Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BU9382

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
22-12-2011
Datum publicatie
27-12-2011
Zaaknummer
Awb 10/682
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BY6719, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Exploitatievergunningen discotheek zelf voorziend geweigerd. Strijd met bestemmingsplan en ontoelaatbaar nadelige beïnvloeding woon- en leefklimaat.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/638
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector bestuursrecht

AWB nummer: 10/682

uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

1. [naam 1],

wonende te [woonplaats],

2. [naam 2],

wonende te [woonplaats],

3. [naam 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

gemachtigde mr. E.M.N. Noordover (Stibbe Advocaten en Notarissen te Amsterdam),

tegen

de burgemeester van Sluis,

verweerder.

I. Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van verweerder van

7 juli 2010 (hierna: het bestreden besluit).

Op 8 november 2011 is het beroep behandeld ter zitting. Eiser sub 1 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

M. Bonnewel en S. Schippers. Voorts is verschenen derde-belanghebbende [naam 4].

Ter zitting is het onderzoek gesloten.

II. Overwegingen

1. Bij besluit van 23 december 2009 is een exploitatievergunning horecabedrijf en een terrasvergunning voor discotheek [naam discotheek] te [plaats 1] aan

[naam 4], eigenaar van [naam discotheek] (hierna: vergunninghouder), op diens aanvraag daartoe van 18 juni 2008, verleend. Aan de vergunningen zijn diverse voorschriften verbonden.

2. Tegen dit besluit zijn diverse bezwaarschriften ingediend. De commissie bezwaarschriften heeft geadviseerd de bezwaren gegrond te verklaren en het bestreden besluit te herroepen.

De verleende vergunningen zijn, na wijziging van een aantal daaraan verbonden voorschriften en van de aan het besluit ten grondslag liggende motivering, bij het bestreden besluit in stand gelaten.

3. Aan de exploitatievergunning horecabedrijf zijn uiteindelijk onder meer de volgende voorschriften verbonden.

Voorschrift 7 luidt: “De vergunninghouder is verplicht de nodige maatregelen te treffen om de woon- en leefsituatie en de openbare orde in de omgeving van de inrichting te beschermen.”

Voorschrift 8 luidt: “De vergunninghouder is verplicht ervoor zorg te dragen dat de exploitatie van de inrichting zodanig geschiedt dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.”

Voorschrift 10 luidt: “Gedurende de openingstijden van de inrichting dienen er ter uitvoering van de beveiligingswerkzaamheden voldoende voor hun taak berekende portiers aanwezig te zijn, die voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. (…)”

Voorschrift 0 luidt: “Het is vergunninghouder toegestaan om de inrichting op vrijdagen, zaterdagen en zondagen zonder tijdelijk of vast sluitingsuur ingevolge artikel 2.3.1.4. van de APV te exploiteren. De overige dagen exploiteert de vergunninghouder de inrichting uiterlijk tot 00.00 uur.”

4. Eisers voeren tegen het bestreden besluit het volgende aan.

4.1. Ingevolge artikel 2.3.1.2., tweede lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Sluis (hierna: APV) moet een exploitatievergunning geweigerd worden indien sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Die strijd is er. Ingevolge het vigerende bestemmings-plan rust op het perceel de bestemming ‘Horecavestigingen’. Exploitatie van een discotheek valt niet onder de definitie van een horecavestiging. Verder kent het bestemmingsplan een expliciete subcategorie voor discotheken: ‘Hd’. Nu [naam discotheek] is gevestigd op een perceel waarop niet de subbestemming ‘Hd’ rust, is sprake van strijd met het bestemmingsplan. Ten slotte blijkt uit de toelichting op het bestemmingsplan dat de in het plangebied voorkomende horecavestigingen “overeenkomstig het huidige gebruik” waren bestemd. Het toenmalig gebruik was een rustig buurtcafé.

4.2. Voorts is sprake van strijd met artikel 2.3.1.2. derde lid, aanhef en onder sub a, van de APV, nu de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf door [naam discotheek] op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Niet gebleken is dat verweerder de relevante belangen heeft afgewogen. Zo ligt [naam discotheek] in een rustig, landelijk buitengebied, op korte afstand van de woningen van eisers. Voor een discotheek van deze omvang en activiteiten, is dit geen geschikte plaats. Het woonmilieu staat al jarenlang bloot aan spanning; eisers hebben jarenlang vele meldingen van (geluids)overlast - wegens onder meer muziek, komende en vertrekkende bezoekers, de sinds 2009 ingestelde discobus, luidruchtige bezoekers, die zich buiten ophouden en tevens vernieling en vervuiling veroorzaken en voorts overlast van drugsgebruik - en handhavingsverzoeken gedaan. Daardoor zijn ze regelmatig bedreigd door de vergunninghouder. Door sluiting van discotheek [naam discotheek 2] te [plaats 2] in 2013 zal het bezoekersaantal van [naam discotheek] en daarmee de overlast alleen maar toenemen.

