Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BU4865

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
17-11-2011
Zaaknummer
80939 KG ZA 2011-200
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Smeels vordert veroordeling van de provincie c.s. om zich te onthouden van elke bemoeienis met de Stichting BJZ en de inschrijving in het handelsregister van Coppoolse en Hennekeij als lid van de Raad van Toezicht ongedaan te maken, en de mededelingen aan overige personen als zouden zij benoemd zijn tot lid van de Raad van Toezicht c.q. Raad van Bestuur van de Stichting BJZ te herroepen en in trekken. De provincie c.s. vordert in reconventie onder meer Smeels te gebieden zich te onthouden van elke bemoeienis met de Stichting BJZ - met uitzondering van handelingen met betrekking zijn ontslagprocedure -, Smeels te verbieden als zaakwaarnemer voor de Stichting BJZ op te treden en hem te verbieden zich naar derden uit te laten aangaande de Stichting BJZ.

De voorzieningenrechter oordeelt Smeels als zaakwaarnemer niet-ontvankelijk in zijn vorderingen, wel als privé-persoon. De besluiten tot benoeming van Coppoolse en Hennekeij zijn onbevoegd genomen en onrechtmatig jegens Smeels. De besluiten tot benoeming van de andere leden van de Raad van Toezicht dienen eveneens als onbevoegd genomen te worden beschouwd. De vorderingen van Smeels worden echter niet onverkort toegewezen.

De vordering in reconventie wordt alleen toegewezen voor zover het betreft het verbod tot het stellen als zaakwaarnemer. De overige vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 80939 / KG ZA 11-200

Vonnis in kort geding van 17 november 2011

in de zaak van

ARNOLDUS ANTHONIUS SMEELS, zowel handelend namens zichzelf als krachtens zaakwaarneming namens de stichting Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland,

wonende te Middelburg,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. U.T. Hoekstra te Middelburg,

tegen

1. de openbare rechtspersoon

DE PROVINCIE ZEELAND,

zetelend te Middelburg,

2. L. COPPOOLSE,

wonende te Middelburg,

3. J.I. HENNEKEIJ,

wonende te Breskens, gemeente Sluis,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. J. Schulp te Amsterdam.

Eiser in conventie, verweerder in reconventie zal hierna Smeels genoemd worden. Gedaagden in conventie, eisers in reconventie zullen hierna samen de provincie c.s. genoemd worden. Gedaagden in conventie, eisers in reconventie zullen afzonderlijk worden aangeduid als respectievelijk de provincie, Coppoolse en Hennekeij.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met productie

- de brief van mr. Hoekstra van 2 november 2011 met producties

- de brief van mr. Hoekstra van 8 november 2011 met producties

- de faxbrief van mr. Schulp van 8 november 2011 met producties

- de faxbrief van mr. Schulp van 9 november 2011 met akte houdende eis in reconventie

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van Smeels

- de pleitnota van de provincie c.s.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 10 november 2011, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

2. De feiten

2.1. In 2002 is de Stichting Bureau Jeugdzorg Zeeland (verder: Stichting BJZ) door het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland (verder: GS) in het leven geroepen. Coppoolse en Hennekeij, op dat moment gedeputeerden, zijn per 23 december 2002 in functie getreden als voorzitter respectievelijk lid van de Raad van Toezicht. Per 1 augustus 2003 zijn zij uit functie getreden.

In de oprichtingsakte c.q. oprichtingsstatuten is bepaald dat de benoeming van de voorzitter van de Raad van Toezicht geschiedt door GS.

2.2. In de thans geldende statuten van de Stichting BJZ, zoals deze na de laatste statutenwijziging - met voorafgaande goedkeuring van GS - in een notariële akte d.d. 7 juni 2007 zijn vastgelegd, is kort gezegd bepaald dat de Raad van Toezicht de Raad van Bestuur benoemt en dat de Raad van Toezicht middels coöptatie zichzelf samenstelt.

2.3. Bij besluit van GS van 19 april 2011 is Smeels, door GS op grond van artikel 4 lid 5 van de Wet op de jeugdzorg (Wjz) ontslagen als voorzitter van de Raad van Toezicht. Bij besluit van gelijke datum zijn de overige leden van deze Raad geschorst. Deze overige leden hebben kort daarna zelf ontslag genomen.

