Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BR7088

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
08-09-2011
Datum publicatie
08-09-2011
Zaaknummer
12/700153-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag. Eigenrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/700153-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 8 september 2011

in de strafzaak tegen de ter terechtzitting verschenen

[verdachte]

geboren op [1976]

wonende te [adres],

raadsman mr. Herregodts, advocaat te Tilburg, ter terechtzitting verschenen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 augustus 2011, waarbij de officier van justitie mr. De Smet-Dierckx, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, te weten dat:

hij op of omstreeks 02 mei 2010 te Middelburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een betonschaar meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of (overig) lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

en voor zover terzake het onder 1 telastgelegde een veroordeling niet mocht kunnen volgen, terzake dat

hij op of omstreeks 02 mei 2010 te Middelburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een betonschaar meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of (overig) lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte van [slachtoffer], de medische gegevens, de getuigenverklaring van [getuige] en de bevindingen van de politie. Zij slaat tevens acht op de diverse verklaringen van verdachte. De officier van justitie is van mening dat deze ongeloofwaardig zijn. Het verhaal van verdachte komt niet overeen met de aangetroffen verwondingen bij aangever en moet dan ook als leugenachtig worden weerlegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het primair en subsidiair ten laste gelegde en verzoekt verdachte daarvan vrij te spreken.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde voert de verdediging aan dat het dossier onvoldoende bewijs bevat dat de conclusie rechtvaardigt dat de aangever is geslagen met de betonschaar door verdachte. Aangever is namelijk de enige die verklaart door verdachte met een voorwerp geslagen te zijn. Steunbewijs voor de verklaring van de aangever is in het dossier niet aanwezig nu uit de medische verklaring niet valt op te maken waar de verwonding op het hoofd van aangever zou zijn. Zodoende kan niet worden geconcludeerd dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever als gevolg van zijn handelen zou kunnen komen te overlijden. Ook kan niet worden vastgesteld dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm was gericht op het doden van de aangever.

Ook ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit is onvoldoende bewijs voorhanden. De verdediging sluit hiervoor aan bij voornoemde redenering met betrekking tot het primair ten laste gelegde feit. Er is onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden waaruit de conclusie kan worden getrokken dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een begin van uitvoering van een zware mishandeling oplevert. Tot slot kan uit het bewijs niet worden afgeleid dat verdachte door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Op 2 mei 2010 deed [slachtoffer] aangifte van poging doodslag dan wel zware mishandeling. Hij heeft toen bij de politie verklaard op 2 mei 2010 door een man met een grote knipschaar geslagen te zijn. [slachtoffer] was met een vriend in Middelburg. Deze vriend had na het uitgaan enkele auto’s vernield. Opeens zag hij toen een man, naar later bleek verdachte, op zich afkomen met een ontbloot bovenlijf en een knipschaar in zijn handen. Toen verdachte bij hem was, zag en voelde aangever dat verdachte hem gelijk twee klappen met die schaar op zijn hoofd gaf. Hij zag dat verdachte die schaar met twee handen vasthield toen hij aangever op zijn hoofd sloeg. Aangever heeft verklaard door de klappen op zijn hoofd op de grond te zijn gevallen. Hij zag en voelde dat verdachte hem weer met die schaar ging slaan. Aangever probeerde de klappen met zijn rechterarm af te weren. Vervolgens sloeg verdachte, volgens aangever, met de schaar op zijn rechterarm en daarna weer tegen zijn hoofd. Ook kreeg hij een klap op de gesp van zijn riem. Daar is vervolgens een stuk van afgebroken.

Uit de letselbeschrijving d.d. 21 juli 2010 van forensisch geneeskundige Weststrate blijkt dat aangever een breuk aan de rechter ellepijp had, ter hoogte van de pols. De wond op het hoofd en de wond op de onderarm van aangever zijn gehecht. Door verbalisant [verbalisant], die de aangifte heeft opgenomen, is gezien dat aangever zeker vier wonden op zijn hoofd had. Hij omschreef het als een soort barsten in de hoofdhuid, welke allen met meerdere hechtingen waren gedicht.

