Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BU9786

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
14-09-2011
Datum publicatie
30-12-2011
Zaaknummer
65662 / HA ZA 08-591
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hulploon.

Een duwbak slaat lek na een aanvaring met een steiger. Eiseres zet mensen en materieel in om het binnenstromende water weg te pompen, en de lading te lossen. Totaal ruim 15 uur werk. Hulploon gelet op alle omstandigheden vastgesteld op 90.000,00 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2012/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

Vonnis in gevoegde zaken van 14 september 2011

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 65662 / HA ZA 08-591 van

1. de naamloze vennootschap

UNIE VAN REDDING- EN SLEEPDIENST NV,

gevestigd te Antwerpen,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MULTRASHIP SALVAGE B.V.,

gevestigd te Terneuzen,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ZEEUWSE MARITIEME HOLDING B.V.,

gevestigd te Terneuzen,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MULTRATUG B.V.,

gevestigd te Terneuzen,

5. de naamloze vennootschap

[eiser sub 5] MARINE N.V.,

gevestigd te Gent,

eiseressen,

advocaat mr. K.M. Moeliker te Middelburg,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Wijnegem,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Wijnegem,

gedaagden,

advocaat mr. C.J. IJdema te Middelburg,

en de gevoegde partijen

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WATERTRANSPORT VAN DE GRAAF EN MEEUSEN B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RED BULL B.V.,

gevestigd te Ridderkerk,

advocaat mr. J.P. Quist te Middelburg,

Eisers worden hierna gezamenlijk URS genoemd, gedaagden sub 1 en 2 worden gezamenlijk [gedaagden sub 1 en 2] genoemd en de gevoegde partijen gezamenlijk Watertransport.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident tot voeging van 5 augustus 2009

- de conclusie van eis van Watertransport d.d. 19 mei 2010 (verweer tegen de vordering van URS)

- de conclusie van antwoord van [gedaagden sub 1 en 2] d.d. 19 mei 2010

- de conclusie van antwoord van URS d.d. 25 augustus 2010 (inhoudende de repliek)

- de conclusie van repliek van URS d.d. 22 december 2010

- de conclusie van dupliek van [gedaagden sub 1 en 2] d.d. 16 maart 2011

- de conclusie van dupliek van Watertransport d.d. 16 maart 2011.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagden sub 1 en 2] is eigenaar van de duwbak Transit 2. Watertransport is eigenaar van de Willem Lourens. Op 3 augustus 2008 is de duwboot Willem Lourens, die op dat moment met vier bakken onderweg was naar Gent, nabij Terneuzen met één van zijn duwbakken, de Transit 2, tegen een paal / steiger van de Goese Kade aangevaren. Als gevolg van deze aanvaring zijn aan de voorzijde van de Transit 2 enige gaten en een scheur in de huid ontstaan. De Transit 2 maakte daardoor water aan de voorzijde en kwam voorover te liggen.

De Transit 2 was geladen met 111 rollen staal, totaal wegende 2587 ton.

2.2. De schipper van de Willem Lourens heeft de duwbak losgemaakt en afgemeerd langs de Goese Kade. Aan de achterzijde werd de Transit 2 vastgemaakt aan een steiger en aan de voorzijde werd het anker geworpen.

De schipper van de Willem Lourens heeft het voorval gemeld bij de Havendienst.

2.3. URS heeft mensen en materieel ingezet om het binnenstromende water weg te pompen, de duwbak te inspecteren en om de lading uit het ruim te lossen. Dat laatste is gebeurd door na enige tijd, een drijvende kraan van Ovet te huren. De inzet heeft geduurd van ongeveer 12.30 uur op 3 augustus 2008 tot 04.00 uur op 4 augustus 2008. De lege duwbak is uiteindelijk, met instemming van de autoriteiten, naar scheepswerf De Schroef gebracht door Watertransport.

2.4. Het ruim van de Transit 2 is met behulp van een waterdicht schot gescheiden van de voorpiek. Er is geen water in het ruim terecht gekomen vanuit de lekke voorpiek.

3. Het geschil

3.1. URS vordert samengevat - veroordeling van [gedaagden sub 1 en 2] c.s.tot betaling van EUR 400.000,-, vermeerderd met rente en kosten waaronder ook die van het door URS gelegde beslag op de Transit 2.

