Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BU8435

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
23-01-2012
Zaaknummer
12/700303-10[P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen invoer 40 kilo cocaïne. Combinatie van onder meer reisbewegingen, telefoongegevens en spraakonderzoek relevant voor oordeel dat verdachte medepleger is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/700303-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren [1964],

thans gedetineerd in de PI Middelburg, locatie Torentijd, Torentijdweg 1 te Middelburg,

ter terechtzitting verschenen,

raadsman mr. J. Wouters, advocaat te Middelburg,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 november 2011, waarbij de officier van justitie mr. Rammeloo en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat

hij op of omstreeks 30 augustus 2010 te Middelburg, in elk geval (elders) in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk vanuit de haven in Antwerpen (België) binnen het grondgebied van

Nederland heeft gebracht en/althans opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

40 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 5 Opiumwet

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het aan hem tenlastegelegde feit en baseert zich daarbij op het vonnis in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte], de verklaring van [medeverdachte] waarin hij kenmerken noemt die op verdachte van toepassing zijn, de telefoongegevens waarmee de politie uiteindelijk bij [nichtje van verdachte] (zijnde het nichtje van verdachte) is uitgekomen, het vergelijkend spraakonderzoek waaruit blijkt dat de stem van verdachte waarschijnlijk past bij de stem van de telefoongesprekken met [medeverdachte] alsmede de vluchtgegevens van verdachte waaruit blijkt dat hij een dag nadat de ananassen in Ecuador op transport zijn gezet uit Ecuador is vertrokken en vlak nadat [medeverdachte] is gearresteerd, uit Nederland is vertrokken. Net als [medeverdachte] wordt verdachte als een professional beschouwd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op de ontkennende verklaring van verdachte, alsmede op het feit dat de verklaring van [medeverdachte] op bepaalde punten aantoonbaar onjuist is gebleken en dus ongeloofwaardig is. Daarnaast kan niet bewezen worden dat verdachte gebruik maakte van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]. Verder spreekt verdachte geen Spaans, is hij nog nooit eerder in Zeeland geweest en kunnen zendmastgegevens van mobiele telefoons alleen als ondersteunend bewijs dienen en geen bewijsmiddel op zich zijn. Tot slot wordt het spraakvergelijkend onderzoek door de verdediging in twijfel getrokken. Gelet op de korte duur van de telefoongesprekken en het ontbreken van Spaanstaling vergelijkingsmateriaal, dienen de fragmenten B2, B3, B4 en B5 van het bewijs te worden uitgesloten. Fragment B1 heeft een duur van 32 seconden en dat is te kort om aan het fragment conclusies te verbinden.

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er nader onderzoek dient te worden verricht naar de personen en telefoonnummers die in het dossier in de cirkeloverzichten op pagina 64 en 79 zijn opgenomen. Daarnaast wil de verdediging nader onderzoek laten verrichten naar de vader van verdachte.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op maandag 30 augustus 2010 is in een loods aan de [adres loods] aangetroffen en vervolgens inbeslaggenomen een zeecontainer met koelaggregaat met daarin circa 1076 dozen ananassen. Bij nader onderzoek op 31 augustus 2010 is aan de binnenzijde achter een aluminium plaat ongeveer 40 kilo cocaïne aangetroffen. Eigenaar van de ananassen en gebruiker van de zeecontainer is [medeverdachte]. De container is vanuit Ecuador via de haven van Antwerpen (België) op 30 augustus 2010 binnen het grondgebied van Nederland gebracht in opdracht van die [medeverdachte].

De rechtbank overweegt voor wat betreft het cocaïnetransport dat:

- [medeverdachte] op 26 juli 2010 en 29 juli 2010 via een op zijn naam gestelde rekening bij de Belgische bank KBC respectievelijk $ 18.500,-- en $ 3.000,-- heeft doen overschrijven naar het bedrijf Bonnafruit te Ecuador;

- [medeverdachte] de container heeft laten vervoeren door [transportbedrijf] van Antwerpen naar Middelburg;

- [medeverdachte] [transportbedrijf] voorafgaande aan dat transport contant heeft betaald hetgeen volgens deze vervoerder opmerkelijk is;

- [medeverdachte] persoonlijk betrokken is geweest bij de aankomst van de container te Middelburg op 30 augustus 2010;

- [medeverdachte] door werkzaamheden in de loods deze opslagmogelijkheid voor handen had en weinigen daarvan op de hoogte waren;

