Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BR4744

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
09-02-2011
Datum publicatie
10-08-2011
Zaaknummer
75196 / HA ZA 10-466
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

A. vordert de onbevoegdverklaring van de rechtbank omdat tussen partijen arbitrage is overeengekomen. Hoewel dit juist is wordt het beroep verworpen. De zaak hangt samen met een aantal andere reeds bij de rechtbank aanhangige geschillen en het is zeer onwenselijk deze zaken gescheiden te behandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TVA 2012/83

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 75196 / HA ZA 10-466

Vonnis in incident van 9 februari 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap

BOUWBEDRIJF [naam eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] B.V.,

gevestigd te Heinkenszand,

eiseres in vrijwaring,

verweerster in het incident,

procesadvocaat: mr. K.M. Moeliker te Middelburg, voorheen mr. E.H.A. Schute,

tegen

1. de besloten vennootschap

RRE B.V.,

gevestigd te Hoogerheide, gemeente Woensdrecht,

gedaagde in vrijwaring,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. P.C.H. Jansen te Breda,

2. de vennootschap onder firma

BOUWRAADHUIS V.O.F.,

gevestigd te Kruiningen,

gedaagde in vrijwaring,

en haar vennoten:

3. [gedaagde sub 3 in vrijwaring],

wonende te Arnemuiden,

gedaagde in vrijwaring,

4. [gedaagde sub 4 in vrijwaring],

wonende te Yerseke,

gedaagde in vrijwaring,

procesadvocaat: mr. K.P.T.G. Flos te Middelburg.

Partijen in het incident zullen hierna [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] en RRE genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in vrijwaring met producties;

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;

- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

De feiten

Op 25 september 2008 is tussen [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] als aannemer en RRE als opdrachtgever een overeenkomst van aanneming van werk tot stand gekomen voor de bouw van een woon- en winkelpand aan de Kanaalstraat 9 te Oost-Souburg.

Op deze overeenkomst zijn door [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] van toepassing verklaard de algemene voorwaarden voor aannemingen in het bouwbedrijf 1992 (AVA 1992). Artikel 21 lid 2 van deze voorwaarden luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Alle geschillen – daaronder begrepen die, welke slechts door een der partijen als zodanig worden beschouwd – die naar aanleiding van deze overeenkomst of van de overeenkomsten die daarvan een uitvloeisel zijn, tussen opdrachtgever en aannemer mochten ontstaan, worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regelen beschreven in de statuten van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland, zoals deze drie maanden voor het tot stand komen van de overeenkomst luiden.”

Tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden, meer in het bijzonder de heiwerkzaamheden die in opdracht van [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] door Van Vliet Heiwerken B.V. zijn verricht, is schade ontstaan aan één van de belendende percelen. De eigenaar, [naam eigenaar], heeft [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] en RRE aansprakelijk gesteld voor deze schade.

Op 26 april 2010 heeft [naam eigenaar van beschadigd belendende perceel] [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] en RRE voor deze rechtbank gedagvaard. [naam eigenaar van beschadigd belendende perceel] vordert in de hoofdzaak (aanhangig onder zaak-/rolnummer 72969 / HA ZA 10-186) [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] en RRE hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 24.253,65, vermeerderd met rente en kosten. Aan zijn vordering tot schadevergoeding legt hij onder meer een onrechtmatig handelen van [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] en RRE ten grondslag.

Bij vonnis van 18 augustus 2010 heeft de rechtbank [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] toegestaan om RRE, Bouwraadhuis v.o.f. (hierna: Bouwraadhuis), haar vennoten en N.V. Interpolis Schade in vrijwaring te dagvaarden tegen een daarbij bepaalde dag, teneinde op de eis in vrijwaring te antwoorden en voort te procederen.

[eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] vordert in de vrijwaringsprocedure RRE, Bouwraadhuis en haar vennoten (hoofdelijk) te veroordelen om aan [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] te betalen datgene waartoe [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] als gedaagde in de hoofdzaak jegens [naam eigenaar van beschadigd belendende perceel] mocht worden veroordeeld, met inbegrip van rente en kosten. Ter onderbouwing van haar vordering stelt [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] onder meer dat, indien [naam eigenaar van beschadigd belendende perceel] schade heeft geleden ten gevolge van de heiwerkzaamheden, er in het voorgeschreven ontwerp van RRE, dat is opgesteld door Bouwraadhuis, kennelijk ten onrechte is gekozen voor de methode zoals die hier is toegepast en dat dit een toerekenbare tekortkoming en/of onrechtmatige daad oplevert van RRE jegens [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident], en eveneens een onrechtmatige daad oplevert van Bouwraadhuis jegens [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident].

Door Bouwraadhuis en haar vennoten (gedaagden in vrijwaring sub 2 tot en met 4) zijn geen incidenten opgeworpen en is inmiddels voor antwoord geconcludeerd.

