Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BS8668

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-09-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
12/700012-11 + 12/706339-10[P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overval op woning met geweld. Minderjarigenstrafrecht. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/700012-11 + 12/706339-10 (P)

vonnis van de meervoudige kamer van 13 september 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1993],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de justitiële jeugdinrichting Den Hey-Acker te Breda,

ter terechtzitting verschenen,

raadsvrouw mr. Hoogervorst, advocaat te Amsterdam,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de openbare terechtzitting van 1 juli 2011 en de terechtzitting met gesloten deuren van 13 augustus 2011 waarbij de officier van justitie mr. Van der Hofstede en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen. Ter zitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. Als gevolg hiervan heeft de rechtbank de tenlastelegging van een doorlopende nummering voorzien waardoor het aan bovengenoemde gedagvaarde persoon ten laste gelegde inhoudt dat:

1.

hij op of omstreeks 25 oktober 2010, te Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een woning gelegen

aan de [adres benadeelde partij]) heeft weggenomen geld en/of sieraden (kettingen, ringen,

armbanden, oorbellen en een halsband) en/of horloges (van de merken D&C,

Guess, Tissot en Prada) en/of tassen (van de merken Guess en Louis Vuitton)

en/of een riem (Louis Vuitton) en/of een sjaal (Louis Vuitton) een portemonnai

(Louis Vuitton) en/of schoenen (Louis Vuitton) en/of twee zonnebrillen (van de

merken Louis Vuitton en Christian Dior) en/of een digitale camera (merk Canon)

en/of een Ipod Apple, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of diens

negenjarig zoontje [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of een mededader

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of

vastgehouden en/of geduwd,

en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans éénmaal met een koevoet heeft

geslagen,

en/of

- die [slachtoffer 1] (be)dreigend heeft toegevoegd: "Geld, anders schiet

ik je kapot" en/of "Als je de koevoet niet loslaat schiet ik je kapot",

althans woorden van gelijke aard of strekking,

en/of

- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] (be)dreigend een mes heeft

getoond;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht

kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 25 oktober 2010, te Vlissingen (in een woning gelegen aan

de [adres benadeelde partij]), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te

bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of

diens negenjarig zoontje [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van

geld en/of sieraden (kettingen, ringen, armbanden, oorbellen en een halsband)

en/of horloges (van de merken D&C, Guess, Tissot en Prada) en/of tassen (van

de merken Guess en Louis Vuitton) en/of een riem (Louis Vuitton) en/of een

sjaal (Louis Vuitton) een portemonnai (Louis Vuitton) en/of schoenen (Louis

Vuitton) en/of twee zonnebrillen (van de merken Louis Vuitton en Christian

Dior) en/of een digitale camera (merk Canon) en/of een Ipod Apple, in elk

geval van enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte

en/of een mededader

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of

heeft vastgehouden en/of heeft geduwd,

en/of

- die [slachtoffer 1] meermalen, althans éénmaal met een koevoet heeft

geslagen,

en/of

- die [slachtoffer 1] (be)dreigend heeft toegevoegd: "Geld, anders schiet

ik je kapot" en/of "Als je de koevoet niet loslaat schiet ik je kapot",

althans woorden van gelijke aard of strekking,

en/of

- die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] (be)dreigend een mes heeft

getoond;

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 subsidiair telastgelegde een veroordeling niet

mocht kunnen volgen, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2010 tot en met 17 januari 2011,

in de gemeente Vlissingen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, op verschillende tijdstippen, in elk

geval eenmaal, (telkens) geld en/of sieraden (kettingen, ringen, armbanden,

oorbellen en een halsband) en/of horloges (van de merken D&C, Guess, Tissot en

Prada) en/of tassen (van de merken Guess en Louis Vuitton) en/of een riem

(Louis Vuitton) en/of een sjaal (Louis Vuitton) een portemonnai (Louis

Vuitton) en/of schoenen (Louis Vuitton) en/of twee zonnebrillen (van de merken

Louis Vuitton en Christian Dior) en/of een digitale camera (merk Canon) en/of

een Ipod Apple, in elk geval enig(e) goed(eren), heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die geld en/of

goed(eren) (telkens) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren)

betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover ook terzake het onder 1 meer subsidiair telastgelegde een

veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij in of omstreeks de periode van 25 oktober 2010 tot en met 17 januari 2011,

in de gemeente Vlissingen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, op verschillende tijdstippen, in elk

geval eenmaal, (telkens) geld en/of sieraden (kettingen, ringen, armbanden,

oorbellen en een halsband) en/of horloges (van de merken D&C, Guess, Tissot en

Prada) en/of tassen (van de merken Guess en Louis Vuitton) en/of een riem

(Louis Vuitton) en/of een sjaal (Louis Vuitton) een portemonnai (Louis

Vuitton) en/of schoenen (Louis Vuitton) en/of twee zonnebrillen (van de merken

Louis Vuitton en Christian Dior) en/of een digitale camera (merk Canon) en/of

een Ipod Apple, in elk geval enig(e) goed(eren), heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten

tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat/die geld en/of

goed(eren) (telkens) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat het (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 417bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in op of omstreeks de periode van 25 oktober tot en met 17 januari 2011,

in de gemeente Vlissingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

één of meer anderen, althans alleen, op verschillende tijdstippen, althans

éénmaal, (telkens) geld en/of sieraden (kettingen, ringen, armbanden,

oorbellen en een halsband) en/of horloges (van de merken D&C, Guess, Tissot en

Prada) en/of tassen (van de merken Guess en Louis Vuitton) en/of een riem

(Louis Vuitton) en/of een sjaal (Louis Vuitton) een portemonnai (Louis

Vuitton) en/of schoenen (Louis Vuitton) en/of twee zonnebrillen (van de merken

Louis Vuitton en Christian Dior) en/of een digitale camera (merk Canon) en/of

een Ipod Apple, in elk geval enig(e) goed(eren), heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij en/of

zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat

bovenomschreven geld en/of voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig waren/was uit enig misdrijf;

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

3.

12/706339-11

hij op of omstreeks 21 november 2010 te Vlissingen,

[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Wat doe je stoer, ik doe je nu

niks omdat je met je vrouw bent. Maar de volgende keer als ik je tegen kom

vermoord ik je en maak ik jou auto kapot" en/of "Wanneer ik jou alleen

tegenkom, zal ik je vermoorden!", althans woorden van gelijke dreigende aard

of strekking.

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Ten aanzien van feit 1 en feit 2

4.1.1. Inleiding

Uit het politiedossier, de afgelegde verklaringen en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende.

