Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BU8396

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
23-01-2012
Zaaknummer
12/705363-11 en 12/715103 (TUL) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet Wapens en Munitie. Voorhanden hebben. Machtsrelatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummers: 12/705363-11 en 12/715103-09 (TUL) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 december 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren [1992]

wonende te [adres]

ter terechtzitting verschenen,

raadsvrouw mr. Van Steenberge, advocaat te Terneuzen,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 24 november 2011, waarbij de officier van justitie mr. Van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 augustus 2010 te Terneuzen, in de voor de nachtrust

bestemde tijd op de openbare weg, de Axelsestraat, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of

anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag, in

elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), hebbende hij, verdachte en/of diens mededader(s) - met

(deels) bedekt gezicht (door middel van capuchon en/of zakdoek/sjaal) -:

- die [slachtoffer 1] (die op een fiets reed) rennend achterhaald, en/of

- één of meermalen tegen de fiets (terwijl die [slachtoffer 1] hier nog op

zat/reed) getrapt, en/of

- die [slachtoffer 1] (met kracht) in het gezicht, althans tegen het hoofd,

geslagen/gestompt, en/of

- die [slachtoffer 1] dreigend een pistool, althans een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, laten zien en/of dit pistool, althans dit op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, dreigend met de loop in de richting van die

[slachtoffer 1] gericht en/of de loop van dit pistool, althans dit op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1]

gehouden, en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, de woorden toegevoegd "Geef

mij je geld', en/of

- (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 2] gekeken en/of (dreigend) op die

[slachtoffer 2] afgelopen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 15 augustus 2010 te Terneuzen, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, een vuurwapen van categorie II/III,

te weten een pistool, voorhanden heeft gehad en/of heeft gedragen;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

en voor zover terzake het onder 2 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 15 augustus 2010 te Terneuzen (een) wapen(s) van categorie

I onder 7°, te weten een balletjespistool, althans (een) voorwerp(en) dat/die

voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis

vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde

voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 13 lid 1 Wet wapens en munitie

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van feit 1

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht dit feit wettig en overtuigend te bewijzen en baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 1], de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] alsmede op de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Uit deze bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en verdachte op de fietsers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn afgerend. Verdachte erkent dit ook, maar stelt dat hij verder niets heeft gedaan. Op basis van de verklaringen van verdachte en [betrokkene 2] kan ervan uit worden gegaan dat [medeverdachte 1] de bedreiging met het pistool heeft geuit en [slachtoffer 1] een klap heeft gegeven. Verdachte, [medeverdachte 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn wel bij de overval betrokken geweest. Zo is van te voren een plan beraamd. Genoemde personen zijn eerder die avond bij elkaar gekomen, hebben over een overval gesproken en hebben een pistool meegenomen. Ten tijde van de overval hebben zij zich voorzien van gezichtsbedekkende kleding en zijn op de fietsers afgerend. Niemand van de groep -ook verdachte niet- heeft zich van de overval gedistantieerd of heeft geprobeerd om de overval te voorkomen. Verdachte stond zelfs met gezichtsbedekkende kleding een meter van de geweldshandelingen af. De verklaring van verdachte dat hij niets heeft gedaan, is in dit licht niet geloofwaardig.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Het strafdossier biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een andersluidende conclusie. Verdachte ontkent dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan. Er is even bij verdachte thuis over een overval gesproken, maar verdachte heeft dit afgedaan als een grapje. Er is verder niet meer over gesproken en er is evenmin een rolverdeling gemaakt. De raadsvrouw plaatst bovendien vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 1]. Deze heeft pas in zijn vijfde verhoor een inhoudelijke verklaring afgelegd, welke er op neer komt dat [medeverdachte 2] en verdachte alle handelingen zouden hebben verricht. Bovendien wordt de verklaring van [medeverdachte 1] niet ondersteund door de andere verklaringen uit het dossier. Andere verklaringen wijzen er juist op dat [medeverdachte 1] tegen de fiets van [slachtoffer 1] heeft getrapt, [slachtoffer 1] in het gezicht heeft geslagen en hem bedreigd heeft met een pistool. Verdachte ontkent voorts dat hij geweld heeft gebruikt jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Uit de enkele aanwezigheid van verdachte ter plaatse kan niet zonder meer het (voorwaardelijk) opzet op de bedreiging met geweld en het geweld worden afgeleid. Verdachte heeft op voorhand geen aanwijzigen gehad dat er geweld zou worden gebruikt. Zo was verdachte niet op de hoogte van het feit dat [medeverdachte 1] een pistool bij zich had. Verdachte was zich daarom niet bewust van de aanmerkelijke kans dat door een ander uit de groep geweld zou worden gepleegd of daarmee zou worden gedreigd. Gelet op het voorgaande kan niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte de in de tenlastelegging opgenomen handelingen zelf heeft verricht. Evenmin kan bewezen worden verklaard dat verdachte opzet had op het plegen van bedreiging met geweld.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 15 augustus 2010 is een groep van vijf jongeren bijeengekomen in de woning van verdachte te Terneuzen. Naast verdachte waren [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aanwezig. Tijdens het spelen van computerspelletjes is er gesproken over het plegen van een overval. Tevens is er een wapen getoond. De jongeren zijn daarna via de bomenbuurt naar de stad gelopen, alwaar ze even op een bankje hebben gezeten. Daarna zijn ze via de Axelsestraat weer terug naar het huis van verdachte gelopen. Tussentijds is er ook nog over een overval gesproken .

