Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BT6705

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
05-10-2011
Datum publicatie
05-10-2011
Zaaknummer
11/4404
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vanwege de toename van geurklachten heeft verweerder nadere geurvoorschriften aan de milieuvergunningen van verzoekster verbonden. Volgens verzoekster vergen de te treffen maatregelen grote investeringen terwijl niet vaststaat dat deze maatregelen effectief zijn.

De voorzieningenrechter acht echter niet aannemelijk dat de voorgeschreven maatregelen niet zullen bijdragen aan een reductie van de geurhinder en acht de mate van effectiviteit in verhouding tot de kosten van de implementatie van de maatregelen niet doorslaggevend.

Beroep ongegrond en verzoek om schorsing van de nadere voorschriften afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Algemene wet bestuursrecht 8:86
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.30
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.31
Besluit omgevingsrecht
Besluit omgevingsrecht 5.5
Besluit omgevingsrecht 5.6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2012/338
JOM 2012/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Nevenlocatie Breda

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4402 WaboM en 11/4404 WaboM VV

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster,

gemachtigde: mr. C.J. IJdema,

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Zeeland,

verweerder,

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2011 (bestreden besluit) heeft verweerder een aantal aan verzoekster verleende vergunningen ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) ambtshalve gewijzigd.

Verzoekster heeft bij brief van 18 augustus 2011 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Tevens heeft zij op 24 augustus 2011 verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2011.

Verzoekster is verschenen bij gemachtigden [gemachtigden]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerders verweerder].

Overwegingen

1. Verzoekster produceert fosfor, fosforzuur en natriumtripolyfosfaat (NTPP), zij slaat deze producten op en verscheept ze. Organisatorisch zijn deze activiteiten in drie eenheden ondergebracht, te weten de sinter- en fosforfabriek (EPP), de natzuurreinigingsfabriek en de zuur- en zoutfabrieken (PA&PP) en de fosfor-, fosforzuur- en zoutverlading (ILS&IT). Deze door verzoekster geëxploiteerde inrichting valt onder het toepassingsbereik van de Europese Richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: gpbv). Omdat er vanaf 2007, door verweerder maar ook door verzoekster zelf, een duidelijke toename van het aantal geurklachten is geconstateerd, is verweerder bij het bestreden besluit gekomen tot het - voor zover hier van belang - opleggen van nadere geurvoorschriften in de bestaande milieuvergunningen.

2. Verzoekster heeft, samengevat, aangevoerd dat de deskundigen het niet eens zijn over de precieze oorzaak van de geuroverlast. Zij heeft inmiddels zelf een tweetal maatregelen genomen, te weten het in bedrijf nemen van een CaRe-installatie (voor cadmiumreductie) en het niet meer structureel inzetten van vlees- en beendermeelas, totdat vaststaat dat de inzet hiervan niet tot onaanvaardbare geurhinder voor de omgeving zal leiden. Daarnaast wordt door verzoekster onderzoek verricht naar de effectiviteit van een aantal nageschakelde technieken en loopt er een onderzoek naar de geuremissie van de hoge bronnen van de sinterfabriek. Verzoekster onderkent het belang om op korte termijn de geurhinder voor de omgeving te verminderen maar is van mening dat de aangescherpte geurvoorschriften onevenredig zijn zolang niet vaststaat dat de desbetreffende maatregelen effectief zijn en ook geïmplementeerd kunnen worden. Daarbij heeft verzoekster er op gewezen dat haar inrichting een gpbv-installatie is en heeft zij betoogd dat artikel 5.6, eerste lid, tweede volzin, van het Besluit omgevingsrecht (het Bor) zich verzet tegen het voorschrijven van technieken zoals in de voorschriften 3.2 en 3.3 is gebeurd.

Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht de in het bestreden besluit opgenomen voorschriften 3.2, 3.3, 3.6 en 4.2 te schorsen.

3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom zal, op grond van artikel 8:86 van de Awb, tevens onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

4. Ingevolge de artikelen 2.30, eerste lid en 2.31, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) wijzigt het bevoegd gezag voorschriften van de omgevingsvergunning indien blijkt dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder kunnen, of, gezien de ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu, verder moeten worden beperkt.

Artikel 5.5, eerste lid, van het Bor, bepaalt dat de voorschriften die aan een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de wet, worden verbonden, de doeleinden aangeven die de vergunninghouder in het belang van de bescherming van het milieu dient te verwezenlijken op een door hem te bepalen wijze.