Zij stelt met gunstig gevolg hulp te hebben verleend aan de Transit 2 die op dat moment in gevaar verkeerde en niet kon en mocht varen. Voor de bepaling van de hoogte van het gevorderde hulploon gaat uit URS uit van de volgende factoren. De geredde waarde van de duwbak bedroeg zonder beschadiging EUR 500.000,- en die van de lading USD 2.500.000,-. Er is snel en met goed gevolg hulp verleend. De Transit 2 is niet gezonken waardoor verdere schade en kosten zijn voorkomen. Er is hulp verleend door professionele redders gedurende bijna 16 uur. URS heeft kosten gemaakt met het inhuren van derden. De inzet van de Ovet kraan heeft EUR 57.950,- gekost. Dit is overeenkomstig het tarief dat voor bergingen wordt berekend. De overige kosten bedragen samen EUR 6.995,28.

3.2. [gedaagden sub 1 en 2] voert verweer. Hij stelt dat er geen gevaar was dat de Transit 2 zou zinken. Hij erkent dat URS schepen met pompen naar de Transit 2 heeft gestuurd. De belanghebbenden bij de Willem Lourens hebben ook twee schepen met pompen naar de Transit 2 gestuurd te weten de Animo en de Mover. Zij hebben samen met URS zonder succes getracht de voorpiek leeg te pompen. Er stroomde evenveel water in als dat er uit werd gepompt.

[gedaagden sub 1 en 2] erkent dat er met de Transit 2 niet gevaren kon en mocht worden. Om een groot deel van de beschadiging aan de voorpiek boven water te krijgen, was het nodig de lading te lossen. Hij betwist dat daar grote haast bij geboden was, hetgeen volgens hem ook blijkt uit het verloop. Er is immers gewacht totdat de expert Uitterlinden aanwezig was om te overleggen. Pas daarna is een kraan besteld.

URS heeft geheel onnodig een duikteam besteld althans zij heeft dit ten onrechte niet afbesteld. Twee schepen van URS die aanwezig waren, de Hemiksem en Multraship 10, hebben geen bijdrage geleverd.

In ieder geval is de gevorderde vergoeding te hoog. Uitgegaan kan worden van de geredde waarde van de Transit 2 van EUR 443.883,- en van de lading van EUR 1.600.941,-.

Het wegpompen van het water heeft geen zin gehad omdat het water net zo hard weer terug naar binnen stroomde. Pas toen de lading werd gelost en de duwbak omhoog kwam, had het pompen effect.

Gevaar voor het schip was er niet. De Transit 2 lag afgemeerd langs de oever. Er was geen gevaar voor overig scheepvaartverkeer.

De kosten van de inzet van de Ovet kraan zijn buitensporig hoog. De kosten zouden ongeveer EUR 5.000,- hebben kunnen bedragen en niet het meer dan tienvoudige daarvan zoals nu door URS gesteld. Overigens kan dit lossen ook worden gezien als een opdracht die niet meer valt in het kader van de hulpverlening en dan behoeft alleen een redelijk loon betaald te worden.

[gedaagden sub 1 en 2] heeft verwezen naar een groot aantal uitspraken over hulploon. Het maximale loon zou EUR 6.000,- kunnen bedragen.

3.3. Watertransport voert het volgende als verweer. De Transit 2 heeft geen moment in gevaar verkeerd. Door de scheuren in de boeg zijn alleen de voorste compartimenten volgelopen, maar niet het ruim. Die compartimenten zijn ook voor dat doel gemaakt. De Transit 2 lag stabiel vast met een tros en een anker. De situatie was niet gevaarlijk hetgeen ook blijkt uit het wachten met het bestellen van een kraan door URS totdat de expert van Transit 2 was gearriveerd. De Transit 2 lag niet in de vaargeul en vormde geen gevaar voor het overige scheepvaartverkeer.

Voor zover al geoordeeld zou worden dat de Transit 2 in gevaar verkeerde dan heeft URS in die eerste fase geen hulp verleend en in de tweede fase was er wel hulp, maar geen gevaar. Het overladen heeft een gunstig effect gehad, maar toen was er al geen gevaar meer.

Ten aanzien van de geredde waarde stelt Watertransport dat de waarde van de duwbak

EUR 450.000,- was, verminderd met de kosten van reparatie van EUR 31.117,-. De waarde van de lading bedroeg USD 2.498.820,-.