Aanleiding hiertoe was het verloop van de sollicitatieprocedure voor de benoeming van een nieuw lid van de Raad van Bestuur.

2.4. In de per 1 januari 2011 ontstane vacature van het (enig) lid van de Raad van Bestuur is tijdelijk voorzien door de benoeming per 14 maart 2011 van de heer L.J. Schipper als waarnemer. Hij is uit functie getreden op 30 september 2011.

2.5. Bij besluit van 20 mei 2011 hebben GS Coppoolse en Hennekeij tijdelijk als voorzitter respectievelijk lid van de Raad van Toezicht benoemd.

Deze Raad van Toezicht kreeg van GS als prioritaire taken:

“1. het vaststellen van de jaarrekening 2010 van de stichting;

2. het samenstellen van een volledige Raad van Toezicht;

3. de werving van een raad van bestuur, tenminste het weer op gang brengen daarvan.”

2.6. Bij besluiten van GS van 30 augustus/1 september 2011 zijn de tijdelijke benoemingen van Coppoolse en Hennekeij verlengd tot 1 januari 2012. In september 2011 werd door Coppoolse en Hennekeij de sollicitatieprocedure voor benoeming van een nieuw lid van de Raad van Bestuur weer opgestart.

2.7. Smeels heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, sector bestuursrecht, vervolgens verzocht om schorsing van zijn ontslagbesluit en schorsing van de benoemingsbesluiten van 31 augustus/1 september 2011.

Bij uitspraak van 12 oktober 2011 heeft de voorzieningenrechter het ontslagbesluit geschorst, met dien verstande dat aan deze schorsing de beperking is verbonden dat Smeels gedurende de periode van schorsing van het bestreden besluit niet zal fungeren als voorzitter van de Raad of als lid van de Raad. Daartoe is het volgende overwogen:

“Gebleken is dat verzoeker in zijn gesprek met de portefeuillehouder en in zijn brief van 27 april 2011 in duidelijke en deels desavouerende bewoordingen zijn beeld van de heersende cultuur bij BJZ heeft geschetst en dat het voorts niet onaannemelijk is te achten dat zijn verhouding met verweerder en BJZ onder druk is komen te staan. De voorzieningenrechter voorziet dat onder omstandigheden een eventuele terugkeer van verzoeker in de Raad thans mogelijk contra-productief zal werken. Aan de schorsing wordt daarom de beperking verbonden dat verzoeker gedurende de periode van schorsing van het bestreden besluit niet zal fungeren als voorzitter van de Raad of als lid van de Raad.”

Met betrekking tot het verzoek tot schorsing van de benoemingsbesluiten van 31 augustus/1 september 2011 heeft de voorzieningenrechter, samengevat, vastgesteld dat in de huidige statuten een benoemingsbevoegdheid van GS ontbreekt en dat in de Wet op de jeugdzorg niet een publiekrechtelijke benoemingsbevoegdheid is te vinden. Zij heeft tevens overwogen dat GS zich ter zitting hebben beroepen op een in de oprichtingsstatuten vastgelegde privaatrechtelijke benoemingsbevoegdheid waarvan de uitoefening niet ter beoordeling van de bestuursrechter is, zodat zal moeten worden verwacht dat de bezwaarschriften tegen deze besluiten niet-ontvankelijk zullen worden verklaard en er om die reden geen aanleiding is om met betrekking tot die besluiten voorlopige voorzieningen te treffen.

2.8. Bij de Kamer van Koophandel is de heer H.W. van den Ende per 1 oktober 2011 als bestuurder (lid van de Raad van Bestuur) ingeschreven, alsmede, naast Coppoolse en Hennekeij, de heren J.P.M. van Seters en A.P.M. Wevers als lid van de Raad van Toezicht vanaf 20 respectievelijk 29 september 2011.