Krachtens artikel 5.5, tweede lid, van het Bor worden bij de voorschriften emissiegrenswaarden gesteld voor stoffen of voor daarbij aan te wijzen groepen, families of categorieën stoffen - in het bijzonder die, genoemd in bijlage III bij de EG-richtlijn inzake gpbv - die in aanmerkelijke hoeveelheden uit de inrichting kunnen vrijkomen en die direct of door overdracht tussen water, lucht en bodem nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Ingevolge artikel 5.5, vierde lid, van het Bor, worden, voor zover aan een omgevingsvergunning voor een inrichting voorschriften met betrekking tot een gpbv-installatie worden verbonden als bedoeld in het eerste en tweede lid, daaraan in ieder geval ook voorschriften verbonden, inhoudende dat – voor zover hier van belang - moet worden bepaald of aan de eerstbedoelde voorschriften wordt voldaan.

Op grond van artikel 5.6, eerste lid, van het Bor, kunnen - voor zover dit naar het oordeel van het bevoegd gezag noodzakelijk is - aan de omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder e, van de wet, voorschriften worden verbonden, inhoudende de verplichting tot het treffen van technische maatregelen. Voor zover die voorschriften betrekking hebben op een gpbv-installatie, wordt daarbij niet het gebruik van bepaalde technieken of technologieën voorgeschreven.

5. Voorschriften 3.2 en 3.3 zijn toegevoegd aan de omgevingsvergunning van de sinterfabriek. Ingevolge voorschrift 3.2 verbetert verzoekster binnen twee maanden na het van kracht worden van het bestreden besluit de bestaande circulatie (optimalisatie van de verblijftijd) van het waswater van de fluorwassers van de sinterfabriek. Voorschrift 3.3 schrijft de verbetering van de bestaande fluorwassers van de sinterfabriek voor binnen vier maanden na het van kracht worden van het bestreden besluit door toepassing van alkalische oxidatieve gaswassing. Tevens dient verzoekster een voorbereidend onderzoek, waarvan een geurcomponentenanalyse onderdeel uitmaakt, binnen twee maanden na het van kracht worden van het bestreden besluit, ter informatie voor te leggen aan de directie Ruimte, Milieu en Water.

Ten aanzien van de voorschriften 3.2 en 3.3 overweegt de voorzieningenrechter dat dit voorschriften als bedoeld in 5.6, eerste lid, (eerste volzin) van het Bor betreffen, nu het gaat om technische maatregelen ter verdere beperking van de geurhinder. De voorzieningenrechter ziet niet dat verweerder daarbij het gebruik van bepaalde technieken of technologieën heeft voorgeschreven. Het gaat om verbetering van de reeds aanwezige technieken, te weten de verbetering van de bestaande circulatie van het waswater van de fluorwassers van de sinterfabriek en de verbetering van de bestaande fluorwassers van de sinterfabriek door toepassing van alkalische oxidatieve gaswassing. Partijen zijn het er over eens, en ook de voorzieningenrechter gaat er van uit, dat voor de gpbv-installatie van verzoekster geen zogeheten referentiedocumenten betreffende de beste beschikbare technieken (BREF’s) gelden. Verzoekster is de enige fosforproducent binnen de Europese Unie en als chemische installatie voor de fabricage van anorganisch-chemische basisprodukten zoals fosforzuur, dient zij voor de vaststelling van de beste beschikbare technieken (BBT) rekening te houden met enkele BREF’s die geen afdoende inzicht geven in de BBT voor het productieproces binnen de gpbv-installatie van verzoekster.

Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter het onjuist noch onredelijk dat verweerder heeft gekozen voor het voorschrijven van verbetering van de bestaande technieken.

6. Verzoekster heeft betoogd dat niet vaststaat dat de voorgeschreven maatregelen effectief zijn, maar de voorzieningenrechter acht niet aannemelijk dat zij niet zullen bijdragen aan een reductie van de geurhinder. In het rapport van 3 januari 2011 over de bevindingen van het door verzoekster zelf geïnitieerde onderzoek naar de geuremissie van de sinterfabriek wordt het waarschijnlijk geacht dat de afgasreiniging van de sinterfabriek beter zal functioneren als de verversing van het in de fluorwasser circulerende waswater op een hoger niveau komt te liggen. Daarnaast is in dit rapport gerefereerd aan alkalische oxidatieve gaswassing als alternatieve nageschakelde techniek vanwege de verbeterde afvangst van organische en zure (an)organische geurcomponenten. Verzoekster moet worden nagegeven dat uit het onderzoek niet blijkt wat de mate van effectiviteit van de voorgeschreven maatregelen is. Zij bepleit in dit verband nader onderzoek, maar juist het ontbreken van adequate BBT maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder praktische maatregelen als bedoeld in de voorschriften 3.2 en 3.3, heeft kunnen voorschrijven. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking genomen dat verzoekster deze maatregelen in het vervolgonderzoek kan betrekken, acht de voorzieningenrechter de mate van effectiviteit in verhouding tot de kosten van de implementatie van de maatregelen niet doorslaggevend en heeft verweerder in redelijkheid kunnen kiezen voor het opleggen van de voorschriften 3.2 en 3.3.

