Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BU9835

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
10-08-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
72509 / FA RK 10-441
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

gezag, hoofdverblijf en zorgregeling

kinderbijdrage

erkenning

gezag

vier zaken ineen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaak/reknr: 72509 / FA RK 10-441 (gezag, hoofdverblijf en zorgregeling)

zaak/reknr: 72510 / FA RK 10-442 (kinderbijdrage)

zaak/reknr: 75308 / FA RK 10-1374 (erkenning)

zaak/reknr: 75309 / FA RK 10-1375 (gezag)

beschikking d.d. 10 augustus 2011

[verzoekster inzake FA RK 10-441 en FA RK 10-442, verweerster inzake FA RK 10-1374 en FA RK 10-1375 ] (hierna: de vrouw),

wonende te Colijnsplaat, gemeente Noord-Beveland,

verzoekster inzake FA RK 10-441 en FA RK 10-442,

verweerster inzake FA RK 10-1374 en FA RK 10-1375,

advocaat: mr. V.J.C. Pieters te Goes,

tegen:

[verweerder inzake FA RK 10-441 en FA RK 10-442, verzoeker inzake FA RK 10-1374 en FA RK 10-1375 ] (hierna: de man),

wonende te Zuiddorpe, gemeente Terneuzen,

verweerder inzake FA RK 10-441 en FA RK 10-442,

verzoeker inzake FA RK 10-1374 en FA RK 10-1375,

advocaat: mr. J.A.B. van Dam te Terneuzen.

1. Het procesverloop

1.1 De rechtbank oordeelt inzake FA RK 10-441 op grond van de navolgende stukken:

- het verzoekschrift strekkende tot vaststelling van een regeling inzake de verdeling zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie en hoofdverblijf van de kinderen;

- het verweerschrift tegen het verzoekschrift strekkende tot vaststelling van een regeling inzake verdeling zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen, tevens zelfstandig verzoek tot belasten vader met ouderlijk gezag;

- de brief d.d. 10 november 2010 van mr. Pieters met aanvullende stukken;

- het telefaxbericht d.d. 15 november 2010 van mr. Pieters met aanvullende stukken;

- het telefaxbericht d.d. 16 november 2010 van mr. Van Dam met aanvullende stukken;

- het proces-verbaal van de zitting d.d. 17 november 2010;

- het rapport en advies d.d. 17 juni 2011 van de Raad voor de Kinderbescherming;

- de brief d.d. 20 juni 2011 van mr. Van Dam met aanvullende stukken;

- de door mr. Van Dam ter zitting van 22 juni 2011 overgelegde pleitnota;

- het proces-verbaal van de zitting d.d. 22 juni 2011.

1.2 De rechtbank oordeelt inzake FA RK 10-442 op grond van de navolgende stukken:

- het verzoekschrift strekkende tot vaststelling van een regeling inzake de verdeling zorg- en opvoedingstaken, kinderalimentatie en hoofdverblijf van de kinderen;

- het verweerschrift tegen het verzoekschrift strekkende tot vaststelling van een regeling inzake kinderalimentatie.

- het telefaxbericht d.d. 16 november 2010 van mr. Van Dam met aanvullende stukken;

- het proces-verbaal van de zitting d.d. 17 november 2010;

- de door mr. Van Dam ter zitting van 22 juni 2011 overgelegde pleitnota;

- de door mr. Uitterhoeve, kantoorgenote van mr. Pieters, ter zitting van 22 juni 2011 overgelegde pleitnota;

- het proces-verbaal van de zitting d.d. 22 juni 2011.

1.3 De rechtbank oordeelt inzake FA RK 10-1374 op grond van de navolgende stukken:

- het zelfstandig verzoek tot belasten vader met ouderlijk gezag en tot vervangende

toestemming erkenning ex artikel 1:204 lid 3 BW;

- het verweerschrift;

- de brief d.d. 16 november 2010 van mr. E. Sijnesael, in haar hoedanigheid van bijzonder

curator over de minderjarige;

- het proces-verbaal van de zitting d.d. 17 november 2010;

- het rapport en advies d.d. 17 juni 2011 van de Raad voor de Kinderbescherming;

- de door mr. Van Dam ter zitting van 22 juni 2011 overgelegde pleitnota;

- het proces-verbaal van de zitting d.d. 22 juni 2011.

