Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BR4287

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
03-08-2011
Datum publicatie
05-08-2011
Zaaknummer
74568 / FA RK 10-1124
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partijen zijn ex-echtelieden.

De man verzoekt omgangsregeling aan te passen. Verzoek tot samen ouderlijk gezag en het hoofdverblijf bij hem ipv bij de vrouw.

De vrouw voert verweer.

Gebleken is dat de onderlinge communicatie tussen partijen te wensen over laat en dat de man en de vrouw in hun opvoeding van de minderjarige er een sterk van elkaar verschillende visie en methode op na houden. De vrouw vreest dat de minderjarige als gevolg hiervan klem of verloren zal raken tussen hen.

Verzoek van de man wordt door de rechtbank toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat de rust van de minderjarige het meest gewaarborgd is indien het hoofdverblijf van de minderjarige bij de man zal zijn.

1:253c BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaak/reknr: 74568 / FA RK 10-1124

beschikking d.d. 3 augustus 2011

[verzoeker] (hierna: de man),

wonende te Zierikzee, gemeente Schouwen-Duiveland,

verzoeker,

advocaat: mr. S.J. Nijssen te Zierikzee,

tegen:

[verweerder] (hierna: de vrouw),

wonende te Oud-Vossemeer, gemeente Tholen,

verweerster,

advocaat: mr. S. Kuit te Steenbergen.

1. Het procesverloop

1.1 De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- het verzoek tot benoeming in het gezag door vader ex artikel 1:253c Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) alsmede verzoek tot vaststelling omgangsregeling;

- de brief d.d. 1 februari 2011 van mr. Nijssen met een aanvullend stuk;

- het telefaxbericht d.d. 11 februari 2011 van mr. Kuit met aanvullende stukken;

- het proces-verbaal van de zitting van 14 februari 2011;

- de ter zitting van 14 februari 2011 door mr. Kuit overgelegde pleitnotities;

- het rapport en advies d.d. 28 april 2011 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad);

- het telefaxbericht d.d. 16 mei 2011 van mr. Nijssen met een aanvullend stuk;

- het op 23 mei 2011 door mr. Nijssen ingediende stuk;

- het op 16 juni 2011 door mr. Nijssen overgelegde stuk, inhoudende een brief van de hierna te noemen minderjarige [het kind];

- het telefaxbericht d.d. 22 juni 2011 van mr. Nijssen;

- het telefaxbericht d.d. 27 juni 2011 van mr. Kuit, met aanvullende stukken;

- het telefaxbericht d.d. 12 juli 2011 van mr. Nijssen.

1.2 Het verzoek is nader behandeld ter zitting van 19 juli 2011.

2. De feiten

2.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgend minderjarige kind is geboren:

- [het kind], geboren te Goes op [geboortedatum] 2003.

De minderjarige verblijft bij de vrouw.

2.2 De man heeft de minderjarige erkend. De vrouw is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over de minderjarige.

3. Het geschil

3.1 De man verzoekt:

- hem (de rechtbank leest: samen met de vrouw) te belasten met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige;

- te bepalen dat de minderjarige zijn hoofdverblijf bij hem zal hebben;

- een omgangsregeling vast te stellen welke nader door partijen zal worden ingevuld, maar waarbij de vrouw in ieder geval elk weekend omgang zal hebben en waarbij de vakanties in goed onderling overleg zullen worden verdeeld.

3.2 De vrouw voert verweer tegen de verzoeken van de man en verzoekt deze af te wijzen. Bij wijze van zelfstandig verzoek verzoekt zij te bepalen dat de minderjarige zijn hoofdverblijf bij haar heeft, alsmede -in het geval dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de man zal worden bepaald- een omgangsregeling vast te stellen tussen haar en de minderjarige gedurende elk weekend van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.30 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen.

3.3 Op de standpunten van partijen wordt- voor zover voor de beoordeling van de verzoeken van belang- hierna ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 De enkelvoudige kamer van de rechtbank is van oordeel dat, gelet op de aard van de zaak, onderhavige zaak in aanmerking komt voor een beslissing door de meervoudige kamer en heeft de zaak daar naar verwezen.

4.2 Gezag;

4.2.1 Ingevolge artikel 1:253c BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten. Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder hiermee niet instemt, wordt het verzoek ingevolge het bepaalde in lid 2 slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat het kind klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

4.2.2 Bij voornoemd proces-verbaal d.d. 14 februari 2011 is de Raad onder meer verzocht onderzoek te verrichten en vervolgens te rapporteren en te adviseren omtrent de vraag of er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren zou raken tussen partijen en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.