Aangever [slachtoffer 1] is op maandag 25 oktober 2010 om 20.00 uur samen met zijn zoon van negen jaar thuis in Vlissingen als de bel gaat. Hij doet open waarna de deur direct verder open wordt geduwd. Er komen twee mannen binnen. Aangever krijgt meerdere klappen met een koevoet, onder andere op zijn gezicht en schouder. Hij wordt door een van de mannen vastgepakt. De man schreeuwt om geld. Aangever geeft het geld uit zijn broekzak aan de man en die stopt het in zijn jas. De man zegt dat aangever meer geld moet geven, anders schiet hij aangever kapot. De zoon is via de keuken naar buiten gerend maar hij wordt door de andere man teruggehaald en onder bedreiging van een mes meegetrokken naar huis. Deze man komt met de zoon van aangever aanlopen, de man heeft de zoon vast met een hand en in zijn andere hand heeft deze man een mes. De andere man pakt aangever weer vast waarna aangever de koevoet die de man in zijn handen heeft, vastpakt. De man zegt dan dat aangever de koevoet los moet laten, anders schiet hij aangever kapot. Aangever laat daarop de koevoet los. Een van de mannen opent een kast in de woonkamer met een sleutel die hij van de zoon heeft gekregen en neemt daaruit onder andere tassen weg. Hierna verlaten de mannen de woning. De man die bij aangever staat, draagt volgens aangever een bivakmuts, heeft een zwarte huidskleur, is iets langer dan aangever en heeft tengere handen. De man spreekt volgens aangever met een buitenlands accent. De man die achter de zoon is aangegaan, heeft geen bivakmuts, hij is veel lichter van huidskleur dan de andere man, hij heeft opvallend zwarte wenkbrauwen en spreekt ook met een buitenlands accent. Volgens aangever is deze man vermoedelijk van Turks of Marokkaanse afkomst .

Behalve geld, waaronder spaargeld van de partner van aangever dat in een kast lag , worden bij de overval op 25 oktober 2010 sieraden weggenomen, waaronder kettingen, ringen, armbanden, oorbellen, een halsband, horloges (van de merken D&C, Guess, Tissot en Prada), tassen (van de merken Guess en Louis Vuitton), een riem, een sjaal, een portemonnee, schoenen, alles van het merk Louis Vuitton, zonnebrillen (Louis Vuitton en Christian Dior), een digitale camera (Cannon) en een Ipod Apple .

Op 12 of 13 november 2010 verkoopt medeverdachte [medeverdachte 1] drie ringen aan een officiële opkoper van gouden sieraden in Vlissingen .

Op 22 november 2010 verkoopt medeverdachte [medeverdachte 1] bij dezelfde opkoper nog vier ringen .

Op 23 november 2010 verkoopt medeverdachte [medeverdachte 1] aan een andere opkoper een hanger in hartvorm en twee oorstekers (merk Choppard) . De serienummers van deze sieraden komen overeen met de serienummers op de certificaten van aangever .

Een vriendin van verdachte, krijgt na haar verjaardag (19 oktober) in 2010 van verdachte een tas van het merk Louis Vuitton. Na de uitzending van het televisieprogramma Opsporing Verzocht van 30 november 2010 geeft zij de tas terug aan een stiefzus van verdachte . De tas wordt getoond aan aangever en hij herkent de tas als een van de tassen die tijdens de overval is gestolen .

Tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte op 17 januari 2011 wordt in de slaapkamer van verdachte een bordeaux rode Louis Vuitton portemonnee gevonden en in beslag genomen . Deze portemonnee wordt aan aangever en zijn partner getoond en beiden herkennen de portemonnee als zijnde hun eigendom . Onderzoek van deze portemonnee bij een Louis Vuitton winkel in Amsterdam levert op dat de portemonnee uit de lijn Monogram Vernis komt en dat van die lijn meerdere artikelen beschikbaar zijn, waaronder schoenen, tassen en riemen. De portemonnee heeft een waarde van € 300,00 en het is een artikel dat alleen verkocht wordt bij de winkels van Louis Vuitton .

Tijdens een doorzoeking in de woning van een oma van verdachte op 17 januari 2011 wordt een plastic dvd doosje met € 1.100,00 in beslag genomen .

Tijdens een doorzoeking in de woning van medeverdachte [medeverdachte 2] op 17 januari 2011 wordt onder meer een doosje met opschrift Swarovski, met daarin een zilveren armband met blinkende steentjes en een zilverkleurig horloge van D&G in beslag genomen . Deze goederen worden aan aangever en zijn partner getoond en beiden herkennen de goederen als zijnde hun eigendom .

Op 12 mei 2011 om 15.13 uur wordt een telefoongesprek tussen verdachte en getuige [getuige 1] afgeluisterd. [getuige 1] zegt dat hij een brief van de rechtbank heeft ontvangen waarin staat dat hij moet getuigen. Verdachte zegt dat dit voor hem is. Hij zegt voorts dat [getuige 1] gewoon moet zeggen dat verdachte er niets mee te maken heeft en dat hij de tas van medeverdachte [medeverdachte 1] heeft .

* verklaringen medeverdachte [medeverdachte 1]

[medeverdachte 1] verklaart dat hij de sieraden van verdachte heeft gekregen en dat hij ze op zijn verzoek heeft verkocht. Het geld heeft hij aan verdachte gegeven. Bij de verkoop op 12 of 13 november 2010 was verdachte aanwezig . Kort na de uitzending van Opsporing Verzocht heeft verdachte volgens [medeverdachte 1] tegen hem desgevraagd gezegd dat hij de overval heeft gepleegd . Op 15 maart 2011 verklaart [medeverdachte 1] dat verdachte het heeft gedaan, dat verdachte de sieraden had en dat hij de tas aan het meisje heeft gegeven .

Op 23 juni 2011 verklaart [medeverdachte 1] tegenover de rechter-commissaris dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij de overval heeft gedaan. Na de uitzending Opsporing Verzocht is hij naar verdachte gegaan en toen kon verdachte niet meer ontkennen.

* verklaringen medeverdachte [medeverdachte 2]

Op 21 februari 2011 wordt een ‘Opnemen Vertrouwelijke Communicatie met een technisch hulpmiddel’ (OVC)-procedure gestart gedurende het transport van de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Beiden worden die dag vanuit het huis van bewaring te Dordrecht overgebracht naar het politiecellencomplex van Penitentiaire Inrichting Torentijd te Middelburg en dezelfde dag weer terug gebracht naar Dordrecht . Tijdens de terugreis zegt [medeverdachte 2] onder meer dat hij niet voor verdachte gaat zitten , dat verdachte het heeft gedaan , dat hij vijf weken onschuldig zit en dat het de fout is van verdachte . Hij zegt voorts dat hij niet voor verdachte gaat branden en dat hij veel voor verdachte doet door heel de tijd te zeggen dat hij het niet weet terwijl hij weet dat verdachte de overval heeft gedaan . [medeverdachte 2] zegt verder dat hij verdachte misschien gaat naaien, niet zes jaar voor hem gaat branden en het nog even vol houdt . Later tijdens het gesprek zegt [medeverdachte 2] dat hij nog blijft volhouden maar dat als verdachte hem niet binnen een paar dagen vrij heeft, hij zichzelf hier uit haalt, hij weet al wat hij gaat zeggen want hij heeft de portemonnee in de kamer van verdachte gezien. Verdachte zei volgens [medeverdachte 2] dat de portemonnee van de overval was . [medeverdachte 2] zegt korte tijd later in het gesprek dat hij verdachte gaat naaien .