Verdachte heeft in zijn eerste drie verklaringen en bij de rechter-commissaris ontkend aangever te hebben geslagen. Over een betonschaar rept verdachte niet. Verdachte verklaart tijdens deze verhoren dat aangever, zodra hij verdachte in beeld kreeg, achteruit liep en vervolgens tegen een lantaarnpaal is gelopen. Bij de rechter-commissaris heeft verdachte voor het eerst over een betonschaar verklaard. Hij geeft dan aan een betonschaar de week daarvoor slechts te hebben gebruikt voor klusdoeleinden. Pas op 18 mei 2010 bij de raadkamer gevangenhouding heeft verdachte verklaard de betonschaar wel degelijk op 2 mei 2010 mee naar buiten te hebben genomen. Hij heeft hem echter slechts recht voor zich gehouden en heeft geen slagbewegingen gemaakt. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard één keer een duwende, afwerende beweging met de betonschaar te hebben gemaakt. Volgens verdachte zou het kunnen dat de betonschaar toen tegen de arm van verdachte (lees "aangever") is aangekomen.

De verwondingen van aangever aan zijn hoofd, zijn schouder en zijn ellepijp zijn volgens verdachte het gevolg van het lopen tegen de lantaarnpaal en vervolgens het vallen op de grond. Verdachte heeft geen verklaring voor de kapotte gesp van aangever.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij aangever niet met de betonschaar heeft geslagen, maar slechts een duwende, afwerende beweging heeft gemaakt, niet geloofwaardig in het licht van de verklaring van aangever, de steeds wisselende verklaringen van verdachte en de aard van de diverse letsels van aangever. De rechtbank heeft daarbij, naast de letselbeschrijvingen, acht geslagen op de foto’s van de verwondingen in het dossier. Zij acht de gebroken rechter ellepijp, de door verbalisant [verbalisant] vermelde verwondingen op het hoofd en de wonden op de rechterschouder van aangever passend in de verklaring van aangever. Deze verwondingen passen niet bij de verklaring die verdachte daarover geeft. Daar komt bij dat verdachte bijvoorbeeld geen verklaring heeft voor de kapotte gesp van aangever. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangever met een betonschaar meermalen op het hoofd en op het lichaam heeft geslagen.

Het meermalen slaan met een betonschaar tegen iemands hoofd levert naar het oordeel van de rechtbank naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bij het slachtoffer op. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van verdachte moet verdachte hebben geweten dat de kans aanmerkelijk was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door zijn gedragingen zou kunnen komen te overlijden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte al langere tijd meedeed aan wedstrijden voor de titel “Sterkste man van Nederland” en dat hij daar regelmatig wedstrijden op onderdelen heeft gewonnen. Daar van uitgaande acht de rechtbank aannemelijk dat een klap met een betonschaar door verdachte tegen het hoofd zeker de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel inhoudt. Bovendien is verdachte niet uit zichzelf gestopt met het slaan op aangever. De situatie is uiteindelijk beëindigd, omdat aangever wist te ontkomen.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag, zoals primair ten laste gelegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

hij op of omstreeks 02 mei 2010 te Middelburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer] met een betonschaar meermalen, althans eenmaal tegen het hoofd en/of (overig) lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van een noodweersituatie.

Uit het dossier volgt dat in ieder geval door de vriend van aangever en volgens verdachte ook door aangever, vernielingen zijn aangericht op het moment dat zij door de straat bij verdachte liepen. Op het moment dat verdachte door zijn raam naar buiten kijkt en ziet dat de mannen tegen autospiegels aantrappen, is sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van andermans goed, zoals bedoeld in artikel 41 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De dreiging voor een dergelijke aanranding bestaat ten aanzien van andere auto’s dan wel goederen in de straat, waaronder de auto van verdachte. Er bestond een directe noodzaak tot ingrijpen, omdat de politie bellen en afwachten zou leiden tot nog meer schade en de mogelijkheid dat beide daders van de vernieling zouden ontkomen. Een andere aanpak was op dat moment niet mogelijk. Verdachte is direct naar buiten gegaan en heeft in een reflex de betonschaar ter zelfverdediging meegenomen, omdat verdachte uit de gemaakte trapbewegingen afleidde dat de mannen getrainde vechters waren. De verdediging verzoekt dan ook verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De verdediging heeft subsidiair bepleit dat er sprake is geweest van noodweerexces. De reactie van verdachte is veroorzaakt door een hevige gemoedsbeweging die als gevolg van de wederrechtelijke aanranding is ontstaan. Het feit dat verdachte eerder slachtoffer is geweest van dergelijke vernielingen, zorgde bij verdachte voor deze hevige gemoedsbeweging, waardoor hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging wellicht heeft overschreden. De verdediging beroept zich op toepassing van artikel 41 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht en verzoekt verdachte subsidiair te ontslaan van alle rechtsvervolging. Aan een geslaagd beroep op noodweerexces behoeft niet in de weg te staan dat ook andere factoren dan de wederrechtelijke aanranding hebben bijgedragen aan het ontstaan van die hevige gemoedsbeweging en de verdediging verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Hoge Raad van 27 mei 2008 (LJN BC 6794).

