Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BR4149

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
08-08-2011
Zaaknummer
12/700138-09, 12/705059 en 12/705474-10 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdverdachte in het onderzoek Volkel. Leider van een criminele organisatie die zich bezighield met beroeps- of bedrijfsmatige handel in hennep, binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep en gewoontewitwassen. Verweer onrechtmatige telefoontap verworpen. Veroordeling tot 30 maanden gevangenisstraf waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector strafrecht

parketnummers: 12/700138-09, 12/705059-10 en 12/705474-10 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 juli 2011

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1966],

wonende te [adres],

ter terechtzitting verschenen,

raadsman mr. Bals, advocaat te Kloetinge,

ter terechtzitting verschenen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 6 juni 2011, waarbij de officier van justitie mr. Hillenaar en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt, waarna het onderzoek ter terechtzitting formeel is gesloten op 29 juni 2011.

Ter terechtzitting zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De rechtbank heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen, van een doorlopende nummering voorzien. Zij zal die nummering in dit vonnis aanhouden. Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging met parketnummer 12/705059-10 ter

terechtzitting d.d. 1 april 2010 – ten laste gelegd dat

parketnummer 12/700138-09

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode(s) van 25 oktober 2007 tot en

met 12 december 2007 en/of van 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 te

Clinge, gemeente Hulst, en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van

een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd

en/of verstrekt en/of vervoerd, en/of (telkens) opzettelijk aanwezig heeft

gehad, (een) (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk

vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen

andere substanties zijn toegevoegd), (mede) als bedoeld in lid 5 van artikel

11 opiumwet, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram

hennep en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj (een) middel(en) als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond C Opiumwet

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 11 lid 2 Opiumwet

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode(s) van 25 oktober 2007 tot en

met 12 december 2007 en/of van 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 te

Clinge, gemeente Hulst, en/of elders in Nederland,

(telkens) opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een

samenwerkingsverband van hem, verdachte, met (onder meer) [medeverdachte 1]

en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde en/of vierde en/of vijfde lid

van de Opiumwet, namelijk:

- het opzettelijk aanwezig hebben van een (grote) hoeveelhe(i)d(en) hennep

en/of hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige

elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd),

althans van één of meer middel(en) vermeld op lijst II van de Opiumwet, en/of

- het opzettelijk al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf

telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of

afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van hennep en/of hasjiesj

(gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van

hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd), zijnde (een)

middel(en) van lijst II behorende bij de Opiumwet, en/of

- het opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen

van hennep en/of hasjies (gebruikelijk vast mengsel van hennephars en

plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn

toegevoegd), althans van één of meer middel(en) vermeld op lijst II van de

Opiumwet, en/of

- het medeplegen van en/of de medeplichtigheid aan één of meer van de

hierboven omschreven handeling(en) en/of misdrijf/misdrijven,

en welke deelneming bestond uit:

- het onderhouden van contacten met één of meer mededader(s) met betrekking

tot de uitvoering van voornoemde misdrijf/misdrijven, en/of

- het hebben van één of meer ontmoeting(en) met één of meer mededader(s) met

betrekking tot de uitvoering van voornoemde misdrijf/misdrijven, en/of

- het geven van opdrachten aan één of meer mededader(s) met betrekking tot de

uitvoering van voornoemde misdrijf/misdrijven, en/of

- het maken van afspraken met één of meer mededader(s) met betrekking tot de

uitvoering van bovengenoemde misdrijf/misdrijven, en/of

- het rijden/zich begeven naar een afgesproken plek met betrekking tot de

uitvoering van bovengenoemde misdrijf/misdrijven, en/of

- één of meer geldbedrag(en) ter beschikking stellen ten behoeve van de inkoop

van één of meer partijen van bovengenoemde verdovende middel(en), en/of

- het aanwezig hebben van één of meer geldbedrag(en) die betrekking hadden

op de uitvoering van bovengenoemde misdrijf/misdrijven, en/of

- het in ontvangst nemen van één of meer geldbedrag(en), en/of

- het gebruiken van (een deel) van zijn, verdachtes, woning (gelegen aan de

[adres]) voor opslag van één of meer van voornoemde

verdovende middel(en) en/of de overdracht van één of meer partij(en) van

voornoemde verdovende middel(en) aan één of meer mededader(s), en/of

- het ter beschikking stellen/gebruiken van een vervoermiddel met betrekking

tot de uitvoering van bovengenoemde misdrijf/misdrijven, en/of

- het (mede)plegen en/of medeplichtig zijn aan één of meer van bovengenoemde

handeling(en) en/of misdrijf/misdrijven,

terwijl hij, verdachte, (mede)oprichter en/of bestuurder en/of leidingevende

binnen die organisatie is geweest;

art 11a lid 1 Opiumwet

3.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode(s) van 25 oktober

2007 tot en met 12 december 2007 en/of van 15 mei 2009 tot en met 16 oktober

2009, te Clinge, gemeente Hulst en/of elders in Nederland, tezamen en in

vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) (een)

voorwerp(en), te weten één of meer geldbedragen, heeft verworven, voorhanden

heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans daarvan gebruik heeft

gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp(en) (telkens) –

onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf, van welk

vorenomschreven misdrijf verdachte en/of zijn mededader(s) een gewoonte

hebben/heeft gemaakt;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

parketnummer 12/705059-10

4.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 mei 2009 15 augustus

2009 tot en met 16 oktober 2009 te Clinge, gemeente Hulst, en/of elders in

Nederland, tezamen en in vereniging, althans alleen, in de uitoefening van

een beroep of bedrijf, opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland

heeft gebracht één of meer gebruikershoeveelhe(i)d(en) (van in totaal ongeveer

5 kilogram) cocaïne, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal

bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet

behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 mei 2009

tot en met 16 oktober 2009 te Clinge, gemeente Hulst, en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf,

opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht één of meer

hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal

bevattende hennep zijnde hennep en/of hasjiesj een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel

3a van die wet;

art 3 ahf/ond A Opiumwet

art 2 ahf/ond A Opiumwet

art 10 lid 5 Opiumwet

5.

hij op één of meer in of omstreeks de periode van 15 mei 2009 15 augustus 2009 tot

en met 16 oktober 2009 te Clinge, gemeente Hulst, in elk geval in Nederland, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht

en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens)

opzettelijk aanwezig heeft gehad, één of meer (gebruikers)hoeveelhe(i)d(en) cocaïne (van

in totaal ongeveer 5 kilogram), in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 10 lid 4 Opiumwet

parketnummer 12/705474-10

6.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode(s) van 25 oktober

2007 tot en met 12 december 2007 te Clinge, gemeente Hulst, en/of elders in

Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk

binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht één of meer

hoeveelhe(i)d(en) hennep en/of hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd), (mede) als bedoeld in lid 5 van artikel 11

Opiumwet, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep

en/of hasjiesj, zijnde hennep en/of hasjiesj een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet;

art 3 ahf/ond A Opiumwet

art 3 ahf/ond B Opiumwet

art 11 lid 2 Opiumwet

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding

In de periode van september 2007 tot december 2007 is door de Federale Gerechtelijke Politie (hierna: FGP) Dendermonde (België) een onderzoek gedaan naar een zekere [naam verdachte] onder de naam Debunnies. De reden voor de start van dit onderzoek was dat uit informatie naar voren was gekomen dat [verdachte] de spil zou zijn achter de meeste hennepkwekerijen in het Waasland (België). Er zouden diverse mensen voor hem werken die de oogsten ophaalden en/of de hennep bij hem afleverden. De FGP Dendermonde heeft tijdens dit onderzoek onder andere de telefoon van [verdachte] getapt. Daaruit bleek, aldus de FGP Dendermonde, dat [verdachte] frequent contacten had met drugsgerelateerde personen en dat er regelmatig - al dan niet versluierde - gesprekken plaatsvonden die betrekking hadden op de handel in verdovende middelen.

Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek werd het onderzoek Debunnies begin januari 2008 overgedragen aan het openbaar ministerie in Middelburg met de bedoeling in Nederland een onderzoek naar [verdachte] te starten. Door capaciteitsproblemen is dit toen niet gebeurd. De FGP Dendermonde is in 2009 opnieuw een onderzoek gestart naar [verdachte], genaamd Debunnies 2.

De politie Zeeland is in mei 2009 ook een onderzoek tegen [verdachte] gestart onder de naam Volkel. In dit onderzoek zijn er verschillende telefoons getapt en hebben er observaties van personen plaatsgevonden. Op basis van deze en andere gegevens zijn verschillende mensen in deze zaak aangehouden en hebben uiteindelijk zeventien verdachten een dagvaarding ontvangen, te weten [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 2], [medeverdachte 9], [medeverdachte 11], [medeverdachte 6], [medeverdachte 8], [medeverdachte 14], [medeverdachte 4], [medeverdachte 15], [medeverdachte 5], [medeverdachte 7], [medeverdachte 10], [medeverdachte 13], [medeverdachte 16] en [medeverdachte 12].

Bewijsmiddelen

Het strafdossier in de zaak Volkel is opgenomen in een groot aantal ordners. Zowel het Belgische onderzoek Debunnies als ook Debunnies 2 maakt deel uit van dit strafdossier.

Hieronder zal de rechtbank voor de verwijzing naar de onderliggende bewijsmiddelen zich beperken tot het noemen van de specifieke pagina’s waar de informatie staat vermeld. Dit betreffen telkens de doorgenummerde pagina’s van het dossier van de Politie Zeeland, divisie recherche, RT3 Zeeuws-Vlaanderen, onderzoek ‘Volkel’. Tenzij anders vermeld wordt daarmee verwezen naar een pagina van een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door één of meer daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

(Bij)namen

De meeste verdachten worden aangeduid met hun voornaam en/of achternaam. Een aantal van de (mede)verdachten en getuigen wordt echter in het dossier ook wel bij hun bij- dan wel roepnaam genoemd. Zo wordt [verdachte] ook wel ‘[naam 1]’ genoemd, [medeverdachte 6] [naam 2] of [naam 3] , [medeverdachte 8] [naam 4] of ‘[naam 5]’ , [medeverdachte 4] [naam 6] , [medeverdachte 3] wordt [naam 7] of [naam 8] genoemd, [betrokkene 3] verklaart dat hij door [verdachte] [naam 9] wordt genoemd , [betrokkene 4] is ‘[naam 10]’ , [betrokkene 7] ‘[naam 11]’ en [betrokkene 8] wordt ook wel [naam 12] genoemd. De rechtbank zal vanwege de leesbaarheid van het vonnis alle (mede)verdachten en getuigen in deze zaak in het vonnis mede bij hun achternaam noemen.

Telefoonnummers

In zowel het onderzoek Debunnies alsook Debunnies 2 en Volkel is de telecommunicatie van verschillende verdachten opgenomen en uitgeluisterd. Een aantal verdachten in het onderzoek Volkel heeft tijdens de verhoren bij de politie verklaard van welk(e) telefoonnummer(s) zij gebruik maken/hebben gemaakt. Verder hebben er in de woningen van een groot aantal verdachten doorzoekingen plaats gevonden, waarbij onder andere mobiele telefoons, simkaarten en telefoonrekeningen zijn aangetroffen. De rechtbank zal hieronder een overweging wijden aan de telefoonnummers die zijn toe te schrijven aan verschillende verdachten in dit onderzoek. Zij zal daarbij alleen de telefoonnummers noemen die in het onderzoek naar de telecommunicatie naar voren zijn gekomen.

In de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] te Clinge zijn tijdens de doorzoeking op 16 oktober 2009 onder andere twee mobiele telefoons aangetroffen met de abonneenummers [telefoonnr 1] en [telefoonnr 2] . Verder is een mobiele telefoon aangetroffen waarvan na onderzoek is gebleken dat in deze telefoon een simkaart is gebruikt met het nummer [telefoonnr 3]. Dit laatst genoemde telefoonnummer was tijdens het onderzoek Volkel in gebruik bij [medeverdachte 1] en de overige nummers bij [verdachte].