[medeverdachte 2] verklaart op 2 maart 2011 dat hij bij verdachte thuis een Louis Vuitton portemonnee heeft gezien. Verdachte vertelde op zijn vraag hoe hij daar aan kwam dat hij een overval had gepleegd. Later heeft hij verdachte en [medeverdachte 1] over sieraden horen praten die nog niet verkocht waren. Ook heeft hij gezien dat verdachte een horloge van het merk Prada achter een elektriciteitskastje vandaan pakt en dat verdachte daarvan zegt dat het van de overval afkomstig is. Na de uitzending van Opsporing Verzocht spreekt hij verdachte die volgens hem stil was van de stress en moest kotsen. Verdachte heeft hem verteld dat hij in het huis op zoek ging naar de kluis, dat hij ook boven heeft gezocht maar dat hij die niet kon vinden. Dat hij toen heeft gepakt wat hij pakken kon, dat waren tassen en die sieraden. Verdachte vertelde ook dat de man een aanzienlijk bedrag uit zijn broekzak gooide. Verdachte heeft een mes gepakt en verteld dat hij dit mes bij de overval had gebruikt. Ook vertelde hij dat tijdens het wegrennen nog een vrouw met een hond is tegengekomen. Van het geld heeft hij onder andere Prada-schoenen gekocht .

Op 9 maart 2011 verklaart [medeverdachte 2] dat verdachte hem gezegd heeft dat het kind wilde weglopen en dat hij achter het kind is aangegaan. Hij heeft hem gepakt en gevraagd waar de kluis was. Na de overval heeft verdachte volgens [medeverdachte 2] hem gevraagd of hij hem een alibi wilde verschaffen .

Op 23 juni 2011 verklaart [medeverdachte 2] tegenover de rechter-commissaris dat verdachte tegen hem gezegd heeft dat hij de overval heeft gepleegd. Over het OVC-gesprek zegt [medeverdachte 2] dat hij op dat moment vijf weken vastzat en hij verdachte niet wilde verraden. Verdachte is vrijgekomen maar deed niets voor hem. Hij zei bijvoorbeeld niet dat hij er niets mee te maken had. Verdachte was vrij en hij bleef zitten en daarom was hij boos. [medeverdachte 2] verklaart voorts dat hij het in het begin nog wel vol hield maar toen verdachte vrij kwam en hij moest blijven zitten, lag dat anders.

* verklaringen medeverdachte [medeverdachte 3]

[medeverdachte 3] verklaart op 21 februari 2011 naar aanleiding van de opmerking dat het tijd wordt dat hij openheid van zaken geeft en gaat praten dat degene die het gedaan heeft, nu al weer vrij op straat loopt en van alles kan regelen. Om die reden heeft het geen zin dat hij gaat praten .

Op 7 maart 2011 verklaart [medeverdachte 3] dat verdachte verteld had dat een meisje boos was geworden omdat zij dacht dat hij de overval had gedaan. Verdachte liep toen raar achter [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan, hij leek wel ziek en moest overgeven. Hij vertelde dat hij een cadeau aan het meisje had gegeven en dat moest terug .

Op 23 juni 2011 verklaart [medeverdachte 3] tegenover de rechter-commissaris over het OVC-gesprek dat [medeverdachte 2] en hij tijdens dat gesprek geen zaken op elkaar af hebben gestemd. Hij zegt nogmaals dat hij geen namen gaat noemen. Hij kan geen namen noemen, ook niet als ze het hebben gedaan.

* verklaringen getuige [getuige 2]

Getuige [getuige 2] meldt zich op 4 januari 2011 bij de politie om een verklaring af te leggen. Hij verklaart dat hij in de gevangenis waar hij tot eind december 2010 heeft gezeten, heeft gehoord dat verdachte een van de daders van de overval is. Hij spreekt na zijn vrijlating verdachte en deze vertelt desgevraagd dat hij geld en diamanten had gestolen. Van de buit lag geld in dvd-hoesjes bij de oma van verdachte en er zijn schoenen van gekocht .

Op 21 juni 2011 verklaart [getuige 2] tegenover de rechter-commissaris dat hij aan verdachte heeft gevraagd, nadat hij over de overval was begonnen, of hij spullen kon kopen. Verdachte heeft toen gezegd dat hij de overval had gepleegd. [getuige 2] verklaart dat het zijn bedoeling was om de daders te verraden om op die manier de € 10.000 die aangever had uitgeloofd, te incasseren. Toen hij daar met aangever over sprak, in bijzijn van twee rechercheurs, bleek dat aangever niet wilde betalen. Vervolgens heeft [getuige 2] toch verklaard wat hij wist.

* verklaringen verdachte

Verdachte ontkent iedere betrokkenheid bij de overval. Hij verklaart dat hij op 25 oktober 2010 tijdens het tijdstip van de overval thuis was. Hij was de avond van de overval na de voetbaltraining naar huis gegaan, hij heeft daar gedoucht en zijn vrienden gepingd om naar de film te gaan . Hij verklaart over het aanbieden van sieraden bij een opkoper dat dit de sieraden van [medeverdachte 1] waren . Over de portemonnee zegt hij dat hij die heeft gekocht op de nachtmarkt in Vlissingen voor € 10,-, het was een nep plastic portemonnee van Louis Vuitton . Hij bevestigt dat hij tegen [getuige 2] heeft gezegd dat er geld van hem bij zijn oma lag, dit om van [getuige 2] af te komen . De tas die hij aan zijn toenmalige vriendin heeft gegeven, heeft hij van [medeverdachte 1] gekocht .

4.1.2 Het standpunt van de officier van justitie over feit 1

De officier van justitie stelt dat het primair onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij baseert zich onder meer op de aangifte van [slachtoffer 1], de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de verklaringen van [getuige 2]. Voor het aantreffen van een Louis Vuitton portemonnee in zijn woning heeft verdachte geen aannemelijke verklaring. Evenmin heeft hij een plausibele verklaring voor de Louis Vuitton tas die hij aan een vriendin heeft gegeven. Er zijn aanwijzingen dat verdachte het weggenomen geld bij zijn oma bewaarde. Anderen weten hierover een gedetailleerde verklaring af te leggen. Dat het aangetroffen geld spaargeld van zijn oma betrof, is dan ook ongeloofwaardig. Verder is er nog het afgeluisterde gesprek tussen de medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waarin zij verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] beschuldigen van betrokkenheid bij de overval. Verdachte ontkent weliswaar maar hij weigert ook openheid van zaken te geven. Hij past in het signalement dat door de aangever is gegeven en hij heeft geen sluitend alibi.