4.2.3 Uit het rapport en advies d.d. 28 april 2011 van de Raad volgt dat er geen onaanvaardbaar risico aanwezig is dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen partijen, indien zij, zoals door de man is verzocht, gezamenlijk met het gezag worden belast.

4.2.4 De man stemt in met het advies van de Raad ten aanzien van het gezamenlijk gezag en verzoekt dienovereenkomstig te beslissen. De vrouw kan zich niet vinden in het advies van de Raad hieromtrent en stelt dat het gezamenlijk gezag wat haar betreft dan ook niet aan de orde is.

4.2.5 De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt van de wet is dat beide ouders het gezamenlijk gezag over de minderjarige dragen. Voor de uitoefening van gezamenlijk gezag is vereist dat partijen beslissingen over de minderjarige in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Gebleken is dat de onderlinge communicatie tussen partijen te wensen over laat en dat de man en de vrouw in hun opvoeding van de minderjarige er een sterk van elkaar verschillende visie en methode op na houden. De vrouw vreest dat de minderjarige als gevolg hiervan klem of verloren zal raken tussen hen indien het verzoek van de man wordt toegewezen. De rechtbank is echter van oordeel dat een gebrekkige communicatie en een verschillende visie op het gebied van opvoeding niet zonder meer met zich brengt dat het in het belang van de minderjarige is dat het gezag bij de vrouw wordt gelaten. Gebleken is dat partijen tot voor kort wel in staat waren om in onderling overleg gezamenlijk (belangrijke) beslissingen omtrent de minderjarige te nemen. Bovendien gaat de minderjarige thans nog steeds wekelijks naar de man en partijen hebben -ondanks hun onderlinge strijd- de omgang met de minderjarige in de zomervakantie weten te verdelen. Hieruit blijkt dat de verslechterde communicatie tussen partijen in de praktijk geen ernstige belemmering vormt voor de omgang tussen de man en de minderjarige. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat de communicatieproblemen tussen partijen en de uiteenlopende opvattingen omtrent de opvoeding van de minderjarige dan ook niet van dien aard zijn, dat gevreesd moet worden dat de minderjarige klem of verloren zal raken tussen partijen door de uitoefening van het gezamenlijk gezag. Evenmin is gebleken dat er sprake is van feiten of omstandigheden die maken dat afwijzing van het verzoek van de man anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Integendeel, het is juist in het belang van de minderjarige dat de man mede met het gezag wordt belast, temeer nu, zoals de Raad ook al aangeeft, de man heeft aangetoond verantwoordelijkheid te kunnen en te willen dragen voor de minderjarige. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man tot gezamenlijk gezag dient te worden toegewezen.

4.3 Hoofdverblijf;

4.3.1 Beide partijen verzoeken het hoofdverblijf van de minderjarige bij hem c.q. haar te bepalen. De rechtbank dient een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarige voorkomt.

4.3.2 De Raad is blijkens voornoemd proces-verbaal d.d. 12 februari 2011 tevens verzocht onderzoek te verrichten en te adviseren en te rapporteren omtrent de vraag of het in het belang van de minderjarige is dat zijn hoofdverblijf bij één van partijen zal worden bepaald en zo ja, bij wie, en voorts omtrent de vraag hoe de omgangsregeling tussen de niet-verzorgende ouder en de minderjarige er zou dienen uit te zien, welke regeling niet in strijd dient te zijn met de zwaarwegende belangen van de minderjarige.