7. Voorschrift 3.6 verplicht verzoekster uiterlijk 1 april 2012 aan te tonen of met de tot dan toe getroffen maatregelen wordt voldaan aan het provinciaal geurbeleid. Dit voorschrift is toegevoegd aan de omgevingsvergunningen van de sinter-, fosfor- en de PA&PP-fabriek. Aan het voorschrift kan worden voldaan met behulp van een passend en betrouwbaar verspreidingsmodel, dan wel door middel van het laten uitvoeren van veldmetingen (snuffelonderzoek).

Partijen zijn het er over eens dat dit voorschrift een controlevoorschrift is en dat uit artikel 5.5, vierde lid, van het Bor voortvloeit dat aan doelvoorschriften ook controlevoorschriften moeten worden verbonden.

Verzoekster heeft betoogd dat controlevoorschriften niet kunnen bestaan zonder doelvoorschriften en dat in het onderhavige geval controlevoorschrift 3.6 (alsook voorschrift 3.7 en 3.8) niet in stand kan blijven omdat doelvoorschriften ontbreken.

De voorzieningenrechter kan verzoekster niet volgen in dit betoog. Het gegeven dat aan doelvoorschriften controlevoorschriften moeten worden verbonden betekent niet dat controlevoorschriften uitsluitend aan doelvoorschriften verbonden kunnen worden. In het onderhavige geval is in artikel 5.6, derde lid, van het Bor, geregeld dat - voor zover aan een omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden als bedoeld in het eerste lid - daaraan in ieder geval ook voorschriften kunnen worden verbonden, inhoudende dat over de uitvoering van technische maatregelen waartoe die voorschriften verplichten, verslag wordt gedaan aan het bevoegd gezag. Naar verweerder heeft aangegeven is het doel van voorschrift 3.6 om het effect van de getroffen maatregelen te monitoren.

8. Voorschrift 4.2 - dat is toegevoegd aan de omgevingsvergunning van de fosforfabriek - bepaalt dat verzoekster een onderzoek moet instellen naar de mogelijkheden om de emissie naar de lucht ten gevolge van de slakkenbedden te voorkomen of te minimaliseren door het treffen van (procesgeïntegreerde) maatregelen. Verzoekster dient uiterlijk 3 maanden na het in werking treden van het bestreden besluit en vervolgens jaarlijks voor 1 april een verslag over de voortgang van het onderzoek aan de directie Ruimte, Milieu en Water te overleggen. In het verslag moet aandacht zijn besteed aan – onder meer – het effect van de slakkenbedden afkomstige emissie op de kwaliteit van de lucht in de omgeving van de inrichting aan de hand van het “Nieuw Nationaal Model” of een ander gevalideerd model.

Met betrekking tot dit voorschrift heeft verzoekster aangevoerd dat er aanzienlijke kosten met het onderzoek gemoeid zijn terwijl er volgens haar momenteel geen passend en betrouwbaar verspreidingsmodel is. De voorzieningenrechter is evenwel van oordeel dat aan het kostenaspect ook in deze afweging geen doorslaggevend gewicht kan worden toegekend. Daarbij is in aanmerking genomen dat in het door verzoekster aangehaalde StAB-advies van 31 mei 2011 slechts is aangegeven dat het “Nieuw Nationaal Model” geen rekening houdt met de mogelijkheid dat een in de atmosfeer optredende thermische grenslaag een barrière kan vormen voor de rookpluim uit de schoorsteen. Indien deze zogeheten fumigatie niet de oorzaak blijkt te zijn van het grillige verloop van de rookpluim dan is er in zoverre niets op tegen om dit verspreidingsmodel te hanteren. Voorts heeft verweerder verzoekster de ruimte gelaten om een ander gevalideerd model te gebruiken en mag van verzoekster, gezien het unieke karakter van de door haar geëxploiteerde inrichting, enig initiatief worden verwacht.

9. Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om schorsing van de voorschriften 3.2, 3.3, 3.6 en 4.2 zal daarom worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet, gelet op het feit dat het bestreden besluit ingevolge artikel 6.1, derde lid, van de Wabo, heden inwerking treedt, geen aanleiding om de in de voorschriften 3.2, 3.3 en 4.2 opgenomen termijnen te verlengen.

Gegeven dit oordeel bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.H.M. Verdonschot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2011.

mr. P.H.M. Verdonschot, griffier mr. C.A.F. van Ginneken, voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op 5 oktober 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tegen de uitspraak inzake de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.