- [medeverdachte] midden in de zomer op geen enkele wijze heeft voorzien in een adequate koeling van de container, die naast de cocaïne circa 1076 dozen ananassen bevatte, terwijl ananassen constant moeten worden gekoeld en binnen twee weken bij de consument moeten zijn. Indien de ananassen niet worden gekoeld dan dienen zij binnen twee dagen bij de consument te zijn omdat de kwaliteit anders niet kan worden gegarandeerd;

- [medeverdachte] niet adequaat heeft voorzien in een afzetmogelijkheid voor de circa 1076 dozen ananassen met in elke doos ongeveer 14 ananassen, dus in totaal ruim 15.000 ananassen;

- in de container, die onder regie van [medeverdachte] is vervoerd naar een loods die hij daartoe had bestemd, cocaïne is aangetroffen;

- [medeverdachte] op 27 december 2010 is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar voor het medeplegen van de invoer van 40 kilogram cocaïne binnen het grensgebied van Nederland, het voorhanden hebben van een wapen uit categorie II en een wapen uit categorie III (parketnummer 12/700269-10);

Voor wat betreft de rol van verdachte overweegt de rechtbank als volgt. [medeverdachte] is op 31 augustus 2010 aangehouden. Tijdens de doorzoeking in de auto van [medeverdachte] is een briefje aangetroffen waarop '[alias]:' stond met twee telefoonnummers ([telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]). In zijn verklaring bij de politie heeft [medeverdachte] verklaard dat hij met '[alias]' en '[alias 2]' de man '[betrokkene]' bedoeld, dat hij hem kent uit Amsterdam, dat hij hem al wel twintig jaar kent en dat [betrokkene] eigenlijk uit Suriname komt. Daarnaast heeft [medeverdachte] verklaard dat op het briefje dat in zijn auto is aangetroffen, telefoonnummers staan van [betrokkene], dat zij elkaar wel eens zagen bij de McDonalds in Middelburg, in Rotterdam en in Amsterdam, dat [betrokkene] een chineesachtig uiterlijk heeft, dat hij het neefje is van [naam] en dat hij een Braziliaanse vrouw heeft. In zijn verklaring bij de politie en ter terechtzitting heeft verdachte erkend dat hij een neef is van [naam], dat hij een Braziliaanse vrouw heeft en dat zijn grootvader van vaders kant afkomstig is uit China. Deze informatie strookt met de bevindingen van een ingesteld onderzoek naar de identiteit van verdachte. Hieruit blijkt dat de moeder van verdachte [naam moeder] is en dat de vader van verdachte, genaamd [vader verdachte], een Chinese vader had.

Op basis van het voorgaande acht de rechtbank het aannemelijk dat verdachte de persoon is, die op het in de auto van [medeverdachte] aangetroffen briefje met de naam '[alias]' wordt aangeduid.

Vervolgvraag is of de op het briefje vermelde telefoonnummers ([telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2]) door verdachte zijn gebruikt.

De telefoongesprekken die met voornoemde nummers zijn gevoerd zijn afgeluisterd. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) is verzocht om in een vergelijkend spraakonderzoek, de spraakuitingen van de gebruiker van telefoonnummer 0681481648 te vergelijken met spraakuitingen van verdachte, welke zijn opgenomen gedurende een verhoor.

Voor wat betreft het nummer 0681481648 is van belang dat [medeverdachte] op 30 augustus 2010, de dag van de aankomst van het transport, om 9:45 uur met dit nummer het volgende telefoongesprek heeft gevoerd (dit fragment is door het NFI aangeduid met nummer B1 ):

"1648 ; Hoi Wim met mij

Wim ; mogge .. ntv.. wat is er dan met die telefoon van jouw man

1648 ; ik had het uitgezet

Wim ; o want hij is steeds in gesprek als ik bel

1648 ; nee hij is gewoon uit

Wim ; ooo, ik denk al ligt hij zoveel te neuken of hoe zit dat

1648 ; gisteren heb je gebeld zeker

Wim ; Heel de morgen ben ik al aan het bellen

1648 ; om 6 uur heb ik hem aangezet

Wim ; Ik snapte het niet hij is allemaal in gesprek dus

daarom stuurde ik een smsje

Nou fingers crossed he vandaag gaan ze erom

1648 ; ok

Wim ; dus zodra ik wat weet dan bel ik je, dus hou je telefoon bij de hand

1648 ; hij is al bij de hand dus… ntv…

Wim ; Fingers crossed

1648 ; ok, anders hoe laat bel ik je dan 5 uur ?

Wim ; Dat is goed jongen, maar zodra ik wat weet dan bel ik je.