Watertransport bestrijdt dat er sprake was van gevaar en dat door de inzet van URS een gunstige uitslag is verkregen. Alleen het overladen heeft een gunstig effect gehad. Ook de gemaakte kosten worden bestreden als zijnde te hoog of onnodig gemaakt.

In reactie op het verweer van [gedaagden sub 1 en 2] stelt Watertransport dat er geen moment is geweest dat er gevaar was dat het tussenschot tussen de voorpiek en het ruim zou bezwijken.

Uiterst subsidiair heeft Watertransport gesteld dat het hulploon EUR 42.500,- kan bedragen.

4. De beoordeling

4.1. Door een manoeuvre van de Willem Lourens is de duwbak Transit 2 tegen een steiger gevaren en lek geslagen. De schipper heeft verklaard dat de bak snel water maakte. Hij heeft, volgens zijn verklaring, de Havendienst gewaarschuwd en op een vraag of hij hulp nodig had positief geantwoord. Daarop zijn schepen van URS ingezet. Over de omvang van de schade was op dat moment niets bekend. Er kon dan ook redelijkerwijs vanuit gegaan worden dat de Transit 2, toen de hulp werd ingeroepen, in gevaar verkeerde.

Nadat door zowel URS als de van de zijde Watertransport ingezette pompen enige tijd volop gepompt was, werd duidelijk dat het waterniveau in de voorpiek niet daalde maar dat ook de Transit 2 niet verder zonk. Vanaf dat moment is er sprake geweest van het bewaken van de toestand van de Transit 2. Daarbij waren ook twee schepen van Watertransport betrokken en inzetbaar. Ook toen was nog niet duidelijk was wat de omvang van de schade aan de Transit 2 was en is URS in actie gebleven en daarmee hulp blijven verlenen. De havenautoriteiten hebben haar verplicht te blijven pompen. De situatie was in die fase minder kritiek dan zij leek op het moment dat de hulp werd aangevangen. URS heeft vervolgens wel de leiding gehouden over de verdere gang van zaken. Zij heeft ook met instemming een kraan gehuurd om de lading uit het ruim te lossen. Uiteindelijk is de lege Transit 2, met instemming van de autoriteiten, door Watertransport naar de scheepswerf gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van gevaar. Het verslag van de expert Uitterlinden bevestigt dit. URS heeft gezien het resultaat, met goed gevolg hulp verleend.

4.2. Voor de bepaling van de hoogte van het hulploon is het volgende van belang.

URS heeft met twee schepen snel gereageerd op het verzoek om hulp. Haar actie, het proberen leegpompen van de voorpiek, paste in deze hulpverlening. Op dat moment kon nog niet worden overzien hoe groot het gevaar voor schip en lading was. Vervolgens is al snel duidelijk geworden dat het pompen geen effect had. Er gebeurde niets met de Transit 2. De bak kwam niet omhoog maar zonk ook niet. Er brak een fase aan van consolideren en bewaken. Verplaatsen was door de autoriteiten verboden, stoppen met pompen mocht ook niet.

URS heeft dat met meer schepen gedaan dan redelijkerwijs nodig was, temeer daar ook Watertransport ter plaatse over twee schepen beschikte die de Transit 2 bij eventuele calamiteiten op zijn plaats konden houden. De rechtbank denkt daarbij aan de door URS gestelde zuigende werking van voorbij varende schepen.

URS heeft kennelijk de regie gehouden totdat de Transit 2 klaar was om naar de scheepswerf gebracht te worden. Dat blijkt uit het feit dat URS na overleg met de expert van Watertransport, die op zijn beurt weer overleg had met de vertegenwoordiger van de eigenaar van de Transit 2, de Ovet kraan heeft besteld. URS is dus met goed gevolg hulp verleend van het begin om 12.30 uur op 3 augustus 2008 tot het eind om 04.00 uur op 4 augustus 2008.

De geredde waarde van het schip bedraagt ongeveer EUR 450.000,- en van de lading ongeveer EUR 1.600.000,-.

URS was in staat te zorgen voor de snelle inzet van de sleepboot Zelzate en later de Multratug 2. Door dit eerste schip zijn pompen aan boord gebracht en aan het werk gezet.

Onbetwist is dat URS permanent beschikt over direct inzetbaar vakkundig personeel op het gebied van hulpverlening.