Eisers kunnen zich voorts niet verenigen met de (gewijzigde) voorschriften voor de terrasvergunning. Deze zijn te ruim geformuleerd.

4.3. Ten slotte wordt aangevoerd dat verweerder bij besluit van 26 maart 2009 een advies op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) heeft aangevraagd en daarbij heeft overwogen dat ‘ernstig gevaar kan bestaan dat de vergunning voor strafbare feiten zal worden gebruikt’. Dat vervolgens de vergunningen zijn verleend zonder het BIBOB-advies af te wachten, is onbegrijpelijk en onzorgvuldig.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van strijd met het bestemmings-plan. Op het perceel rust de bestemming ‘Horecavestigingen’ en [naam discotheek] valt daaronder. Een discotheek valt onder artikel 1, onder 25, sub a van de planvoorschriften. Ook in het nieuwe bestemmingsplan, “Buitengebied”, zal [naam discotheek] op deze locatie worden toegestaan. Voorts is geen sprake van strijd met de APV. De woon- en leefsituatie en de openbare orde worden niet op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloed door de aanwezigheid en exploitatie van de inrichting. Bij intensieve controle door verweerder en politie is geen (geluids)overlast geconstateerd. Met wijziging van de voorschriften is voldoende aan de belangen van omwonenden tegemoetgekomen. Het BIBOB-advies is tot op heden nog niet verstrekt, omdat de aanvraag onvoldoende gemotiveerd was. Verweerder heeft het Regionaal Informatie- en Expertise Centrum (RIEC) ingeschakeld om de gemaakte fouten te herstellen. Indien blijkt dat sprake is van strijd met de wet BIBOB zullen de verstrekte vergunningen alsnog worden ingetrokken.

6. De rechtbank ziet zich allereerst (ambtshalve) gesteld voor de vraag of eisers als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Eisers hebben gesteld dat verweerder gedurende de procedure het standpunt heeft ingenomen dat eiser sub 2 geen belanghebbende is in de zin van voornoemd artikel, omdat deze geen direct zicht heeft op de discotheek. Ter zitting is door eiser sub 1 onweersproken meegedeeld dat de afstand tussen de woningen van eisers sub 1, 2 en 3 en [naam discotheek], 46,5 meter, respectievelijk 17,10 meter en 8,40 meter bedraagt. Reeds vanwege deze geringe afstand worden eisers als belanghebbenden bij het bestreden besluit aangemerkt. Daarnaast is de invloed van de exploitatie van een discotheek op de omgeving dusdanig dat niet kan worden geoordeeld dat het belang van eiser sub 2, ondanks het ontbreken van direct zicht van eiser sub 2 op [naam discotheek], niet rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken is.

De rechtbank overweegt voorts het volgende.

7. Artikel 1.4 van de APV luidt als volgt.

1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen

voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

3. Het bevoegde bestuursorgaan kan over de uitoefening van zijn bevoegdheden

beleidregels vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 Awb.

Artikel 2.3.1.2 van de APV luidt als volgt:

1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de

burgemeester.

2. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de

vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan.

3. De burgemeester kan de vergunning als bedoeld in het eerste lid geheel of

gedeeltelijk weigeren: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf. (…)

4. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de

burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf.

5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.4.1 beslist de burgemeester in geval van eenvergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voorzover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

6. Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren: a. indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b. indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. 7. Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voorzover de Wet beheer

rijkswaterstaatwerken of de provinciale wegenverordening van toepassing is.

Artikel 2.3.1.4 APV luidt als volgt:

1. Met het oog op de in artikel 2.3.1.2, derde lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in deze Afdeling kan de burgemeester voor één of meerdere horecabedrijven of gebieden:

1. tijdelijke of vaste sluitingsuren vaststellen;

(…).

8. Ter zitting heeft vergunninghouder verklaard dat [naam discotheek] geen discotheek, maar een café is. Er is sprake van een teruglopend bezoekersaantal. In 1998 kwamen er zo’n 300 bezoekers op een avond, terwijl er tegenwoordig nog 30 à 40 bezoekers zijn. Alleen op de avonden waarop een “party” wordt georganiseerd, is het drukker. Verweerder heeft meegedeeld dat [naam discotheek] soms als café en soms als discotheek fungeert. Eisers hebben het voorgaande weersproken.

