat onder meer de volgende stukken:

- de vordering van de officier van justitie d.d. 23 december 2010, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met twee jaar;

- de aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de terbeschikkinggestelde in de vorm van tweemaandelijkse voortgangsverslagen, opgesteld door de Reclassering Nederland ten behoeve van De Woenselse Poort te Eindhoven, onderdeel van het concern Geestelijke Gezondheidszorg te Eindhoven;

- het rapport van De Woenselse Poort d.d. 30 december 2010, waarin het advies van de zijde van de inrichting is vermeld.

2 De procesgang

Bij arrest van het gerechtshof te ‘s-Gravenhage van 23 februari 1990 is de terbeschikkinggestelde wegens “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd” en “overtreding van een voorschrift, vastgesteld bij artikel 3 van de Vuurwapenwet 1919, meermalen gepleegd”, ontslagen van alle rechtsvervolging wegens niet strafbaarheid van de terbeschikkinggestelde en is aan hem de maatregel van TBS met dwangverpleging opgelegd.

Het gerechtshof heeft in zijn arrest het oordeel van de destijds geraadpleegde gedragsdeskundigen overgenomen dat er bij de terbeschikkinggestelde ten tijde van het plegen van de feiten sprake was van een ziekelijke stoornis in de vorm van een paranoïde psychose.

Het tegen deze uitspraak ingestelde cassatieberoep is verworpen op 19 februari 1991.

De TBS is op 19 februari 1991 aangevangen en voor het laatst met twee jaar verlengd bij beslissing van deze rechtbank van 3 maart 2009.

Tijdens het onderzoek in de openbare raadkamer van de rechtbank is de officier van justitie mr. Rammeloo gehoord.

Tevens is de terbeschikkinggestelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsman mr. De Vos, advocaat te Amsterdam.

Als deskundige is gehoord de heer Van Montfoort, psychiater/directeur behandelzaken en hoofd van de inrichting De Woenselse Poort. Verder is informatie verstrekt door mevrouw Wiggers, behandelaar bij Emergis, en door mevrouw Hoogstraten van de Reclassering Nederland.

3 Het standpunt van de TBS-instelling

De TBS-instelling heeft geadviseerd de TBS voorwaardelijk te beëindigen (waarmee wordt bedoeld: de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen) met als voorwaarde voortzetting van de depotmedicatie en de mogelijkheden om het kader middels een

BOPZ-maatregel te onderzoeken.

Dit adviesrapport, dat is opgesteld door de psychiater Van Montfoort houdt onder meer het volgende in:

“De terbeschikkinggestelde betreft een man die in het verleden en dit al vanaf 1974 wegens recidiverende paranoïde psychoses talrijke malen en met juridische maatregelen in meerdere psychiatrische ziekenhuizen behandeld werd. Wapenbezit en dreigend gedrag met wapens naar vermeende belagers vormden steeds de aanleiding tot opname of tot onderbreking van het proefverlof. Vastgesteld werd ook dat behandeling ten gevolge van de geringe gevoelsafhankelijkheid van betrokkene steeds te laat kwam, te weten pas nadat een incident om ingrijpen vroeg. Betrokkene werd herhaaldelijk onderzocht en steeds was de conclusie dat betrokkene onder invloed van een paranoïde psychotische toestand tot delicten komt.

De prognose van het ziektebeeld van betrokkene is dat hij nooit helemaal zal kunnen herstellen van de chronische aandoening (schizofrenie). Dat betekent dat betrokkene voor de rest van zijn leven rekening zal moeten houden met de mogelijkheid van het terugvallen in een ernstig psychotisch toestandsbeeld, waarbij hij door de inhoud van de stoornis een risico kan vormen voor zijn omgeving. Dit risico is in het geval van betrokkene erg gekoppeld aan zijn ziektebeeld.

Dankzij de huidige omkadering is er een goed evenwicht bereikt waarbinnen betrokkene niet langer als direct gevaarlijk bestempeld kan worden. Medicatie zorgt voor een afdoende onderdrukking van de psychotische symptomen en werkt tegelijkertijd als een ‘stok achter de deur’ tegen terugval in alcohol gebruik.