Op de Axelsestraat, een openbare weg, zijn de jongeren vervolgens op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], die op dat moment aan het fietsen waren, afgerend en hebben gepoogd hen op gewelddadige wijze tot afgifte van een geldbedrag te bewegen. Zij droegen daarbij gezichtsbedekkende kleding. Er is tegen de fiets van [slachtoffer 1] getrapt en [slachtoffer 1] is in zijn gezicht geslagen althans gestompt. Ook heeft de jongen die heeft geslagen en/of gestompt een ‘pistool’ op [slachtoffer 1] gericht en de loop hiervan tegen het hoofd van [slachtoffer 1] gezet, waarbij dreigend is gezegd: “geef mij je geld”. Plotseling is de overval gestopt en hebben de jongeren zich uit de voeten gemaakt. [slachtoffer 1] heeft door de klap een scheur in het rechter trommelvlies opgelopen met als gevolg oorpijn en oorsuizen.

Uit de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] alsmede uit de verklaring van [getuige 1] blijkt dat er drie jongens op [slachtoffer 1] zijn afgerend. Uit de verklaringen die door verdachte, [medeverdachte 1] en [betrokkene 2] zijn afgelegd valt af te leiden dat verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op [slachtoffer 1] zijn afgerend. Voorts is uit de verklaringen gebleken dat de twee overige betrokkenen ([betrokkene 1] en [betrokkene 2]) op dat moment richting [slachtoffer 2] liepen. Over de trappen tegen de fiets van [slachtoffer 1] wordt wisselend verklaard. Uit het voorgaande volgt dat verdachte, [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] deze handelingen moet hebben verricht. Gelet op de verklaringen van verdachte en [betrokkene 2] acht de rechtbank aannemelijk dat [medeverdachte 1] [slachtoffer 1] een klap heeft gegeven. Gelet op de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaringen van verdachte, [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] acht de rechtbank eveneens aannemelijk dat [medeverdachte 1] een pistool of een daarop lijkend voorwerp op [slachtoffer 1] heeft gericht en dit tegen het hoofd van [slachtoffer 1] heeft gehouden en daarbij de woorden heeft gebruikt: “Geef mij je geld” . Ook uit de verklaringen van [getuige 4] , [getuige 2] en [getuige 3] blijkt dat [medeverdachte 1] voornoemde handelingen heeft gepleegd. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet dat de handelingen van [medeverdachte 1] niet aan verdachte kunnen worden toegerekend.

