Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BR4227

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
05-08-2011
Zaaknummer
67153 / HA ZA 09-174
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen twee Marokkanen, een wonend ni Spanje, een in Nederland. Het gaat om een voor de consul in Nederland opgemaakte akte van geldlening. Rechtbank is bevoegd, bewijs moet worden geleverd door middel van het in het geding brengen van authentieke consulaire akte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

" \* MERGEFORMAT

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 67153 / HA ZA 09-174

Vonnis van 21 juli 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te Mollet del Valles (Spanje),

eiser,

advocaat: mr. C.F.P.M. Spreksel te Maastricht,

tegen

[gedaagde],

wonende te Goes,

gedaagde,

advocaat: mr. P.M.J.T. Schumans te Middelburg.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 maart 2009;

- de conclusie van antwoord van 10 juni 2009;

- de conclusie van repliek van 12 augustus 2009;

- de akte inhoudende verzoek tot deponeren van stukken ter griffie van de zijde van [gedaagde] van 23 september 2009;

- de akte inhoudende depot ter griffie van de zijde van [eiser] z.d.;

- de akte van depot van 6 oktober 2009;

- de akte van de zijde van [eiser] van 7 oktober 2009;

- de uitlating ex artikel 2.11 Rolreglement van de zijde van [eiser] van 21 oktober 2009;

- de akte inhoudende verzoek tot aanhouding wegens deponeren van stukken ter griffie van de zijde van [gedaagde] van 21 oktober 2009;

- de conclusie van dupliek van 9 december 2009;

- de uitlating ex artikel 2.11 Rolreglement van de zijde van [eiser] van 6 januari 2010;

- de akte inhoudende antwoord van de zijde van [gedaagde] van 20 januari 2010.

De feiten

Partijen zijn samen opgegroeid in Beni Bouyach (Marokko). [eiser] is in 2002 naar Spanje geëmigreerd. [gedaagde] is in 1993 naar Nederland geëmigreerd.

Het geschil

[eiser] vordert, samengevat, [gedaagde] te veroordelen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 71.098,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2009, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

[eiser] stelt daartoe het volgende.

[eiser] heeft aan [gedaagde] een bedrag van € 71.000,00 uitgeleend, afkomstig uit de opbrengst van een door [eiser] geërfd en verkocht huis. Partijen zijn op 18 mei 2006 samen naar het consulaat generaal van Marokko te Rotterdam gegaan. De overeenkomst van geldlening is in het Arabisch opgemaakt door een griffier, de heer [de heer M.], die beide partijen kent. Partijen hebben in het bijzijn van mevrouw [mevrouw F.], vice-consul, de overeenkomst ondertekend, nadat zij zich beiden met een Marokkaanse identiteiskaart hadden geïdentificeerd. Het nummer van de identiteitskaart van [gedaagde] staat op de overenkomst vermeld. Mevrouw [mevrouw F.] heeft de overeenkomst medeondertekend. De overeenkomst is voorzien van stempels en zegels waaruit de authenticiteit van de gelegaliseerde overeenkomst blijkt. Op 25 januari 2007 heeft een beëdigd vertaler de overeenkomst in het Nederlands vertaald.

[eiser] heeft nooit iets van het uitgeleende geld terug ontvangen, ondanks diverse verzoeken daartoe. De overeenkomst tot geldlening is, voor zoveel nodig, beëindigd per 18 februari 2009, zodat het bedrag in elk geval vanaf die datum opeisbaar is. Voorts maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 98,00.

[gedaagde] voert als verweer het volgende aan.

[gedaagde] ontkent stellig dat hij een geldbedrag van Ouali heeft geleend of ontvangen, en ontkent het bestaan van een overeenkomst van geldlening. Voor zover de overeenkomst zou bestaan, is de daarop voorkomende handtekening van [gedaagde] vals. Uit navraag bij het consulaat is gebleken dat [gedaagde] niet als bezoeker van dat consulaat op 18 mei 2006 staat geregistreerd. Een broer van [eiser] kan bevestigen dat het door [eiser] geërfde huis nog niet is verkocht en dat [eiser] destijds in het bezit was van het Marokkaanse paspoort van [gedaagde]. [gedaagde] betwist dat de akte waarop [eiser] zich beroept een authentieke akte is.