2.9. Bij besluit van 1 november 2011, verzonden op 2 november 2011, is door GS aan mevrouw N.E. Groenewegen de tijdelijke leiding opgedragen van de Stichting BJZ met ingang van 3 november 2011. Bij brief van 8 november 2011 heeft Smeels bezwaar gemaakt tegen dat benoemingsbesluit.

2.10. Bij brief van 8 november 2011 heeft Smeels mevrouw Groenewegen benoemd tot directeur/bestuurder van de Stichting BJZ, onder de opschortende voorwaarde dat Smeels weer zal fungeren als voorzitter van de Raad van Toezicht.

2.11. Voorts heeft Smeels op 8 november 2011 bij de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht van deze rechtbank een verzoekschrift voorlopige voorzieningen ingediend ertoe strekkende dat de voorlopige voorziening die bij de uitspraak van 12 oktober 2011 is getroffen, zal worden gewijzigd, in die zin dat de beperking die is verbonden aan de schorsing van het ontslagbesluit van 19 april 2011 zal vervallen. Verder strekt het verzoek ertoe de benoeming van mevrouw Groenewegen als tijdelijk leidinggevende van de Stichting BJZ te schorsen.

2.12. Op 10 november 2011 heeft de provincie c.s. bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend ex artikel 2:299 BW en artikel 2:294 BW, primair strekkende tot benoeming van mevrouw Groenewegen tot lid van de Raad van Bestuur en de heer A.P.M. Wevers tot lid van de Raad van Toezicht van de Stichting BJZ.

3. Het geschil in conventie en in reconventie

3.1. Smeels vordert de provincie c.s. te veroordelen:

1. zich te onthouden van elke bemoeienis met de Stichting BJZ (waarbij een eventuele benoeming door GS van een tijdelijk leidinggevende van het door de stichting in stand gehouden bureau niet als zodanig moet worden aangemerkt);

2. binnen een week na de datum van de uitspraak de inschrijving van Coppoolse en Hennekeij in het handelsregisterdossier van de stichting BJZ (nr. 811773644) ongedaan te maken;

3a. binnen een week na de datum van de uitspraak aan de heren Van den Ende, Van Seters, Wevers, en mevrouw Groenewegen en eventuele anderen na 20 april 2011 gedane mededelingen als zouden zij benoemd zijn tot lid van de Raad van Bestuur c.q. Raad van Toezicht van de Stichting BJZ te herroepen en in te trekken op de grond dat deze “benoemingen” niet een zodanig effect hebben gehad,

b. binnen 14 dagen na de datum van de uitspraak aan Smeels schriftelijk bewijs daarvan ter hand te stellen, en

c. binnen 14 dagen na de datum van de uitspraak de na 20 april 2011 gedane inschrijvingen van de sub a. bedoelde anderen in het handelsregisterdossier van de Stichting BJZ (nr. 811773644) ongedaan te maken;

met veroordeling van de provincie c.s. in de kosten van het geding, inclusief nakosten en vermeerderd met rente.

Ter zitting heeft Smeels tevens verzocht om aanhouding van de behandeling van onderhavige zaak, althans aanhouding van de uitspraak, in afwachting van de behandeling van zijn verzoek voorlopige voorzieningen door de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht.

3.1.1. Smeels voert hiertoe onder meer het volgende aan. Hij stelt voorop dat hij op dit moment het enig rechtsgeldig benoemde bestuurslid van de Stichting BJZ is. Aangezien hij niet als zodanig mag functioneren, kan hij geen gebruikmaken van de in de huidige statuten neergelegde bevoegdheid van de Raad van Toezicht om bij ontstentenis van de Raad van Bestuur het bestuur tijdelijk te laten waarnemen door een door de Raad van Toezicht benoemde functionaris. Dat betekent dat bij ontstentenis van een Raad van Bestuur en een te benoemen functionaris een statutaire c.q. wettelijke vertegenwoordiger van de Stichting BJZ ontbreekt en niet kan worden aangewezen. Daarom acht Smeels zichzelf bevoegd - en als enig bestuurslid ook gehouden - om bij wege van zaakwaarneming namens de Stichting BJZ, maar ook namens zichzelf onderhavige vorderingen in te stellen.

