Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BR5781

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
25-08-2011
Datum publicatie
25-08-2011
Zaaknummer
12/715182-11 [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2012:BX7796, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

4 jaar gevangenisstraf voor de moord op echtgenote. Verslechterende geestesgesteldheid echtgenote. Strafdoelen. Vergelding of leedtoevoeging van overheidswege vallen in het niet bij het leed dat verdachte zichzelf en zijn kinderen heeft bezorgd. Mededogen met (klein)kinderen van verdachte en met verdachte zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715182-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1946],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Noordsingel, Noordsingel 115 te Rotterdam,

raadsvrouw mr. Weski, advocaat te Rotterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 augustus 2011, waarbij de officier van justitie, mr. Van der Hofstede, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging overeenkomstig artikel 313 Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 maart 2011 te Bergen op Zoom, althans te Kamperland, althans in Nederland, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en

rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, in het lichaam gestoken (te weten in de buik en/of borst en/of rug) en/of heeft hij, verdachte, (hierbij) enig mechanisch samendrukkend geweld al dan niet gecombineerd met afdrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals en/of mond van die [slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan

voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 29 maart 2011 te Kamperland, gemeente Noord-Beveland, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij wist of

redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

art 8 lid 1 Wegenverkeerswet 1994

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord op zijn echtgenote en baseert zich daarbij op de bekennende verklaring van verdachte bij de politie als ook ter terechtzitting, het sectierapport, het sporenonderzoek in de woning van verdachte en het slachtoffer, het onderzoek aan het lichaam van verdachte, de in de woning aangetroffen documenten en diverse getuigenverklaringen. De officier van justitie baseert zich voor wat betreft de bewezenverklaring van de voorbedachte raad op de verklaring van verdachte waaruit blijkt dat hij al langer met de gedachte speelde om samen met zijn vrouw dood te gaan omdat hij haar verdenking van overspel en als gevolg daarvan de recent in gang gezette echtscheidingsprocedure niet kon verdragen. Verdachte heeft bovendien verklaard drie dagen voor het delict zijn testament te hebben herschreven. Toen het niet lukte om zijn vrouw op andere gedachten te brengen ten aanzien van de echtscheiding en de beschuldigingen van overspel, heeft hij haar in de garage gestoken met een mes, is met haar naar boven gelopen en heeft haar daar wederom enkele malen gestoken. Vorenstaande is volgens de officier van justitie voldoende bewijs voor het aannemen van voorbedachte raad.

Daarnaast acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder invloed van middelen deelnemen aan het verkeer, waarvan hij wist dat dit gevaar op kon leveren voor andere weggebruikers. Hij baseert zich hierbij op de bekennende verklaring van verdachte, de verklaringen van de getuigen die verdachte hebben aangetroffen bij zijn auto en de bloed- en urinemonsters die een en ander bevestigen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de moord op mevrouw [slachtoffer], omdat er geen sprake is geweest van kalm beraad bij verdachte voordat hij zijn vrouw doodde. Ten tijde van het delict heeft er bij verdachte een psychische denkvernauwing plaatsgevonden waardoor hij tijdelijk ontoerekeningsvatbaar is geweest. Deze ontoerekeningsvatbaarheid is weliswaar opgebouwd in een bepaalde periode voorafgaand aan het delict en ging gepaard met het schrijven van een afscheidsbrief, maar deze periode dient te worden gezien als een geheel en dient als strijdig met enig kalm beraad te worden beschouwd. De verdediging betoogt dat alleen een bewezenverklaring kan volgen voor de doodslag op mevrouw [slachtoffer].

De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 29 maart 2011, rond 07.55 uur trof getuige [getuige 1] verdachte aan bij zijn auto op de weg naar het parkeerterrein richting de friettent bij de kruising met de Banjaardweg, in Kamperland. [getuige 1] zag dat verdachte een verwarde of dronken indruk maakte en hield een inmiddels gestopte autobestuurder aan, getuige [getuige 2] . [getuige 1] nam verdachte zijn autosleutel af en belde de politie. Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] kwamen ter plaatse en troffen, terwijl zij bezig waren met het afnemen van een ademtest van verdachte, op aanwijzing van [getuige 1] het levenloze lichaam van het slachtoffer mevrouw [slachtoffer], de echtgenote van verdachte, aan. Zij lag (deels) bedekt door een jas op de bijrijdersstoel van de auto van verdachte.