1.4 De rechtbank oordeelt inzake FA RK 10-1375 op grond van de navolgende stukken:

- het zelfstandig verzoek tot belasten vader met ouderlijk gezag en tot vervangende

toestemming erkenning ex artikel 1:204 lid 3 BW;

- het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de zitting d.d. 17 november 2010;

- het rapport en advies d.d. 17 juni 2011 van de Raad voor de Kinderbescherming;

- de door mr. Van Dam ter zitting van 22 juni 2011 overgelegde pleitnota;

- het proces-verbaal van de zitting d.d. 22 juni 2011.

1.5 De verzoeken zijn gevoegd behandeld ter zitting van 22 juni 2011.

2. De feiten

inzake FA RK 10-441, FA RK 10-442, FA RK 10-1374 en FA RK 10-1375

2.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende, thans nog

minderjarige kinderen zijn geboren:

- [kind 1], geboren te Terneuzen op [geboortedatum] 2004;

- [kind 2], geboren te Terneuzen op [geboortedatum] 2006;

- [kind 3], geboren te Goes op [geboortedatum] 2010.

2.2 Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarige [kind 1]. De man heeft de minderjarige [kind 2] erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarigen [kind 2] en [kind 3].

inzake FA RK 10-1374

2.3 Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 6 oktober 2010 is mr. E. Sijnesael benoemd tot bijzonder curator over de minderjarige [kind 3].

3. Het geschil

inzake FA RK 10-441

3.1 De vrouw verzoekt, na wijziging van haar verzoek, te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij haar zullen hebben. Voorts verzoekt zij te bepalen dat ten aanzien van de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] een zorgregeling zal worden vastgesteld, inhoudende dat de minderjarigen een weekend per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en algemeen erkende (inclusief Christelijke) feestdagen bij de man verblijven, waarbij de man de minderjarigen bij haar thuis ophaalt en weer terugbrengt, alsmede te bepalen dat het ouderschapsplan onderdeel zal uitmaken van de beschikking.

3.2 De man voert verweer tegen de verzoeken van de vrouw.

Hij verzoekt te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijf bij hem zullen hebben en een zorgregeling ten aanzien van de minderjarigen vast te stellen, kort gezegd inhoudende dat zij gedurende een weekend per veertien dagen, alsmede gedurende de helft van de zomervakantie en gedurende de hele duur van de kortere vakanties en de algemeen erkende (inclusief Christelijke) feestdagen bij de vrouw zullen verblijven, waarbij de vrouw de minderjarigen op vrijdagmiddag om 13.30 uur bij hem ophaalt en hij de minderjarigen zondag om 18.00 uur weer bij de vrouw ophaalt.

Indien de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw zullen hebben, verzoekt hij dezelfde

zorgregeling vast te stellen, zulks met dien verstande dat de minderjarigen op die dagen bij hem zullen verblijven.

Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt hij de rechtbank te bepalen dat partijen gezamenlijk gezag verkrijgen over de minderjarige [kind 2].

inzake FA RK 10-442

3.3 De vrouw verzoekt te bepalen dat de man ten behoeve van de minderjarigen een

kinderbijdrage van € 342,50 per kind per maand zal voldoen, dan wel een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.

3.4 De man verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen.

inzake FA RK 10-1374

3.5 De man verzoekt de rechtbank hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van de minderjarige [kind 3].

3.6 De vrouw verzoekt het verzoek van de man af te wijzen.

inzake FA RK 10-1375

3.7 De man verzoekt de rechtbank te bepalen dat partijen gezamenlijk worden belast met het gezag over de minderjarige [kind 3].

3.8 De vrouw verzoekt het verzoek van de man af te wijzen.

inzake FA RK 10-441, FA RK 10-442, FA RK 10-1374 en FA RK 10-1375

3.9 Op de standpunten van partijen wordt, voor zover voor de beoordeling van de verzoeken

van belang, hierna ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 De rechtbank stelt voorop dat, nu partijen gezamenlijk belast zijn met het gezag over de minderjarige [kind 1], zij ingevolge artikel 1:247a BW een ouderschapsplan dienen op te stellen, nu zij beiden verzoeken hebben gedaan op grond van artikel 1:253a lid 2 BW. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende is gebleken dat partijen niet in staat zijn om ten aanzien van voornoemde minderjarige een ouderschapsplan op te stellen. Het mediationtraject heeft ook niet geresulteerd in volledig door partijen gedragen afspraken. Derhalve zal de rechtbank beslissingen nemen over de verzoeken die ten aanzien van de minderjarige [kind 1] zijn gedaan.