3.1.2. Aan de provincie c.q. GS is noch bij wet noch statutair de bevoegdheid toegekend om leden van de Raad van Toezicht van de Stichting BJZ te benoemen. Coppoolse en Hennekeij zijn dan ook nooit lid geworden van de Raad van Toezicht van de Stichting BJZ. GS kunnen slechts voorzien in de tijdelijke leiding van het bureau. Ook de andere personen die als lid van de Raad van Bestuur of Raad van Toezicht zijn benoemd, zijn dat in werkelijkheid niet omdat Coppoolse en Hennekeij niet bevoegd waren om hen als zodanig te benoemen.

De provincie heeft tegenover zowel Smeels als de Stichting BJZ onrechtmatig gehandeld door Smeels als voorzitter van de Raad van Toezicht te ontslaan. Evenzeer handelt de provincie onrechtmatig door, hoewel onbevoegd, leden van de Raad van Toezicht te benoemen en deze opdracht te geven om onder meer de jaarrekening van de Stichting BJZ vast te stellen. Daarnaast handelt de provincie onrechtmatig door Smeels omtrent voorgenomen benoemingen valselijk voor te lichten en de bestuursrechtelijke rechtsgang buiten feitelijk effect te stellen. Smeels stelt hiertoe dat GS hem op het verkeerde been hebben gezet voor wat betreft de aankondiging van het moment waarop zou worden overgegaan tot benoeming van nieuwe leden van de Raad van Toezicht en verder dat GS onder de benoemingsbesluiten van 31 augustus/1 september 2011 de bestuursrechtelijke gebruikelijk bezwaarclausule hebben opgenomen, alsof het zou gaan om gebruik van een bestuursrechtelijke bevoegdheid, terwijl ter zitting van 28 september 2011 bij de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht bleek dat GS pretendeerden hier een privaatrechtelijke bevoegdheid te bezitten. Dusdoende heeft de provincie de stichting BJZ onbevoegdelijk gekaapt en de onafhankelijkheid van deze stichting ten opzichte van de provincie, zoals door de wetgever beoogd, ondergraven.

Coppoolse en Hennekeij hebben onrechtmatig gehandeld tegenover Smeels en de Stichting BJZ doordat zij de benoeming door GS tot lid van de Raad van Toezicht van de Stichting BJZ hebben aanvaard en zich tegenover zowel derden als Smeels als zodanig zijn gaan gedragen, hoewel zij wisten, dan wel ermee bekend hadden moeten zijn dat GS op grond van de statuten van de stichting noch anderszins daartoe de bevoegdheid hebben. In ieder geval dienen Coppoolse en Hennekeij hun werkzaamheden als lid van de Raad van Toezicht onmiddellijk te staken en de gevolgen daarvan ongedaan te maken, om te beginnen voor zover het de benoemingen van de leden van de Raad van Toezicht en/of de Raad van Bestuur betreft.

Op grond van het vorenstaande hebben Smeels en de Stichting BJZ spoedeisend belang bij hun vorderingen, opdat Smeels - na nog te verkrijgen opheffing van de beperking op zijn functioneren- wederom zo snel mogelijk als voorzitter van de Raad van Toezicht kan functioneren en opdat de Stichting BJZ zo spoedig mogelijk wordt voorzien van daartoe bevoegd benoemde leden van haar bestuursorgaan, niet zijnde aan GS gelieerde personen. Bovendien moet voorkomen worden dat nog meer onbevoegd genomen benoemingsbesluiten volgen.

Smeels heeft tevens verzocht de beslissing in dit kort geding aan te houden totdat is is beslist op zijn aan de bestuursrechter gericht verzoek tot het opheffen van de hem op 12 oktober 2011 opgelegde beperking in zijn functioneren.

3.2. De provincie c.s. voert verweer. De provincie c.s. betwist dat Smeels kan optreden als zaakwaarnemer van de Stichting BJZ, nu dit in strijd is met hetgeen de voorzieningenrechter bij haar uitspraak van 12 oktober 2011 voor ogen had, en dit voorts in strijd is met het belang van de jeugdzorg in Zeeland. Daarbij geldt dat de schorsing van het ontslagbesluit slechts geldt tot zes weken nadat door GS een beslissing op bezwaar is genomen aangaande het ontslagbesluit. Dit brengt met zich mee dat, wanneer het bezwaar ongegrond wordt verklaard, de gevolgen van het besluit zes weken na deze beslissing weer herleven en zijn ontslag een feit is.