In de woning van [medeverdachte 2] in Hulst is tijdens de doorzoeking op 16 oktober 2009 onder andere één mobiele telefoon aangetroffen met het abonneenummer [telefoonnr 4] en één telefoon aangetroffen waarvan uit onderzoek is gebleken dat daarin een simkaart is gebruikt met het nummer [telefoonnr 5] . [medeverdachte 14] heeft bij de politie verklaard dat haar vriend [medeverdachte 2] gebruik maakte van dit laatste nummer . Zij gebruikte zelf het telefoonnummer [telefoonnr 6] .

Op 21 oktober 2009 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van [medeverdachte 3] te Clinge . Daarbij is onder andere een mobiele telefoon aangetroffen met het abonneenummer [telefoonnr 7] . [medeverdachte 3] heeft bij de politie verklaard dat dit zijn telefoonnummer is en dat hij ook gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnr 8] .

Tijdens een doorzoeking in de woning van [medeverdachte 11] in Delft op 3 december 2009 zijn diverse mobiele telefoons in beslag genomen, maar van geen één telefoon is vast gesteld welk abonneenummer daarin is gebruikt. [medeverdachte 11] heeft bij de politie verklaard dat hij gebruik maakte van het nummer [telefoonnr 9] .

[betrokkene 8] heeft tijdens zijn verklaring bij de rechter-commissaris verklaard dat hij altijd hetzelfde telefoonnummer heeft gehad, te weten [telefoonnr 10].

De volgende verdachten hebben bij de politie verklaard gebruik te maken van de navolgende telefoonnummers:

- [medeverdachte 8]: [telefoonnummer 11] ;

- [medeverdachte 13] [telefoonnr 12] ;

- [medeverdachte 4]: [telefoonnr 13] ;

- [medeverdachte 6] [telefoonnr 14] , en

- [medeverdachte 7]: [telefoonnr 15] .

De rechtbank zal hieronder bij de bewijsoverwegingen, nu er door de verdachten geen verweer is gevoerd op dit punt, er vanuit gaan dat de hierboven genoemde telefoonnummers aan de daarbij genoemde verdachten zijn toe te schrijven.

Uit het onderzoek van de telecommunicatie is verder gebleken dat ene [voornaam verdachte] regelmatig belt met of gebeld wordt op het nummer [telefoonnr 16]. Hoewel [verdachte] niet heeft verklaard dat hij gebruik maakt van dit telefoonnummer en er evenmin in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] aanwijzingen zijn aangetroffen dat dit telefoonnummer bij hem in gebruik is geweest, is de rechtbank van oordeel dat dit telefoonnummer gebruikt wordt door [verdachte], hetgeen door hem niet is bevestigd maar ook niet is bestreden. Zij overweegt hiertoe het volgende. [medeverdachte 6] heeft bij de politie verklaard dat hij een [voornaam verdachte] kent en dat deze [voornaam verdachte] in de omgeving van Hulst woont. [verdachte] woont in Clinge in de buurt van Hulst. Hij heeft een paar keer hennep geregeld voor deze [voornaam verdachte]. [verdachte] heeft verklaard in hennep te hebben gehandeld. Als [medeverdachte 6] door de politie wordt geconfronteerd met tapgesprekken tussen het telefoonnummer [telefoonnr 14] en [telefoonnr 16] verklaart hij dat het eerste telefoonnummer van hem is. Hij heeft dan contact met [voornaam verdachte]. Ook uit de verklaringen van [medeverdachte 8] maakt de rechtbank op dat als hij contact had met het telefoonnummer [telefoonnr 16] dit [verdachte] betrof.