Het gevaar op toekomstig gewelddadig gedrag zal met name opnieuw ontstaan als betrokkene zich aan deze omkadering onttrekt, dat wil zeggen medicatie gebruik gaat stoppen en buiten de beschutte omgeving van het ziekenhuis zou gaan wonen. Die laatste ambitie is niet groot bij patiënt, staken van het medicijngebruik is wel een risico.

Gelet op de neiging van betrokkene om vanuit de aandoening (vanuit paranoïde angst) de noodzakelijke antipsychotische medicatie te verminderen dan wel te stoppen, is de kans dat hij dit ook zal doen zodra hij hier de kans toe krijgt nog steeds reëel. De voor de behandeling in Emergis verantwoordelijke psychiater, waar patiënt sinds 1985 bekend is, ziet binnen een BOPZ kader onvoldoende mogelijkheden tot langdurig voortgezette dwangbehandeling met medicatie.

Gezien de huidige ontwikkelingen, de toenemende hospitalisatie van betrokkene, waarbij hij absoluut niet wegwil uit zijn huidige woonvoorziening, achten we het risico niet groot dat betrokkene zich onttrekt aan de huidige structuur. Binnen deze structuur zijn er ook voldoende BOPZ gevaarcriteria om voortzetten van depotmedicatie te kunnen garanderen.”

Ter zitting heeft deskundige Van Montfoort daaraan nog het volgende toegevoegd:

“Het idee achter het verlengingsadvies is om na bijna twintig jaar TBS met dwangverpleging de zich steeds repeterende “rituele dans” van verlengingen van dit dwangkader te doorbreken en te onderzoeken of voor de terbeschikkinggestelde een ander kader van zorg en structuur, zoals het BOPZ-kader, mogelijk is.

De terbeschikkinggestelde laat duidelijk weten dat hij geen enkele ambitie meer heeft om terug te keren in de maatschappij. Hij is in de loop der jaren volledig gehospitaliseerd en hij wil zijn huidige bestaan absoluut niet opgeven. Ook heeft hij voldoende besef dat de depotmedicatie zeer noodzakelijk is voor zijn functioneren. Aan de andere kant heeft hij een zeer grote aversie tegen de medicatie, die weer aanleiding zou kunnen geven voor het weigeren van die medicatie. De enige reden dat hij die medicatie toch gebruikt is de schrik om afgevoerd te worden naar de TBS-inrichting. Achter zijn aversie tegen depotmedicatie zit een psychotisch waanachtige overtuiging. Personen met schizofrenie, zoals de terbeschikkinggestelde, kunnen merkwaardige ambitendenties hebben. In dit geval: zeggen dat je iets nodig hebt, maar tegelijkertijd zeggen dat je het niet neemt. Normaal gesproken zou iemand die ervan overtuigd is dat de medicatie nodig is om zijn kwaliteit van leven te garanderen over zijn angst voor toediening van die medicatie heen stappen, maar dat is bij de terbeschikkinggestelde niet het geval. Bij hem wordt het één niet door het ander beïnvloed. Dit zal altijd zo blijven.

De maximum duur van de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is negen jaar. De rechtbank kan in die periode om de twee jaar beoordelen hoe de stand van zaken is. Mocht er in die periode iets mis gaan dan zijn er voldoende mogelijkheden om in te grijpen, bijvoorbeeld het vragen van een last tot hervatting van de dwangverpleging. Daarmee zal de stok achter de deur zijn hersteld en zullen we ook zeker weten dat een BOPZ-kader een te zwak middel is. Overtreding van de voorwaarde van verplichte depotmedicatie dan wel enige andere te stellen voorwaarde hoeft niet noodzakelijkerwijs tot gevolg te hebben dat de terbeschikkinggestelde terugkeert naar De Woenselse Poort. Bij een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is de kliniek buiten beeld.

Mocht het in de periode van negen jaar echter wél goed gaan, dan kan er binnen Emergis vertrouwen ontstaan dat het BOPZ-kader en misschien zelfs wel een behandeling in een vrijwillig kader goed genoeg is voor de terbeschikkinggestelde. Ik heb binnen de GGZ Eindhoven de ervaring dat een BOPZ-kader in soortgelijke gevallen goed uitvoerbaar is.

