Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BR5336

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
18-08-2011
Datum publicatie
18-08-2011
Zaaknummer
12/715078-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging moord en doodslag in uitgaansleven Terneuzen. Resultaten schotrestenonderzoek. Strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummer: 12/715078-11 (P)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 18 augustus 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1984],

wonende te [adres],

gedetineerd in p.i. Zuid West De Dordtse Poorten te Dordrecht,

ter terechtzitting verschenen,

raadsman mr. Sol, advocaat te Terneuzen,

ter terechtzitting aanwezig.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 4 augustus 2011 waarbij de officier van justitie mr. Suijkerbuijk en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter zitting is dr. Brouwer-Stamouli, werkzaam bij het NFI, gehoord omtrent het schotresten onderzoek en de in dat kader uitgebrachte rapportages. De rechtbank heeft vastgesteld dat zij niet is opgenomen in het landelijk openbaar register van gerechtelijke deskundigen. De rechtbank merkt haar aan als deskundige op het gebied van schotresten, nu zij gelet op de gevolgde universitaire studie, de opleiding binnen het NFI op het gebied van schotresten onderzoek en de bij het NFI opgedane werkervaring, voldoet aan de kwaliteitseisen zoals die zijn neergelegd in het Besluit houdende kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 13 februari 2011 te Terneuzen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade,

althans opzettelijk, [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, althans met dat opzet, één

of meerma(a)l(en) met een vuurwapen gericht op die [slachtoffer 1] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 13 februari 2011 te Terneuzen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

van het leven te beroven,

met dat opzet één of meerma(a)l(en) met een vuurwapen op die [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] heeft geschoten, althans in de richting van die [slachtoffer 2] en/of

[slachtoffer 3] heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 13 februari 2011 te Terneuzen een (vuur)wapen, te weten

een revolver van categorie III en/of zeven, in elk geval één of meer

kogelpatronen, zijnde munitie van categorie II en/of III, voorhanden heeft

gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

4.

hij op of omstreeks 1 maart 2011 te Axel, gemeente Terneuzen, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft

gehad ongeveer 1 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 3 Opiumwet

5.

hij op of omstreeks 1 maart 2011 te Axel, gemeente Terneuzen, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aanwezig heeft gehad (in

totaal) ongeveer 22,9 gram, in elk geval (een) hoeveelhe(i)d(en) van niet meer

dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde onder 1 tot en met 5 wettig en overtuigend bewezen, zoals nader in zijn op schrift gestelde requisitoir is onderbouwd. Kort weergegeven heeft hij daartoe aangevoerd dat de slachtoffers van de schietpartij hebben verklaard dat [bijnaam verdachte] op hen heeft geschoten en dat anderen verklaren dat de schutter door de politie is aangehouden. Verdachte heeft bij de politie bevestigd dat hij [bijnaam verdachte] wordt genoemd. Bovendien hebben diverse personen verklaard dat [bijnaam verdachte] de bijnaam van verdachte is. De officier verwijst in het kader van het voorgaande naar de verklaringen van de slachtoffers alsmede naar de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6], [getuige 7], van de portiers [portier 1] en [portier 2] en naar de verklaringen van de omstanders [getuige 9], [getuige 10], [getuige 11], [getuige 12], [getuige 13] en [getuige 14].

De officier van justitie heeft vervolgens gewezen op het feit dat de schiethanden van verdachte negatief waren. Hoewel het onderzoek geen directe relatie tussen het schietincident en verdachte leverde, volgt uit het rapport van het NFI dat dit niet betekent dat verdachte die nacht geen wapen heeft afgevuurd, aangezien hier vele factoren op van invloed kunnen zijn. Nu het gebruikte wapen niet is gevonden, kan naar de mening van de officier van justitie niet worden uitgesloten dat verdachte die nacht een vuurwapen -met bijzondere kenmerken- heeft gehanteerd. Dat met de schiethanden geen relatie tussen verdachte en een schietproces kon worden aangetoond, hoeft niet in de weg te staan aan een veroordeling zo blijkt uit uitspraken in soortgelijke zaken van de rechtbank Den Haag,

9 december 2008, LJN: BG 6264 en rechtbank Amsterdam 9 juni 2004, LJN: AP 1242. Verder zou een van de ooggetuigen verklaard hebben dat verdachte een glimmend groene jas aanhad, terwijl verdachte een zwarte glimmende jas droeg. Dit valt volgens de officier van justitie te verklaren door de verkleuring die de geel/oranje straatverlichting geeft. Deze straatverlichting staat ook op het plein bij café De Twee Heeren, zo blijkt ook uit de verklaring van getuige [getuige 10]. De verdediging heeft tot slot in een eerder stadium de geloofwaardigheid van de ooggetuigenverklaringen in twijfel getrokken, omdat deze ofwel afkomstig zouden zijn van vrienden van de slachtoffers ofwel beïnvloed zouden zijn door sociale media. Uit nader onderzoek blijkt evenwel dat de getuigen [getuige 9], [getuige 15] en [getuige 10] geen binding hebben met een van de twee kampen en alles dat zij hebben verklaard tegenover de politie zelf hebben waargenomen. Voor wat betreft de stelling dat andere getuigen bewust verdachte zouden aanwijzen als dader, omdat zij vrienden zijn van een van de slachtoffers, heeft de officier van justitie nog de vraag opgeworpen welk doel dat dan zou dienen. Gelet op de ruzie tussen [getuige 1] en [slachtoffer 1] ligt het meer voor de hand om [getuige 1] als schutter aan te wijzen.

Er is verder sprake van enkele opvallende elementen in deze zaak die de officier van justitie sterken in zijn overtuiging dat verdachte de schutter is. Zo heeft verdachte verklaard dat hij geen wapen bij zich had die avond en dat hij zelfs gefouilleerd is bij binnenkomst van het café. De portiers verklaren echter dat er die avond amper gefouilleerd is. Opvallend is tevens dat verdachte op de bewuste avond in een tasje om zijn nek zeven patronen bij zich droeg, die door het gebruikte wapen afgevuurd hadden kunnen worden. Even opvallend is de brief die verdachte aan zijn vrienden heeft geschreven, waarin hij enkele opmerkelijke uitspraken doet.

Verdachte heeft op korte afstand een aantal kogels op een groep personen afgevuurd. Uit de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [getuige 2], [getuige 12] en [getuige 8] blijkt dat verdachte daarbij [slachtoffer 1] wilde raken. Gezien deze verklaringen en gelet op het feit dat verdachte tijdens het uitgaan een vuurwapen bij zich droeg en het bewust heeft gebruikt door van korte afstand gericht op [slachtoffer 1] te schieten is het handelen van verdachte te kwalificeren als een poging tot moord. Er zijn immers diverse momenten geweest waarop verdachte zich kon beraden.