4.3.3 Uit het rapport blijkt dat de Raad ten aanzien van deze onderzoeksvragen (thans) nog geen advies heeft kunnen en willen formuleren. De Raad heeft partijen geadviseerd om middels mediation in overleg met elkaar te gaan teneinde hun onderlinge geschillen te bespreken en beslissingen te nemen die in het belang van de minderjarige wenselijk zijn. De Raad heeft er bij partijen op aangedrongen hun onderlinge strijd zo spoedig mogelijk te staken en in overleg te treden, zodat nog voor de start van het nieuwe schooljaar een beslissing genomen kon worden. Gebleken is dat de mediation nog voor aanvang daarvan is mislukt. De Raad heeft aangegeven bereid te zijn om, wanneer partijen er niet in zouden slagen om te komen tot afspraken met betrekking tot het hoofdverblijf en de omgangsregeling, de informatie te actualiseren en alsnog daarover te adviseren. De rechtbank ziet echter geen aanleiding (wederom) een Raadsonderzoek te gelasten voor wat betreft het hoofdverblijf en de omgangsregeling, nu het voor de minderjarige van belang is dat er voor hem zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt en een nieuw onderzoek daarmee niet te verenigen is, daar dit volgens de raadsonderzoeker ter zitting de nodige tijd met zich zal brengen. De rechtbank acht zich thans voldoende geïnformeerd om op de verzoeken te kunnen beslissen. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.3.4 Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen medio januari 2010 uit elkaar zijn gegaan, waarna de man vanuit Oud-Vossemeer naar Zierikzee is vertrokken. De minderjarige is destijds bij de vrouw in Oud-Vossemeer blijven wonen, nu zij alleen het gezag over de minderjarige uitoefende. Zowel tussen partijen onderling als tussen de man en de minderjarige was regelmatig contact. In april 2010 hebben partijen vervolgens tezamen besloten dat het in het belang van de minderjarige was dat hij bij de man in Zierikzee ging wonen. De vrouw werkte immers fulltime en de man had praktisch gezien meer mogelijkheden om de minderjarige zelf op te vangen. De minderjarige bezocht de vrouw ieder weekeinde en ook daarnaast bleef tussen hen frequent contact bestaan. Tot februari 2011 is deze situatie in stand gebleven. De vrouw heeft toen, zonder de man en de minderjarige daarover te informeren, de minderjarige onder schooltijd van school gehaald en meegenomen naar Oud-Vossemeer. Bij vonnis van de voorzieningenrechter in het kader van de door de man aanhangig gemaakte kortgedingprocedure d.d. 15 februari 2011 is de vordering van de man om het hoofdverblijf van de minderjarige bij hem te bepalen afgewezen. Sindsdien verblijft de minderjarige bij de vrouw. In het weekend gaat de minderjarige nog steeds naar de man in Zierikzee.

4.3.5 Gebleken is dat de communicatie tussen partijen, onder andere door het (zonder overleg) meenemen van de minderjarige naar Oud-Vossemeer door de vrouw, op dit moment zeer moeizaam verloopt. Partijen maken elkaar over en weer allerlei verwijten. De sterk van elkaar verschillende visie op het gebied van opvoeding en de wijze waarop partijen elkaar (dienen te) informeren omtrent de minderjarige blijken een bron van conflicten tussen partijen te zijn. Vaststaat dat de problemen die spelen op partnerniveau een goede communicatie tussen partijen op ouderniveau belemmeren. Doordat partijen voortdurend het conflict met elkaar blijven zoeken en een strijd over de rug van de minderjarige voeren, bevindt de minderjarige zich thans in een loyaliteitsconflict. Hoewel reeds meerdere malen aan partijen is voorgehouden dat zij hun onderlinge strijd moeten staken en zich dienen te richten op het belang van de minderjarige, hebben zij hier tot op heden geen gevolg aan gegeven.

4.3.6 De minderjarige heeft de afgelopen jaren de nodige veranderingen moeten verwerken. In de eerste plaats het uiteengaan van partijen. Vervolgens de verhuizing naar Zierikzee en de daarbij behorende verandering van schoolomgeving. Tot slot opnieuw een verandering van zijn verblijfplaats. De daarmee gepaard gaande onderlinge strijd tussen partijen is niet geheel ongemerkt aan de minderjarige voorbijgegaan. Tegen deze achtergrond is het in het belang van de minderjarige dat er nu vooral rust en stabiliteit in zijn leven komt, zodat hij zich optimaal kan ontwikkelen. Gelet op het vorenstaande ligt naar het oordeel van de rechtbank thans de vraag voor bij welke ouder de rust van de minderjarige het meest wordt gewaarborgd.

4.3.7 Uit het rapport van de Raad volgt dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij beide partijen praktische en opvoedkundige mogelijkheden biedt, maar dat beide situaties ook de nodige bezwaren met zich brengen. Partijen houden er ieder een eigen visie en methode qua opvoeding van de minderjarige op na. De opvoedingssfeer bij de moeder voelt voor de minderjarige iets benauwder aan dan bij de man. De vrouw houdt van strikte regels, de man is wat ‘makkelijker’. Hoewel partijen er een verschillende visie op nahouden, is de rechtbank van oordeel dat beide partijen in staat zijn om op een goede wijze in de verzorging en opvoeding van de minderjarige te voorzien. Van het tegendeel is immers niet gebleken. Beide partijen zijn zeer betrokken op de minderjarige en hebben het beste met hem voor.