5.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie weerlegt het beroep op noodweer door zich op het standpunt te stellen dat het verdachte zelf is die op het slachtoffer af is blijven lopen en zichzelf in die situatie heeft gebracht. Het gaat om een burgeraanhouding. De verdachten van de vernieling van de auto’s waren echter al aan het weggaan en het vernielen was al afgelopen. Op dat moment was er dus geen situatie meer waarin een beroep op noodweer kan worden gedaan.

Ook het beroep op noodweerexces wordt door de officier van justitie weerlegd. Het verhaal van de verdediging is op basis van het dossier niet aannemelijk en stemt ook niet overeen met de verklaring van verdachte. Verdachte heeft namelijk helemaal niets verklaard over een bepaalde gemoedstoestand die bij hem is opgetreden. Slechts in het psychologisch rapport dat van verdachte is opgemaakt wordt gesproken over een agressieregulatiestoornis. Verdachte zelf heeft verklaard dat dit agressieprobleem destijds niet speelde.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij de verdediging noodzakelijk en proportioneel moet zijn.

Een noodweerhandeling is eerst toegestaan vanaf het moment dat de aanranding is aangevangen of dadelijk dreigt te beginnen. Bij een meer in tijd verwijderde dreiging kan niet (meer) van verdediging worden gesproken. Het verdedigingsrecht vervalt in beginsel ook wanneer de aanranding een einde heeft genomen. Een handelen na afloop van de aanranding zal snel het karakter hebben van een tegenaanval en levert geen handelen in noodweer op.

Op 3 mei 2010 heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij, op het moment dat hij lucht kreeg van de twee mannen die autospiegels aan het vernielen waren, snel de politie wilde bellen, maar dat hij zijn I-phone niet kon vinden. Hij was naakt en heeft snel wat kleding gezocht. Hij heeft een onderbroek aangetrokken en een blauwe joggingbroek. Daarna is hij naar beneden gelopen, heeft de betonschaar gepakt en heeft de deur van het nachtslot gehaald. Nadat verdachte de deur had geopend, zag hij de mannen niet meer. Vanuit zijn slaapkamer had hij gezien dat de mannen naar rechts waren gegaan. Hij heeft toen een stuk gerend om te kijken waar de mannen waren. Op een gegeven moment zag hij dat de mannen bij de De Ruyterstraat waren. De ene man stond op de kruising en de andere man kwam tussen auto’s vandaan die geparkeerd stonden. Verdachte is vervolgens de De Ruyterstraat in gerend naar de mannen toe.

Op basis van voornoemde verklaring van verdachte is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van een noodweersituatie. Tussen het moment dat verdachte vanuit zijn slaapkamer de twee mannen autospiegels van andermans auto’s zag vernielen en het moment dat hij naar buiten is gerend, heeft verdachte nog diverse andere handelingen verricht. Zo heeft hij naar zijn I-phone en de betonschaar gezocht en zich aangekleed. Op het moment dat hij daarmee klaar was en naar buiten keek, waren de jongens al uit zijn zicht verdwenen. De aanranding van de auto’s dan wel een dreigende aanranding, had daarmee een einde genomen. Verdachte is vervolgens achter de mannen aangerend en zag ze uiteindelijk in de De Ruyterstraat. Verdachte heeft zich daardoor naar het oordeel van de rechtbank zelf in deze situatie gebracht en bewust de confrontatie met de twee mannen gezocht. De, wederrechtelijke ogenblikkelijke, aanranding was op dat moment al niet meer acuut. Naar het oordeel van de rechtbank is het verdedigingsrecht hiermee op dat moment komen te vervallen. Het beroep op noodweer wordt verworpen.

Nu geen sprake was van een situatie waarin verdachte zich met recht kan beroepen op noodweer, doet zich naar het oordeel van de rechtbank evenmin de situatie voor van een “overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging” als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Voor zover de verdediging heeft bepleit dat er sprake was van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte, stelt de rechtbank vast dat dit niet blijkt uit het dossier en wijst zij daarnaast op de verklaring van de verdachte ter terechtzitting, waarin hij expliciet heeft verklaard op 2 mei 2010 niet opgefokt te zijn geweest.

Het subsidiaire beroep op noodweerexces wordt zodoende eveneens door de rechtbank verworpen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 18 (achttien) maanden waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook indien dit inhoudt het volgen van agressieregulatietraining.