Het raken van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] dient middels voorwaardelijk opzet gekwalificeerd te worden als poging tot doodslag. De officier van justitie baseert zich daarbij onder meer op een vonnis van 7 oktober 2010 van deze rechtbank. Op grond van de getuigenverklaringen, de medische verklaringen en de NFI-rapporten kan het ten laste gelegde onder 3 ook voor wat betreft het vuurwapen volgens de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen. Ook hierbij wordt verwezen naar het vonnis van 7 oktober 2010. Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 4 en 5 heeft de officier van justitie opgemerkt dat de drugs in de woning van verdachte zijn aangetroffen. Bovendien is zijn naam opgedoken in een drugsonderzoek.

Op verweren van de raadsman voert de officier van justitie aan dat volstaan mag worden met het tonen van één foto wanneer de getuige reeds een beschrijving van de persoon heeft gegeven. De verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] blijven bruikbaar voor bewijs nu zij beiden uit eigen waarneming verklaard hebben. Verklaringen hoeven niet uitgesloten te worden als er op enkele details anders verklaard wordt. Uit alles blijkt dat [bijnaam verdachte] de schutter was en dat verdachte [bijnaam verdachte] is.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte refereert zich ten aanzien van het ten laste gelegde onder 3 en 5 aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot het ten laste gelegde onder 1, 2 en 4 bepleit hij vrijspraak zoals nader in zijn pleitnota onderbouwd. Kort weergegeven voert hij met betrekking tot de feiten 1 en 2 aan dat justitie zich uitsluitend op verdachte heeft geconcentreerd en zich onvoldoende heeft ingespannen om tegenbewijs te verzamelen.

De raadsman stelt dat er bij het tonen van de foto van verdachte aan de getuigen ten onrechte geen gebruik is gemaakt van een foslo-confrontatie. Als gevolg hiervan dienen de getoonde foto’s en de daarbij behorende herkenningen van het bewijs te worden uitgesloten. Bovendien is gebruik gemaakt van een onvoldoende gelijkende foto. Ook om deze reden zou het bewijs verkregen uit de foto-herkenning moeten worden uitgesloten. Daarnaast zijn de verklaringen van aangevers alsmede die van [getuige 2] terug te voeren op één verklaring, te weten die van [slachtoffer 3]. Laatstgenoemde geeft echter een beschrijving van verdachte die op essentiële punten niet overeenstemt met verdachte, namelijk ten aanzien van het aantal gouden tanden, het dragen van een muts, een lange groene jas en een arbeidsverleden bij Pibbl. Op grond hiervan zijn deze verklaringen niet te gebruiken voor het bewijs. Ook de verklaringen van de portiers dienen buiten beschouwing te worden gelaten nu zij verdachte pas aangewezen hebben als de schutter nadat hij door de politie was aangehouden. De verklaringen van de portiers zijn hierdoor pas gevormd na de aanhouding en wellicht ook door de aanhouding beïnvloed. Daar komt bij dat de door hen opgegeven signalementen niet overeenkomen met verdachte. Tevens zijn er nog enkele verklaringen van toevallige passanten waarin onvolkomenheden zitten. Zo blijkt uit de verklaring van onder andere [getuige 11] dat zodra het op het signalement aan komt hij verdachte niet identificeert. Opmerkelijk is de verklaring van [getuige 15] waarin gezegd wordt dat de schutter het Arsenaalplein verlaat voordat de politie arriveert. Getuige [getuige 12] herkent verdachte wel maar zegt dat zij hem kent van Ieppy’s. Dit klopt echter niet, want verdachte komt daar niet. Tot slot voert de raadsman aan dat het onaannemelijk is dat er bij zes afgevuurde schoten geen schotresten aangetroffen worden bij de schutter. Bij verdachte zijn de kenmerkende A deeltjes al helemaal niet aangetroffen en B deeltjes maar in zeer beperkte mate. Er kan met andere woorden geen relatie gelegd worden tussen verdachte en het schietincident. Het wel tegen verdachte gevormde bewijs is gebrekkig en dient van de bewijsconstructie uitgesloten te worden.

Voor wat betreft feit 4 heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte op het moment van het aantreffen van de cocaïne al meer dan twee weken in detentie en in beperkingen zat. Bovendien is zijn huis in die periode door anderen gebruikt. Dit blijkt ook uit het feit dat [getuige 1] op 1 maart 2011 in de woning van verdachte is aangehouden. Er kan dan ook niet met zekerheid worden vastgesteld dat de aangetroffen cocaïne aan verdachte toebehoort, zeker ook omdat hij dit ontkent.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3

Op 13 februari 2011 heeft er te Terneuzen op het plein achter het café “De Twee Heeren” een schietpartij plaatsgevonden, waarbij meerdere malen met een vuurwapen is geschoten als gevolg waarvan [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gewond zijn geraakt.

Verdachte ontkent zijn betrokkenheid bij de schietpartij en heeft hierover verklaard dat hij die avond in café “De Twee Heeren” was. Iedereen moest op een gegeven moment het café uit. Hij heeft mensen horen schreeuwen, maar geen schoten gehoord. Hij wilde weglopen maar werd aangehouden .

Ten tijde van zijn aanhouding droeg verdachte onder andere een blauwe spijkerbroek en een glimmende zwarte jas . Verdachte had een gouden tand en droeg zijn (halflange) rasta haar (ook wel “dreads” genoemd) bijeen in een soort staart .

De rechtbank overweegt het volgende.

Door diverse personen is verklaard dat [bijnaam verdachte] de schutter is en/of dat [bijnaam verdachte] is aangehouden. Ter zitting heeft verdachte desgevraagd niet beaamd dat hij [bijnaam verdachte] wordt genoemd. Verdachte heeft bij de politie echter wel verklaard dat hij [bijnaam verdachte] wordt genoemd. Bovendien hebben de ex-vriendin van verdachte waarmee hij vier jaar een relatie heeft gehad alsmede de vrienden met wie verdachte op 13 februari 2011 naar Terneuzen is gegaan, allen verklaard dat verdachte [bijnaam verdachte] wordt genoemd . Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er van uit dat wanneer in het onderhavige dossier wordt gesproken over [bijnaam verdachte] verdachte daarmee wordt bedoeld.

Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat [getuige 1] en [slachtoffer 1] binnen in het café aan het vechten waren en dat hij tussen hen is gesprongen om ze uit elkaar te halen . Hij hoorde verdachte roepen en zag dat deze met zijn rechterhand naar de binnenband van zijn broek greep aan de voorzijde van zijn kruis. Op dat moment dacht [slachtoffer 3] dat verdachte een pistool zou pakken. Reden waarom hij de hand van verdachte vastpakte . [slachtoffer 3] heeft voorts gezien dat [getuige 1] en [slachtoffer 1] via de nooduitgang naar buiten zijn gegaan, alwaar de vechtpartij werd voortgezet. [slachtoffer 1] lag daarbij op de grond. Nadat [slachtoffer 3] [getuige 1] van [slachtoffer 1] had gehaald, zag hij dat [getuige 1] naar verdachte liep, waarna verdachte een pistool tevoorschijn haalde en dit op het hoofd van [slachtoffer 1] richtte. De afstand tussen [slachtoffer 1] en verdachte was ongeveer 4 meter. [slachtoffer 3] is hierop voor [slachtoffer 1] gesprongen. [slachtoffer 3] heeft gezien dat verdachte hierna drie keer schoot. De eerste twee schoten kwamen in de linkeronderarm van [slachtoffer 3], het derde schot kwam in zijn schouder. De kogel bleef erin zitten . [slachtoffer 3] weet zeker dat verdachte schiet omdat hij dit heeft gezien. Hij zag rook opkomen en lichtflitsen. [slachtoffer 3] heeft daarna nog een aantal schoten gehoord, is door het café naar de Nieuwstaat gerend en is daarna naar het politiebureau gegaan. [slachtoffer 3] is vervolgens afgevoerd naar het ziekenhuis in Terneuzen, waar bleek dat er drie keer op hem was geschoten .

Ook [getuige 2] heeft verklaard dat de ruzie tussen [getuige 1] en [slachtoffer 1] in het café begon en later buiten verder ging, waarbij [getuige 1] [slachtoffer 1] tegen de grond sloeg. [getuige 2] hoorde [bijnaam verdachte] roepen en zag dat [slachtoffer 3] [bijnaam verdachte] probeerde tegen te houden. Toen trok [bijnaam verdachte] met een handbeweging vanuit zijn broeksband aan de voorzijde een vuurwapen. [getuige 2] heeft verklaard dat hij samen met [slachtoffer 2] heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] overeind te helpen, terwijl [slachtoffer 3] probeerde de boel te sussen en de hand van [bijnaam verdachte] beetpakte. [bijnaam verdachte] heeft volgens [getuige 2] vervolgens op het groepje van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] en [getuige 2] gericht waarna hij in een fractie op het groepje schoot. [slachtoffer 3] probeerde weg te lopen maar [getuige 2] zag dat [slachtoffer 3] in zijn arm geraakt werd. [getuige 2] hoorde naar schatting acht schoten. Het waren er sowieso meer dan vijf. [getuige 2] is daarna met [slachtoffer 3] naar binnen gerend. Samen hebben ze het café aan de voorzijde verlaten en zijn ze naar het politiebureau gegaan .

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij buiten bij de vechtpartij, waar [getuige 1] en [slachtoffer 1] beiden op de grond lagen, heeft geprobeerd om ze uit elkaar te halen. Toen hij naar links keek zag hij iemand met een wapen staan. [slachtoffer 2] stapte achteruit, maar deze persoon schoot twee keer op [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] voelde pijn aan zjin pols en zag dat hij geraakt was. Hij voelde vervolgens pijn aan zijn borstkast en zag een gat in zijn lichaam. [slachtoffer 2] heeft de schutter gezien en geïdentificeerd als [bijnaam verdachte] .

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij in het café ruzie kreeg met [getuige 1]. Ze hebben zowel binnen als buiten gevochten en daarna is er op hem geschoten. [slachtoffer 1] is daarbij aan de linkerzijde van zijn romp geraakt. Hij heeft schoten gehoord, zeker twee maar misschien wel drie. Hij heeft geen wapen gezien en later van [slachtoffer 3] gehoord dat [bijnaam verdachte] degene was die heeft geschoten .

De verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2], [getuige 2] en [slachtoffer 1] zouden volgens de raadsman van verdachte niet bruikbaar zijn als bewijsmiddel, aangezien zij terug te voeren zijn op de verklaring van [slachtoffer 3], welke verklaring onjuistheden bevat op details omtrent de kleding, het gebit dan wel het werk van verdachte. De rechtbank verwerpt beide verweren.

Met betrekking tot de verklaring van [slachtoffer 3] overweegt de rechtbank dat het feit dat een onjuiste waarneming is gedaan ten aanzien van de gedragen kleding en het gebit, dit niet betekent dat de geloofwaardigheid van de gehele verklaring wordt aangetast, temeer nu het ondergeschikte details betreffen. Immers [slachtoffer 3] heeft verklaard dat [bijnaam verdachte] twee gouden voortanden heeft, verdachte heeft er één . [slachtoffer 3] heeft verklaard over een gifgroenachtige jas, vaststaat dat verdachte een glimmende zwarte jas droeg en dat getuige [getuige 9] ook spreekt over een groene jas bij de schutter . De rechtbank sluit niet uit dat deze glimmende jas in een bepaald licht er groenig uit kan zien. Maatgevend is dat de beschrijving van de toedracht en het signalement van verdachte past in het samenstel van feiten en omstandigheden, zoals dat uit de overige verklaringen naar voren is gekomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de verklaring van [slachtoffer 3] van het bewijs uit te sluiten. De mogelijk onjuiste uitspraak over de werkgever van verdachte maakt dit oordeel niet anders, dit eens te meer nu de stelling van de verdediging op dit punt niet nader is onderbouwd en de officier van justitie deze stelling heeft betwist. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat [getuige 2] en [slachtoffer 2] hun verklaringen op de verklaring van [slachtoffer 3] hebben gebaseerd. Lezing van de verklaringen van [getuige 2] en [slachtoffer 2] wijst uit dat beiden uit eigen waarneming hebben verklaard. Beiden waren buiten het café in de buurt van de schietpartij aanwezig. [getuige 2] was ook binnen in het rokershok aanwezig. Dat [getuige 2] zich in eerste instantie weinig van het incident kan herinneren, komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. [getuige 2] heeft direct na de schietpartij ook verklaard dat hij in shock was . Het feit dat [getuige 2] enkele dagen later nog een verklaring af heeft gelegd, betekent niet dat hij deze verklaring op [slachtoffer 3] heeft afgestemd. Het feit dat zowel [slachtoffer 2] als [getuige 2] een eigen en correcte beschrijving van het signalement van verdachte geven, duidt er naar het oordeel van de rechtbank op dat het authentieke verklaringen betreffen . De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2] en [getuige 2] dan ook bruikbaar voor het bewijs.