9. Vast is komen te staan dat vergunninghouder de inrichting in 1987 als café [naam café] heeft gekocht en dat hij dit dorpscafé in 2001 heeft omgevormd tot discotheek [voormalige naam discotheek]. In 1997 is bouwvergunning verleend voor het veranderen van een café tot disco. De op 11 mei 1998 aan vergunninghouder verleende drank- en horecawetvergunning is verleend voor de lokaliteit ‘cafe/discotheek’. Onder meer in 2008 is discotheek [voormalige naam discotheek] verbouwd en in november 2009 heeft deze een doorstart gemaakt onder de naam [naam discotheek]. Toen is tevens een discobus ingesteld (die overigens momenteel niet rijdt). Vaststaat voorts dat [naam discotheek] qua omvang door honderden bezoekers gelijktijdig bezocht kan worden. Gelet op het voorgaande en op de wijze waarop [naam discotheek] zich presenteert op zijn website, is de rechtbank van oordeel dat, ongeacht de vraag of sprake is van een teruglopend bezoekersaantal, sprake is van een discotheek.

10. Het vigerende bestemmingsplan is de tweede herziening van het op 18 juni 1998 vastgestelde bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied’. Deze tweede herziening is op

27 december 2005 door de gemeenteraad van Sluis vastgesteld. Ingevolge dit

bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming Horecavestigingen (zonder bebouwing).

11. Ingevolge artikel 18 van de planvoorschriften zijn gronden met de bestemming Horecavestigingen, zonder subbestemming, bestemd voor horecabedrijven.

In artikel 1, onder 25, van de planvoorschriften, is een horecabedrijf gedefinieerd als een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten:

a. het verstrekken van voedsel en/of dranken met het oogmerk dat deze ter plaatse worden genuttigd;

b. het exploiteren van zaalaccommodatie;

c. het verstrekken van nachtverblijf.

12. In de legenda, behorend bij deze tweede herziening van het bestemmingsplan, is voor discotheken een specifieke subbestemming, te weten Hd, opgenomen. Nu [naam discotheek] niet is gevestigd op een perceel waarop deze subbestemming rust, is de rechtbank van oordeel dat reeds hierom sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Een discotheek valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder de in artikel 1 onder 25 van de planvoorschriften vermelde definiëring van een horecavestiging.

13. Daarbij is voorts het volgende van belang. Ter zitting heeft eiser sub 1 een ongedateerd stuk overgelegd waarvan hij stelt het op 25 januari 2010 van verweerder te hebben gekregen, dat ziet op de tweede herziening van het bestemmingsplan. Het betreft een passage uit ‘Aanpassingen naar aanleiding van ontwikkelingen’, opgesteld door Adviesbureau RBOI te Middelburg. Hierop is onder het kopje ‘Voorstraat (detailkaart 1.5.1)’ vermeld, dat ter plaatse van voormalig Discotheek [naam discotheek 3] in [plaats 3] aanpassing van het bestemmingsplan nodig is onder meer als gevolg van beëindiging van de discotheek ter plaatse en vestiging van een restaurant. Eiser sub 1 heeft hierop toegelicht dat hij van verweerder heeft vernomen dat bij de tweede herziening van het bestemmingsplan de subbestemming Hd in de legenda is opgenomen, omdat in [plaats 3] discotheek [naam discotheek 3] wegging en men wilde voorkomen dat daar een nieuwe discotheek zou komen. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd meegedeeld dit stuk niet te kennen, maar dat hetgeen eiser sub 1 heeft gesteld, zou kunnen kloppen. Voorgaande duidt er naar het oordeel van de rechtbank op bij de tweede herziening van het bestemmingsplan bewust een onderscheid is gemaakt tussen horecavestigingen en discotheken en dat daarbij een subbestemming voor discotheken in de legenda is opgenomen. Het maken van een dergelijk onderscheid ligt, gelet op het verschil tussen de invloed van een discotheek en die van overige horecavoorzieningen in het algemeen op het woon- en leefklimaat, ook voor de hand.