Zij voert hiertoe aan dat verdachte op 2 mei 2010 het risico heeft genomen dat hij het slachtoffer dood had kunnen slaan en rekent hem deze ernstige poging tot doodslag zwaar aan.

Een werkstraf doet geen recht aan de in het geding zijnde belangen van de maatschappij en het slachtoffer.

In haar eis heeft zij rekening gehouden met het uitgevoerde psychologisch onderzoek bij verdachte, waaruit naar voren is gekomen dat er bij verdachte sprake is van een agressieregulatiestoornis en narcistische persoonlijkheidskenmerken. Deze stoornissen hebben zijn gedragskeuze in enige mate beïnvloed. Verdachte wordt op basis daarvan enigszins verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Een deel van de straf eist zij in voorwaardelijke vorm met een proeftijd, om verdachte een stok achter de deur te geven en herhaling te kunnen voorkomen, alsmede om zo tot een door de psycholoog geadviseerde bijzondere voorwaarde te komen, te weten agressieregulatietraining.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, te gelden heeft dat bepaalde omstandigheden de hoogte van de straf dienen te matigen.

Die omstandigheden zijn gelegen in de eigen schuld van het slachtoffer, het tijdsverloop sinds het voorval, de medewerking van verdachte aan de onderzoeken die in het kader van de schorsingsvoorwaarden zijn verricht, de naleving door verdachte van de schorsingsvoorwaarden, het gegeven dat verdachte vader wordt en zijn partner zal moeten ondersteunen en tot slot het feit dat een gevangenisstraf het eigen huis en de baan van verdachte in gevaar brengt.

Indien de rechtbank een gevangenisstraf op zou willen leggen, verzoekt de verdediging dit in een geheel voorwaardelijke vorm te doen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit, te weten een poging tot doodslag op [slachtoffer]. Er mag van geluk worden gesproken dat het slachtoffer lichamelijk letsel heeft opgelopen dat uitzicht biedt op volkomen genezing.

De rechtbank beoordeelt het handelen van verdachte als een voorbeeld van eigenrichting, waarbij hij een ernstig gebrek aan respect voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer heeft getoond. Voor het slachtoffer moet het een zeer angstige en bedreigende situatie zijn geweest.

Uit de verklaringen van verdachte maakt de rechtbank op dat hij de maatschappij een dienst heeft willen bewijzen door op te treden tegen de vernieling van andersmans auto’s. De manier waarop verdachte dit heeft gedaan, valt echter niet te rechtvaardigen. Ook voor de samenleving is het een schokkend en ernstig feit. Het brengt namelijk, ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer, angst en gevoelens van onveiligheid teweeg. Er stonden voor verdachte andere mogelijkheden open om de vernieling van de auto’s aan de kaak te stellen. Zo had hij de politie kunnen bellen. Eigenrichting is onacceptabel.

Uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 mei 2010 van verdachte blijkt dat hij eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en onder andere transacties heeft betaald voor mishandeling en voor handelen in strijd met de Wet wapens en munitie. De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf acht geslagen op voornoemde documentatie.

Daarnaast heeft de rechtbank bij de bepaling van de hierna te noemen straf rekening gehouden met het Psychologisch pro justitia onderzoek van 15 juli 2010 opgesteld door drs. J.W.G.M. van Soest en het rapport van Reclassering Nederland van 2 augustus 2010 opgesteld door E. Kortsmit.

Van Soest stelt vast dat verdachte een agressieregulatiestoornis en narcistische persoonlijkheidskenmerken heeft en dat hij op grond van voornoemde agressieregulatiestoornis enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is te achten.

Verdachte is strijdvaardig, maar op een dusdanig assertieve wijze dat hij snel verzandt in strijd en conflict, waarbij hij zich snel geërgerd toont, bijvoorbeeld over doorsnee vragen die hem worden gesteld.

Volgens Van Soest kan verdachte baat hebben bij een behandeling van de agressieregulatie bij De Waag, centrum voor ambulante forensische psychiatrie. Dit kan in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel.

Uit de rapportage van Reclassering Nederland blijkt dat emoties, gedrag en houding van verdachte als probleemgebieden worden beschouwd. Er is sprake van een gemiddeld recidiverisico. Verdachte kan volgens Reclassering Nederland belang hebben bij behandeling door De Waag.

De rechtbank neemt de conclusie van de deskundige Van Soest dat verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is te achten, over.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en op de persoon van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

Bij de bepaling van de duur van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank is van oordeel dat de officier van justitie dit in haar eis in onvoldoende mate heeft meegewogen en dat verklaart dat de straf die de rechtbank aan verdachte oplegt lager is dan geëist.