[slachtoffer 1] lijkt zelf niet te hebben waargenomen wie er geschoten heeft, maar dit van horen zeggen te hebben. Deze verklaring zal de rechtbank dan ook slechts gebruiken voor het bewijs dat met [bijnaam verdachte] verdachte wordt bedoeld.

Er zijn die avond diverse personen getuige geweest van de schietpartij, zoals [getuige 9], [getuige 11], [getuige 10], [getuige 15] en [getuige 12]. Zij hebben van (geringe) afstand de schietpartij waargenomen en hierover een verklaring afgelegd.

[getuige 9], [getuige 11] en [getuige 10],hebben alle drie verklaard dat zij hebben gezien dat aan de achterzijde van café “De Twee Heeren” twee jongens aan het vechten waren, die omringd waren door een groepje jongens en dat een van hen naar achteren stapte of werd geduwd en daarna een pistool pakte, deze op de groep richtte en meerdere malen schoot. Zij hebben verder verklaard dat de schutter van Antilliaanse afkomst dan wel getint was en lang rasta haar had. [getuige 9] en [getuige 10] verklaren tevens dat de schutter een staart had en [getuige 10] voegt daaraan toe dat dit met een bandje bij elkaar werd gehouden. [getuige 11] verklaart dat de schutter op twee meter van de andere personen afstond. Tevens verklaren zij alle drie dat degene die met het vuurwapen geschoten heeft de persoon is die door de politie is aangehouden . Voorts over het wapen dat het een soort western revolver betrof . [getuige 10] kan niets omtrent de kleding van de schutter vertellen. [getuige 11] verklaart dat de schutter een zwarte jas droeg . [getuige 9] verklaart dat de schutter een glimmende jas droeg, meer tegen donkergroen aan . De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer omtrent de geloofwaardigheid en bruikbaarheid van verklaring van [getuige 9]. Het enkele feit dat de door [getuige 9] genoemde kleur van de jas niet precies overeenkomt met de kleur van de jas die door verdachte is gedragen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verdere verklaring van [getuige 9] onbruikbaar wordt, te meer daar hij wel over een glimmende jas heeft verklaard, hetgeen klopt met de jas van verdachte en, zoals hiervoor overwogen, ook [slachtoffer 3] heeft verklaard dat verdachte een gifgroenachtige jas droeg. Hetzelfde geldt voor het feit dat [getuige 9] korte tijd van de plaats van de schietpartij is weggeweest. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [getuige 9] de relevante onderdelen van de schietpartij op een afstand van 10 meter heeft gezien en hierover gedetailleerd heeft verklaard.

[getuige 15] heeft verklaard dat hij twee jongens heeft zien vechten en dat er een groepje van vier of vijf personen omheen stond. Hij zag dat de jongen die ook de klappen gaf opeens met zijn linkerhand in zijn binnenzak van zijn zwarte jas ging en er een revolver uithaalde. Het wapen had een klein rond ding, een cilinder. Er werd geschoten op de jongen die de klappen kreeg. Deze lag op de grond. De afstand tussen de schutter en de jongen die op de grond lag was nog geen meter tot een halve meter. [getuige 15] zag de schutter wegrennen .

De stelling van de raadsman van verdachte dat [getuige 15] heeft verklaard dat de schutter de hoek omliep en het Arsenaalplein verliet voordat de politie arriveerde, vindt geen steun in de verklaring van [getuige 15]. Zo heeft [getuige 15] niet verklaard dat de schutter daadwerkelijk het Arsenaalplein heeft verlaten. [getuige 15] heeft hem in de richting van de Action zien lopen, waarbij hij de schutter tot op de hoek van het Arsenaalplein/Burgemeester Geillstraat heeft gezien. Vervolgens is [getuige 15] zelf weggegaan en heeft de schutter niet meer gezien . De verklaring van [getuige 15] strookt met de andere getuigenverklaringen. Meerdere getuigen (waaronder [portier 2] en [portier 1]) en ook de verbalisanten hebben immers verklaard dat de schutter wegliep van de plek waar was geschoten. Met betrekking tot de verklaring van [getuige 15] overweegt de rechtbank nog dat hij op korte afstand, namelijk drie meter, getuige is geweest van de schietpartij. De rechtbank is dan ook van oordeel dat zijn verklaring voor het bewijs gebruikt kan worden.

[getuige 12] heeft zowel de vechtpartij in café “De Twee Heeren” als de schietpartij buiten van dichtbij meegemaakt. Over de schietpartij verklaart zij dat de schutter een sprong naar achteren maakte, zijn hand naar voren strekte en met een pistool (klein en zwart) begon te schieten. Volgens [getuige 12] heeft de schutter vier of vijf keer geschoten en heeft hij één keer gericht op [slachtoffer 1] geschoten. De schutter stond op 3 a 4 meter van [slachtoffer 1]. [getuige 12] heeft ook [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] bij [slachtoffer 1] zien staan. Zij heeft ook gezien dat [slachtoffer 3] geraakt werd. [getuige 12] geeft een signalement van de schutter dat klopt met dat van verdachte en herkent hem op een foto . De verklaring van [getuige 12] dient volgens de raadsman van verdachte eveneens buiten beschouwing te worden gelaten. Dit vanwege het feit dat [getuige 12] heeft verklaard dat zij verdachte van discotheek Ieppy’s kent, terwijl verdachte stelt daar nooit te zijn geweest. De rechtbank passeert dit verweer. De verklaring van [getuige 12] biedt voldoende aanknopingspunten om er genoegzaam vanuit te kunnen gaan dat [getuige 12] bekend is met de persoon van verdachte. Zo kent zij [getuige 1] en weet zij dat deze bevriend is met verdachte, heeft zij gezien dat verdachte en [getuige 1] voorafgaand aan de schietpartij samen in het café waren en kan zij het signalement van verdachte correct omschrijven. Of ze elkaar nu wel of niet in Ieppy’s hebben gezien, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de geloofwaardigheid van de verklaring.