GS hebben door middel van het besluit van 1 november 2011 reeds voorzien in de tijdelijke leiding over de Stichting BJZ door op grond van artikel 4 lid 5 Wjz mevrouw Groenewegen deze bevoegdheden toe te kennen.

De wettelijke en statutaire taken van de Stichting BJZ zien alleen op het verlenen van jeugdzorg in de provincie Zeeland. De Stichting BJZ en het bureau mogen op papier verschillen, in de praktijk is het bureau het enig belang en enig doel dat de Stichting BJZ dient. Dit brengt mee dat de Stichting BJZ buiten bureau jeugdzorg geen bestaansrecht heeft. Nu voor bureau jeugdzorg per 3 november 2011 een feitelijk leidinggevende is aangewezen, die de belangen van het bureau behartigt, is evident dat zij daarmee ook de belangen van de Stichting BJZ behartigt, nu deze belangen parallel lopen. De provincie c.s. vordert daarom Smeels slechts in persoon en niet langer als zaakwaarnemer namens de stichting BJZ in deze procedure toe te laten.

3.2.1. Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2011 volgt dat de vraag omtrent de rechtsgeldigheid van de benoemingsbesluiten van Coppoolse en Hennekeij niet relevant is geweest voor de beoordeling van de rechtspositie van Smeels en dus ook niet in de weg stond aan de opgelegde maatregel. Dit is een juiste beslissing die ook uitgangspunt dient te zijn in het kader van dit kort geding.

De statuten voorzien niet in een oplossing waardoor vanwege de belangen van de Stichting BJZ een besluit tot benoeming van de twee leden van de Raad van Toezicht is genomen dat aansluit bij de oprichtingsakte.

Uit de handelwijze van Smeels, zoals die blijkt uit zijn brieven van 8 november 2011 aan GS en mevrouw Groenewegen, blijkt dat hij de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2011 negeert en zijn persoonlijk belang nastreeft ten koste van dat van de Stichting en de provincie. Hij pretendeert onder andere ten opzichte van mevrouw Groenewegen nog steeds bevoegdheden als lid van de Raad van Toezicht te hebben en poogt door zich ongevraagd als zaakwaarnemer op te stellen, feitelijk de macht binnen de Stichting BJZ te verkrijgen. Dit terwijl reeds is voorzien in de besturing van de Stichting BJZ en haar activiteiten door benoeming van twee leden van de Raad van Toezicht en door benoeming op de voet van artikel 4 lid 5 van de Wet op de jeugdzorg van mevrouw Groenewegen. Iedere vorm van inmenging van Smeels wordt door mevrouw Groenwegen en de twee leden van de Raad van Toezicht en door GS als zeer schadelijk voor de Stichting BJZ beschouwd. De direct betrokkenen doen er alles aan om de belangen van de Stichting BJZ gericht op het waarborgen van de jeugdzorg, welke taak bij wet is toebedeeld aan GS en de uitvoering daarvan aan de Stichting BJZ, te realiseren. Dit is gebeurd door benoeming van mevrouw Groenewegen als tijdelijk leidinggevende. Daarbij heeft zij specifiek opdracht gekregen om (i) te voorzien in de dagelijkse leiding van de Stichting BJZ en (ii) onderzoek te doen naar de huidige bestuurlijke situatie en daaromtrent aanbeveling te doen aan GS. Bovendien is er een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank om haar als bestuurder te benoemen en nieuwe leden van de Raad van Toezicht te benoemen, althans statutenwijziging toe te staan die dat mogelijk maken.

Smeels heeft geen belang, althans geen spoedeisend belang, bij zijn vorderingen.