Verdachte verklaarde dat hij en zijn vrouw ruzie hadden gemaakt en dat zij al ongeveer 10 jaar ruzie hadden. Dat zijn vrouw de laatste tijd een echtscheiding wilde, maar dat hij dat niet wilde. Hij verklaarde dat hij zelf slaappillen had genomen.

Verdachte heeft later bij de politie verklaard dat hij zijn vrouw in hun woning in Bergen op Zoom om het leven heeft gebracht. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 28 maart 2011 aan het eind van de ochtend met zijn vrouw heeft gesproken over de echtscheidingsprocedure die door zijn vrouw was ingezet omdat zij verdachte verdacht van overspel. De vrouw van verdachte beschuldigde hem weer van overspel, wilde niet meer luisteren en liep naar de keuken. Verdachte is haar gevolgd, heeft een mes gepakt uit de keukenlade, dit mes achter zich gehouden en is achter zijn vrouw aan gelopen naar de garage. Toen verdachte het mes pakte had hij de bedoeling om hen beiden dood te maken. Hij zag geen andere optie. Zijn vrouw is vanuit de garage nog naar buiten gelopen, waarna verdachte het mes op het fornuis in de garage heeft gelegd. Verdachte heeft haar terug de garage in geroepen. Toen zijn vrouw de garage weer binnenkwam, heeft verdachte geprobeerd nog eenmaal met haar te praten over de echtscheiding die zij wilde maar hij niet wilde. Zijn vrouw wilde echter niet meer met verdachte praten en in de garage heeft verdachte het mes van het fornuis gepakt en zijn vrouw toen voor de eerste keer gestoken, in haar rug. Zijn vrouw ging door de keukendeur naar binnen. Verdachte heeft haar bij haar rechterhand gepakt en haar naar boven geduwd, de trap op. Zijn vrouw liep moeilijk omdat ze pijn had. Zij gingen naar de slaapkamer en daar heeft verdachte zijn vrouw twee maal met het mes gestoken in haar buik. Op het moment dat verdachte zijn vrouw stak, heeft hij haar op het bed geduwd, met haar hoofd op het hoofdkussen. Vervolgens heeft hij haar nog een keer gestoken tussen haar borsten. Verdachte heeft hard gestoken omdat hij wilde dat ze doodging. Zijn vrouw heeft nog geprobeerd verdachte van zich af te duwen en kwam schreeuwend overeind. Verdachte heeft haar toen op haar keel op het bed gedrukt. Hij heeft dit hard gedaan waardoor er krassen in de nek van zijn vrouw kwamen. Verdachte heeft verklaard dat hij haar tussen haar borsten heeft gestoken, omdat hij niet wilde dat ze pijn zou hebben en wilde dat zij snel dood zou zijn. Verdachte heeft geprobeerd zichzelf met het mes van het leven te beroven. Hij was echter bang dat hij dit vanwege de pijn en het letsel niet zou kunnen voltooien en is daarom gestopt. Verdachte heeft vervolgens een aantal uren naast zijn vrouw op bed liggen huilen. Daarna heeft hij bloed van zijn vrouw opgeruimd en haar schone kleding aangetrokken. Het mes heeft hij eerst in de keukenla gelegd. Later heeft hij het er nog even uitgehaald om het schoon te maken. Ook heeft verdachte documenten, waaronder een testament, op de eettafel klaar gelegd. Het testament heeft hij drie dagen voor het delict geschreven voor het geval hij het probleem met zijn vrouw niet zou kunnen oplossen. Om 20.00 uur die avond is verdachte bij zijn dochter langsgegaan om slaappillen te halen. Rond 20.45 uur was verdachte weer bij zijn woning. Hij heeft het lichaam van zijn vrouw de trap afgedragen en nog neergelegd bij het altaar in zijn woonkamer. Vervolgens heeft hij zijn vrouw op de achterbank van zijn auto gelegd. Omdat zijn vrouw langer was dan de achterbank is bij het sluiten van het portier vermoedelijk het geconstateerde letsel aan haar hoofd ontstaan. Verdachte is omstreeks 22.15 uur naar Zeeland gereden en wilde een eind aan zijn leven maken door het water in te rijden. Verdachte heeft slaapmiddelen ingenomen en het lichaam van zijn vrouw op de passagiersstoel van zijn auto gezet. Omdat verdachte op de plaats die hij in gedachte had het water niet in kon rijden, is hij naar een andere plek gaan rijden. Vanaf dat moment kan hij zich niets meer herinneren.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij na de bespreking met zijn vrouw en de twee advocaten op 3 februari 2011 heeft besloten dat hij liever samen met zijn vrouw dood wilde gaan dan dat zij zouden scheiden.