Op het moment van de schietpartij bevonden zich twee politieagenten op korte afstand van het café “De Twee Heeren”. Zij zijn direct naar het Arsenaalplein gereden, waardoor zij binnen enkele seconden ter plaatse waren. Aldaar hebben zij op aanwijzing van de portier [portier 1] verdachte aangehouden. In tegenstelling tot hetgeen de raadsman aanvoert, namelijk dat [portier 1] verdachte pas ná de aanhouding als schutter aanwijst, acht de rechtbank het op basis van de op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte verklaring van de verbalisanten en de aanvullende verklaring van [portier 1] aannemelijk dat [portier 1] de schutter vooraf heeft aangewezen en dat de agenten op basis daarvan tot aanhouding zijn overgegaan door op het moment dat verdachte het plein afliep verdachte te verzoeken zijn handen in de lucht te steken en hem naar de grond te brengen . [portier 1] heeft immers verklaard dat hij de agenten ter plaatse heeft aangegeven waar de schutter stond . Op 15 februari 2011 heeft [portier 1] nog verklaard dat hij ook toen de agenten op verdachte zaten, heeft gezegd dat die persoon de schutter was. Later heeft [portier 1] de agenten nog eens aangesproken en wederom verklaard dat de aangehouden man de schutter betrof . Portier [portier 2] heeft verklaard dat hij een man met gestrekte arm heeft zien staan. Op dat moment heeft hij een stuk of vier schoten gehoord. Daarna zag hij de politie al aankomen. Volgens [portier 2] hebben zij de schutter aangehouden . De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de portiers te twijfelen. Het feit dat de beschrijvingen van het gebit en de haardracht van de schutter niet overeenkomen met dat van verdachte acht de rechtbank niet van doorslaggevend belang. Maatgevend is de beschrijving van de algehele toedracht. Uit de verklaringen blijkt dat met name [portier 1] de gehele situatie heeft waargenomen en de schutter goed en van dichtbij heeft gezien. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaringen van [portier 1] en [portier 2] voor het bewijs gebruikt kunnen worden.

[portier 1] heeft verklaard dat hij tijdens een handgemeen dat binnen begon en buiten werd voortgezet, heeft gezien dat een man met gouden tanden en halflange dreadlocks een revolver in zijn hand had. Het wapen had een lange loop en een trommel. De afstand tussen de schutter en degene met wie de man ruzie had was twee meter. Hij zag en hoorde de schutter vermoedelijk twee keer schieten en na een hele korte pauze nog drie a vier keer. [portier 1] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat de schutter is aangehouden .

Ten aanzien van de stelling van de raadsman dat gebruik had moeten worden gemaakt van een foslo-confrontatie overweegt de rechtbank dat geen rechtsregel een dergelijke wijze van confrontatie verplicht. De politie heeft bij het horen van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2], [slachtoffer 1] gebruik gemaakt van een enkelvoudige fotoconfrontatie en [getuige 12] heeft de foto van verdachte bij haar verhoor per abuis onder ogen gekregen. De foto, die de rechtbank voldoende representatief acht, is pas getoond nadat de betreffende getuige zelf reeds een beschrijving van het signalement van de verdachte had gegeven en/of een naam of bijnaam van verdachte had genoemd. Uit de verklaringen van de getuigen is gebleken dat zij verdachte ofwel van gezicht ofwel van (bij)naam kenden. Deze getuigen hebben allen verdachte bij de enkelvoudige fotoconfrontatie voor 100% herkend als de persoon die op 13 februari 2011 geschoten heeft. Nu de herkenningen aldus niet op zichzelf staan, maar tevens aansluiten bij de eveneens tot het bewijs gebezigde verklaringen van overige getuigen, waarbij de fotoconfrontatie niet is toegepast, acht de rechtbank de bedoelde fotoconfrontaties betrouwbaar en als zodanig bruikbaar voor het bewijs.

Opmerkelijk in deze zaak is dat er vele verklaringen zijn die verdachte als de schutter aanwijzen, maar dat bij het schotresten onderzoek van de onderzoeksset schiethanden van de verdachte (afgenomen 1 uur en 22 minuten na het schietincident), waarbij 87 categorie B deeltjes zijn aangetroffen, geen relatie is aangetoond tussen verdachte en een schietproces. In de bijlage bij het NFI rapport aangaande het schotrestonderzoek van 23 mei 2011 staat vermeld dat dit niet hoeft te betekenen dat verdachte niet betrokken is geweest bij een schietproces. Het kan bijvoorbeeld zijn dat het gebruikte wapen met de gebruikte munitie weinig tot geen schotresten afzet op de handen van verdachte en schotresten kunnen van handen zijn verdwenen door normaal gebruik. Ter zitting heeft de deskundige Brouwer-Stamouli dit bevestigd en daaraan toegevoegd dat nu het wapen niet beschikbaar is, er geen betrouwbare uitspraken kunnen worden gedaan over het onderhavige geval. Voorts heeft de deskundige een grafiek getoond waarop is te zien dat de voor een schietproces kenmerkende categorie A deeltjes relatief snel van de handen verdwijnen, hetgeen naar verwachting hetzelfde is voor categorie B deeltjes. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het feit dat er onder deze omstandigheden geen categorie A deeltjes op de onderzoeksset schiethanden van verdachte zijn aangetroffen niet de conclusie rechtvaardigt dat verdachte niet de schutter was.

Op grond van het hiervoor overwogene acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is die geschoten heeft op 13 februari 2011. Aan de overtuiging van de rechtbank heeft bijgedragen de omstandigheid dat verdachte tijdens de insluitingsfouillering kogelpatronen had in het tasje dat hij om zijn nek droeg van hetzelfde kaliber als de kogels die zijn afgevuurd met het vuurwapen hetgeen betekent dat deze kogels met datzelfde wapen hadden kunnen worden afgevuurd . Tevens strekt ter overtuiging dat verdachte vanuit het Huis van Bewaring een brief heeft geschreven naar zijn vrienden op zijn eigen huisadres waarin hij aangeeft dat hij [getuige 1] te hulp is geschoten . De raadsman heeft de betrouwbaarheid van de vertaling van deze brief, die in het Papiaments is geschreven, op onderdelen betwist. De rechtbank sluit niet uit dat bepaalde woorden voor meerdere uitleg vatbaar zijn, maar de strekking van de brief is naar haar oordeel helder.