3.3. De provincie c.s. vordert in reconventie:

1. Smeels te gebieden zich te onthouden van elke bemoeienis in woord, daad en geschrift met betrekking tot de Stichting BJZ en de door haar verrichte activiteiten, met uitzondering van die handelingen die betrekking hebben op het voeren van verweer in zijn eigen ontslagprocedure;

2. Smeels te verbieden om zich op de voet van artikel 6:198 BW e.v. te stellen als zaakwaarnemer en hem te gebieden om alle handelingen die hij heeft verricht namens de stichting BJZ al dan niet in hoedanigheid van zaakwaarnemer sedert het vonnis van 12 oktober 2011 worden teruggedraaid, waaronder maar niet beperkt tot ervoor zorg te dragen dat de in zijn opdracht door zijn juridische adviseur in rekening gebrachte kosten aan de Stichting BJZ worden teruggedraaid door creditering of anderszins en geen verdere kosten in rekening worden gebracht, zulks op straffe van een dwangsom;

3. Smeels te verbieden verdere uitlatingen naar derden, waaronder maar niet daartoe beperkt media, publieke bestuurders, politici en werknemers bij de stichting BJZ en andere betrokkenen, aangaande de Stichting BJZ te doen;

4. met veroordeling van Smeels in de proceskosten, vermeerderd met rente.

De provincie c.s. stelt belang te hebben bij deze vordering aangezien Smeels de beslissing van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2011 willens en wetens negeert en hij bovendien (negatieve) uitlatingen doet en zich meer in het algemeen zowel binnen als buiten deze procedure buitensporig offensief opstelt. De provincie c.s. wil bewerkstelligen dat Smeels zich buiten zijn eigen ontslag en ontslagprocedure zal onthouden van verdere handelingen die de provincie c.s. en de Stichting BJZ schade toebrengen.

3.4. Smeels betwist onder verwijzing naar zijn stellingen in conventie de vordering in reconventie. Hij stelt dat een grondslag daarvoor ontbreekt.

Ten aanzien van de vordering sub 1 voert hij voorts aan dat hij recht en belang heeft om contacten te onderhouden met Statenleden. Hij wenst gebruik te maken van zijn politieke rechten. Bovendien heeft hij er ook in privé belang bij om zich te verweren tegen de onbevoegde benoemingen van GS, omdat deze hebben geleid tot een beperking van zijn functioneren als lid van de Raad van Toezicht.

Ten aanzien van de vordering sub 2 stelt Smeels dat zijn advocaat de kosten bij hem in rekening brengt en niet bij de Stichting BJZ

Met betrekking tot de vordering sub 3 ziet Smeels niet in waarom hij zich een dergelijke beperking in zijn vrijheid van meningsuiting zou moeten laten welgevallen. Hij wenst bovendien gebruik te maken van zijn politieke rechten door de volksvertegenwoordigers te benaderen; Smeels is van mening dat GS fors hebben geblunderd en heeft de vrijheid dat te zeggen. Smeels betwist tenslotte de gevorderde proceskostenveroordeling.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

In conventie

4.1. De voorzieningenrechter ziet geen reden de beslissing in dit kort geding aan te houden totdat is beslist op de door Smeels gevraagd voorlopige voorziening strekkende tot opheffing van de aan zijn functioneren gestelde beperkingen. Partijen in dit kort geding zijn gediend met een beslissing op korte termijn op de in dit kort geding gevorderde beslissingen ten aanzien van de tijdelijke benoemingen van Coppoolse, Hennekeij en Groenewegen.

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van Smeels in zijn vorderingen overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Bij uitspraak van de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht van deze rechtbank van 12 oktober 2011 is weliswaar het ontslagbesluit geschorst, maar is aan die schorsing de beperking verbonden dat Smeels gedurende de periode van schorsing van het bestreden besluit niet zal fungeren als voorzitter van de Raad van Toezicht of als lid van de Raad van Toezicht. Dit heeft tot gevolg dat Smeels gedurende de periode van schorsing van het ontslagbesluit ook niet kan en mag fungeren als zaakwaarnemer van de Stichting BJZ. Door dat wel te doen handelt hij in strijd met die uitspraak. Voor zover hij in dit geding tevens optreedt als zaakwaarnemer van de Stichting kan hij in zijn vorderingen niet ontvangen worden.