Je mag af en toe tussendoor bellen maar dat heeft geen zin. Want

zodra ik wat weet dan bel ik je gelijk op.

1648 ; Dat bedoel ik, ik bel je om 5 uur als ik niks hoor, of wat dan ook.

Wim ; is goed jongen"

Op 30 augustus 2010 om 17:06 uur heeft [medeverdachte] wederom contact gehad met nummer 0681481648. In dit gesprek meldt [medeverdachte] dat hij zenuwachtig is en dat hij nog niets gehoord heeft. Dit vanwege het feit dat 'ze er om ongeveer 3 uur zijn omgegaan'. [medeverdachte] zal bellen, zodra hij wat hoort. Dit fragment is door het NFI aangeduid met nummer B2.

Nadat [medeverdachte] van [transportbedrijf] heeft vernomen dat het transport aanstaande is, belt hij weer naar nummer 0681481648 en wordt op 30 augustus 2020 om 19:34 het volgende telefoongesprek gevoerd (dit fragment is door het NFI aangeduid met nummer B3):

"1648; hoe istie ?

WN ; GEWELDIG, ze hebben me net gebeld om half negen istie bij mij

1648; ok maar wat ik je wou zeggen. Je moet even binnenblijven. Neem maar even zo'n meisje mee

WN ; Daar hebben we het al over gehad

1648; ok ik zit met 1 van mijn vrienden hier, die is vandaag gekomen. Ik hoor wel van je morgen

WN ; OK"

Nadat het transport is gearriveerd en [medeverdachte] is opgepakt, heeft de gebruiker van het nummer 0681481648 veelvuldig, doch tevergeefs gepoogd om met [medeverdachte] in contact te komen . De dagen erna heeft de gebruiker van het nummer een aantal malen contact gehad met Kris8615. Beiden zijn duidelijk op zoek naar [medeverdachte]. Eén van voornoemde gesprekken met Kris8615, te weten het gesprek in het Spaans gevoerd op 31 augustus om 16:53 uur is door het NFI aangeduid met B5.

Het NFI heeft overeenkomsten in de spraakuitingen aangetroffen en concludeert:

De bevindingen van het onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer verdachte het betwiste materiaal in de Nederlandse fragmenten B1, B3 en B4 heeft geproduceerd dan wanneer

iemand anders dan de verdachte dit materiaal heeft geproduceerd.

De bevindingen van het onderzoek zijn iets waarschijnlijker wanneer verdachte het betwiste materiaal in het Nederlandse fragment B2 heeft geproduceerd dan wanneer

iemand anders dan de verdachte dit materiaal heeft geproduceerd.

De bevindingen van het onderzoek zijn iets waarschijnlijker wanneer verdachte het betwiste materiaal in het Spaanse fragment B5 heeft geproduceerd dan wanneer

iemand anders dan de verdachte dit materiaal heeft geproduceerd.

Voor wat betreft het verweer van de verdediging dat de waarde van het vergelijkend spraakonderzoek in twijfel moet worden getrokken, merkt de rechtbank op dat de verdediging de mogelijkheid heeft gehad een contra-expertise te laten verrichten maar daar van af heeft gezien. Nu de rechtbank geen reden heeft om te twijfelen aan de inhoud van het door het NFI opgestelde deskundigenrapport, verwerpt zij het verweer van de verdediging.

Blijkens de historische printgegevens van nummer 0681481648 heeft dit nummer gedurende de periode van 21 juni 2010 tot en met 30 augustus 2010 38 keer contact gehad met [medeverdachte] en 20 keer met HMG Holdings B.V., het bedrijf van [medeverdachte] en Chico Marney Ho, de broer van verdachte. Uit de printgegevens blijkt tevens dat de gebruiker van het telefoonnummer zich hoofdzakelijk bevindt in de mastlocatie 'Lagedijk Spaarndam'. De historische printgegevens van nummer 0644245669 wijzen uit dat de gebruiker van dit nummer in de periode van 12 juli 2010 tot en met 2 september 2010 117 keer contact heeft gehad met [medeverdachte]. Daarnaast is er 88 keer contact geweest met een Braziliaans nummer, is er 95 keer contact geweest met verschillende Ecuadoriaanse nummers en 15 keer met een Peruaans nummer. Dit nummer heeft verder 3 keer contact gehad met Gina Ho, een zus van verdachte, die in Spaarndam woont. Voor wat betreft de locatie is de gebruiker van dit nummer veelvuldig op mastlocaties in Spaarndam (96), Zwaanshoek (72) aangestraald. De gebruiker van het nummer is verder 4 keer in Zeeland geweest.