4.3.8 Hoewel niet ter discussie staat dat de vrouw een goede moeder voor de minderjarige is, vraagt de rechtbank zich wel af of de vrouw zich in haar strijd met de man om de minderjarige voldoende laat leiden door het belang van de minderjarige. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de vrouw vooral bezig is met het leveren van kritiek op de opvoedingscapaciteiten van de man en dat zij zich daarbij niet -althans onvoldoende- bewust lijkt te zijn van het belang van de minderjarige. De vrouw stelt weliswaar in het belang van de minderjarige te handelen, doch uit het feit dat zij de minderjarige onder schooltijd uit de klas haalt en meeneemt naar Oud-Vossemeer blijkt eerder het tegenovergestelde. Het feit dat zij op dat moment alleen het gezag over de minderjarige uitoefende, doet daar niet aan af. De eenregelige brief die de vrouw [het kind] heeft doen schrijven, is hiervan eveneens een voorbeeld. Dat zij met deze acties te weinig rekening heeft gehouden met de gevoelens van de minderjarige moge duidelijk zijn. Daar komt bij dat de Raad partijen geadviseerd heeft middels mediation in overleg met elkaar te gaan teneinde de onderlinge geschillen tussen partijen te bespreken en beslissingen te nemen die in het belang van de minderjarige zijn. Zodoende kon voor aanvang van het nieuwe schooljaar nog een beslissing ten aanzien van de verblijfplaats van de minderjarige worden genomen. De man heeft daartoe tot tweemaal toe een afspraak met de mediator gemaakt. Gebleken is echter dat de mediation geen doorgang heeft kunnen vinden, daar de vrouw op beide afspraken niet is verschenen. Hoewel de rechtbank met de vrouw wil aannemen dat zij voor het niet verschijnen bij deze afspraken een goede reden had, ziet de rechtbank niet in waarom de vrouw, als zij daadwerkelijk het belang van de minderjarige voorop stelt zoals zij zegt en bereid is om er alles aan te doen om met de man tot een gezamenlijk oplossing te komen, dan niet zelf alsnog een nieuwe (derde) afspraak met de mediator heeft gemaakt. De rechtbank ziet niet dat de vrouw echt bereid is om in het belang van de minderjarige de strijdbijl tussen partijen definitief te begraven.

De man lijkt meer oog te hebben voor de belangen van de minderjarige. Hij heeft in ieder geval door zijn opstelling ten aanzien van het mediationtraject en tijdens de zitting aangetoond er in het belang van de minderjarige meer aan te willen doen om de strijd tussen partijen te doen beëindigen dan wel tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. In dit verband is de rechtbank van oordeel dat de man beter in staat is het belang van de minderjarige voorop te stellen en de vrouw een plek in het leven van de minderjarige te geven dan andersom.

4.3.9 De minderjarige heeft, zowel aan de Raad als in een brief aan de rechtbank, aangegeven dat hij bij de man wil gaan wonen, nu hij zich daar veiliger en prettiger voelt. Partijen verschillen van mening over de authenticiteit van deze wens. De man beaamt de wens van de minderjarige, de vrouw daarentegen bestrijdt niet dat de minderjarige de wens heeft geuit om bij de man te gaan wonen, zeker niet nu daar (veel) minder regels gelden dan bij haar, maar zij trekt sterk in twijfel of diens wens daadwerkelijk zijn eigen wens is of veeleer is gevoed door gevoelens van loyaliteit tegenover de man.