4.1.3. Het standpunt van de verdediging over feit 1

De raadsvrouw van verdachte bepleit vrijspraak van dit feit zoals nader in haar pleitnota onderbouwd. Samengevat weergegeven voert zij daartoe aan dat er aan deze zaak in de media veel aandacht is besteed, dat de verdachten elkaar kennen en onderdeel uitmaken van een relatief kleine gemeenschap. Er is sprake van veel geroddel, achterklap, giswerk en napraterij. In dat kader verwijst zij naar de uitspraak met LJN-nummer BC0758 waarin is overwogen dat getuigen in die zaak hun wetenschap over de strafbare feiten hebben verkregen uit de media. Als er dan geen sprake is van daderwetenschap zijn de verklaringen van getuigen niet zonder meer geloofwaardig en betrouwbaar zodat dergelijke verklaringen niet kunnen meewerken voor het bewijs.

Over de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] merkt de verdediging op dat hij een vaag en zeer algemeen signalement van de daders heeft gegeven waaraan veel jongens voldoen. Bovendien wijst hij in maart 2011 verdachte als dader van de overval aan maar dat was nadat hij had gehoord dat verdachte een Louis Vuitton tas aan een vriendin had gegeven. Op basis van dit feit kan niet worden aangenomen dat verdachte de overval zelf heeft gepleegd. Daar komt nog bij dat [slachtoffer 1] aan de bel heeft getrokken toen hij in de sporthal twee jongens zag die de overval op hem zouden hebben gepleegd. Dit betreffen twee broers [medeverdachte 3] en [getuige 3]. De verklaringen van [slachtoffer 1] kunnen dan ook niet voor het bewijs worden gebezigd.

Getuige [getuige 4] heeft ook verklaard over een jongen met opvallend dikke wenkbrauwen. Echter bij een fotoconfrontatie met daarin de foto van verdachte vindt er geen herkenning plaats door [getuige 4] hetgeen als een contra-indicatie moet worden beschouwd.

De ooggetuigen [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7], [getuige 8] en [getuige 9], die beide daders met de buit hebben zien wegrennen, hebben ook een signalement gegeven. Zij verklaren dat ze de twee personen goed hebben kunnen zien en verklaren over twee negroïde personen met een donkere huidskleur, mogelijk Antillianen. Verdachte voldoet hier niet aan. Getuige [getuige 10] heeft eveneens een jongen met zware wenkbrauwen zien lopen maar met dezelfde huidskleur als presentator Umberto Tan. Verdachte voldoet ook niet aan dit signalement.

Over de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] betoogt de raadsvrouw dat hij zonder enige terughoudendheid verdachte beschuldigt van de overval terwijl later blijkt dat hij dat alleen maar denkt te weten en geen enkele reden van wetenschap kan aandragen. Daar komt bij dat de broer van [medeverdachte 3] stelt dat [medeverdachte 1] namen heeft genoemd enkel en alleen om zichzelf vrij te pleiten. Bovendien is er een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt waaruit blijkt dat [medeverdachte 1] daderwetenschap zou hebben verspreid. Op grond hiervan zijn de verklaringen van [medeverdachte 1] dusdanig onbetrouwbaar dat deze niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden.

De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2] zijn onbetrouwbaar. Pas in zijn vijfde verklaring belast [medeverdachte 2] verdachte. Dat verdachte hem zou hebben verteld dat hij een overval heeft gepleegd op zijn voormalige werkgever is onjuist. Verdachte heeft nooit bij aangever gewerkt. Uit het OVC-gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] blijkt dat zij een opzetje maken om verdachte erbij te “naaien”. Duidelijk is hierin te zien dat de belastende verklaring van [medeverdachte 2] van te voren is afgestemd en in elkaar is gedraaid. Zijn verklaring kan dan ook geen basis vormen voor een veroordeling. Volgens de raadsvrouw lijkt het er veeleer op dat men heeft gemeend anderen te moeten belasten in de hoop zelf vrijuit te gaan. De keuze voor de jongste van het stel, degene die nog onder het minderjarigenstrafrecht valt, lijkt dan snel gemaakt.

De verklaringen van getuige [getuige 2] moeten met de grootste behoedzaamheid worden bekeken. Gelet op zijn achtergrond als oplichter, zijn motief gelegen in de uitgeloofde beloning door [slachtoffer 1] voor de persoon die de dader aanwijst alsmede de zeer beperkte wetenschap die niet anders is dan al door de media, onder andere via de uitzending Opsporing Verzocht, naar buiten gebracht, maakt dat zijn verklaringen niet zonder meer geloofwaardig en betrouwbaar zijn. De verdediging verwijst in dit kader naar de eerder door haar aangehaalde uitspraak.

Het aantreffen van gestolen goederen bij verdachte is niet redengevend voor de het primair en subsidiair ten laste gelegde onder 1.

4.1.4 Het oordeel van de rechtbank over feit 1

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onbetrouwbaar zijn en niet voor het bewijs mogen worden gebruikt. Voorts is gewezen op het feit dat veel informatie over de overval bekend was via de uitzending Opsporing Verzocht en dat er sprake is geweest van geroddel, achterklap, giswerk en napraterij.

De rechtbank overweegt als volgt. De vier verdachten in deze zaak maken deel uit van wat wordt genoemd ‘de groep Bossenburg’ en zij hebben verklaard vrienden van elkaar te zijn. Het kenmerk van een groep is dat de leden van de groep op elkaar betrokken zijn en elkaar willen beschermen. Dit blijkt onder meer uit het gegeven dat drie van de vier verdachten (verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]) aanvankelijk geen belastende verklaring over een medeverdachte willen afleggen. Dit geldt niet voor [medeverdachte 1] die, nadat hij voor verdachte sieraden heeft verkocht, na de uitzending van Opsporing Verzocht door derden op de herkomst van de sieraden wordt aangesproken. Hij doet navraag bij verdachte en hoort van verdachte dat deze bij de overval betrokken is. Mede gelet op het feit dat [medeverdachte 1] bij vonnis van deze rechtbank van 13 september 2011 van betrokkenheid bij de overval is vrijgesproken in verband met een voldoende sluitend alibi voor het tijdstip van de overval en de vaststelling dat hij uit eigen wetenschap verklaart, namelijk op basis van gesprekken dat hij met verdachte heeft gevoerd, zijn de door [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen naar het oordeel van de rechtbank als geloofwaardig aan te merken. De verklaringen kunnen dan ook tot het bewijs dienen.