In dat kader dient te worden bezien of verdachte is aan te merken als medepleger van de ten laste gelegde poging tot afpersing. Medeplegen vereist nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij is niet vereist dat er een duidelijke rolverdeling is gemaakt noch dat alle medeplegers de uitvoeringshandelingen mede verrichten. Hoewel geen sprake is van een tot in detail uitgewerkt plan, is de rechtbank van oordeel dat er geenszins vanuit een impuls is gehandeld. Uit het feit dat verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vooraf samenkomen, gezamenlijk over het plegen van een overval spreken, een wapen tonen, samen -met het wapen- op pad gaan om het voornemen uit te voeren, voltallig aanwezig zijn ten tijde van het delict en zich op het moment dat de overval plaatsvond hiervan niet wezenlijk distantiëren, leidt de rechtbank af dat er willens en wetens is samengewerkt. De rechtbank merkt verdachte om deze reden aan als medepleger van het ten laste gelegde feit.

Het verweer van verdachte dat hij dacht dat over een overval werd gesproken als grapje, passeert de rechtbank nu die stelling niet nader wordt onderbouwd en ook niet blijkt uit het dossier.

Ten aanzien van het verweer dat uit de enkele aanwezigheid van verdachte ter plaatse niet zonder meer het (voorwaardelijk) opzet op de bedreiging met geweld en het geweld kan worden afgeleid, merkt de rechtbank het volgende op. De rechtbank houdt voor mogelijk dat verdachte verrast werd door de timing van de overval. Verdachte heeft evenwel ter zitting verklaard dat hij, nadat hij [medeverdachte 1] op de fietsers af zag rennen zijn t-shirt voor zijn gezicht heeft gedaan en achter [medeverdachte 1] is aangerend. De rechtbank gaat ervan uit dat hij zijn t-shirt onhoog deed om niet herkend te worden. Zijn nabijheid heeft naar het oordeel van de rechtbank aan het geweld bijgedragen. Enerzijds heeft hij [medeverdachte 1] er niet van weerhouden geweld toe te passen, anderzijds was er door de aanwezigheid van verdachte en [medeverdachte 2] sprake van een getalsmatig overwicht, hetgeen voor [slachtoffer 1] niet alleen angstaanjagend en intimiderend moet zijn geweest, maar waardoor het voor hem ook nagenoeg onmogelijk was om te vluchten of de confrontatie aan te gaan.

Ook in juridische zin was het opzet van verdachte gericht op het gebruik van geweld. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] voorafgaand aan het vertrek richting de stad in het ouderlijk huis van verdachte een wapen heeft getoond en dit wapen in een tas heeft gestopt. Verdachte heeft [medeverdachte 1] op dat moment niet weggestuurd of verzocht om het wapen bij vertrek thuis achter te laten. De rechtbank ziet niet in hoe dit valt te rijmen met de verklaring van verdachte dat hij geen aanwijzigen heeft gehad dat er geweld zou worden gebruikt en niet op de hoogte is geweest van het feit dat [medeverdachte 1] een pistool bij zich had. Verdachte vertrok op de bewuste avond derhalve in groepsverband richting de stad in de wetenschap dat er een overval zou worden gepleegd en dat iemand uit de groep een pistool bij zich droeg. Hiermee heeft hij voorafgaande aan de overval de mogelijkheid of noodzakelijkheid van het gebruik van geweld onder ogen gezien. Hij heeft zich daarmee bloot gesteld aan de niet ondenkbare kans dat [medeverdachte 1] geweld zou gaan gebruiken en deze kans op zijn minst voor lief genomen. Hiermee heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank het voorwaardelijk opzet gehad op het plegen van afpersing. De rechtbank verwerpt het verweer.

De rechtbank acht ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit feit tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.

Ten aanzien van feit 2

4.4 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte op 15 augustus 2010 te Terneuzen een balletjespistool voorhanden heeft gehad. Aangezien dit wapen niet onder de categorie II/III valt, acht de officier van justitie het primaire tenlastegelegde niet wettig te bewijzen. Het subsidiair tenlastegelegde acht de officier van justitie op basis van de verklaringen van verdachte, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] wel wettig en overtuigend te bewijzen.

4.5 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is eveneens van mening dat de rechtbank ten aanzien van het primair tenlastegelegde niet tot een bewezenverklaring kan komen. Volgens de verdediging kan evenmin tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde worden gekomen, aangezien niet voldaan is aan de vereisten voor de kwalificatie van voorhanden hebben. In casu is geen sprake van een machtsrelatie tussen het wapen en verdachte.