4.2 Bij vonnis van de voorzieningenrechter van deze rechtbank d.d. 14 april 2011 is aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzocht om ten behoeve van onderhavige procedure een onderzoek te verrichten en te rapporteren en adviseren omtrent het hoofdverblijf van de minderjarigen, de zorgregeling, de erkenning van de minderjarige [kind 3] en het gezag ten aanzien van de minderjarigen [kind 2] en [kind 3].

4.3 De Raad adviseert:

- het verzoek van de man hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van de minderjarige [kind 3] toe te wijzen;

- het verzoek van de man de ouders gezamenlijk te belasten met het gezag over de minderjarige [kind 2] en [kind 3] toe te wijzen;

- het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw te bepalen;

- de zaak voor wat betreft de zorgregeling ten aanzien van de minderjarige [kind 3] te verwijzen naar het Omgangshuis;

- ten aanzien van de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] een zorgregeling vast te stellen, inhoudende dat zij eens in de veertien dagen een weekend bij de man verblijven van vrijdagmiddag tot en met zondag, alsmede een deel van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg nader te bepalen.

inzake FA RK 10-1374 (erkenning [kind 3])

4.4 Ingevolge het bepaalde in artikel 1:204 lid 3 BW kan de toestemming van de moeder wier kind de leeftijd van zestien jaren nog niet heef bereikt, dan wel de toestemming van het kind van twaalf jaar of ouder, op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door de toestemming van de rechtbank worden vervangen, indien de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden en de man de verwekker is van het kind. Daarbij dienen de belangen van de minderjarige, de moeder en de man te worden afgewogen, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat de minderjarige en de man er in beginsel recht op hebben dat hun relatie rechtens als een familierechtelijke betrekking wordt erkend.

Niet in geschil is, dat de man de verwekker is van de minderjarige. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige niet zal schaden. Van schade aan de belangen van de minderjarige is, volgens vaste rechtspraak, slechts sprake indien er ten gevolge van de erkenning voor het kind reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling.

De rechtbank is met de Raad en de bijzonder curator van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat door de erkenning haar belangen bij een ongestoorde verhouding met de minderjarige of de belangen van de minderjarige worden geschaad. Uit de stukken valt dat niet af te leiden en ter zitting is daarvan evenmin gebleken. De vrouw heeft enkel emotionele weerstand tegen de erkenning. Zij vreest dat, indien het verzoek wordt toegewezen, de man ook zal worden belast met het gezag over [kind 3] en er tussen hen een omgangsregeling zal worden vastgesteld, hetgeen zij niet in het belang van [kind 3] acht. De rechtbank is van oordeel dat zulks onvoldoende is om te concluderen dat vervangende toestemming tot erkenning aan de man moet worden onthouden. De rechtbank acht het evenals de Raad en de bijzonder curator juist in het belang van [kind 3] dat het verzoek wordt toegewezen, nu haar twee oudere zussen wel in familierechtelijke betrekking staan met de man. Gelet op het vorenstaande zal het verzoek van de man tot vervangende toestemming tot erkenning op onderstaande wijze worden toegewezen.

inzake FA RK 10-441 en FA RK 10-1375 (gezag [kind 2] en [kind 3])

4.5 Op grond van artikel 1:253c lid 1 BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

Nu het verzoek van de man om hem vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van de minderjarige [kind 3] zal worden toegewezen en hij daardoor haar juridische vader zal worden, acht de rechtbank de man ontvankelijk in zijn verzoek om hem gezamenlijk met de vrouw te belasten met het gezag over voornoemde minderjarige.