De beoordeling

[gedaagde] heeft woonplaats in Nederland, zodat de Nederlandse rechter op grond van artikel 2 EEX-Verordening bevoegd is van dit geschil kennis te nemen.

Partijen hebben geen rechtskeuze gedaan. Vermoed wordt dat de overeenkomst het nauwst verbonden is met Spanje, nu [eiser] – die in Spanje woonachtig is – de kenmerkende prestatie van de gestelde overeenkomst, namelijk het uitlenen van geld, moet verrichten. [eiser] heeft echter aangevoerd dat partijen naar het consulaat generaal van Marokko te Rotterdam zijn gegaan om de geldlening schriftelijk vast te laten leggen en te laten legaliseren, waarna het (uit)geleende geld in de winkel van [gedaagde] in Roosendaal is geïnvesteerd. Hieruit blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met Nederland dan met Spanje. Op de in geding zijnde overeenkomst is daarom Nederlands recht toepasselijk.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of partijen een overeenkomst van geldlening hebben gesloten. [gedaagde] heeft bestaan van een dergelijke overeenkomst, die [eiser] aan zijn vorderingen ten grondslag heeft gelegd, uitdrukkelijk betwist. Nu [eiser] zich beroept op de rechtsgevolgen van de door hem gestelde overeenkomst, dient hij het bestaan van deze overeenkomst te bewijzen.

[eiser] heeft als bewijs een afschrift van een ondertekende schuldbekentenis met gewaarmerkte vertaling gedeponeerd ter griffie van deze rechtbank. Hij stelt zich op het standpunt dat dit afschrift dwingend bewijs oplevert, omdat het een gelegaliseerd afschrift betreft van de originele akte van 18 mei 2006, welke als authentieke akte moet worden aangemerkt. [gedaagde] heeft dit betwist. Volgens hem is (het afschrift van) de akte vervalst en is geen sprake van een authentieke akte. [gedaagde] heeft de rechtbank verzocht [eiser] te gelasten de originele akte in het geding te brengen.

Voorop staat dat de kracht van het schriftelijke bewijs in de oorspronkelijke akte is gelegen. Een afschrift levert alleen hetzelfde bewijs als de oorspronkelijke akte, als het gaat om een authentieke akte die volgens wettelijk voorschrift moet worden bewaard en die is afgegeven door een daartoe bevoegde ambtenaar. De rechtbank is, anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd, van oordeel dat een consulaire ambtenaar bevoegd is een authentieke akte op te maken. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Consulaire Wet is aan consulaire ambtenaren – voor zover bij algemene maatregel van rijksbestuur aangewezen – naast de bevoegdheid tot het opmaken van akten van de burgerlijke stand de bevoegdheid tot het opmaken van andere burgerlijke akten toegekend. Echter, nu [gedaagde] het bestaan dan wel de echtheid van de oorspronkelijke akte heeft betwist, kan niet op voorhand worden vastgesteld dat het gedeponeerde afschrift een afschrift van een authentieke akte is. Gelet op de potentiële authenticiteit van de oorspronkelijke akte, het verzoek van [gedaagde] en het overeenkomstige aanbod van [eiser] zal de rechtbank [eiser] bevelen de originele schuldbekentenis ter griffie van deze rechtbank te deponeren. Voldoet [eiser] hieraan niet, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.

In afwachting van depot houdt de rechtbank iedere beslissing aan.

De beslissing

De rechtbank

- verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 27 oktober 2010 en beveelt [eiser] op genoemde rolzitting bij akte de originele schuldbekentenis te deponeren ter griffie van deze rechtbank;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr.drs. M.L. Ruiter en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2010.