14. Voorts is door eisers onweersproken gesteld dat in de toelichting op artikel 18 van de planvoorschriften, behorend bij het op 18 juni 1998 vastgestelde bestemmingsplan Landelijk Gebied, ten aanzien van onder meer de bestemming Horecavestigingen is vermeld dat deze overeenkomstig het huidige gebruik zijn bestemd. Het huidige gebruik was destijds - zoals blijkt uit overweging 8 - een dorpscafé. Hoewel de toelichting op het bestemmingsplan volgens vaste jurisprudentie niet tot de planvoorschriften behoort, vormt dit wel een aanwijzing dat het onderhavige perceel nooit bestemd is voor een discotheek. Dit laatste is overigens ook begrijpelijk, nu gelet op hetgeen hierna onder 19 wordt overwogen, blijkt dat deze locatie niet geschikt is voor het exploiteren van een discotheek.

15. Voorgaande betekent dat verweerder gehouden was de exploitatievergunning voor de discotheek wegens strijd met het bestemmingsplan te weigeren. De omstandigheid dat er momenteel een procedure loopt ter wijziging van het geldende bestemmingsplan en dat daarmee onder meer wordt beoogd de discotheek van een deugdelijke planologische bestemming te voorzien, maakt het voorgaande niet anders. De APV voorziet immers niet in de mogelijkheid om te anticiperen op voorgenomen wijzigingen in het bestemmingsplan, maar spreekt expliciet over het geldende bestemmingsplan.

16. Ten aanzien van de terrasvergunning geldt dat deze, evenals de exploitatievergunning voor de discotheek, geweigerd had moeten worden. Hoewel vestiging van een terras op de huidige locatie op zichzelf niet in strijd is met de geldende bestemming Horecavestigingen, kan het onderhavige terras niet zonder de discotheek functioneren. Door de vormgeving c.q. indeling van de inrichting is geen sprake van een discotheek met een apart gedeelte voor café met terras, maar vormen discotheek en terras feitelijk één geheel. Tevens zijn discotheek en terras ook als één geheel vergund, zo blijkt uit de terrasvergunning, waarin is vermeld dat aan [naam 4] vergunning wordt verleend voor een direct aansluitend terras bij horecabedrijf zijnde discotheek [naam discotheek] .

17. De rechtbank overweegt voorts dat naast strijd met het tweede lid van artikel 2.3.1.2 van de APV, tevens sprake is van strijd met het derde lid van dit artikel.

Artikel 2.3.1.2., derde lid, van de APV kent verweerder een discretionaire bevoegdheid toe. Bij de uitoefening van deze bevoegdheid dient een belangenafweging als bedoeld in artikel 3:4 van de Awb plaats te vinden. In dit kader dient verweerder te beoordelen of het exploiteren van een discotheek met terras op de huidige locatie het te beschermen woon- en leefklimaat in de omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloedt, waarbij rekening gehouden moet worden met het karakter van de straat/wijk, de aard van het horecabedrijf en de spanning waaraan het woonmilieu blootstaat. Zowel het primaire als het bestreden besluit geven ten aanzien van beide vergunningen geen blijk van een (dergelijke) belangenafweging. Met de enkele stelling in het bestreden besluit dat het woon- en leefklimaat niet op ontoelaat-bare wijze nadelig wordt beïnvloed, omdat bij diverse controles geen overlast is geconstateerd, kan verweerder in dit verband niet volstaan.

18. Vaststaat dat [naam discotheek] midden in een klein buurtschap op geringe afstand van de woningen van eisers en overige bebouwing en in een landelijke rustige omgeving ligt. De af- en aanrijdroutes van en naar de discotheek voeren onder meer langs de woningen van eisers en overige omwonenden. Verder heeft een discotheek in het algemeen, en zo ook [naam discotheek], meer invloed op het woon- en leefklimaat dan andere vormen van horeca. Wat betreft de spanning waaraan het woonmilieu reeds vóór vergunningverlening blootstond of na vergunningverlening bloot komt te staan, staat vast dat eisers in het verleden regelmatig geklaagd hebben over (geluids)overlast bij zowel de politie als verweerder. Ook na vergunningverlening is diverse malen geklaagd over overlast en zijn diverse handhavings-verzoeken gedaan. De verhoudingen in de buurt zijn verstoord, zo blijkt onder meer uit het feit dat door eisers aangifte is gedaan van bedreiging en de verklaring van [naam 4] ter zitting dat sprake is van een burenruzie. Gelet op het voorgaande kan verweerder zich in redelijkheid niet op het standpunt stellen dat de aanwezigheid van [naam discotheek] niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