Het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk belast zijn met het gezag over hun minderjarige kinderen. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de communicatie tussen partijen slecht verloopt. Partijen maken elkaar over en weer allerlei verwijten. Er is tussen hen nog steeds een strijd gaande, als gevolg waarvan zij zich regelmatig te veel richten op hun eigen belangen en de belangen van de minderjarigen uit het oog dreigen te verliezen. Hoewel de minderjarigen ongetwijfeld iets mee zullen krijgen van de strijd die hun ouders voeren, is niet gebleken dat zij hieronder lijden. Bovendien is gebleken dat partijen in staat zijn om in onderling overleg afspraken te maken ten aanzien van de zorgregeling. De door de vrouw naar voren gebrachte bezwaren tegen gezamenlijk gezag zijn naar het oordeel van de rechtbank niet van dien aard dat gevreesd moet worden

dat de minderjarigen bij toewijzing van het verzoek klem of verloren zullen raken tussen de

ouders. Het feit dat er sprake is van een gebrekkige communicatie tussen partijen is onvoldoende om het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag af te wijzen. Evenmin is gebleken dat er sprake is van feiten of omstandigheden die maken dat het afwijzing van het verzoek van de man anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. Met inachtneming van het vorenstaande en gelet op het feit dat partijen wel belast zijn met het gezamenlijk gezag over de minderjarige [kind 1], zal de rechtbank het verzoek van de man hem mede te belasten met het gezag over de minderjarigen [kind 2] en [kind 3], op onderstaande wijze toewijzen.

Ten aanzien van de minderjarige [kind 3] zal worden bepaald dat de man met het gezag zal zijn belast met ingang van de dag dat de (vervangende toestemming tot) erkenning is aangetekend in haar geboorteakte, omdat hij vanaf dat moment juridisch ouder is van [kind 3].

inzake FA RK 10-441 (hoofdverblijf en zorgregeling)

4.6 Beide partijen hebben verzocht het hoofdverblijf van de minderjarigen bij hen te bepalen. De feitelijke situatie is op dit moment zo, dat de minderjarigen bij de vrouw in Colijnsplaats verblijven. De vrouw is na het verbreken van de relatie tussen partijen met de minderjarigen van Zuiddorpe naar Colijnsplaat verhuisd, waar zij inmiddels anderhalf jaar wonen. Wat er ook zij van de stelling van de man dat de vrouw niet in het belang van de minderjarigen heeft gehandeld door onverwachts te gaan verhuizen van Zuiddorpe naar Colijnsplaat en dat hij, evenals de vrouw, in staat is door de weeks zijn werktijden flexibel in te richten, voor de belangenafweging dient te worden uitgegaan van de huidige situatie. Onweersproken is door de vrouw gesteld dat de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] gewend en gehecht zijn aan hun huidige leefomgeving en dat zij zich daar goed ontwikkelen. Ten aanzien van [kind 3] geldt dat zij vanwege de zeer beperkte contacten die er tussen haar en de man zijn geweest, nog geen stevige band met hem heeft op kunnen bouwen. De minderjarigen hebben een onrustige periode achter de rug, waarin zij veel veranderingen hebben moeten verwerken. Er dient thans rust en stabiliteit te komen in het leven van de minderjarigen. Daarmee strookt niet dat de minderjarigen thans weer van Colijnsplaat terug naar Zuiddorpe zouden moeten verhuizen. Met inachtneming van het vorenstaande is de rechtbank met de Raad van oordeel dat het hoofdverblijf van de minderjarigen bij de vrouw dient te worden bepaald. Het daartoe strekkende verzoek van de vrouw zal derhalve worden toegewezen, onder afwijzing van het verzoek van de man.

4.7 Ten aanzien van de zorgregeling betreffende de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] overweegt de rechtbank als volgt. [kind 1] en [kind 2] verblijven thans gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag 13.30 uur tot zondag 17.00 uur bij de man, waarbij de man de minderjarigen op vrijdagmiddag om 13.30 uur bij de vrouw ophaalt en de vrouw de minderjarigen op zondag om 17.00 uur bij de man ophaalt. Hoewel de situatie niet ideaal is, omdat de man in de weekenden vaak moet werken en de minderjarigen alsdan meeneemt naar zijn werklocatie, verloopt de zorgregeling op zich redelijk goed. Derhalve is de rechtbank met de Raad van oordeel dat de huidige zorgregeling, inclusief de tijdstippen, gecontinueerd dient te worden. De rechtbank zal bepalen dat er daarnaast nog één belcontact per week zal plaatsvinden, zulks op dinsdag of donderdag via de mobiele telefoons van partijen. De rechtbank acht een frequentie van eenmaal per week redelijk en ziet geen

aanleiding om twee maal per week een belcontact te laten plaatsvinden. Ten aanzien van de vakanties en feestdagen zal de rechtbank bepalen dat de minderjarigen gedurende de helft

van de schoolvakanties en feestdagen die buiten de omgangsweekenden vallen, bij de man verblijven. De rechtbank ziet geen aanleiding om in onderhavige situatie een andere verdeling toe te passen.