De verklaring van verdachte omtrent het delict wordt ondersteund door:

- het verslag betreffende een niet natuurlijke dood;

- het pathologisch onderzoek van mevrouw [slachtoffer];

- het toxicologisch onderzoek van mevrouw [slachtoffer];

- het onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek;

- het proces-verbaal van technisch onderzoek plaats delict.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zijn vrouw om het leven heeft gebracht. De rechtbank acht tevens bewezen dat verdachte daarbij met voorbedachte raad heeft gehandeld en overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft verklaard dat hij al op 3 februari 2011 had besloten dat hij liever samen met zijn vrouw dood wilde gaan dan van haar te scheiden en dat hij drie dagen voor het delict een nieuw testament had geschreven. Verdachte heeft derhalve enkele dagen voor 28 maart 2011 het plan opgevat om zijn vrouw te doden indien de huwelijksproblemen niet opgelost zouden worden. Op de fatale dag is verdachte met het mes in de hand naar de garage gegaan met de gedachte dat er twee mogelijkheden waren, of niet scheiden of samen dood. Verdachte heeft zijn vrouw eerst in de garage in de rug gestoken. Vervolgens heeft hij haar mee naar boven genomen, waar hij zijn vrouw met (verdere) messteken en door te drukken op haar keel om het leven heeft gebracht. Verdachte heeft zich tijdens en na het opmaken van het testament, bij en na het pakken van het mes, tussen de verschillende steken en het drukken op de keel en dus op verschillende moment kunnen beraden. Niet is gebleken dat de door de raadsvrouw gestelde denkvernauwing daaraan in de weg heeft gestaan. De rechtbank verwijst naar hetgeen daaromtrent hierna onder 5 is overwogen. De rechtbank acht hiermee de voorbedachte raad, en aldus de onder 1 tenlastegelegde moord, wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting en bij de politie ;

- het toxicologisch onderzoek van verdachte;

- het proces-verbaal bloed- en urineafname verdachte, waar uit blijkt dat aan alle formaliteiten met betrekking tot de bloed- en urineafname is voldaan.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 28 maart 2011 te Bergen op Zoom, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, in het lichaam gestoken te weten in de buik en borst en rug en heeft hij, verdachte, hierbij enig mechanisch samendrukkend geweld al dan niet gecombineerd met afdrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals en/of mond van die [slachtoffer] uitgeoefend, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

op 29 maart 2011 te Kamperland, gemeente Noord-Beveland, als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5.2 De strafbaarheid van de verdachte