Uit de diverse hiervoor besproken verklaringen maakt de rechtbank op dat verdachte van zeer nabij gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten en hem heeft geraakt. [slachtoffer 1] heeft daarbij volgens de informatie van de GGD van 4 mei 2011 ernstig letsel opgelopen, te weten een klaplong links, bloed in de borstholte, scheuren in het middenrif en de maag en bloeding van de lever door scheurletsel. Er was daarbij zeker sprake van levensgevaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte hierbij met voorbedachten rade gehandeld. Hij heeft immers tijdens het uitgaan (welbewust) een vuurwapen gedragen. Verdachte was in het café reeds toeschouwer geweest van de ruzie tussen [getuige 1] en [slachtoffer 1]. Toen zij naar buiten gingen, is verdachte ook naar buiten gegaan. Hij is vervolgens tijdens de vechtpartij uit de groep gesprongen, heeft zijn vuurwapen gepakt en heeft dit wapen op zeer korte afstand van enkele meters op [slachtoffer 1] gericht en meermalen afgevuurd. Verdachte heeft tijdens dit proces meerdere malen de tijd gehad om zich te beraden over het trekken en afvuren van het vuurwapen. Zelfs bij het afvuren van een volgend schot is er telkens een moment van beraad geweest, nu uit de aangehaalde verklaringen blijkt dat verdachte niet alle schoten achter elkaar heeft afgevuurd. De rechtbank acht verdachte derhalve schuldig aan het onder 1 ten laste gelegde.

Door schoten af te vuren in de zeer directe omgeving van andere personen waaronder [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] op de wijze zoals uit de hiervoor aangehaalde verklaringen blijkt, heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hen zou raken en dat zij door een of meer schotverwondingen zouden komen te overlijden. Beiden zijn geraakt maar gelukkig niet dodelijk. Blijkens de informatie van de GGD van 21 juli 2011 had [slachtoffer 2] een schotverwonding aan de linkerpols, aan de linkerzijde van de borstkas en aan de maagwand. De wonden zijn chirurgisch behandeld. [slachtoffer 3] had volgens de informatie van de GGD van 14 maart 2011 een in- en uitschot verwonding ter plaatse van de linkeronderarm. Voorts was er een inschot opening met kogel aanwezig ter hoogte van de linkerbovenarm. De kogel is verwijderd.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande dan ook de onder 2 ten laste gelegde poging doodslag op [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 3

De rechtbank gaat er gelet op de hiervoor vermelde getuigenverklaringen ter zake vanuit dat verdachte heeft geschoten met een revolver. Tevens heeft hij, zo blijkt uit de hiervoor reeds besproken bewijsmiddelen en het proces-verbaal munitie onderzoek , daarbij passende munitie van het kaliber .22 voorhanden gehad. Derhalve acht de rechtbank verdachte schuldig aan het onder 3 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 4

Op 1 maart 2011 is er tijdens een doorzoeking in de woning van verdachte een zakje met wit poeder aangetroffen en in beslag genomen. De politie heeft het zakje met wit poeder laten onderzoeken waarbij de Narcotest een positieve uitslag gaf op cocaïne. Verdachte ontkent dat dit zakje met wit poeder van hem is. Op het moment van de doorzoeking was [getuige 1] aanwezig in de woning van verdachte en verdachte zelf zat al vanaf 13 februari 2011 vast. [getuige 1] had de beschikking over de sleutel van de woning van verdachte. Dat er anderen verbleven in de woning ten tijde van de detentie van verdachte blijkt tevens uit de brief die verdachte heeft geschreven en gericht heeft aan zijn vrienden op zijn eigen woonadres. Op grond van deze omstandigheden is twijfel mogelijk of het zakje met wit poeder aan verdachte toebehoorde. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

Ten aanzien van feit 5

De rechtbank acht het onder 5 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte ;

- het verslag binnentreden woning ;

- het rapport ten behoeve van derden .

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 13 februari 2011 te Terneuzen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen gericht op die [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 13 februari 2011 te Terneuzen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een vuurwapen in de richting van die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

op 13 februari 2011 te Terneuzen een vuurwapen, te weten

een revolver van categorie III en zeven, kogelpatronen, zijnde munitie van categorie II en/of III, voorhanden heeft gehad;

5.

op of omstreeks 1 maart 2011 te Axel, gemeente Terneuzen, aanwezig heeft gehad (in

totaal) ongeveer 22,9 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a

van die wet;

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar met aftrek van voorarrest. Hij verwijst daarbij naar uitspraken in vergelijkbare zaken. Verder heeft hij daartoe aangevoerd dat verdachte nabij het drukke café “De Twee Heeren” rond sluitingstijd vele malen een vuurwapen heeft afgevuurd in de richting van [slachtoffer 1], waarbij het risico groot was dat hij ook anderen zou raken. Deze kans heeft hij voor lief genomen waardoor er meerdere slachtoffers zijn gevallen. De wijze waarop dit heeft plaatsgevonden, doet bijna denken aan een executie. Dat er geen doden zijn gevallen, is slechts toeval. Verdachte laat hiermee een ernstig gebrek aan respect zien voor de lichamelijke en geestelijke integriteit van anderen. Voor de slachtoffers en omstanders is dit een schokkende en traumatische ervaring geweest waarvan zij nog geruime tijd de nadelige gevolgen zullen ondervinden. Er heeft geen onderzoek naar de persoon van verdachte plaatsgevonden, nu verdachte niet meewerkte in het onderzoek.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte voert geen strafmaatverweer gelet op de door hem bepleitte vrijspraken. Hij merkt wel op dat er geen onderzoek is gedaan naar de persoon van verdachte. In het kader van de door hem gevoerde vrijspraakverweren was dit naar zijn mening niet nodig. Mocht de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komen van de feiten onder 1 en 2, dan verzoekt de raadsman subsidiair aanhouding van de zaak voor een nader persoonlijkheidsonderzoek van verdachte.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het opleggen van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de omstandigheden en de ernst van de gepleegde feiten en met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van een verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot moord op [slachtoffer 1] door gericht en op korte afstand een vuurwapen op hem af te vuren. Als gevolg hiervan is [slachtoffer 1] levensbedreigend gewond geraakt. Doordat verdachte meerdere malen het vuurwapen heeft afgevuurd zijn tevens [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], die zeer dichtbij [slachtoffer 1] stonden, gewond geraakt. Daarmee heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan poging tot doodslag van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2].

Poging tot moord dan wel doodslag wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven. Verdachte heeft door op deze wijze te handelen geen enkel respect getoond voor andermans leven. Een poging tot het nemen van een leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige gevangenisstraf in aanmerking komt. Bovendien is een dergelijk gewelddadig optreden op straat zeer schokkend voor de ooggetuigen en versterkt het de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid. Van algemene bekendheid is dat ook de ooggetuigen nog lang angstgevoelens en psychische schade kunnen ondervinden.