4.8 Ten aanzien van de zorgregeling betreffende de minderjarige [kind 3] is bij proces-verbaal d.d. 22 juni 2011 bepaald dat er omgang zal zijn tussen de man en [kind 3] gedurende (maximaal) zes maanden na aanvang van het eerste omgangscontact, zulks via omgangsbegeleiding in het Omgangshuis te Middelburg. De zaak is bij voornoemd proces-verbaal reeds aangehouden en verwezen naar de familiekamerrol van dinsdag 13 december 2011, met het verzoek aan het Omgangshuis alsdan te rapporteren omtrent het verloop van de omgangscontacten tussen de man en de minderjarige [kind 3].

inzake FA RK 10-442 (kinderbijdrage)

4.9 De vrouw heeft aanvankelijk bij het verzoekschrift verzocht een kinderbijdrage van

€ 243,50 per kind per maand vast te stellen. Uit het verzoekschrift volgt dat voornoemd verzoek alleen is gedaan ten aanzien van de minderjarigen [kind 1] en [kind 2]. [kind 3] was ten tijde van indiening van het verzoekschrift nog niet geboren. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling d.d. 22 juni 2011 heeft de vrouw kenbaar gemaakt dat zij ook een kinderbijdrage verzoekt ten behoeve van de minderjarige [kind 3]. De rechtbank vat dat op als een verandering van het verzoek. Hoewel een verandering van een verzoek in beginsel schriftelijk dient te geschieden, zal de rechtbank het verzoek wel toestaan, nu de man niet onredelijk wordt bemoeilijkt in de mogelijkheid tot het voeren van verweer. Van belang is immers de behoefte van de minderjarigen, welke is gerelateerd aan het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan, en de draagkracht van de man. Beide partijen hebben voldoende gelegenheid gekregen om hun standpunten hieromtrent toe te lichten. Bovendien heeft de man geen bezwaren geuit tegen de verandering van het verzoek.

4.10 De behoefte van de minderjarigen is gerelateerd aan het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen en het daarbij behorende aantal kinderbijslagpunten. Partijen zijn in februari 2010 feitelijk uit elkaar gegaan. Bij gebrek aan gegevens over het jaar 2010, zal de rechtbank voor vaststelling van de behoefte van de minderjarigen uitgaan van de inkomensgegevens van partijen over het jaar 2009. De man heeft onbetwist gesteld dat de vrouw in het jaar 2009 een uitkering genoot, welke ongeveer € 700,-- netto per maand bedroeg. Derhalve zal de rechtbank hiervan uitgaan. Partijen zijn het erover eens dat het netto besteedbaar inkomen van de man in het jaar 2009

€ 2.120,-- per maand bedroeg. Gelet op het vorenstaande gaat de rechtbank uit van een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 2.820,-- per maand. Thans is van belang het daarbij behorende aantal kinderbijslagpunten. Nu de man voor de minderjarige [kind 3] onderhoudsplichtig is geworden op de dag dat zij is geboren, zijnde [geboortedatum] 2010, zal de rechtbank voor de periode tot [geboortedatum] 2010 bij toepassing van de ‘Tabel eigen aandeel kosten van kinderen’ uitgaan van twee kinderen en met ingang van [geboortedatum] 2010 van drie kinderen. Gelet op het vorenstaande bedroeg de behoefte van de minderjarigen [kind 1] en [kind 2], uitgaande van een netto gezinsinkomen van € 2.820,-- per maand en twaalf

kinderbijslagpunten, tot [geboortedatum] 2010 € 319,-- per kind per maand. De behoefte van de minderjarigen [kind 1], [kind 2] en [kind 3] bedraagt met ingang van [geboortedatum] 2010, uitgaande

van een netto gezinsinkomen van € 2.820,-- per maand en achttien kinderbijslagpunten,

€ 265,-- per kind per maand.