19. De aan de vergunning verbonden voorschriften kunnen niet verhinderen dat de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te zeer wordt aangetast door de aanwezigheid van [naam discotheek] . Verweerder kan niet volstaan met deze voorschriften. Zo is voorschrift 0 bijvoorbeeld te ruim, nu dit inhoudt dat voor de vrijdag, zaterdag en zondag geen sluitingstijden gelden. Voorschrift 10 omtrent de inzet van portiers is onvoldoende duidelijk voor wat betreft het aantal in te zetten portiers. De door verweerder ter zitting gegeven toelichting dat [naam 4] zelf kan inschatten wanneer portiers noodzakelijk zijn, volstaat niet. Dat geldt temeer nu vergunninghouder ter zitting heeft verklaard dat er geen (gecertificeerde) portiers worden ingezet. Ten slotte heeft verweerder met het opnemen van de voorschriften 7 en 8, de door verweerder te maken belangenafweging omtrent bescherming van het woon- en leefklimaat, ten onrechte bij vergunninghouder neergelegd. Het na bezwaar opnemen van een nieuw voorschrift 8a, op grond waarvan vergunninghouder het van bezoekers afkomstige afval rondom de inrichting voor 08.00 uur dient te verwijderen, maakt het voorgaande niet anders.

20. De rechtbank hecht er overigens nog aan te overwegen dat geconcludeerd kan worden

dat een discotheek op deze locatie niet passend is. Met het aanscherpen van de voorschriften kan niet worden voorkomen dat het woon- en leefklimaat ter plaatse te zeer wordt aangetast. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten dat de voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan, waarin onder meer wordt beoogd de discotheek van een deugdelijke planologische bestemming te voorzien, het onderhavige (overlast)probleem kan oplossen.

21. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vergunningen geweigerd hadden moeten worden, in de eerste plaats wegens strijd met het bestemmingsplan en in de tweede plaats wegens ontoelaatbaar nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat ter plaatse door de aanwezigheid van [naam discotheek]. Dat betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op na te melden wijze zelf in de zaak te voorzien. Het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit wordt gegrond verklaard, het primaire besluit waarbij de vergunningen zijn verleend wordt herroepen en de door vergunninghouder gevraagde vergunningen worden geweigerd.

22. Verweerder dient het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden. Tevens ziet de rechtbank in de gegrondverklaring van het beroep aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers redelijkerwijs hebben moeten maken voor de behandeling van hun beroep. Deze kosten worden, overeenkomstig het Besluit proceskosten, voor de beroepsfase vastgesteld op € 874,- aan kosten voor de gemachtigde en € 25,48 wegens door eiser sub 1 gemaakte reiskosten in verband met de zitting (€ 0,28 x 91 km). De reiskosten worden vergoed op basis van € 0,28 per kilometer, nu reizen vanaf het adres van eiser sub 1 per openbaar vervoer niet goed mogelijk is.

De rechtbank vat het verzoek van eisers in het beroepschrift om vergoeding van ‘alle kosten die door eisers tot nu toe zijn gemaakt’ op als verzoek om vergoeding van de kosten die in de bezwaarfase zijn gemaakt. Die kosten komen, nu aan de vereisten van artikel 8:75, eerste lid, juncto artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is voldaan, eveneens voor vergoeding in aanmerking. De kosten voor de bezwaarfase worden vastgesteld op € 437,- aan kosten voor de gemachtigde wegens het indienen van een bezwaarschrift. Dit bedrag is reeds bij het bestreden besluit aan eisers toegekend, maar zal, nu dit besluit wordt vernietigd, thans opnieuw worden toegekend, met dien verstande dat hetgeen reeds is betaald, uiteraard op het te betalen bedrag in mindering dient te worden gebracht.

Voorgaande betekent dat de totale proceskostenvergoeding € 1.311,- bedraagt wegens kosten voor rechtsbijstand en € 25,48 wegens voornoemde reiskostenvergoeding.

III. Uitspraak

De rechtbank Middelburg

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar van eisers gegrond;

- herroept het primaire besluit van 23 december 2009 waarbij de vergunningen zijn verleend;

- bepaalt dat de vergunningen worden geweigerd en dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1.311,- wegens rechtsbijstand, te betalen door verweerder aan eisers, en € 25,48 wegens door eiser sub 1 gemaakte reiskosten, te betalen door verweerder aan eiser sub 1.

Aldus gedaan door mr. A.W. Ente, als voorzitter, en mrs. R.C.M. Reinarz en P.M. van Dijk, als leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Evenhuis, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2011.

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen.

Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak.

Afschrift verzonden op: 22 december 2011