Een deel van de straf legt de rechtbank voorwaardelijk op. Met deze voorwaardelijke straf wordt beoogd verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast maakt deze voorwaardelijke straf een verplichte begeleiding door de Reclassering mogelijk. Het volgen van een agressieregulatietraining acht de rechtbank geïndiceerd. Zij zal dit in het kader van een bijzondere voorwaarde aan verdachte opleggen.

7 De benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

Het slachtoffer, [slachtoffer], heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en vordert een bedrag van € 844,92 aan schadevergoeding. Dit bedrag bestaat voor € 344,92 uit materiële schade en voor € 500 aan immateriële schade.

De officier van justitie is van mening dat de vordering kan worden toegewezen daar de diverse schadeposten gevolgen zijn van het ten laste gelegde feit en verdachte daarvoor aansprakelijk kan worden geacht.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat indien de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt dan wel tot ontslag van alle rechtsvervolging, de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen.

Mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komen dan wel het verzoek tot ontslag van alle rechtsvervolging afwijzen, dan voert de verdediging aan dat een deel van de vordering voor wat betreft de materiële schadevergoeding onvoldoende is onderbouwd. Zo wordt de waarde van een draagbare spelcomputer terug gevraagd. Als bewijs wordt hiervoor een bon overgelegd waaruit zou moeten blijken dat aangever de spelcomputer heeft aangekocht. Dit bewijs is onvoldoende om tot toewijzing van de vordering te komen. Aangever heeft bovendien in zijn verhoren niets over de spelcomputer gezegd. Hetzelfde geldt voor de toebehoren van de spelcomputer.

Voor de gevraagde schadevergoeding voor schade aan de schoenen geldt dat het causale verband tussen de schade aan de schoenen en het incident niet kan worden vastgesteld.

Ten aanzien van de blouse geldt dat uit het dossier blijkt dat aangever een rode blouse droeg op de avond van het incident. Indien er door het incident bloed op dit kledingstuk is beland, lijkt het onwaarschijnlijk dat de door het bloed veroorzaakte vlekken niet uitwasbaar zijn en dat de blouse onherstelbaar is beschadigd.

Tot slot voert de raadsman ten aanzien van de immateriële schade aan dat deze in de onderhavige kwestie aanzienlijk dient te worden gematigd, omdat er sprake is van eigen schuld aan de kant van het vermeende slachtoffer. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de immateriële schade wel wil vergoeden, aangezien aangever door de schrik vanwege de aanwezigheid van verdachte in de haast tegen een lantaarnpaal is gelopen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij vordert een schadevergoeding van € 844,92, waarvan € 344,92 aan materiële schade en € 500 aan immateriële schade.

Onder de materiële schade staat onder andere opgenomen een spelcomputer ter waarde van € 169,99 en toebehoren van de spelcomputer ter waarde van € 59,98. Voornoemde goederen zouden zich hebben bevonden in de jas van aangever, die hij aan de kant heeft gegooid. De rechtbank acht niet aannemelijk geworden dat deze schade zich heeft voorgedaan en wijst daarom de vordering ten aanzien van deze schadeposten af.

De rechtbank is van oordeel dat de overige gevorderde materiële schade en de gevorderde immateriële schade een rechtstreeks gevolg zijn van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Tot slot zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

8 Het beslag

8.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert de in beslag genomen betonschaar te onttrekken aan het verkeer.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich ten aanzien van het beslag aan het oordeel van de rechtbank.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De onttrekking aan het verkeer

Het hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerp is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit is begaan met betrekking tot dit voorwerp.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36b, 36c, 36f, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Poging doodslag;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) maanden waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijk deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland, waaronder in ieder geval de verplichting deel te nemen aan de volgende gedragsinterventie(s):

-Agressieregulatietraining (ART), bestaande uit 18 groepsbijeenkomsten en individuele bijeenkomsten voor en na de training;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen voorwerp, te weten:

voorwerp 95141 - 1.00 STK Betonschaar, Kl. blauw.

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer], wonende te [adres] van € 614,95, waarvan € 114,95 ter zake van materiële schade en € 500,00 ter zake van immateriële schade, en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 2 mei 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] ten aanzien van de gevorderde schade met betrekking tot de spelcomputer en toebehoren wordt afgewezen;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 614,95 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van Boven-Hartogh, voorzitter, mr. Nomes en mr. Batenburg-van Rijswijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Zuijdweg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 september 2011.