Voor de verklaringen van [medeverdachte 2] geldt het volgende. Dat [medeverdachte 2] verdachte niet bij aanvang van de verhoren heeft belast, past bij de ongeschreven code dat leden die tot de groep Bossenburg behoren, dat niet doen. Voor [medeverdachte 2] bleek dit niet meer op te brengen toen de voorlopige hechtenis van verdachte, nadat zij beiden op 17 januari 2011 waren aangehouden, op 17 februari 2011 werd geschorst. Ten tijde van het OVC-gesprek op 21 februari 2011 was verdachte vrij terwijl [medeverdachte 2] nog altijd vast zat. Dit was voor [medeverdachte 2], die van verdachte had gehoord dat deze een van de daders was, kennelijk aanleiding om de code te doorbreken en met ingang van 2 maart 2011 belastend over verdachte te gaan verklaren. De inhoud van het OVC-gesprek geeft inzicht hoe de gedachtegang van [medeverdachte 2] over zijn positie ten opzichte van die van verdachte is geweest, zich heeft ontwikkeld en uiteindelijk heeft geleid tot de beslissing om verdachte niet meer uit de wind te houden. Dit proces is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de voor [medeverdachte 2] in het geding zijnde belangen, niet onbegrijpelijk. De rechtbank beoordeelt de inbreng van [medeverdachte 2] in het OVC-gesprek dan ook als geloofwaardig. Ook voor de met ingang van 2 maart 2011 afgelegde verklaringen van [medeverdachte 2] geldt dat hij uit eigen wetenschap verklaart, namelijk op basis van gesprekken dat hij met verdachte heeft gevoerd en de feiten die hij heeft waargenomen. Die verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank eveneens als geloofwaardig aan te merken en kunnen voor het bewijs worden gebruikt.

De verklaringen van de getuige [getuige 2] zijn bijzonder omdat hij van zichzelf zegt dat hij een oplichter is en dat hij uit was op het geld dat aangever voor de oplossing van de overval kennelijk bereid was te betalen. Naar het oordeel van de rechtbank staan beide feiten op zichzelf niet zonder meer in de weg aan de geloofwaardigheid van de door [getuige 2] afgelegde verklaringen. Opvallend is in dit verband dat [getuige 2] verklaart over geld in een dvd-doosje bij de oma van verdachte en dat dit bij een doorzoeking ook wordt gevonden. Voor zover [getuige 2] uit eigen wetenschap verklaart, namelijk op basis van gesprekken met verdachte, zijn zijn verklaringen naar het oordeel van de rechtbank als voldoende geloofwaardig aan te merken. In dit verband komt mede betekenis toe aan het feit dat de belastende verklaringen van [getuige 2] over verdachte op onderdelen steun vinden in de door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen. Ook de verklaringen van [getuige 2] kunnen dan ook voor het bewijs worden gebruikt.

Naar het oordeel van de rechtbank is er, gelet op de aangifte en de hiervoor vermelde verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en de getuige [getuige 2], voldoende wettig bewijs dat verdachte een van de daders van de overval is geweest. De rechtbank heeft ook de vereiste overtuiging. Deze is onder meer gebaseerd op het feit dat verdachte geen sluitend alibi heeft voor het tijdstip van de overval. Getuige [getuige 11], trainer/coach van het elftal van verdachte, heeft verklaard dat er op maandag altijd van 17.30 uur tot 19.00 uur wordt getraind. Verdachte was op 25 oktober 2010 volgens de in de computer vastgelegde gegevens niet als afwezig geregistreerd. Als je een beetje opschiet, kan je volgens de trainer/coach om 19.15 uur weg zijn . De afstand tussen het voetbalveld waar wordt getraind en de woning van verdachte is per fiets in circa 5 minuten af te leggen . Dit impliceert dat verdachte op het tijdstip van de overval bij de woning van aangever kan zijn geweest. Voorts voldoet verdachte naar het oordeel van de rechtbank, gelet ook op de foto van verdachte , de waarneming ter zitting en genoemde kenmerken als een veel lichtere huidskleur dan de andere dader, opvallend zwarte wenkbrauwen, een buitenlands accent en vermoedelijk van Turks of Marokkaanse afkomst, in voldoende mate aan het door aangever gegeven signalement.

De door de verdediging genoemde getuigenverklaringen die een contra-indicatie zouden vormen, geven aanleiding tot het volgende. Getuige [getuige 5] verklaart dat zij twee mannen zag die haar tegemoet renden terwijl zij achterop een fiets zat. De ene man was heel erg donker van huidskleur en de andere was net zo donker van huidskleur. Zij dacht aan Antillianen . Getuige [getuige 5] verklaart op 28 oktober 2010 het gevoel te hebben gehad dat er wellicht een derde persoon tussen de Zuidbeekseweg en de Annie Romeinlaan stond aangezien de twee mannen die kant op liepen . Getuige [getuige 6], die op de fiets reed met getuige [getuige 5], verklaart op 25 oktober 2010 over een jongen met een heel donkere huidskleur . Getuige [getuige 7] verklaart op 26 oktober 2010 dat zij, terwijl zij de honden uitliet, twee mannen zag met tassen. De twee mannen konden allebei even niet doorlopen ten gevolge van de hondenlijnen. Zij heeft ze even in het gezicht gekeken. Volgens de getuige had een van de mannen een donkere huidskleur maar niet zoals een neger, de andere had ook een donkere huidskleur en de getuige weet niet of de taal die een van de mannen sprak Antilliaans of Marokkaans was . Getuige [getuige 8] verklaart op 16 december 2010 over een fors gebouwde man met een donkere huidskleur op een fiets met twee zwarte tassen . Getuige [getuige 9] verklaart op 3 november 2010 over het feit dat hij ongeveer vier weken daarvoor bij het restaurant van aangever twee onbekende jongens zag staan. Een van de jongens had een Marokkaans uiterlijk . Getuige [getuige 10] is op 1 augustus 2011 gehoord over het signalement van de jongen die zij op 25 oktober 2010, nadat zij omstreeks 19.45 à 20.00 uur uit haar woning was vertrokken, tegen kwam die in de richting van de woning van aangever liep. Zij heeft de jongen goed kunnen zien omdat hij haar ter hoogte van een brandende lantaarnpaal passeerde. Volgens haar had de jongen een getinte huidskleur, niet zwart, negroïde man. Op een vraag van de verbalisant of de jongen een soortgelijke huidskleur heeft als presentator Umberto Tan, antwoordt de getuige dat zij zo’n soort huidskleur bedoelt . Gelet op de inhoud van deze getuigenverklaringen en het feit dat de getuigen de betreffende mannen slechts korte tijd hebben gezien, komt aan de verklaringen geen onderscheidende betekenis toe. De stelling van de verdediging dat aangever op 24 november 2010 in een sporthal in Vlissingen de twee jongen ziet door wie hij is overvallen vindt geen steun in het proces-verbaal van bevindingen van 8 februari 2011 .

Voor de overtuiging is verder van betekenis dat verdachte kort na de overval kon beschikken over sieraden, een portemonnee, een tas die van de diefstal afkomstig waren. Hij heeft daaromtrent geen geloofwaardige verklaringen afgelegd. Het telefoongesprek tussen verdachte en getuige [getuige 1] op 12 mei 2011 sterkt de rechtbank ook in de overtuiging.

De conclusie van het voorgaande is dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het onder 1 primair ten laste gelegde feit.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie over feit 2

De officier van justitie stelt dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer 1], de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1]. Voor het aantreffen van een Louis Vuitton portemonnee in zijn woning heeft verdachte geen aannemelijke verklaring. Evenmin heeft hij een plausibele verklaring voor de Louis Vuitton tas die hij aan een vriendin heeft gegeven. Er zijn aanwijzingen dat verdachte het weggenomen geld bij zijn oma bewaarde. Anderen weten hierover een gedetailleerde verklaring af te leggen. Dat het aangetroffen geld spaargeld van zijn oma betrof, is dan ook ongeloofwaardig.