4.11 Partijen zijn ter zitting overeengekomen dat voor vaststelling van de door de man te betalen kinderbijdrage alleen de draagkracht van de man dient te worden vastgesteld en dat het inkomen van de vrouw buiten beschouwing zal worden gelaten. De man heeft ter zitting erkend dat de vrouw geen draagkracht heeft om in de behoefte van de minderjarigen te voorzien.

De rechtbank zal de draagkracht van de man vaststellen aan de hand van de door mr. Van Dam bij het verweerschrift overgelegde draagkrachtberekening, voor zover deze de rechtbank niet onjuist voorkomt en voor zover deze door de vrouw niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd, is betwist. Uitgegaan wordt van de tarieven 2010-1.

De rechtbank is met de vrouw van oordeel dat, conform de richtlijnen vervat in de nota alimentatie en winst uit onderneming, uitgegaan dient te worden van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2007, 2008 en 2009, nu bij ondernemingen de winst sterk kan fluctueren. Uit de door de man overgelegde fiscale jaarrapporten over de jaren 2007 tot en met 2009 volgt dat de gemiddelde winst over die jaren (€ 26.283 + € 23.108 + € 32.738)

€ 27.510,-- bedraagt.

Aan aftrekbeperkingen over de jaren 2007 tot en met 2009 volgt een bedrag van gemiddeld

(€ 344,-- + € 354,-- + € 712,--) € 470,-- per jaar.

Bij de investeringsaftrek wordt rekening gehouden met de gemiddelde aftrek over de jaren 2007 tot en met 2009, zijnde (€ 2.058 + € 624,-- + 1.993,--) € 1.558,-- per jaar.

Het vorenstaande resulteert in een gemiddelde winst uit onderneming van € 26.422,-- op jaarbasis. Daarop strekt in mindering (uitgaande van voornoemde gemiddelde winst) de zelfstandigenaftrek van € 7.087,-- per jaar en de MKB winstvrijstelling van € 2.320,-- per jaar waarvoor de man in aanmerking komt, hetgeen resulteert in een belastbare winst uit onderneming van € 17.015,-- per jaar.

Naast de algemene heffingskorting wordt rekening gehouden met de arbeidskorting, nu de man daar eveneens voor in aanmerking komt.

Met de door de man opgevoerde aflossing van € 15,-- per maand op een -naar hij stelt- tweede hypotheek wordt geen rekening gehouden. De man heeft ter onderbouwing daarvan enkel een bankafschrift overgelegd, doch daaruit kan niet worden afgeleid waarop de aflossing betrekking heeft.

Evenmin wordt rekening gehouden met het ten aanzien van de ziektekosten opgevoerde bedrag aan eigen risico van € 14,-- per maand, nu de man niet heeft aangetoond dat dit eigen risico daadwerkelijk is gerealiseerd.

De rechtbank houdt (zowel aan de inkomstenzijde als aan de lastenzijde) rekening met de premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 191,-- per maand. Uit de door de man overgelegde arbeidsongeschiktheidspolis volgt weliswaar dat de einddatum van het contract 7 april 2010 is, doch daaruit volgt eveneens dat het contract automatisch met drie jaren wordt verlengd. De rechtbank acht het aannemelijk dat de man thans nog steeds verzekerd is voor arbeidsongeschiktheid en daarvoor maandelijks voormelde premie betaalt, gelet op de omstandigheid dat hij als zelfstandig ondernemer niet op andere wijze daarvoor is verzekerd.

Met de premie voor lijfrente wordt geen rekening gehouden. De man heeft gesteld noch aangetoond dat hij een pensioentekort heeft, zodat deze post als vermogensvormend zal worden beschouwd. Vermogensopbouw dient niet te prevaleren boven de verplichting tot het

betalen van een kinderbijdrage.

Met de door de man op aanslag zelf betaalde inkomensafhankelijke bijdrage ZVW wordt enkel onder de streep rekening gehouden. Bij de belastbare winst uit onderneming wordt

hiermee immers geen rekening gehouden.