Smeels is daarentegen als privé-persoon wel ontvankelijk in zijn vorderingen. Dit is door de provincie c.s. ook niet weersproken. Smeels heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.

4.2. Ingevolge artikel 4, vijfde lid, Wjz kunnen GS, indien de juiste uitvoering van de in de wet aan de stichting opgedragen taken in gevaar komt ten gevolge van handelen of nalaten van het bestuur of van de leden van de raad van toezicht, bestuursleden of leden van de raad van toezicht van de stichting schorsen of ontslaan, of tijdelijk voorzien in de leiding van het bureau jeugdzorg. De wet maakt derhalve onderscheid tussen het bureau jeugdzorg en de stichting. Uit de inhoud van voornoemd artikel volgt dat in een voorkomend geval door GS leden van de Raad van Bestuur of van de Raad van Toezicht kunnen worden ontslagen of geschorst. Aan dit artikel kan echter niet de bevoegdheid van GS worden ontleend om leden van deze bestuursorganen van de Stichting BJZ te benoemen. Vast staat verder dat in de - huidige - statuten geen benoemingsbevoegdheid van GS is opgenomen. De provincie c.s. heeft in verband met de benoemingsbevoegdheid aansluiting gezocht bij de oprichtingsstatuten van de Stichting BJZ. Het beroep van de provincie c.s. op deze akte van december 2002 kan de provincie c.s. echter niet baten. De provincie heeft nog aangevoerd dat vanwege het ontbreken van leden van de Raad van Toezicht zij in het belang van de Stichting en in aansluiting op de oprichtingsakte de heren Coppoolse en Hennekeij heeft benoemd. Ook dat verweer faalt: de provincie heeft die situatie zelf gecreëerd door Smeels te ontslaan. Naar voorlopig oordeel is ook thans nog niet vast komen te staan dat daarvoor voldoende grond was. De voorzieningenrechter verwijst in dat verband naar de overwegingen van zijn bestuursrechtelijke collega in rechtsoverweging 11.1 van haar beslissing van 12 oktober j.l. Van nadere feiten en omstandigheden op grond waarvan GS kon constateren dat de juiste uitvoering van de in de wet aan de stichting opgedragen taken in gevaar kwam door toedoen of nalaten van de Raad van Toezicht, althans van Smeels, is ook in dit kort geding niet gebleken. Het beroep op overmacht – zo begrijpt de voorzieningenrechter dit verweer – is niet terecht. De provincie had overigens ook eerder de weg kunnen bewandelen die zij thans is ingeslagen, te weten een verzoek aan de rechtbank om bestuurders te benoemen. Dat zij, gezien de krachtens de Wjz aan haar opgedragen taken, als belanghebbende in de zin van artikel 2:299 BW kan worden aangemerkt is niet in discussie.

De besluiten tot benoeming van Coppoolse en Hennekeij zijn derhalve onbevoegd genomen. Zij zijn ook onrechtmatig jegens Smeels, temeer nu zij mede als opdracht kregen een nieuwe Raad van Toezicht samen te stellen terwijl op zijn minst genomen onzeker was of het ontslag van Smeels stand zou houden.

Nu Coppoolse en Hennekeij onbevoegd en dus ten onrechte benoemd zijn dienen hun besluiten tot benoeming van andere leden van de Raad van Toezicht eveneens als onbevoegd genomen te worden beschouwd.

4.3. Dat leidt echter niet tot onverkorte toewijzing van de vorderingen in conventie.

Ten aanzien van de vordering sub 1 geldt dat die in zeer algemene termen is gesteld. Hoewel het beeld zich opdringt dat de provincie zich meer bevoegdheden toekent dan zij wettelijk of statutair heeft of, anders gezegd, zich meer betrokken toont dan door de wetgever is voorzien, heeft zij anderzijds meer bevoegdheden dan de enkele benoeming van een tijdelijk leidinggevende van het bureau. Het gevraagde verbod zou impliceren dat zij, althans GS namens haar, ook geen aanwijzingen meer zou kunnen geven. De vordering zal derhalve worden afgewezen waarbij de voorzieningenrechter het vanzelfsprekend acht dat de provincie zich beperkt tot de haar bij de Wjz toegekende bevoegdheden.