Gelet op de voorgeschiedenis en de duidelijke relatie tussen het ontstaan van de psychose en het delictgevaar zijn er mijns inziens binnen een BOPZ-kader voldoende mogelijkheden om tot dwangbehandeling over te gaan. Ik deel in zoverre niet de zorg van mevrouw Wiggers van Emergis. Mijn ervaring is dat de interne klachtencommissies in dit soort situaties niet tegen het geven van dwangmedicatie ingaan. Overigens zie ik niet dat er al meteen een gevaar is voor delictherhaling van de indexdelicten indien hij de medicatie zou weigeren.

Ten slotte zijn bij het advies de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in ogenschouw genomen. De TBS kan niet eindeloos blijven voortduren.

Anderzijds moeten wij in ogenschouw nemen dat de terbeschikkinggestelde inmiddels zo lang in dit dwangkader zit dat een beëindiging van de maatregel op dit moment contrair is. Het plotseling wegvallen van het TBS-kader zou hem niet goed doen omdat dit al heel lang een sturing in zijn leven is geweest. Er moet gezocht worden naar een geleidelijke overgang.”

4 Nadere informatie mevrouw Wiggers en mevrouw Hoogstraten

Mevrouw Wiggers heeft verklaard dat zij een groot voorstander is van voortzetting van de TBS met dwangverpleging. De ervaring van Emergis is dat de terbeschikkinggestelde bij vrijwel iedere injectie bang is dat hij aan de injectie gaat overlijden. Zo belt hij voor elke injectie naar zijn broer dat hij het deze keer echt niet gaat overleven. Ook stelt hij vaak voorwaarden. Zo mag bijvoorbeeld van hem niet iedereen de injectie geven. Dit leidt vaak tot bijna weigerachtige situaties. Alleen dankzij het feit dat weigeren zal leiden tot terugplaatsing naar de TBS-kliniek brengt hem ertoe dat hij zijn medewerking alsnog verleent. In een BOPZ-kader wordt dit een stuk moeilijker. Als hij in die situatie zijn medicatie weigert kan dit uiteindelijk alleen via de klachtencommissie worden bereikt. Gelet op de ervaring is het lang niet zeker dat de klachtencommissie met dwangmedicatie instemt. Het BOPZ-kader biedt voor de behandelaars daarom te weinig waarborgen. Zolang de terbeschikkinggestelde zijn depotmedicatie neemt gaat het prima met hem, maar daarvoor is een goede stok achter de deur wel een vereiste.

Mevrouw Hoogstraten heeft verklaard dat aan een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging kan worden gekoppeld dat de reclassering al dan niet samen met de GGZ Eindhoven toezicht zal houden op de naleving van de opgelegde voorwaarden. Mocht de terbeschikkinggestelde de voorwaarde van verplichte depotmedicatie weigeren, dan kan hij in het kader van dat Forensisch Psychiatrisch Toezicht (FPT) voor een termijn van acht weken worden terug geplaatst in de kliniek. Over het FPT zijn landelijke afspraken gemaakt tussen de reclassering en de TBS-instellingen. In het geval van de terbeschikkinggestelde zouden hierover nog nadere afspraken gemaakt moeten worden met De Woenselse Poort. Het FPT biedt Emergis een extra drukmiddel om te bewerkstelligen dat de terbeschikkinggestelde zijn depotmedicatie neemt.

5 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in raadkamer zijn vordering aangepast. Kwam volgens hem bij de laatste verlengingsvordering al aan orde of een ander behandelkader dan de TBS met dwangverpleging voor de terbeschikkinggestelde een reële optie is, nu wordt in het advies van de inrichting een oordeel daarover nadrukkelijk voorgelegd.

Twee jaar geleden achtte de officier van justitie een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging nog niet aangewezen, omdat er - volgens de destijds geraadpleegde deskundigen - bij de terbeschikkinggestelde sprake was van een fragiel evenwicht, waarbij de vraag kon worden gesteld wanneer dit evenwicht wordt verstoord. Bovendien was toen een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging niet aangewezen omdat hiermee slechts voor negen jaar zekerheid kan worden gegeven.