Het is voldoende aannemelijk dat de minderjarige de wens heeft bij de man te gaan wonen. Dat daarbij niet geheel ondenkbaar is dat de wijze van opvoeding van de minderjarige door de man een belangrijke rol speelt bij de wens van de minderjarige, doet aan het vorenstaande niet af. Gebleken is immers dat de opvoedingssfeer bij de vrouw de nodige dagelijkse strijd tussen haar en de minderjarige met zich brengt, zulks in tegenstelling tot de situatie bij de man. Hoewel de rechtbank de vrouw niet diskwalificeert als opvoeder, is zij wel van oordeel dat de onrust en dagelijkse strijd die een hoofdverblijf bij de vrouw met zich brengt niet in het belang van de minderjarige is. De situatie bij de man biedt in dit opzicht betere perspectieven. Hoewel de man voor wat betreft het stellen van regels makkelijker is dan de vrouw en de minderjarige -gelet op zijn leeftijd- behoefte heeft aan duidelijkheid, is de rechtbank van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de minderjarige door de wijze van opvoeding door de man in zijn ontwikkeling wordt geschaad. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is immers gebleken dat de periode waarin de minderjarige zijn hoofdverblijf bij de man had, goed is verlopen.

4.3.10 Met inachtneming van het vorenstaande en alle belangen afwegend, is de rechtbank van oordeel dat de rust van de minderjarige het meest gewaarborgd is indien het hoofdverblijf van de minderjarige bij de man zal zijn. Een verandering van het hoofdverblijf van de minderjarige zal opnieuw een verandering van schoolomgeving voor de minderjarige met zich brengen. Voldoende aannemelijk is echter dat deze verandering geen zodanig grote gevolgen voor de minderjarige met zich zal brengen, dat de wijziging van het hoofdverblijf niet in het belang van de minderjarige is. De schoolomgeving waar de minderjarige in terecht zal komen is inmiddels bekend terrein voor hem. Niet gebleken is dat de minderjarige zich daar niet thuis voelt. Andere feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat een wijziging in het hoofdverblijf van de minderjarige en daarmee samenhangend een schoolverandering niet in zijn belang is, zijn gesteld noch aannemelijk geworden. De rechtbank zal derhalve het verzoek van de man toewijzen, zulks onder afwijzing van het verzoek van de vrouw.

4.4 Zorgregeling;

Nu het hoofdverblijf van de minderjarige bij de man zal worden bepaald, dient er een passende zorgregeling te worden vastgesteld tussen de minderjarige en de vrouw. De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat er omgang dient plaats te vinden tussen de minderjarige en de niet-verzorgende ouder, in dit geval de vrouw. Zij achten beiden een ruime zorgregeling zoals de man tot dusver heeft gehad, waarbij de minderjarige ieder weekend bij de andere ouder verblijft, wenselijk. De rechtbank is evenwel met de Raad van oordeel dat de minderjarige onttrokken moet worden aan de druk die de frequentie en uitvoering van de huidige omgangsregeling met zich brengt. Een dergelijke regeling betekent dat de minderjarige ieder weekend ‘van huis’ is en dat hij zich steeds opnieuw moet aanpassen aan de structuur en regels van het gezin waar hij op dat moment verblijft. Deze situatie is, zeker voor een kind van deze leeftijd, te ingrijpend. Een zorgregeling waarbij de minderjarige gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.30 uur bij de vrouw zal verblijven, alsmede gedurende de helft van alle schoolvakanties, is het meest in zijn belang. Een dergelijke regeling komt tegemoet aan het recht van de minderjarige op contact met zijn beide ouders, maar biedt tegelijkertijd meer rust dan de huidige zorgregeling.

De rechtbank zal, nu het contact tussen de vrouw en de minderjarige als gevolg van de wijziging van het hoofdverblijf van de minderjarige aanzienlijk zal verminderen, tevens een belcontact vastleggen, waarbij de vrouw de minderjarige éénmaal per week op de woensdagavond om 19.00 uur zal bellen.

4.5 Proceskosten;

De rechtbank zal, gelet op de aard van de procedure, de proceskosten tussen partijen compenseren zodat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat het gezag over de minderjarige [het kind], geboren te Goes op [geboortedatum] 2003, wordt uitgeoefend door de man en de vrouw tezamen;

bepaalt dat de minderjarige zijn hoofdverblijf bij de man heeft;

bepaalt dat er omgang in het kader van de zorgregeling zal zijn tussen de vrouw en de minderjarige, zulks gedurende één weekend per veertien dagen van vrijdagavond 19.00 uur tot zondagavond 19.30 uur, alsmede gedurende de helft van alle schoolvakanties, en dat de vrouw daarnaast éénmaal per week op woensdagavond om 19.00 uur één belcontact met de minderjarige zal hebben;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten zo dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J.L. Holierhoek, H.A. Witsiers en M.P. Meeuwisse in tegenwoordigheid van de griffier K.J.M. Lavrijssen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 3 augustus 2011.