Op 22 december 2009 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van [medeverdachte 10] te Zwaag. Daarbij zijn in een kast in de woonkamer en op de eetkamertafel facturen van T-Mobile aangetroffen op naam van [medeverdachte 10]. Deze facturen hadden betrekking op de telefoonnummers [telefoonnr 17] en [telefoonnr 18]. Uit het onderzoek telecommunicatie, zoals hieronder uitgewerkt, blijkt dat [verdachte] met enige regelmaat contact heeft met de gebruiker van het nummer [telefoonnr 19]. De gebruiker van dit nummer wordt [naam 13] of [naam 14] genoemd. Tijdens een aantal van deze gesprekken zegt [naam 13] - kort gezegd - dat hij donderdag in het revalidatiecentrum Heliomare is met zijn zoon , in Heliomare zit of net buiten komt uit Heliomare . Op 8 oktober 2009 belt [verdachte] naar het telefoonnummer [telefoonnr 17]. De gebruiker van dit nummer zegt dat hij in ‘Eleomare’ zit. Uit dit tapgesprek blijkt voorts dat deze persoon gebruik maakt van twee telefoons daar hij zegt dat zijn andere telefoon gewoon aanstaat.

[medeverdachte 10] heeft op 23 december 2009 bij de politie verklaard dat zijn zoon vorig jaar een ernstig scooterongeluk heeft gehad. Hij moet twee of drie keer per week naar Heliomare in Wijk aan Zee om te revalideren. [medeverdachte 10] heeft opgemerkt dat de politie aanneemt dat de in zijn woning aangetroffen rekeningen aan hem zijn gericht, maar dat zijn zoon ook [gelijke naam als medeverdachte 10] heet en dat dus niet valt uit te sluiten dat deze telefoonnummers bij hem in gebruik zijn. Gelet op de hiervoor genoemde tapgesprekken, waarin de gebruiker van deze nummers zegt dat hij bij zijn zoon in Heliomare zit en [naam 13 of 14] wordt genoemd, acht de rechtbank dit niet aannemelijk. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de gebruiker van de telefoonnummers [telefoonnr 19] en [telefoonnr 17] [medeverdachte 10] is.

Uit het onderzoek telecommunicatie is gebleken dat [verdachte] telefonisch contact had met een zekere [medeverdachte 7] die gebruik maakt van de telefoonnummers [telefoonnr 20] en [telefoonnr 21]. Als de politie aan [medeverdachte 7] een telefoongesprek tussen [verdachte] (telefoonnummer [telefoonnr 2]) en een manspersoon met telefoonnummer [telefoonnr 21] laat horen, verklaart hij dat hij in ieder geval zijn eigen stem wel herkent en dat het zou kunnen zijn dat hij dat is. Daarbij komt dat hetgeen [medeverdachte 7] telefonisch vertelt over zijn persoonlijke situatie (vrouw met zaak, zijn zorg voor de kleine) overeenkomt met die van [medeverdachte 7]. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat [medeverdachte 7] de gebruiker van nummer [telefoonnr 21] is. Ten aanzien van nummer [telefoonnr 20] overweegt de rechtbank het volgende. Er is geregeld telefoonverkeer tussen [verdachte] en [medeverdachte 7] (telefoonnummer [telefoonnr 21]) in de periode van 15 juni 2009 tot 8 juli 2009, en tussen [verdachte] en telefoonnummer [telefoonnr 20] in de periode van 17 juli 2009 tot 2 september 2009. De rechtbank constateert dat beide periodes vrijwel op elkaar aansluiten. Het betreft in beide gevallen gesprekken tussen [verdachte] en ene [medeverdachte 7]. De rechtbank merkt op dat ten aanzien van de gesprekken en sms-berichten van en naar beide telefoonnummers sprake is van eenzelfde soort - versluierd - woordgebruik, er wordt gesproken over aantallen, hoeveelheden, postcodes, moois, lekkers, goede of slechte kwaliteit, zonder dat dit in een logische context van het gesprek of het bericht valt te plaatsen. Daar komt bij dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] na het beluisteren van telefoongesprekken van beide nummers concludeerden dat de stem van de persoon die gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnr 21] qua klank en accent overeenkwam met de stem van de persoon die gebruik maakte van telefoonnummer [telefoonnr 20] en dat die weer qua accent en klankkleur overeen kwam met de stem van [medeverdachte 7]. Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank er dan ook van uit dat [medeverdachte 7] ook de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnr 20] is.