Dat standpunt is op deze zitting gekanteld op grond van wat de deskundige Van Montfoort en mevrouw Hoogstraten ter zitting hebben verklaard. De doorslag voor hem heeft gegeven dat er thans Forensisch Psychiatrisch Toezicht aan de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging kan worden gekoppeld. Dit biedt de behandelaars van Emergis meer garantie dat de terbeschikkinggestelde bij weigering van de depotmedicatie in De Woenselse Poort kan worden terug geplaatst. Daarnaast spelen ook de

beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. Deze brengen met zich mee dat bij een afweging tussen de belangen van de terbeschikkinggestelde en van de maatschappij, het belang van de terbeschikkinggestelde steeds zwaarder dient te wegen naar mate de TBS met dwangverpleging langer duurt. Dat de dwangverpleging, wat de terbeschikkinggestelde betreft, kan blijven voortduren, doet daar niet aan af. Het oordeel over het behandelkader is immers niet aan de terbeschikkinggestelde zelf. De TBS kan niet eindeloos blijven voortduren. De deskundige heeft hierop gewezen en de officier van justitie deelt dat standpunt. De verdediging heeft al meerdere malen voor beëindiging van de TBS gepleit. Dat laatste kan niet aan de orde zijn, omdat het delictgevaar, hoewel niet acuut en ondanks de leeftijd van de terbeschikkinggestelde, nog steeds aanwezig is.

Op grond van een en ander heeft de officier van justitie gevorderd om de TBS te verlengen en de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen. Omdat dit kader nog niet is uitgewerkt heeft hij verzocht de beslissing tot voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging aan te houden met opdracht aan de reclassering om te onderzoeken welke voorwaarden daaraan verbonden zouden moeten worden en daarover te rapporten.

6 De standpunten van de terbeschikkinggestelde en de verdediging

De terbeschikkinggestelde heeft ter zitting verklaard dat hij het liefst in Emergis wil blijven wonen. Het is er volgens hem rustig wonen en hij krijgt er voldoende vrijheden. Hij heeft één broer, die hij af en toe bezoekt. Hij heeft gehoord dat hij in aanmerking komt voor bewoning van één van de 29 thans in aanbouw zijnde HAT- appartementen (waarbij HAT staat voor Housing Apart Together, een vorm van begeleid wonen) en dat is iets waar hij erg naar uitkijkt. Hij beseft dat hij begeleiding nodig heeft er hij heeft er geen enkele behoefte aan om helemaal op zichzelf te gaan wonen. Hij heeft een hekel aan de verplichte depotmedicatie, die hij om de veertien dagen krijgt toegediend, maar tegelijkertijd beseft hij dat hij niet zonder die medicatie kan. Hij weet dat hij baat heeft bij die medicatie omdat deze zijn gedachten temperen. Zijn angst voor de toediening van die medicatie wordt steeds opzij gezet door zijn angst om terug te moeten keren naar de TBS-kliniek als hij de medicatie weigert. Hij zal deze dan ook niet weigeren. Kortom, hij wil het liefst dat de situatie blijft zoals hij is. Over de wijze waarop het kader waarbinnen zijn voortgezet verblijf in Emergis vorm moet worden gegeven heeft hij geen mening. “Het is goed zoals het nu is”, aldus de terbeschikkinggestelde.

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat niet kan worden vastgesteld dat de terbeschikkinggestelde nog delictgevaarlijk is, zodat de TBS behoort te worden beëindigd. Ook al zou de terbeschikkinggestelde de medicatie niet innemen en daardoor psychotisch worden, dan nog staat onvoldoende vast dat hij zich in een situatie zal begeven waarin de kans bestaat dat hij overgaat tot het plegen van feiten als het indexdelict. Het is een man die nog maar weinig leefdrift heeft. Hij wacht in feite op zijn plaatsje in de nieuwe woning. De raadsman schat daarom dat de terbeschikkinggestelde ook vrijwillig in Emergis zal blijven zitten.