Tevens heeft verdachte een revolver en zeven kogelpatronen voor handen gehad. Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie, zoals bewezen verklaard, is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege het gevaar dat daarvan voor de veiligheid van anderen uitgaat, welke gevaar zich hier ook heeft verwezenlijkt.

Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van hennep. De rechtbank overweegt dat hennep bij langdurig gebruik kan leiden tot schade voor de volksgezondheid. Dat is de reden dat de verstrekking van softdrugs aan banden is gelegd. Door de handelwijze van verdachte wordt dit restrictieve beleid doorkruist. Tevens leidt het gebruik van dergelijke verdovende middelen tot veel criminaliteit en overlast, mede gezien de grote financiële belangen die met de handel in verdovende middelen gemoeid zijn.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

In het dossier bevindt zich geen voorlichtingsrapport van de reclassering omtrent de persoon van verdachte. De officier van justitie heeft daartoe geen opdracht gegeven, nu verdachte zich in het onderzoek ontkennend heeft opgesteld. De raadsman heeft, indien er tot een bewezenverklaring wordt gekomen van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, om aanhouding verzocht teneinde alsnog een onderzoek te doen naar de persoon van verdachte. De rechtbank wijst dit verzoek af en overweegt daartoe dat de raadsman van verdachte voldoende tijd heeft gehad om een dergelijk verzoek te doen, maar dit verzoek gelet op het betoogde vrijspraken bewust achterwege heeft gelaten. De rechtbank acht het gedane verzoek op de terechtzitting hierdoor tardief. Bovendien is het verzoek te algemeen van aard en niet concreet onderbouwd. Nog daargelaten dat het verzoek van de raadsman te laat is gedaan, zijn er ook geen aanwijzingen in het dossier en tijdens de terechtzitting naar voren gekomen dat er bijzondere persoonlijke omstandigheden bij verdachte spelen dan wel dat er een mate van ontoerekeningsvatbaarheid aan de zijde van verdachte zou zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de officier van justitie ter zitting naar voren heeft gebracht dat hij aan het begin van het onderzoek verdachte heeft laten beoordelen door een psycholoog die heeft geconstateerd dat er geen sprake was van acute problematiek maar dat de opstelling van verdachte kon worden verklaard uit het feit dat hij niet nader wenste te verklaren.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. Zij is van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van negen jaar noodzakelijk is. De rechtbank ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Er mag van geluk en groot toeval worden gesproken dat er door het handelen van verdachte geen dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Het onder 5 bewezen verklaarde feit betreft een overtreding waarvoor een aparte straf opgelegd dient te worden. De rechtbank zal verdachte echter schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel nu een aparte straf naar haar oordeel niet opportuun is gelet op de reeds opgelegde straf voor het bewezen verklaarde onder 1, 2 en 3.

7 De benadeelde partijen

Feit 1

De benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres] heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van € 6.051,46 waarvan € 1.051,46 wegens materiële schade en € 5.000,- wegens immateriële schade.

De officier van justitie vordert het bedrag aan materiële schade geheel toe te wijzen. Wat betreft de immateriële schade vordert hij een voorschot van € 2.500,- toe te wijzen nu het gevorderde bedrag van € 5.000,- onvoldoende onderbouwd is en dit bedrag de officier van justitie in vergelijking met soortgelijke zaken bovenmatig voor komt.

De raadsman van verdachte verzoekt primair afwijzing van de vordering gelet op de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair voert hij aan dat met betrekking tot de gevorderde materiële schade onduidelijk is of de medische kosten en de kosten van de fysiotherapie door de verzekering zijn vergoed. Tevens is de post met betrekking tot het lesgeld onvoldoende onderbouwd. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade is hij van mening dat er sprake is van eigen schuld aan de zijde van de benadeelde partij. Nu de mate van eigen schuld niet eenvoudig valt vast te stellen, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk. De rechtbank overweegt met betrekking tot de gevorderde materiële schade het volgende. De gevorderde materiële schade bestaat uit diverse posten. De post betreffende de kleding kan naar het oordeel van de rechtbank worden toegewezen nu deze (inhoudelijk) niet is betwist en niet onredelijk of ongegrond voorkomt. De ziekenhuiskosten kunnen naar het oordeel van de rechtbank eveneens toegewezen worden, nu het hier gaat om kosten die, gelet op het feit dat zij gevorderd zijn, kennelijk niet door de verzekeringsmaatschappij zijn vergoed. De kosten van de fysiotherapie komen tevens voor vergoeding in aanmerking nu mede gelet op de datum waarop deze kosten zijn gemaakt aannemelijk is dat deze, zoals ook in de vordering aangegeven, zijn gemaakt in het kader van de verwondingen als gevolg van het schietincident. De gevorderde kosten ten aanzien van het lesgeld voor het schooljaar 2010-2011 wijst de rechtbank af nu uit de bijgevoegde stukken niet kan worden afgeleid of en zo ja op welke wijze deze kosten zijn gemaakt.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank voor wat betreft de materiële schade van oordeel dat een bedrag van € 434,96 een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde feit en het bedrag voldoende aannemelijk is gemaakt. Zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade en zij zal de vordering voor wat betreft de materiële schade tot dat bedrag toewijzen. De eigen bijdrage voor rechtsbijstand ad € 101,- komt eveneens voor vergoeding in aanmerking. Dat de benadeelde partij er niet voor heeft gekozen gratis hulp in te roepen, zoals de raadsman heeft aangevoerd, doet daar niet aan af. De in rekening gebrachte kosten komen niet onredelijk of ongegrond voor.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank dat hoewel de benadeelde partij mogelijk een bepaalde mate van eigen schuld aan het ontstaan van de vechtpartij heeft, de reactie van verdachte zo extreem is geweest, dat dit niet aan toewijzing van schadevergoeding in de weg staat. Gelet op hetgeen in de vordering is opgenomen aangaande de gevolgen die het incident voor de benadeelde partij heeft gehad, acht de rechtbank de immateriële schade aannemelijk gemaakt tot een bedrag van € 2.500 en stelt de rechtbank de immateriële schade naar redelijkheid vast op dat bedrag.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag voor de immateriële schade onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering van de benadeelde partij, met uitzondering van de eigen bijdrage van de kosten van rechtsbijstand, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Feit 2

De benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres] heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. [slachtoffer 2] vordert een schadevergoeding van € 3.625,17 waarvan € 3.000,- wegens immateriële schade en € 625,17 wegens materiële schade. Tevens wordt oplegging van een schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De officier van justitie vordert ten aanzien van de materiële schade toewijzing van een bedrag van € 527,79 omdat de reiskosten van familieleden niet voor vergoeding in aanmerking komen en er tevens een oud-voor-nieuw correctie dient plaats te vinden met betrekking tot de kleding. Ten aanzien van de immateriële schade vordert hij toewijzing van een bedrag van € 1.500,-. De post is weliswaar onderbouwd met verwijzing naar de smartengeldgids maar de aangegeven zaken zijn niet één op één vergelijkbaar met onderhavige situatie.