5.2.1 Het standpunt van de verdediging

Zoals hierboven onder 4.2 reeds uiteen is gezet, heeft de verdediging bepleit dat ten tijde van het delict er bij verdachte een psychische denkvernauwing heeft plaatsgevonden, waardoor hij tijdelijk ontoerekeningsvatbaar is geweest. Deze denkvernauwing is het gevolg van een langgeleden ingezet traumatisch traject, te weten zijn jaren strijd met de Amerikanen tegen de Vietcong, zijn jaren gevangenschap in een concentratiekamp, de dwangarbeid in de jungle en de vlucht(pogingen) per boot vanuit Vietnam. Als gevolg hiervan heeft verdachte PTSS opgelopen waarvoor hij nooit is behandeld. De raadsvrouw verwijst in dit kader naar publicaties op internet op de site van Stichting Centrum 40-45. Vervolgens heeft zich in de laatste jaren daarbij gevoegd een opbouwende stressfactor in de vorm van het jaloeziegedrag voortkomend uit de ziekte van Alzheimer van zijn vrouw. De raadsvrouw heeft betoogd dat er aan het voorgaande onvoldoende recht is gedaan in het multidisciplinair onderzoek, waarin alleen werd genoemd dat onvoldoende aanwijzingen waren voor PTSS. Als gevolg van de door de raadsvrouw beschreven gemoedstoestand is verdachte zodanig in zijn keuzevrijheid ten tijde van het feit aangetast, dat dit handelen hem niet kan worden toegerekend en dient hij te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.2.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft in zijn requisitoir aangegeven dat de deskundigen in hun onderzoek hebben geoordeeld dat er ten tijde van het delict sprake was van een aanpassingstoornis met stoornis in gedrag en emotie en dat deze stoornis in enige mate invloed heeft gehad op de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte. Door deze deskundigen is geadviseerd verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Het delict is hem aldus wel toe te rekenen, maar niet in de volle omvang. In repliek heeft de officier van justitie aangevoerd dat hij geen redenen heeft om aan het onderzoek van de psycholoog en de psychiater te twijfelen en dat hij aldus bij zijn standpunt blijft dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

5.2.3 Het oordeel van de rechtbank

Over verdachte is een multidisciplinair gedragsdeskundig triple-onderzoek uitgebracht d.d. 1 augustus 2011 door N.A. Kingsale, psychiater, I.J.G.P. Neissen, psycholoog en J. Hout-Sels, forensisch milieuonderzoeker. Deze deskundigen hebben geconcludeerd dat bij verdachte ten tijde van het delict sprake was van een aanpassingsstoornis die tot stand kwam door jarenlange beschuldiging van zijn vrouw en dat hij daarom kan worden beschouwd als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar ten tijde van het delict. De rechtbank sluit zeker niet uit dat de (nare) ervaringen uit het verleden van invloed zijn geweest op de verdere ontwikkeling van verdachte. Zij wijst er echter op dat ook de deskundigen (gedetailleerd) op de hoogte waren van het verleden van verdachte en hier aandacht voor hebben gehad. Niettemin komen zij tot de conclusie dat voor de door de raadsvrouw gestelde PTSS , hoewel overwogen, onvoldoende aanwijzingen zijn gevonden. De rechtbank heeft geen reden om aan de conclusies van de deskundigen te twijfelen. Nu de raadsvrouw haar standpunt in deze niet nader heeft onderbouwd met rapportages van deskundigen die de conclusies uit het rapport van 1 augustus 2011 weerspreken, zal de rechtbank uitgaan van laatste genoemde conclusies inhoudende dat het feit verdachte kan worden toegerekend, zij het in enigszins verminderde mate.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. Hierbij heeft de officier van justitie rekening gehouden met de aard van het delict, de omstandigheden waaronder het delict is gepleegd, de redenen waarom verdachte tot zijn daad is gekomen, de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, de leeftijd van verdachte, de te verwachten voorwaardelijke invrijheidsstelling van verdachte en de mogelijke maatregelen die in de executiefase kunnen worden genomen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair is met verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Utrecht d.d. 22 november 2006, LJN: AZ2884, bepleit dat sprake is van zeer geringe strafbaarheid en verzocht, gelet op afwezigheid van de kans op recidive, verdachte op zo kort mogelijke termijn in de gelegenheid te stellen het ingezette rouwproces met zijn overgebleven gezinsleden mogelijk te maken. Voorts heeft de verdediging erop gewezen dat verdachte een kwaadaardige tumor in zijn long heeft waarvoor hij al weken geleden geopereerd had moeten worden. Ter onderbouwing is medische informatie overgelegd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord op zijn echtgenote. Moord wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. Het spreekt voor zich dat dit misdrijf een enorme schok teweeg heeft gebracht bij de nabestaanden. Voor hen moet het bijzonder moeilijk zijn een dergelijk zwaar verlies te dragen. Dat is ook gebleken tijdens het voordragen van de slachtofferverklaring door een van de dochters van verdachte. Ook schokt een dergelijke moord de rechtsorde zeer en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angst en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Verdachte heeft een bewogen verleden achter de rug. Hij is na zijn universitaire opleiding in militaire dienst gegaan en heeft vervolgens in de oorlog gevochten voor Zuid-Vietnam. Hij is na de oorlog in een concentratiekamp geplaatst waar hij gedurende twee jaar moest verblijven. Daarna werd hij tewerkgesteld in de jungle. Na deze, op zijn zachtst gezegd, roerige tijd, heeft verdachte verschillende vluchtpogingen uit zijn thuisland ondernomen om uiteindelijk samen met zijn gezin in 1980 als bootvluchteling in Nederland aan te komen. In Nederland hebben verdachte en het slachtoffer hard gewerkt om een goed leven op te bouwen voor hun kinderen en zichzelf. Verdachte heeft een blanco strafblad en hij heeft thans de leeftijd van 65 jaar. De voorgeschiedenis van verdachte en zijn gezin en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, acht de rechtbank uitzonderlijk. Verdachte heeft in een lang huwelijk veel van zijn vrouw gehouden. De laatste jaren waren moeilijk voor hem omdat hij geen weg wist met de verslechterende geestesgesteldheid van zijn vrouw en haar groeiende achterdocht. Verdachte heeft zich aan zijn huwelijksbelofte willen houden door samen met zijn vrouw te sterven. Nadat hij zijn vrouw om het leven heeft gebracht, heeft hij geprobeerd zichzelf te doden met hetzelfde mes. Toen dat niet lukte, heeft hij een mogelijkheid bedacht, waarbij hij in gezelschap van zijn dode vrouw een zekere dood tegemoet zou gaan in het water nabij Neeltje Jans. Het innemen van slaapmiddelen, bedoeld om hemzelf te beletten zich uit de auto te bevrijden, heeft hun gezamenlijke dood verhinderd. Verdachte heeft ook later de wens geuit om een einde aan zijn leven te maken. Later heeft hij zich gerealiseerd dat hij zal moeten lijden zolang hij leeft en dat zijn leven dienstig kan zijn aan zijn kinderen.