Uit het onderzoek telecommunicatie is voorts gebleken dat [verdachte] telefonisch contact had met een man die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnr 22]. Omtrent de gebruiker van dit nummer geldt het volgende. Op 7 augustus 2009 verzendt hij om 10.35 uur een sms-bericht aan [verdachte] met de tekst: ‘hoi ik ben er’ . [verdachte] reageert daarop een minuut later met het antwoord ‘vijf min’ . Op 7 augustus 2009 om 10.41 uur wordt vervolgens tijdens een observatie gezien dat een personenauto het parkeerterrein van de McDonald’s en het AC restaurant aan de Beneluxweg te Oosterhout oprijdt. De bestuurder en tevens enige inzittende wordt aan de hand van een foto herkend als zijnde [verdachte]. [verdachte] spreekt korte tijd met een onbekende man op het terras van het restaurant, waarna deze man wegrijdt in een auto waarvan het kenteken op naam staat van [echtgenote ] e/v [medeverdachte 9]. De man is later aan de hand van een verdachtenfoto herkend als zijnde [medeverdachte 9].

In een bij [verdachte] aangetroffen telefoon staat in de contactlijst het nummer [telefoonnr 22] bij de naam [naam 15]’. De rechtbank stelt vast dat de voornaam van genoemde [medeverdachte 9] [naam 16] is en dat hij in Landgraaf, Limburg woont.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank bewezen dat [medeverdachte 9] de gebruiker is van [telefoonnr 22]. Op 14 juli 2009 om 19:15 uur neemt [medeverdachte 9] vanaf het genoemde nummer eindigend op 7628 contact met [verdachte]. [verdachte] weet niet met wie hij van doen heeft en vraagt: ‘wie ben je’. [medeverdachte 9] reageert dat hij [naam 15] is. [verdachte] vraagt of zijn gesprekspartner niet mis is waarop [medeverdachte 9] antwoordt: ‘nee ik ben het van Limburg heb nieuw nr’. [verdachte] weet het nog steeds niet waarna [medeverdachte 9] sms’t: ‘ik ben Limburg heb je vanmorgen nog bezorgd weet je het nog niet???’. [verdachte] antwoordt dan: ‘ja nu wel vriend’.

Uit het voorgaande blijkt dat [medeverdachte 9] op of omstreeks 14 juli 2009 een nieuw nummer heeft gekregen. Uit het dossier blijkt dat [verdachte] contact heeft gehad met een man die gebruik maakte van het telefoonnummer [telefoonnr 23]. De rechtbank constateert dat het laatste contact van [verdachte] met genoemd nummer is geweest op 14 juli 2009 om 19:09 uur , derhalve vlak voor dat [medeverdachte 9] die dag om 19:15 uur [verdachte] benadert gebruikmakend van zijn nieuwe nummer. In een van de laatste gesprekken van [verdachte] met het nummer eindigend op 7836 wordt [verdachte] door zijn gesprekspartner gevraagd: ‘kijk jij voor [naam 20]’. In een van de eerste gesprekken van [verdachte] met [medeverdachte 9] op diens nieuwe nummer vraagt [medeverdachte 9] aan [verdachte] of hij [naam 20] al heeft gezien. Nu voorts het versluierd taalgebruik over hoeveelheden en kwaliteit in de gesprekken van [verdachte] met [medeverdachte 9] op diens nieuwe nummer overeenkomt met dat in de gesprekken van [verdachte] met de gebruiker van het nummer [telefoonnr 23] en uit de gesprekken van 14 juli 2009 ’s-ochtends blijkt van een levering aan [verdachte] door de gebruiker van [telefoonnr 23], gaat de rechtbank er onder deze omstandigheden vanuit dat [medeverdachte 9] ook de gebruiker is (geweest) van laatstgenoemd nummer.