4.2.1 Het standpunt van de verdediging over feit 2

Verdachte moet ook van het onder 2 ten laste gelegde vrijgesproken worden. Verdachte heeft verklaard dom te zijn geweest met de tas en wellicht is hij ook dom geweest voor wat betreft de portemonnee. De raadsvrouw heeft twee bankschriften overgelegd waaruit blijkt dat de oma van verdachte herhaaldelijk relatief grote bedragen van haar bankrekening haalt. Hieruit blijkt dat oma wel degelijk kon beschikken over bedragen zoals in haar woning zijn aangetroffen.

4.2.2 Het oordeel van de rechtbank over feit 2

Volgens vaste rechtspraak staat de tekst noch de geschiedenis van de totstandkoming van art. 420bis Sr eraan in de weg dat iemand die een in dat artikel genoemde gedraging verricht ten aanzien van een voorwerp dat afkomstig is uit enig door hemzelf begaan misdrijf, wordt veroordeeld wegens witwassen. Dat geldt, naar uit de tekst van de wet volgt, ook voor het voorhanden hebben van zo'n voorwerp. Dit betekent niet dat elke gedraging die in art. 420bis lid 1 Sr is omschreven onder alle omstandigheden de kwalificatie witwassen rechtvaardigt. Zo kan, indien het gaat om een voorwerp dat afkomstig is uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf en hem het voorhanden hebben daarvan wordt verweten, de vraag rijzen of zulk enkel voorhanden hebben voldoende is om als witwassen te worden aangemerkt. Ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, wordt van de witwasser in beginsel een handeling gevergd die erop is gericht zijn criminele opbrengsten veilig te stellen. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als witwassen kan worden gekwalificeerd.

Gelet op de bewezenverklaring van feit 1 primair, de tijdens de doorzoekingen aangetroffen goederen, de verklaringen van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en de verklaring van de getuige [getuige 2] is er naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettig en overtuigend bewijs voor het onder 2 ten laste gelegde feit, met uitzondering van de horloges, de riem, de sjaal, de tas van het merk Guess, de zonnebrillen, de digitale camera en de Ipod Apple. Daar zal verdachte van worden vrijgesproken.

4.3 Ten aanzien van feit 3

Uit het politiedossier, de afgelegde verklaringen en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende.

Aangever loopt op 21 november 2010 ’s middags met zijn vrouw en dochter in Vlissingen bij een supermarkt als hij wordt aangestoten door verdachte. Hij zegt er iets over tegen zijn vrouw waarop verdachte tegen hem zegt: Wat doe je stoer, ik doe je nu niks omdat je met je vrouw bent. Maar de volgende keer als ik je tegen kom vermoord ik je en maak ik jouw auto kapot . De vrouw van aangever verklaart dat zij verdachte heeft horen zeggen: nu je met je vrouw bent, doe ik je niets. Ik heb respect voor vrouwen. Wanneer ik je alleen tegenkom, zal ik je vermoorden . Verdachte heeft genoemde woorden ontkend te hebben gezegd. Wel heeft hij gevoeld dat hij aangever aanraakte en dat hij een woordenwisseling met hem heeft gehad .

4.3.1 Het standpunt van de officier van justitie over het bewijs van feit 3

De officier van justitie is van mening dat dit feit wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hij baseert zich op de aangifte en de getuigenverklaring van de vrouw van de aangever. Uit de verklaring van getuige [getuige 3] blijkt dat er inderdaad sprake was van een conflict maar hij heeft de ten laste gelegde woorden niet gehoord. Op grond hiervan acht de officier van justitie het ten laste gelegde onder 3 wettig en overtuigend bewezen.

4.3.2 Het standpunt van de verdediging over het bewijs van feit 3

De verdediging verzoekt verdachte van dit feit vrij te spreken. Er is een echtpaar dat de beschuldiging van bedreiging heeft geuit en er zijn twee vrienden die de bedreiging ontkennen. Er is geen reden om aan de een meer geloofwaardigheid te hechten dan aan de ander. Verder is er in dit opzicht van belang dat de bedreiging van dien aard is en onder dusdanige omstandigheden moet zijn gedaan dat daardoor niet de algemene vrees zou kunnen worden opgewekt dat aangever het leven zou verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Hiervan is gelet op het tijdstip van de dag alsmede de drukte van het winkelend publiek geen aanleiding. Zij verwijst hierbij naar de uitspraak met LJN AS5050 en verzoekt verdachte vrij te spreken.

4.3.3 Het oordeel van de rechtbank over het bewijs van feit 3

Naar het oordeel van de rechtbank is er, gelet op de aangifte, de getuigenverklaring van de partner van aangever en de verklaring van verdachte dat hij een woordenwisseling met aangever heeft gehad, voldoende wettig en overtuigend bewijs voor dit feit. Gelet op de door verdachte gebezigde woorden heeft bij aangever de redelijke vrees kunnen ontstaan dat het misdrijf waarmee is gedreigd ook gepleegd zou worden. Het feit dat de bedreiging ’s middags tussen winkelend publiek is geuit, staat hier niet aan in de weg. Het verweer van de verdediging dat de bedreiging niet van dien aard was en onder dusdanige omstandigheden is gedaan dat daardoor de algemene vrees zou kunnen worden opgewekt dat aangever het leven zou verliezen dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, wordt dan ook verworpen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 25 oktober 2010, te Vlissingen,

tezamen en in vereniging met een ander o

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een woning gelegen

aan [adres benadeelde partij]) heeft weggenomen geld en sieraden (kettingen, ringen,

armbanden, oorbellen en een halsband) en horloges (van de merken D&C,

Guess, Tissot en Prada) en tassen (van de merken Guess en Louis Vuitton)

en een riem (Louis Vuitton) en een sjaal (Louis Vuitton) een

portemonnee (Louis Vuitton) en schoenen (Louis Vuitton) en twee zonnebrillen (van de merken Louis Vuitton en Christian Dior) en een digitale camera (merk Canon)

en een Ipod Apple, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld

en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en diens

negenjarig zoontje [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal

voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op

heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk

te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte

en/of een mededader

- die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft vastgepakt en/of

vastgehouden en/of geduwd,

en

- die [slachtoffer 1] meermalen, met een koevoet heeft

geslagen,

en

- die [slachtoffer 1] (be)dreigend heeft toegevoegd: "Geld, anders schiet

ik je kapot" en "Als je de koevoet niet loslaat schiet ik je kapot",

en

- die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 1] (be)dreigend een mes heeft

getoond;

2.

in de periode van 25 oktober tot en met 17 januari 2011,

in de gemeente Vlissingen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met

één anderen, op verschillende tijdstippen,

telkens geld en/of sieraden (kettingen, ringen, armbanden,

oorbellen en een halsband) en/of tassen (Louis Vuitton) en/of schoenen (Louis Vuitton) heeft verworven, voorhanden

heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij en/of

zijn mededader wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden, dat

bovenomschreven geld en/of voorwerpen - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig waren uit enig misdrijf;

3.