De vrijwaringsprocedure gericht tegen N.V. Interpolis Schade is op verzoek van [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] doorgehaald.

Het geschil in het incident

RRE vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vordering van [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] kennis te nemen. RRE voert ter onderbouwing daarvan aan dat op de op 25 september 2008 tussen RRE en [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] gesloten overeenkomst van aanneming van werk de AVA 1992 van toepassing zijn verklaard. Artikel 21 lid 2 van deze voorwaarden bepaalt dat geschillen zullen worden beslecht door de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland, zodat de rechtbank onbevoegd is van het geschil kennis te nemen. RRE heeft ook belang bij een vonnis waarin de onbevoegdheid van de civiele rechter wordt uitgesproken, omdat RRE op haar beurt Bouwraadhuis in vrijwaring wenst op te roepen en de overeenkomst tussen haar en Bouwraadhuis ook voorziet in een arbitragebeding.

[eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] stelt voorop dat de vordering van RRE moet worden afgewezen wegens misbruik van (proces)recht. RRE heeft immers geen rechtens te respecteren belang bij de gevorderde onbevoegdheid omdat zij in de hoofdzaak, die de door [naam eigenaar van beschadigd belendende perceel] tegen [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] en RRE ingestelde vordering betreft, hoe dan ook voor deze rechtbank dient te procederen en bovendien niet is gebleken dat tussen RRE en Bouwraadhuis een arbitragebeding zou gelden. Kennelijk is het belang van RRE bij de door haar voorgestane onbevoegdheid van de rechtbank daarin gelegen dat het daardoor voor [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] lastiger wordt om haar vrijwaringsvordering te effectueren. [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] zal immers een aparte arbitrageprocedure aanhangig moeten maken en dat leidt tot extra tijdsverlies en extra kosten. Gelet ook op de sterke samenhang tussen de hoofdzaak en de vrijwaringsvordering die is ingediend tegen verschillende gedaagden stelt [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] dat het zeer onwenselijk is de zaken te splitsen. Onder deze omstandigheden is toepassing van de arbitrageclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

De beoordeling in het incident

Ten aanzien van haar bevoegdheid om van de vordering van [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] kennis te nemen, overweegt de rechtbank als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat tussen [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] en RRE een overeenkomst van aanneming van werk is gesloten en dat tussen [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] en RRE de algemene voorwaarden van [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] gelden die een arbitraal beding bevatten. [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] stelt dat het beroep van RRE op het arbitragebeding in dit geval buiten beschouwing dient te worden gelaten wegens misbruik van recht en strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Dat RRE een beroep doet op het arbitraal beding, kan naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet de conclusie rechtvaardigen dat dit beroep misbruik van recht oplevert. De enkele niet nader onderbouwde stelling van [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] dat RRE slechts het ‘belang’ heeft om het voor [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] lastiger te maken om haar vrijwaringsvordering te effectueren is daarvoor onvoldoende.

Wel is de rechtbank van oordeel dat, zoals [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] heeft betoogd, toepassing van de arbitrageclausule in dit geval tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Daartoe wordt overwogen dat, zoals [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] heeft betoogd, er een dusdanige samenhang bestaat tussen de vrijwaringsvordering van [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] tegen RRE, en de reeds aanhangige hoofdzaak, die de door [naam eigenaar van beschadigd belendende perceel] tegen [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] en RRE ingestelde vordering betreft, en de vrijwaringsvordering van [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] tegen Bouwraadhuis en haar vennoten (gedaagden in vrijwaring sub 2 tot en met 4) dat het om proceseconomische redenen zeer onwenselijk is deze zaken te splitsen. Een onbevoegdverklaring zou er in het onderhavige geval toe leiden dat de vrijwaringsvordering gedeeltelijk, voor wat RRE betreft, door arbiters, en gedeeltelijk door de rechtbank (jegens Bouwraadhuis en haar vennoten) zou worden behandeld, terwijl RRE in de hoofdzaak ook voor deze rechtbank dient te procederen. Daar komt bij dat de rechtbank met [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] van oordeel is dat vooralsnog niet aannemelijk is dat tussen RRE en Bouwraadhuis algemene voorwaarden gelden die een arbitraal beding bevatten en derhalve RRE haar belang bij de gevorderde onbevoegdheid onvoldoende heeft aangetoond. Dit brengt met zich mee dat de incidentele vordering van RRE zal worden afgewezen.

RRE zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, die aan de zijde van [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] worden begroot op € 452,00.

De beslissing

De rechtbank

in het incident

wijst de vordering tot onbevoegdverklaring af,

veroordeelt RRE in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres in vrijwaring, verweerster in het incident] tot op heden begroot op € 452,00,

in de vrijwaringszaak

verwijst de zaak naar de rol van 23 maart 2011 voor het nemen van een conclusie van antwoord in vrijwaring door RRE,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2011.