4.6 Het oordeel van de rechtbank

Uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 2] leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] tijdens de overval een balletjespistool tevoorschijn haalde . Verdachte en [betrokkene 2] hebben ook in het ouderlijk huis van verdachte gezien dat [medeverdachte 1] een neppistool vasthield .

De rechtbank stelt op basis van het voorgaande vast dat [medeverdachte 1] op 15 augustus 2010 een op een vuurwapen gelijkend wapen voorhanden heeft gehad, maar dat dit geen vuurwapen uit de categorie II/III betreft. Nu niet is gebleken van een vuurwapen uit de categorie II/III dient verdachte van het primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit feit niet wettig en overtuigend bewezen acht.

Subsidiair is verdachte ten laste gelegd dat hij een balletjespistool of een voorwerp dat voor wat betreft de vorm en afmeting sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

Voorhanden hebben in de zin van de Wet wapens en munitie veronderstelt de aanwezigheid van een wapen, waarvan de dader zich bewust is. Daarnaast moet de dader ten aanzien van dat wapen een zekere feitelijke macht kunnen uitoefenen. Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de poging tot afpersing is overwogen, blijkt dat aan de eerste twee voorwaarden is voldaan. Binnen de groep droeg [medeverdachte 1] een balletjespistool en verdachte was daarvan op de hoogte. Volgens rechtspraak van de Hoge Raad moet voorts een zekere vorm van machtsuitoefening mogelijk zijn. Het gaat om een zekere handelingsbevoegdheid, die overigens geen zeggenschap impliceert. Of er sprake is van een machtsrelatie tussen dit wapen en verdachte hangt af van de omstandigheden van het geval, beoordeeld naar de algemene verkeersopvatting. De feitelijke toestand is daarbij beslissend. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] ten tijde van de overval het balletjespistool tegen het hoofd van [slachtoffer 1] hield en derhalve in gebruik had. Verdachte stond op dat moment in de zeer directe omgeving van [medeverdachte 1]. Naar de algemene verkeersopvatting geoordeeld had niet alleen [medeverdachte 1] op dat moment de feitelijke macht over het wapen. Ook verdachte kon ten aanzien van het wapen een zekere feitelijke macht uitoefenen. Gelet op de bewezenverklaarde poging tot afpersing was het balletjespistool immers onderdeel van het plan en onderdeel van de groep. De groep was op de hoogte dat [medeverdachte 1] het wapen bij zich droeg en zou gebruiken. Elk lid van de groep, zo ook verdachte, had het wapen tijdens het gebruik door [medeverdachte 1] binnen handbereik en had het kunnen (af)pakken.

Gelet op genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat aan de vereisten voor het bewijs van het voorhanden hebben als bedoeld in artikel 13 van de Wet wapens en munitie, is voldaan. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een balletjespistool of een ander op een vuurwapen gelijkend wapen voorhanden heeft gehad.

4.7 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 15 augustus 2010 te Terneuzen, in de voor de nachtrust

bestemde tijd op de openbare weg, de Axelsestraat, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en)

wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van enig geldbedrag, in

elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2], hebbende hij, verdachte en/of diens mededader(s) - met

(deels) bedekt gezicht (door middel van capuchon en/of zakdoek/sjaal) -:

- die [slachtoffer 1] (die op een fiets reed) rennend achterhaald, en/of

- één of meermalen tegen de fiets (terwijl die [slachtoffer 1] hier nog op

zat/reed) getrapt, en

- die [slachtoffer 1] (met kracht) in het gezicht, althans tegen het hoofd,

geslagen/gestompt, en

- die [slachtoffer 1] dreigend een op een vuurwapen

gelijkend voorwerp, laten zien en dit op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, dreigend met de loop in de richting van die

[slachtoffer 1] gericht en de loop van dit op een

vuurwapen gelijkend voorwerp, tegen het hoofd van die [slachtoffer 1]

gehouden, en

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, de woorden toegevoegd "Geef

mij je geld', en

- (dreigend) in de richting van die [slachtoffer 2] gekeken en/of (dreigend) op die

[slachtoffer 2] afgelopen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 15 augustus 2010 te Terneuzen (een) wapen(s) van categorie