De raadsman van verdachte verzoekt primair afwijzing van de vordering gelet op de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair voert hij aan dat met betrekking tot de gevorderde materiële schade onduidelijk is of de medische kosten door de verzekering zijn vergoed. Tevens zijn er ten aanzien van wachtgeld forfaitaire bedragen van toepassing.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk. De rechtbank overweegt met betrekking tot de gevorderde materiële schade het volgende. De gevorderde materiële schade bestaat uit diverse posten. De post betreffende de kleding kan naar het oordeel van de rechtbank worden toegewezen nu deze niet (inhoudelijk) is betwist en niet onredelijk of ongegrond voor komt. De medische kosten kunnen naar het oordeel van de rechtbank eveneens toegewezen worden, nu zij er gelet op het feit dat deze gevorderd worden van uit gaat dat dit kosten betreffen die niet door de verzekeringsmaatschappij zijn vergoed. De gevorderde reiskosten zullen worden beperkt tot de kosten die de benadeelde partij zelf heeft gemaakt. De reiskosten die anderen hebben gemaakt staan immers niet in een rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde feit. De vordering van de reiskosten van familieleden zal dan ook worden afgewezen. Uit de stukken is gebleken dat de benadeelde partij één maal op een na-controle is geweest. Deze kosten zal de rechtbank toewijzen. Ten aanzien van de gevorderde kosten met betrekking tot ziekenhuisdaggeld vergoeding overweegt de rechtbank dat deze post onvoldoende is onderbouwd. Onduidelijk is of de benadeelde partij ook daadwerkelijk kosten heeft gemaakt. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in deze vordering.

Op grond hiervan is de rechtbank voor wat betreft de materiële schade van oordeel dat een bedrag van € 406,37 een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde feit welk bedrag voldoende aannemelijk is gemaakt. Zij acht verdachte aansprakelijk voor die schade en zij zal de vordering voor wat betreft de materiële schade tot dat bedrag toewijzen.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Gelet op hetgeen in de vordering is opgenomen aangaande de gevolgen die het incident voor de benadeelde partij heeft gehad, acht de rechtbank de immateriële schade aannemelijk gemaakt tot een bedrag van € 1.500,- en stelt de rechtbank de immateriële schade naar redelijkheid vast op dat bedrag. Voor het overige acht de rechtbank de vordering onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Feit 2

De benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te [adres] heeft zich voorafgaand aan het onderzoek op de zitting, op de wettelijk voorgeschreven wijze als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van € 2.350,- waarvan € 350,- wegens materiële schade en € 2.000,- wegens immateriële schade. Tevens wordt oplegging van een schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De officier van justitie vordert voor wat betreft de materiële schade deze te matigen tot € 250,- nu er een oud-voor-nieuw correctie dient plaats te vinden. Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade vordert hij dit bedrag eveneens te matigen tot een bedrag van € 1.000,-. Hoewel het gevorderde bedrag onderbouwd is door middel van verwijzing naar de Smartengeldgids zijn deze aangegeven zaken niet één op één te vergelijken met onderhavige situatie.

De raadsman van verdachte verzoekt primair afwijzing van de vordering gelet op de door hem bepleite vrijspraak. Subsidiair voert hij aan of de schade van het horloge wel te herleiden is tot deze zaak. Wellicht is [slachtoffer 3] zijn horloge al eerder die avond verloren tijdens de het sussen van de ruzie die [getuige 1] binnen in het café had.

Naar het oordeel van de rechtbank is de benadeelde partij in zijn vordering ontvankelijk. De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade tot een bedrag van € 350,- een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag aan immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Gelet op hetgeen in de vordering is opgenomen aangaande de gevolgen die het incident voor de benadeelde partij heeft gehad, acht de rechtbank de immateriële schade aannemelijk gemaakt tot een bedrag van € 1.000,- en stelt de rechtbank de immateriële schade naar redelijkheid vast op dat bedrag. Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Beslag

De officier van justitie vordert het in beslag genomen geldbedrag terug te geven aan verdachte indien hij zich gemeld heeft als rechthebbende. De in beslag genomen verdovende middelen vordert hij te onttrekken aan het verkeer.

De raadsman van verdachte refereert zich voor wat betreft de in beslag genomen goederen aan hetgeen de officier van justitie vordert.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van het in beslag genomen geld ten bedrage van € 185,- aan de rechthebbende.

Het in beslag genomen zakje met wit poeder en de witte pot met verdovende middelen in gripzakjes verpakt zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Gebleken is dat het feit onder 5 is begaan met betrekking tot de verdovende middelen (hennep) in de witte pot en dat dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

Het wit poeder is krachtens artikel 36d Wetboek van Strafrecht vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9a, 27, 36b, 36c, 36d 36f, 45, 57, 62, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 4 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: Poging tot moord;

feit 2: Poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

feit 3: Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en munitie van categorie II en/of III;

feit 5: Handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Straffen

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Ten aanzien van feit 5

- verklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel.

Benadeelde partijen

Feit 1

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres] van € 2.934,96, waarvan € 434,96 ter zake van materiële schade en € 2.500,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte tevens in de door de benadeelde partij gemaakte kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 101,-.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- wijst het overige deel van de vordering betreffende de materiële schade (kosten lesgeld voor het schooljaar 2010-2011) af;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], € 2.934,96 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 39 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Feit 2

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres] van € 1.906,37, waarvan € 406,37 ter zake van materiële schade en € 1.500,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering betreffende de immateriële schade niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- wijst het overige deel van de vordering betreffende de materiële schade af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], € 1.906,37 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 29 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Feit 2:

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], wonende te [adres] van € 1.350,-, waarvan € 350,- ter zake van materiële schade en € 1.000,- ter zake van immateriële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering betreffende de immateriële schade niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- wijst het overige deel van de vordering betreffende de materiële schade af;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], € 1.350,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 23 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen voorwerp, te weten: Nederlands geld ter waarde van € 185,-;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten: 1 zak wit poeder en 1 witte pot verdovende middelen in gripzakjes verpakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Nomes, voorzitter, mr. Haesen en mr. Batenburg-van Rijswijk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 18 augustus 2011.