Café All Bindy’s te Hulst

Gedurende het onderzoek Volkel is bij de politie het vermoeden ontstaan dat er ook vanuit café All Bindy’s aan de Paardenmarkt te Hulst hennep is verkocht. Voorheen was dit café genaamd Happy Hulst. Dit café wordt ook wel ’t Shopken genoemd. [zus van verdachte] heeft verklaard dat de vergunning voor dit café op haar naam staat. Daarvoor stond de vergunnning op naam van [verdachte], maar zijn vergunning is hem afgenomen. De exploitatievergunning en de vergunning drank- en horecawet zijn op 10 mei 2005 respectievelijk 17 mei 2005 afgegeven aan [zus van verdachte]. In het café zijn werkzaam [werknemer], [medeverdachte 12] en [medeverdachte 1], de vrouw van [verdachte]. [medewerker] en [medeverdachte 12] werken in de bediening en doen de barwerkzaamheden en [medeverdachte 1] doet de boekhouding en poetst als [zus van verdachte] niet kan. Haar broer [verdachte] heeft volgens haar geen rol in het café.

5 De beoordeling van het bewijs

De rechtbank zal eerst het verweer van de verdediging ten aanzien van de onrechtmatige tap bespreken. Vervolgens worden de leveringen weergegeven en volgt een bespreking van de ten laste gelegde feiten.

(on)rechtmatige telefoontap

5.1 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de rechter-commissaris in redelijkheid geen machtiging krachtens artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) heeft kunnen verlenen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er ten tijde van de aanvraag voor de telefoontap op [verdachte] geen redelijk vermoeden van schuld bestond aan een concreet strafbaar feit in Nederland. Immers, in de aanvraag voor de tap wordt verwezen naar de verdenking in een Belgisch onderzoek uit 2007. Het dossier bevat geen informatie uit 2009 die aanleiding geeft tot nieuw onderzoek. Het enkele feit dat [verdachte] nog steeds contacten onderhoudt met personen met antecedenten op het gebied van de Opiumwet met welke personen hij ook al in 2007 contact had, en het feit dat hij op 5 juni 2009 met drie personen - die eveneens antecedenten op het gebied van de Opiumwet hebben - naar Malaga in Spanje vliegt is onvoldoende. De verdediging heeft met verwijzing naar een arrest van het hof Leeuwarden d.d. 19 februari 2010 (LJN: BL5274) betoogd dat door het tijdsverloop van twee jaar geen redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit meer bestond.

Daarnaast heeft de verdediging erop gewezen dat het openbaar ministerie in 2008 het in 2007 in België gestarte onderzoek ter zijde heeft geschoven vanwege capaciteitsproblemen. Aangezien niet is gebleken dat in 2009 sprake was van verdenking van nieuwe concrete misdrijven, kan niet staande worden gehouden dat een tap op het nummer van [verdachte] dringend noodzakelijk was.

Gelet op het voorgaande had de machtiging tot tappen niet verleend mogen worden en is er derhalve ten onrechte getapt, waarmee sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Al het nadien verkregen bewijs - dit houdt in het hele Nederlandse onderzoek - betreft ‘fruits of the poisonous tree’ en dient ook voor het bewijs te worden uitgesloten, hetgeen een integrale vrijspraak tot gevolg dient te hebben.

5.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat, naast de informatie van de FGP Dendermonde in België inhoudende dat [verdachte] een reis naar Spanje had geboekt met drie personen met antecedenten op het gebied van de Opiumwet, bij de aanvraag in Nederland voor de tap d.d. 5 juni 2009 recente Belgische taps zijn gevoegd. Onder andere is een tap bijgevoegd van 2 juni 2009 om 16.07 uur waarin [verdachte] belt met een onbekende, mogelijk [betrokkene 6], en waarin diegene spreekt over 500 en vraagt of [verdachte] 200 kan meebrengen. Voorts ontvangt [verdachte] een sms op 2 juni 2009 met de tekst: “ik heb drie mooie drie goede om half elf ok”. Op 3 juni 2009 belt [verdachte] met een andere persoon die zegt dat zijn vriend mooie kaartjes heeft. Van die kaartjes die hij altijd aan [verdachte] gaf, maar deze zijn nog beter. [verdachte] heeft interesse en vraagt wat de prijs is voor ééntje. Deze vriend vraagt er 3 voor maar dan moet je er wel boven de 5 of 10 kopen. [verdachte] zegt dat hij dan eigenlijk een “sample” wil. Zijn gesprekspartner geeft aan dat hij een “sample” heeft. [verdachte] zegt ermee aan de slag te kunnen als hij een voorbeeldje heeft. [verdachte] gaat proberen morgen in de richting van zijn gesprekspartner te komen, want hij gaat van vrijdag tot maandag naar Spanje.