Gelet op het vorenstaande en uitgaande van een draagkrachtpercentage van 70% heeft de man een draagkracht van € 312,-- per maand. Nu de man tot [geboortedatum] 2010 enkel onderhoudsplichtig was jegens de minderjarigen [kind 1] en [kind 2], heeft hij over de periode tot [geboortedatum] 2010, inclusief fiscaal voordeel, een draagkracht van € 189,-- per kind per maand. Met ingang van [geboortedatum] 2010 is de man eveneens onderhoudsplichtig jegens de minderjarige [kind 3]. Derhalve dient zijn beschikbare draagkracht met ingang van die datum te worden verdeeld over drie minderjarigen. Gelet op het vorenstaande bedraagt de beschikbare draagkracht van de man met ingang van [geboortedatum] 2010 € 104,-- per kind per maand.

Met inachtneming van het vorenstaande zal de rechtbank de door de man te betalen kinderbijdrage voor de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] tot [geboortedatum] 2010 vaststellen op

€ 189,-- per kind per maand, zulks met ingang van 6 april 2010, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de man tegen de verzochte ingangsdatum geen verweer heeft gevoerd. De rechtbank zal de door de man te betalen kinderbijdrage voor de minderjarigen [kind 1], [kind 2] en [kind 3] vaststellen op € 104,-- per kind per maand, zulks met ingang van [geboortedatum] 2010.

inzake FA RK 10-441

4.12 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

inzake FA RK 10-442, FA RK 10-1374 en FA RK 10-1375

4.13 De rechtbank zal, gelet op de aard van de procedure, de proceskosten tussen partijen compenseren zo dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank:

inzake FA RK 10-1374

verleent de man vervangende toestemming tot erken[kind 3]van de minderjarige [kind 3], geboren te Goes op [geboortedatum] 2010;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

inzake FA RK 10-1375

bepaalt dat het gezag over de minderjarige [kind 3], geboren te Goes op [geboortedatum] 2010, voortaan wordt uitgeoefend door de vrouw en man tezamen, zulks met ingang van de dag dat de (vervangende toestemming tot) erkenning is aangetekend in de geboorteakte van voornoemde minderjarige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

inzake FA RK 10-441

bepaalt dat het gezag over de minderjarige [kind 2], geboren te Terneuzen op [geboortedatum] 2006, voortaan wordt uitgeoefend door de vrouw en man tezamen;

bepaalt dat de minderjarigen [kind 1], geboren te Terneuzen op [geboortedatum] 2004, [kind 2], geboren te Terneuzen op [geboortedatum] 2006 en [kind 3], geboren te Goes op [geboortedatum] 2010, hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben;

bepaalt dat ten aanzien van de minderjarigen [kind 1], geboren te Terneuzen op [geboortedatum] 2004 en [kind 2], geboren te Terneuzen op [geboortedatum] 2006, de navolgende zorgregeling tussen partijen zal gelden:

- de minderjarigen verblijven gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdag 13.30 uur tot zondag 17.00 uur bij de man, waarbij de man de minderjarigen op vrijdagmiddag om 13.30 uur bij de vrouw ophaalt en de vrouw de minderjarigen op zondag om 17.00 uur bij de man ophaalt;

- de minderjarigen verblijven gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen die buiten de omgangsweekenden vallen, bij de man;

- er vindt éénmaal per week op dinsdag of donderdag telefonisch contact plaats tussen de man en de minderjarigen, zulks via de mobiele telefoons van partijen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

verstaat dat de zaak voor wat betreft de zorgregeling ten aanzien van de minderjarige [kind 3], geboren te Goes op [geboortedatum] 2010, reeds is aangehouden en verwezen naar de familiekamerrol van dinsdag 13 december 2011;

houdt iedere verdere beslissing aan;

inzake FA RK 10-442

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1], geboren te Terneuzen op [geboortedatum] 2004 en [kind 2], geboren te Terneuzen op [geboortedatum] 2006, op € 189,-- per kind per maand, zulks met ingang van 6 april 2010 en tot [geboortedatum] 2010;

bepaalt de door de man aan de vrouw, voor wat betreft toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling, te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de

minderjarigen [kind 1], geboren te Terneuzen op [geboortedatum] 2004, [kind 2], geboren te Terneuzen op [geboortedatum] 2006 en [kind 3], geboren te Goes op [geboortedatum] 2010, op € 104,-- per kind per maand, zulks met ingang van [geboortedatum] 2010;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. de Graaf in tegenwoordigheid van de griffier

mr. D. van Gastel en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 10 augustus 2011.

(DG