12/706339-11

op 21 november 2010 te Vlissingen,

[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd: "Wat doe je stoer, ik doe je nu

niks omdat je met je vrouw bent. Maar de volgende keer als ik je tegen kom

vermoord ik je en maak ik jou auto kapot" en "Wanneer ik jou alleen

tegenkom, zal ik je vermoorden!", althans woorden van gelijke dreigende aard

of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

In de tenlastelegging komen taal- en/of schrijffouten voor. Deze zijn in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Omtrent de geestvermogens van verdachte ten tijde van het begaan van de ten laste gelegde feiten onder 1 en 2 heeft drs. Hulst, psycholoog, onderzoek verricht. De deskundige heeft op 31 maart 2011 over zijn bevindingen gerapporteerd. Uit het rapport van de psycholoog komt naar voren dat verdachte een gebrekkige ontwikkeling in de zin van een verstoorde ouder-kindrelatie heeft, zowel met betrekking tot zijn vader als zijn moeder. Verder is er sprake van enige achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling. Deze gebrekkige ontwikkeling was ten tijde van het ten laste gelegde aanwezig. Hij is in staat om het strafrechtelijk ontoelaatbare van zijn handelswijze in te zien, maar is op grond van de gebrekkige ontwikkeling onvoldoende in staat zijn wil op dat moment conform dat besef te bepalen. Op grond hiervan concludeert de psycholoog dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

De rechtbank neemt het oordeel van de deskundige over en komt tot de conclusie dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is ten aanzien van de strafbare feiten onder 1 en 2. Nu feit 3 in dezelfde periode is gepleegd, acht de rechtbank verdachte ook voor dit feit enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. Verdachte is naar het oordeel van de rechtbank dus strafbaar voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 14 maanden waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde begeleiding van de jeugdreclassering met de maatregel van hulp en steun, ook als dat inhoudt het volgen van MST, ITB of FFT. De overval heeft ingrijpende gevolgen gehad voor de buurt. Zo is er angst en onrust veroorzaakt bij de buurtbewoners. Een nog grotere impact heeft de overval gehad op de directe slachtoffers en betrokkenen. Dat de overval in een woning heeft plaatsgevonden, raakt mensen in hun kern nu de overvallers zijn binnengedrongen op een plek waar men zich het meest veilig zou moeten kunnen voelen. Bij de eis houdt de officier van justitie rekening met de LOVS-oriëntatiepunten en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie alsmede de tendens om in overval-zaken hogere eisen te formuleren en hogere straffen op te leggen. Strafverzwarende omstandigheden zijn gelegen in het plegen van de overval in vereniging alsmede dat er wapens en geweld zijn gebruikt. Verder heeft de officier van justitie acht geslagen op de ontkennende houding van verdachte alsmede het feit dat hij eerder veroordeeld is voor een soortgelijk feit. Ook heeft hij rekening gehouden met de conclusie van de psycholoog dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is. Over de duur van de proeftijd merkt hij op dat deze tijd nodig is voor een goede behandeling van de geconstateerde problematiek bij verdachte.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken moet worden. Subsidiair voert zij aan dat het minderjarigenstrafrecht van toepassing is waarbij de omstandigheden van de jeugdige alsmede het pedagogische karakter tot uitdrukking moeten komen in de hoogte en aard van de sancties. Zij wijst er op dat verdachte reeds lange tijd in voorarrest zit. Op grond van de rapportages die een positief beeld schetsen, is ITB Harde Kern een te zware maatregel. MST is gezien de leeftijd van verdachte niet haalbaar en het effect van FFT vraagt tijd waardoor het nut daarvan wegvalt. Tools4U zou effect kunnen sorteren.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het opleggen van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden en de ernst van de gepleegde feiten en met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van een verdachte.

Verdachte heeft zich op zeventienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten. De rechtbank acht vooral het onder 1 bewezen verklaarde feit zeer ernstig nu hierbij sprake was van een gewapende overval in een woning. Hierbij is geweld gebruikt tegen een vader en zijn negenjarige zoon. Verdachte heeft de zoon, nadat deze kans had gezien het huis uit te vluchten, onder bedreiging van een mes terug de woning in gebracht. Daar is de zoon getuige geweest van het geweld tegen zijn vader en is hij gedwongen de daders behulpzaam te zijn bij het vinden van de latere buit.

Het gaat hier om een bijzonder ernstig feit met, blijkens de slachtofferverklaringen, grote en langdurige gevolgen voor de beide slachtoffers. Het is aannemelijk dat de zoon, gelet op zijn leeftijd en de kwetsbare fase waarin hij verkeert, nog zeer lang de gevolgen van deze traumatische gebeurtenis met zich mee zal dragen. De vraag is of hij de herinnering aan de overval ooit kwijt zal raken. Ook voor de vader zullen de gevolgen, mede gelet op het feit dat hij zijn zoon in ernstig gevaar heeft gezien, nog lang voelbaar zijn. Beiden zijn, zo blijkt uit hun slachtofferverklaringen, ernstig geschokt en aangeslagen door hetgeen hen is overkomen in hun woning, een plaats waar zij dachten veilig te zijn.

De verdachte en zijn mededader hebben kennelijk slechts gehandeld uit financieel gewin en hebben geen oog gehad voor de materiële en immateriële gevolgen die dergelijke geweldsdelicten voor de slachtoffers veroorzaken. Naar de ervaring leert, ondervinden de slachtoffers van gewapende overvallen vaak langdurige en ernstige psychische gevolgen daarvan. Daarnaast dragen feiten als de onderhavige bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Ook de overige feiten rekent de rechtbank verdachte in ernstige mate aan. De strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde. Verdachte heeft zich hier niets van aangetrokken en hij heeft door zijn handelen slechts zijn criminele opbrengsten veilig willen stellen.

Met de bedreiging met zware mishandeling heeft verdachte de psychische integriteit van het slachtoffer aangetast.

Ten aanzien van de persoonlijkheid van de verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van de over hem uitgebrachte rapportages van de psychologe Hulst en de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank gaat uit van enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid. Ten nadele van verdachte zal de rechtbank bij de bepaling van de strafmaat rekening houden met het feit dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten met justitie in aanraking is geweest. Uit zijn strafblad blijkt dat verdachte op 29 september 2010 door de kinderrechter is veroordeeld ter zake van onder meer diefstal uit een woning.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de eis van de officier van justitie onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de gevolgen die vooral feit 1 voor de slachtoffers heeft gehad. Dit geldt in het bijzonder voor de destijds negenjarige zoon van de aangever die, nadat hij kans had gezien het huis uit te vluchten, door deze verdachte is achterhaald en, onder bedreiging van een mes, terug naar het huis is gebracht waar hij getuige heeft moeten zijn van het verdere verloop van de overval. Om die reden zal de rechtbank in aanzienlijke mate afwijken van de eis van de officier van justitie en een straf opleggen die, alles afwegend, passend en geboden is. Met het voorwaardelijke deel van de straf en de daaraan te verbinden bijzondere voorwaarde wordt beoogd verdachte in de toekomst van het plegen van strafbare feiten te weerhouden. Gelet op de persoon van verdachte zal de proeftijd op twee jaar worden bepaald.