Het nummer 0644245669 is op 12 juli 2010 om 14.21 uur in gebruik genomen. Na 26 augustus 2010 is het nummer niet meer gebruikt. Het nummer 0681481648 is in de periode tussen 21 juni 2010 en 16 augustus 2010, op een uitzondering na, slechts gebeld. Vanaf 16 augustus 2010 wordt er ook vanuit het nummer gebeld. Uit de afluisterprocedure en de opgevraagde historische gegevens volgt verder dat het nummer 0681481648 gebruikt werd in een mobiele telefoon met het IMEI-nummer 358668033210560. Deze mobiele telefoon is vanaf 7 september 2010 door [nichtje van verdachte], een nicht van verdachte en wonende te Spaardam, in gebruik genomen. Ter terechtzitting heeft verdachte ook verklaard dat hij wel eens telefoons weggaf en ook een telefoon aan zijn nicht heeft gegeven. Een telefoonkaart hield hij echter altijd zelf.

Relevant zijn verder de door verdachte gemaakte reisbewegingen. Uit de vluchtgegevens van verdachte blijkt dat hij op 11 juli 2010 van Paramaribo naar Amsterdam is gevlogen. Op 18 juli 2010 is verdachte vanuit Amsterdam naar Quito (Ecuador) gevlogen, van waaruit hij op 8 augustus 2010 weer naar Amsterdam is gevlogen. Verdachte is op 5 september 2010 vertrokken naar Paramaribo.

De rechtbank is van oordeel dat beide overzichten op cruciale punten samen vallen. Zo wordt het nummer 0644245669 een dag nadat verdachte in Nederland is gearriveerd in gebruik genomen en krijgt de nicht van verdachte vanaf 7 september 2010 de beschikking over het toestel, waarmee eerder met het nummer 0681481648 werd gebeld. Opvallend is verder dat er met beide nummers naar familie van verdachte is gebeld en de nummers ook vaak op zendmasten in de buurt van de familie van verdachte zijn aangestraald. Ook met [medeverdachte], die stelt verdachte te kennen, is veelvuldig gebeld.

Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt tot het oordeel dat de rechtbank het aannemelijk acht dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de telefoonnummers [telefoonnummer 1] en [telefoonnummer 2].

In combinatie met de inhoud van de hiervoor weergegeven telefoongesprekken leidt de rechtbank hieruit verder af dat verdachte betrokken is bij het transport van de ananassen. De rechtbank vindt voor deze conclusie steun in de volgende omstandigheden.

Uit de transportlijst van de container volgt dat deze op 7 augustus 2010 in Guayaquil (Ecuador) is geladen en naar Antwerpen is vervoerd. Het is de politie ambtshalve bekend dat het gebruikelijk is dat iemand in het land van vertrek ervoor zorgt dat de goederen op transport gaan. Uit de reisbewegingen van verdachte blijkt dat verdachte op dat moment in Ecuador verbleef. Verdachte is op 8 augustus 2010 (een dag na het laden van de container) vanuit Ecuador naar Amsterdam gevlogen.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat de telefoon van verdachte met nummer 0644245669 op 15 juli 2010 onder andere is aangestraald op de mastlocaties Dongestraat Oost-Souburg, Westelijke Oude Havendijk en de J,A. van de Perrestraat in Middelburg. De eerste locatie is in de buurt van de woning van [medeverdachte] en de andere twee locaties zijn in de buurt van de loods, waar de container met ananassen is aangetroffen. Uit de printgegevens blijkt tevens dat de telefoon van verdachte op het moment dat hij in Zeeland werd aangestraald met [medeverdachte] aan het bellen was.

De rechtbank acht voorts aannemelijk dat verdachte ook bekend was met het feit dat er cocaïne werd vervoerd. Uit eerdergenoemde telefoongesprekken blijkt dat verdachte op de dag van het transport met [medeverdachte] heeft gesproken in versluierd taalgebruik, te weten: "Je moet even binnen blijven. Neem maar even zo'n meisje mee". Ook uit latere telefoongesprekken tussen verdachte en Kris8615, welke gebruik maakt van een Peruaans nummer, blijkt dat in codetaal wordt gesproken. Zo wordt met de woorden 'Kikkers' en 'Kakkerlakken' de politie bedoeld en wordt met de 'discotheek' de loods bedoeld. Uit de gesprekken volgt tevens dat met 'meisje' een doos ananas wordt bedoeld. De gesprekken werden in het Spaans gevoerd, ofschoon verdachte deze taal niet goed beheerst. Een en ander komt overeen met de verklaring van verdachte ter zitting dat hij veel in Zuid-Amerika komt en met zijn Braziliaanse vrouw Portugees spreekt.