De verdediging heeft nadrukkelijk bepleit om het verzoek van de officier van justitie te passeren omdat bij overtreding van een voorwaarde die is gekoppeld aan de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging het lang niet zeker is dat de terbeschikkinggestelde zal terug keren naar De Woenselse Poort en omdat dit nu juist het enige dwangmiddel voor de behandelaars van Emergis is om de terbeschikkinggestelde ertoe te bewegen zijn medicatie in te nemen. Het FPT biedt volgens de raadsman in dat geval ook geen soelaas. FPT betekent dat de reclassering elk incident moet melden aan de officier van justitie. Omdat in dat geval het gevaar nog steeds aanwezig is geoordeeld (de TBS is immers blijven bestaan) is de kans aanwezig dat de terbeschikkinggestelde naar aanleiding daarvan niet in een kliniek, maar in een huis van bewaring wordt geplaatst. De raadsman heeft hierbij een voorbeeld genoemd uit zijn eigen praktijk waarbij een terbeschikkinggestelde in een soortgelijke situatie tot tweemaal toe voor enige tijd in een huis van bewaring is geplaatst voordat het dwangkader werd hersteld.

Ten slotte heeft de raadsman verzocht om de beslissing op de vordering aan te houden om dor de reclassering te laten onderzoeken of een behandeling van de terbeschikkinggestelde bij Emergis in een BOPZ-kader mogelijk is en daartoe een Rechterlijke Machtiging conform de wet BOPZ uit te lokken.

7 De beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat uit het verlengingsadvies van De Woenselse Poort en de daarop door de deskundige Van Montfoort gegeven toelichting genoegzaam blijkt dat bij beëindiging van de TBS sprake is van een risico op delictherhaling, dat voortvloeit uit de paranoïde psychotische persoonlijkheidsstoornis van de terbeschikkinggestelde en die aanwezig was ten tijde van het delict waarvoor de TBS is opgelegd. De rechtbank neemt dit deskundig oordeel over en maakt het tot het hare. Dit betekent dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de TBS eist.

De rechtbank stelt verder vast dat de terbeschikkinggestelde dankzij de structuur van de TBS-maatregel in psychisch opzicht in evenwicht blijft en dat hij zich in het huidige kader van zorg veilig voelt. Volgens de behandelaars van Emergis is dit dwangkader nog steeds noodzakelijk om de noodzakelijke zorg aan de terbeschikkinggestelde te kunnen verlenen.

De rechtbank acht het dan ook niet in het belang van de terbeschikkinggestelde en zijn behandelaars om in die voor hen beiden stabiele situatie thans enige wijziging aan te brengen, te meer omdat niet genoegzaam vast staat of een BOPZ-kader voldoende garantie biedt ter afwending van het delictgevaar. Om die reden kan een minder ingrijpend beveiligingsalternatief niet aan de orde zijn. Het beginsel van subsidiariteit wordt daarom met een verlenging niet geschonden. Verder staat verlenging van de maatregel in verhouding tot de aard en de ernst van de feiten naar aanleiding waarvan de maatregel is opgelegd. Ook aan het proportionaliteitsbeginsel is dus voldaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De beslissing berust op de artikelen 38d en 38e van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van [terbeschikkinggestelde] voornoemd met twee jaar.

Zij wijst af wat door de officier van justitie en door de verdediging meer of anders is gevorderd en verzocht.

Deze beslissing is gegeven door mr. Van der Ploeg-Hogervorst, voorzitter, mr. Geelhoed en mr. Jaspers, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier Francke en is uitgesproken ter openbare zitting op 8 februari 2011.

MEDEDELING RECHTSMIDDEL (artikel 509v Wetboek van Strafvordering)

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

1. Tegen de beslissing van de rechtbank bedoeld in artikel 38h van het Wetboek van Strafrecht en die bedoeld in artikel 509n, eerste lid, 509t, eerste en tweede lid, kan het openbaar ministerie binnen veertien dagen na dagtekening en de ter beschikking gestelde binnen veertien dagen na betekening daarvan beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem.

2. Indien de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling is toegewezen, doch artikel 509t, vijfde lid, is toegepast, kan tegen de beslissing tot verlenging slechts gelijktijdig met de beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege beroep worden ingesteld.

3. De artikelen 409, eerste lid, 410, 449, eerste lid, 450-454, 455, eerste lid, en 509r zijn van overeenkomstige toepassing.

------------------------------------------------------------------------------------------------------

De officier van justitie in het arrondissement Middelburg brengt vorenstaande ter kennis van de belanghebbende,

Middelburg,

De officier van justitie,

------------------------------------------------------------------------------------------------------