De inzet van deze mensen is geschied zonder noemenswaardig gevaar voor mensenlevens en zonder bijzondere inspanningen. De Transit 2 lag niet ver van de wal, vastgemaakt met aan de achterkant een draad en aan de voorkant een anker dat was geworpen. Er bestond geen gevaar voor ander scheepvaartverkeer. Ook bestond er geen milieugevaar. De Transit 2 is een duwbak die staal vervoerde en geen stoffen die bedreigend waren voor het milieu.

De inzet van URS is, achteraf bezien, van beperkt nut geweest. Het pompen bleek geen zin te hebben. Alleen het lossen van de lading bracht de bak voldoende omhoog om weer mee te kunnen en van de autoriteiten te mogen varen. Op last van die autoriteiten is wel voortdurend gepompt.

De hulpverleners hebben zonder noemenswaardig gevaar voor eigen leven kunnen werken. De foto’s die zijn overgelegd onderstrepen dat. Ook was er tijd om te wachten op de komst van de expert die kwam namens Watertransport.

De hulpverlening is niet ingewikkeld geweest en bestond uit het overzetten van de pompen, het bewaken van de situatie van de Transit 2 en het bestellen van een kraan.

Na ongeveer een uur moet ook duidelijk zijn geweest dat er geen groot gevaar bestond dat de Transit 2 zou zinken. Omdat de juiste omvang van de schade aan de Transit 2 niet bekend was, kan niet geconcludeerd worden dat ieder gevaar geweken was.

De totale hulpverlening heeft ruim 15 uur geduurd.

URS heeft kosten gemaakt. Het belangrijkste deel daarvan zijn de kosten gemaakt voor het huren van de Ovet kraan. Aannemelijk is dat Ovet voor de snelle inzet van deze kraan meer in rekening heeft gebracht dan het normale tarief. Dat normale tarief zou ongeveer

EUR 5.000,- zijn geweest, zoals [gedaagden sub 1 en 2] onbetwist stelt. Gelet op het overleg dat er tussen URS en de expert van [gedaagden sub 1 en 2] is geweest over het inzetten van een kraan, had URS moeten overleggen over de kosten van deze inzet. URS heeft niet anders gesteld dan dat Ovet dit bedrag in rekening heeft gebracht. Dat URS dit zo met Ovet heeft geregeld kan niet te nadele van [gedaagden sub 1 en 2] strekken. Het door URS uitgegeven bedrag kan dus maar gedeeltelijk meewegen bij de hoogte van hulploon.

De overige bedragen die door URS zijn betaald zijn redelijkerwijs gemaakte kosten. In de snelheid kan het gebeuren dat niet de juiste hijshaak wordt meegenomen. De duikersploeg was besteld en heeft onderzoek kunnen doen naar de ernst van de beschadiging en de stuwadoor heeft toegezien op het deskundig lossen van de rollen staal hetgeen verdere schade heeft kunnen voorkomen..

URS heeft schepen tot haar beschikking die inzetbaar zijn voor hulpverlening. Dat deze schepen ook inzetbaar zijn voor andere werkzaamheden doet daar niet aan af. Ook bij dit voorval was URS snel ter plaatse met geschikte hulpmiddelen. De inzet van twee van haar schepen, de Zelzate en de Multratug was voldoende. Dat er meerdere schepen aanwezig zijn gebleven komt voor rekening van URS. De noodzakelijkheid daarvan is niet aannemelijk gemaakt.

Al deze omstandigheden in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel van een hulploon van EUR 90.000,- redelijk en billijk is.

4.3. Omdat Van de Graaf in het ongelijk wordt gesteld moet hij ook de proceskosten die aan de zijde van URS gevallen zijn betalen. Deze kosten zijn:

Het verweer van Watertransport heeft geleid tot een extra conclusie aan de zijde van URS. Omdat het verweer geen doel treft zal Watertransport worden veroordeeld in de kosten van URS zijnde EUR 894,-.

5. De beslissing

De rechtbank

stelt het hulploon dat URS toekomt vast op EUR 90.000,-;

veroordeelt [gedaagden sub 1 en 2] en Boons hoofdelijk tot betaling aan URS van EUR 90.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2008 tot de dag der voldoening;

+

veroordeelt [gedaagden sub 1 en 2] en Boons in de kosten van de procedure tot op deze uitspraak aan de zijde van URS gevallen zijnde EUR 8.232,01;

veroordeelt Watertransport in de kosten van de procedure tot op deze uitspraak aan de zijde van URS gevallen zijnde EUR 894,-;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 14 september 2011.(