De vordering sub 2 zal gelet op het onder 4.2. overwogene worden toegewezen.

De vordering sub 3a zal voor zover het betreft mevrouw Groenewegen worden afgewezen. Op zich is juist dat de provincie haar slechts als tijdelijk leidinggevende van het bureau kan benoemen en het ligt voor de hand dat de provincie haar besluit in dat opzicht repareert. Smeels heeft daar in de huidige omstandigheden echter geen belang bij, temeer niet nu hij tegen de benoeming op zich zelf materieel gezien geen enkel bezwaar heeft. Wat betreft de overige in de vordering onder 3a genoemde personen zal de vordering slechts worden toegewezen jegens Coppoolse en Hennekeij, aangezien zij degenen zijn die de betreffende personen hebben benoemd. De vorderingen sub 3b en 3c zullen worden toegewezen.

In reconventie

4.4. Uit hetgeen hiervoor in conventie is overwogen volgt dat de vordering voor zover deze ertoe strekt Smeels te verbieden om zich te stellen als zaakwaarnemer van de Stichting kan worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als in het dictum geformuleerd. Van handelingen die noodzakelijk moeten worden “teruggedraaid” is onvoldoende gebleken. Het betreft kennelijk slechts de “voorwaardelijke benoeming” van mevrouw Groenewegen die zonder effect is gebleven.

Door Smeels is gemotiveerd weersproken dat door zijn advocaat kosten in rekening zijn gebracht of zullen worden gebracht aan de Stichting BJZ. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.

Voor het overige kan het Smeels niet worden verboden zich te bemoeien met c.q. uit te laten over zaken aangaande de Stichting BJZ en haar activiteiten. Toewijzing van deze vordering zou een onaanvaardbare inbreuk/beperking opleveren van het recht op vrije meningsuiting van Smeels. Smeels is het niet eens met zijn ontslagbesluit en de procedure daaromtrent en van hem kan c.q. mag niet worden verwacht dat hij zijn ongenoegen daaromtrent voor zich houdt. De door hem in brieven van 27 april 2011 en 19 augustus 2011 gebruikte bewoordingen zijn soms stevig maar naar voorlopig oordeel niet grievend, laat staan onnodig grievend. De vorderingen in reconventie, voor zover deze daarop betrekking hebben, zullen dan ook worden afgewezen.

In conventie en in reconventie

4.5. De provincie c.s. zal als de meest in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Smeels worden begroot op:

- dagvaarding € 97,83

- griffierecht 260,00

- salaris advocaat 1.020,00

Totaal € 1.377,83

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

5.1. veroordeelt de provincie c.s. om binnen een week na betekening van dit vonnis de inschrijving van Coppoolse en Hennekeij in het handelsregisterdossier van de stichting BJZ (nr. 811773644) ongedaan te maken;

5.2. a. veroordeelt Coppoolse en Hennekeij om binnen een week na betekening van dit vonnis aan de heren Van den Ende, Van Seters, Wevers, en eventuele anderen na 20 april 2011 gedane mededelingen als zouden zij benoemd zijn tot lid van de Raad van Bestuur c.q. Raad van Toezicht van de Stichting BJZ te herroepen en in te trekken op de grond dat deze “benoemingen” niet een zodanig effect hebben gehad,

c. veroordeelt de provincie c.s. binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis aan Smeels schriftelijk bewijs daarvan ter hand te stellen, en

d. veroordeelt de provincie c.s. binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de na 20 april 2011 gedane inschrijvingen van de sub a. bedoelde anderen in het handelsregisterdossier van de Stichting BJZ (nr. 811773644) ongedaan te maken;

in reconventie

5.3. verbiedt Smeels om zich op de voet van artikel 6:198 BW e.v. te stellen als zaakwaarnemer van de Stichting BJZ,

5.4. veroordeelt Smeels om aan de provincie c.s. een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.3. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,00 is bereikt,

in conventie en in reconventie

5.5. veroordeelt de provincie c.s. in de proceskosten, aan de zijde van Smeels tot op heden begroot op € 1.377,83,

5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2011.?