Verdachte erkent dat hij een grote fout heeft gemaakt. Zijn (klein) kinderen hebben een moeder en oma verloren, maar zij moeten evenzeer hun vader en opa missen. Verdachtes enige levensdoel vormt nu het leven voor zijn (klein)kinderen en proberen de schade voor hen te beperken. De rechtbank heeft zich afgevraagd welke strafdoelen in deze strafzaak moeten worden gediend. Zij overweegt dat het straffen van verdachte nu nog enkel de strafdoelen normbevestiging en de generale preventie kan dienen. Speciale preventie als strafdoel acht de rechtbank niet van toepassing. Ook vergelding of leedtoevoeging van overheidswege vallen in het niet bij het leed dat verdachte zichzelf en zijn kinderen heeft bezorgd. Hij en zijn kinderen zullen dat leed nog lang moeten ondergaan. De tien jaren onvoorwaardelijke gevangenisstraf die de officier van justitie heeft geëist, geeft verdachte weinig mogelijkheden om zijn enige verdere levensdoel, het leven voor zijn kinderen om het goede van het gezinsleven in herinnering te houden en te laten terugkeren, vorm te geven. Met een zodanig langdurige gevangenisstraf wordt eenzelfde perspectief aan de kinderen en kleinkinderen ontnomen. Mededogen met de kinderen van verdachte en met verdachte zelf, alsmede het mogelijk maken van de lange weg van toenadering en verwerking, heeft de rechtbank ertoe gebracht de straf aanzienlijk te matigen. Daarbij heeft de rechtbank ook de gevorderde leeftijd van verdachte betrokken alsmede de omstandigheid dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd en dat bij verdachte tijdens zijn detentie een tumor in zijn long is geconstateerd waarvoor hij geopereerd moet worden. Zij zal aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren opleggen in de verwachting dat daarmede een bijdrage wordt geleverd aan zowel de normbevestiging die de maatschappij eist bij levensdelicten als aan het verdere levensperspectief van verdachte en vooral zijn (klein)kinderen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: moord;

feit 2: overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. Haesen, voorzitter, mr. Hopmans en mr. Van Unnik, rechters, in tegenwoordigheid van Leijs, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 augustus 2011.