7 De benadeelde partijen

7.1 Feit 1

De benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres benadeelde partij], vordert een schadevergoeding van € 55.798,28 waarvan € 1.750,- wegens immateriële schade, zijnde de psychische gevolgen van de overval en het tegen hem en zijn zoon gebruikte geweld, en € 54.048,28 wegens materiële schade, zijnde de waarde van de gestolen spullen en geldbedragen voor zover niet door de verzekering gedekt. Ter zitting heeft [slachtoffer 1] verklaard dat hij geen van de teruggevonden spullen heeft teruggekregen van de politie.

De officier van justitie vordert de gevorderde immateriële schade hoofdelijk toe te wijzen omdat dit bedrag hem alleszins redelijk voorkomt. Daarnaast vordert hij de materiële schade hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag ad € 14.000,-, zijnde de nieuwwaarde van de Chopard-sieraden, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren wegens onevenredige belasting voor het strafproces. De officier van justitie zet zijn vraagtekens bij de waarde van de overige goederen bij gebrek aan nadere taxatie en merkt op dat diverse goederen inmiddels zijn teruggevonden.

De raadsvrouw van verdachte verzoekt primair de vordering van de benadeelde partij af te wijzen op grond van de door haar bepleite vrijspraak.

Subsidiair verzoekt zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het feit dat de behandeling van de vordering onevenredig belastend is voor het strafproces. Immers het betreft een zeer hoge en uitgebreide vordering maar onvoldoende onderbouwd. Zij voert aan dat het overzicht van de diverse schadeposten onduidelijkheden bevat, zij betwist de waarde van goederen waarvan geen nota’s zijn bijgevoegd en merkt op dat als de teruggevonden spullen aan [slachtoffer 1] worden teruggegeven, deze later niet meer met een eventuele schademaatregel kunnen worden verrekend.

Meer subsidiair verzoekt de raadsvrouw wanneer de vordering (deels) toewijsbaar wordt geacht deze aanzienlijk te matigen.

De rechtbank overweegt het volgende:

t.a.v. de immateriële schade

De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde bedrag ad € 1.750,- is voldoende aannemelijk gemaakt en daartegen is door de verdediging geen gemotiveerd verweer gevoerd. Niet valt in te zien op grond waarvan de behandeling van deze vordering dan een onevenredige belasting voor het strafproces zou zijn. De rechtbank zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.

t.a.v. de materiële schade

De vordering valt uiteen in een bedrag ad € 24.528,99 aan contant geld en een bedrag ad

€ 29.519,29 voor de overige meegenomen goederen.

Het bedrag ad € 24.528,99 is door [slachtoffer 1] met stukken onderbouwd. De vordering is door de verdediging op dit punt niet gemotiveerd betwist. De schade is het rechtstreeks gevolg van dit bewezen verklaarde feit. Verdachte is aansprakelijk voor die schade. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dit bedrag toewijzen.

Het bedrag ad € 29.519,29 is (deels) met stukken onderbouwd, maar dit deel van de vordering is door de verdediging (deels gemotiveerd) betwist. Het is thans aan [slachtoffer 1] om daaromtrent een nadere onderbouwing of bewijs te leveren, ten behoeve waarvan de rechtbank de behandeling van de zaak zou moeten aanhouden. Gezien het feit dat verdachte een minderjarige is, de zaak inmiddels geruime tijd loopt en verdachte in voorlopige hechtenis zit, acht de rechtbank het noodzakelijk dat thans een eindvonnis kan worden gewezen. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat verdere behandeling van de vordering van [slachtoffer 1] onevenredig belastend is voor het strafproces. De rechtbank zal [slachtoffer 1] dan ook in het niet-toegewezen deel van zijn vordering niet-ontvankelijk verklaren. Voor dat deel kan hij zijn vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdediging heeft niet aangevoerd op grond waarvan het toe te wijzen bedrag zou moeten worden gematigd. De rechtbank komt dan ook niet aan matiging toe.

Op grond van het hiervoor overwogene zal de rechtbank de vordering van [slachtoffer 1] toewijzen tot een bedrag van € 26.278,99 onder het opleggen van hoofdelijke aansprakelijkheid in verband met eventueel nog te berechten mededaders.

De rechtbank zal daarbij tevens de gevorderde wettelijke rente toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7.2 Feit 1

De benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres benadeelde partij], vordert een schadevergoeding van € 2.105,- waarvan € 1.750,- wegens immateriële schade, zijnde de psychische gevolgen van de overval en het tegen hem en zijn vader gebruikte geweld, en € 355,-, zijnde de kosten van behandeling door pedagogisch adviescentrum Trimensi.

De officier van justitie vordert de vordering hoofdelijk toe te wijzen omdat die hem alleszins redelijk voorkomt. Voorts vordert hij daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsvrouw van verdachte verzoekt primair de vordering af te wijzen op grond van de door haar bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt zij de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren vanwege het feit dat de behandeling van de vordering onevenredig belastend is voor het strafproces.

De rechtbank is van oordeel dat zowel de materiële als immateriële schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De gevorderde bedragen zijn voldoende aannemelijk gemaakt en daartegen is door de verdediging geen gemotiveerd verweer gevoerd. Niet valt in te zien op grond waarvan de behandeling van deze vordering dan een onevenredige belasting voor het strafproces zou zijn.

De verdediging heeft niet aangevoerd op grond waarvan het toe te wijzen bedrag zou moeten worden gematigd. De rechtbank komt dan ook niet aan matiging toe.

Op grond van het hiervoor overwogene zal de rechtbank de vordering van Rico dan ook in zijn geheel toewijzen onder het opleggen van hoofdelijke aansprakelijkheid in verband met eventueel nog te berechten mededaders.

De rechtbank zal daarbij tevens de gevorderde wettelijke rente toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 57, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 285, 312 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: Witwassen;

feit 3: Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar voor het overige bewezen verklaarde;

Straffen

- veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 24 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de jeugdreclassering zolang deze instelling dit noodzakelijk oordeelt: ook indien dit inhoudt het volgen van ITB Harde Kern en/of FFT;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde jeugddetentie;

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres benadeelde partij] van € 26.278,99, waarvan € 24.528,99 ter zake van materiële schade en € 1.750,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 25 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], wonende te [adres benadeelde partij], € 26.278,99 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 67 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

[slachtoffer 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres benadeelde partij] van € 2.105,-, waarvan € 1.750,- ter zake van immateriële schade en € 355,- ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 25 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], wonende te [adres benadeelde partij], € 2.105,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 15 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, voorzitter tevens kinderrechter, mr. Van der Ploeg-Hogervorst en mr. Geelhoed, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 september 2011.

Mr. Nomes is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.