Gelet op het versluierde taalgebruik en het feit dat verdachte geen duidelijke verklaring kan geven voor zijn aanwezigheid in Ecuador, de contacten met [medeverdachte] en zijn gebruik van mobiele telefonie acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich onder andere samen met [medeverdachte] heeft bezig gehouden om een partij cocaïne vanuit Ecuador Nederland in te voeren, waarbij een lading ananassen als dekmantel in gebruikt. De activiteiten van verdachte zien op het feit dat hij naar Ecuador is gegaan om het transport te regelen en in dat kader de contacten met Kris8615 en tussen Kris8615 en [medeverdachte] heeft onderhouden.

Met betrekking tot de verklaring van [medeverdachte] merkt de rechtbank nog op dat deze slechts op het punt van de dekmantel, te weten het transport en de bestemming van de ananassen leugenachtig is bevonden. De rechtbank acht deze verklaring voor het overige authentiek en geloofwaardig.

Gelet op bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem tenlastegelegde feit.

Voor wat betreft het subsidiaire verzoek van de verdediging overweegt de rechtbank als volgt. Nu het onderzoek ter terechtzitting is aangevangen, behoort een mini-instructie op basis van artikel 36a van het Wetboek van Strafvordering niet langer tot de mogelijkheden. Nu de verdediging in het vooronderzoek verschillende mogelijkheden heeft gehad tot het stellen van onderzoekseisen en zij deze niet heeft benut en ook het onderzoek ter terechtzitting geen aanleiding tot nader onderzoek heeft gegeven, wijst de rechtbank het verzoek tot nader onderzoek af.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 30 augustus 2010 te Middelburg, in elk geval (elders) in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk vanuit de haven in Antwerpen (België) binnen het grondgebied van

Nederland heeft gebracht en/althans opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer

40 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende

cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende

lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die

wet;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij te bewijzen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte onschuldig is en dat hij om die reden moet worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde feit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf of maatregel aan verdachte moet worden

opgelegd, houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke

omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Door de invoer van harddrugs naar Nederland wordt de handel in verdovende middelen in Nederland in stand gehouden en kunnen de invoerders van die verdovende middelen mede verantwoordelijk worden gehouden voor de nadelige effecten die door de handel in en het gebruik van verdovende middelen worden veroorzaakt. Daarbij is voorts van belang dat cocaïne een stof is die verslavend werkt, schadelijk kan zijn voor de gezondheid en waarvan het gebruik vanwege de randverschijnselen schade voor de samenleving in Nederland en in het buitenland oplevert.

De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie d.d. 31 mei 2011 op naam van verdachte en de brief van de reclassering Nederland d.d. 19 juli 2011 waarin zij aangeven dat verdachte ontkent en dat hij vindt dat justitie niets met zijn privacy te maken heeft.

De eis van de officier van justitie is in het licht van hetgeen doorgaans voor soortgelijke feiten wordt opgelegd passend. Het gaat in deze om een grote hoeveelheid drugs, namelijk 40 kilo cocaïne. Verdachte heeft samen met [medeverdachte] een onmisbare rol gespeeld bij het vervoer van deze drugs naar Nederland.

Door de ontkennende houding van verdachte bij de politie en ter terechtzitting heeft verdachte op geen enkele wijze inzicht willen geven in de organisatie van deze drugssmokkel. Verdachte heeft geen verantwoording willen nemen voor het feit. Zijn proceshouding heeft ertoe bijgedragen dat de andere betrokkenen, naast [medeverdachte], van het transport onbekend zijn gebleven. Mede daarom is er geen aanleiding om een lagere straf op te leggen dan geëist.

Nu uit het dossier niet blijkt wat ieders rol in de drugshandel is geweest, gaat de rechtbank uit van gelijkwaardigheid in rollen. Gelet hierop zal de rechtbank een straf opleggen die gelijkgesteld is aan de straf die [medeverdachte] opgelegd heeft gekregen.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf, een gevangenisstraf van vijf jaar, voldoende recht doet aan de ernst van het feit en de persoon van de verdachte.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder A en C, van de Opiumwet

gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vijf (5) jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Vos, voorzitter, mr. Nomes en mr. Batenburg-van Rijswijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Leijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 december 2011.