I onder 7°, te weten een balletjespistool, althans (een) voorwerp(en) dat/die

voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis

vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde

voorwerp(en) voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van veertien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Hij neemt hierbij verzwarende omstandigheden in aanmerking, zoals het feit dat verdachte ten tijde van het begaan van de delicten nog in een proeftijd liep en zich op jonge leeftijd -getuige zijn strafblad- al schuldig heeft gemaakt aan ernstige delicten, zoals diefstal en geweldpleging.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman benadrukt dat verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en deze graag wil voorzetten. In dit kader wordt een werkstraf verzocht met eventueel een voorwaardelijk deel. Op die manier kan hij aan zijn toekomst werken.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het opleggen van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden en de ernst van de gepleegde feiten en met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Verdachte heeft samen met vier anderen een plan gemaakt en geprobeerd om twee onschuldige voorbijgangers gedurende de nachtelijke uren op de openbare weg af te persen. Verdachte heeft tevens een balletjespistool voor handen gehad. Dit zijn ernstige feiten. Een poging tot afpersing leidt niet alleen tot emotionele (en psychische) gevolgen bij de slachtoffers, zij zorgt ook voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Het ongecontroleerde bezit van (vuur)wapens leidt eveneens tot gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Hierbij heeft verdachte kennelijk in het geheel niet stilgestaan. Het heeft hem er in ieder geval niet van weerhouden om, ten koste van een ander, snel aan geld proberen te komen. Ook ter terechtzitting leek verdachte zich niet bewust van de ernst van de feiten.

De rechtbank houdt rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte

-ondanks zijn jonge leeftijd- eerder is veroordeeld voor diefstallen en openlijke geweldpleging. Ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde delicten liep de proeftijd nog van twee aan verdachte opgelegde voorwaardelijke straffen. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan, zeker ook omdat verdachte heeft verklaard dat hij zich hiervan bewust was.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op een rapport d.d. 28 oktober 2011 uitgebracht door Reclassering Nederland. Volgens de reclassering is toezicht niet geïndiceerd. Bureau Jeugdzorg Zeeland, afdeling Jeugdreclassering, heeft in het kader van de reguliere afluiting van eerder genoemde proeftijd een afsluitrapportage opgemaakt, welke is gedateerd op 29 september 2011. Conclusie is dat verdachte hulp en steun (eventueel in de vorm van reclasseringstoezicht) nodig heeft om zijn ontwikkeling voort te zetten.

De rechtbank is van oordeel dat een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf noodzakelijk is, omdat de aard en de ernst van de bewezen en strafbaar verklaarde feiten door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zouden worden. De rechtbank hecht er bovendien veel belang aan om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten pleegt. Daarom zal de rechtbank reclasseringstoezicht opleggen, zodat verdachte noodzakelijke sturing krijgt.

Gezien de leeftijd van verdachte ziet de rechtbank aanleiding om een mildere straf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

7 De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straf van 80 uren die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van 30 september 2009 ten uitvoer zal worden gelegd. Verdachte heeft gedurende zijn proeftijd meerdere strafbare feiten begaan, terwijl de proeftijd nu juist bedoeld is als stok achter de deur teneinde het plegen van strafbare feiten te voorkomen. Indien er toch strafbare feiten worden gepleegd, dient in beginsel consequent te worden gehandeld.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit bij toewijzing van de vordering verlenging van de proeftijd.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan het plegen van nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. De vordering van de officier van justitie zal dan ook worden toegewezen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 45, 47, 57, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 primair tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.7 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Ten aanzien van feit 1:

Poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd op de openbare weg, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 2:

Handelen in strijd met artikel 13 van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door Reclassering Nederland (RN). Daartoe moet hij zich binnen vijf werkdagen volgend op het onherroepelijk worden van de rechterlijke uitspraak melden bij RN op het adres Vrijlandstraat 33B te Middelburg. Hierna moet hij zich in persoon gedurende door de RN bepaalde perioden blijven melden zo frequent als RN gedurende deze perioden nodig acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- gelast dat de voorwaardelijke straf van 80 uren werkstraf, welke bij vonnis van de kinderrechter in Middelburg van 30 september 2009 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 12/715103-09, geheel ten uitvoer zal worden gelegd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, voorzitter, mr. Vos en mr. Batenburg-van Rijswijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Leijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 december 2011.