Deze taps en de geplande reis van [verdachte] naar Spanje met personen met antecedenten op het gebied van de Opiumwet betreft actuele informatie op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat [verdachte] na 2007 kennelijk is doorgegaan met de handel in verdovende middelen. De verwijzing naar de informatie uit het Belgische onderzoek Debunnies uit 2007, genoemde taps en de voorgenomen reis naar Spanje met de bedoelde personen is voldoende basis voor het aanvragen en verlenen van een tap op het telefoonnummer van [verdachte]. De rechter-commissaris heeft de machtiging voor de tap dan ook op goede gronden verleend en er is rechtmatig getapt, zodat het verweer van de verdediging dient te worden verworpen.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

Ingevolge artikel 126m Sv kan de officier van justitie, na een schriftelijke machtiging daartoe van de rechter-commissaris, bevelen dat telefoongesprekken worden opgenomen indien sprake is van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert en indien het onderzoek het opnemen van telefoongesprekken dringend vordert.

Het staat derhalve in eerste instantie ter beoordeling van de officier van justitie of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 126m Sv. De rechter-commissaris dient vervolgens bij de vraag of een machtiging kan worden verstrekt, te toetsen of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan. Uit het feit dat de rechter-commissaris in onderhavige zaak op 10 juni 2009 een dergelijke machtiging heeft verstrekt kan worden afgeleid dat hij deze vraag bevestigend heeft beantwoord. Aan de rechtbank ligt thans de vraag voor of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent die machtiging heeft kunnen komen.

De rechtbank overweegt in dat kader als volgt.

In de aanvraag 126m Sv d.d. 5 juni 2009 wordt verwezen naar het Belgische onderzoek ‘Debunnies uit 2007’. Gedurende dat onderzoek is naar aanleiding van het afluisteren van telefoons de verdenking gerezen dat [verdachte] betrokken was bij de handel in verdovende middelen. Het betreffende onderzoeksdossier is destijds door de Belgische autoriteiten op verzoek van het openbaar ministerie in Nederland aan Nederland overgedragen doch vanwege capaciteitsproblemen is in Nederland toen geen nader onderzoek gestart. Voorts vermeldt de aanvraag 126m Sv dat de Belgische autoriteiten recentelijk een nieuw onderzoek zijn gestart tegen [verdachte]. Uit dat onderzoek is gebleken dat “[verdachte] veel contact heeft met drugsgerelateerde contacten van destijds en dat door hem gesprekken worden gevoerd die te maken hebben met de handel in verdovende middelen”. Tot slot staat in de aanvraag beschreven dat [verdachte] zojuist naar Spanje is gevlogen in gezelschap van drie personen die allemaal antecedenten op drugsgebied hebben. Ter onderbouwing is aan de aanvraag een aantal door de Belgische autoriteiten in de periode van 27 mei 2009 tot en met 5 juni 2009 getapte en uitgewerkte telefoongesprekken toegevoegd alsmede een proces-verbaal d.d. 5 juni 2009 van de FGP Dendermonde aangaande de voorgenomen reis van [verdachte] en zijn reispartners en hun achtergrond.

Verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv

De door [verdachte] begin juni 2009 gevoerde telefoongesprekken, waarvan de inhoud staat beschreven onder het kopje ‘standpunt van de officier van justitie’ in combinatie met het proces-verbaal van de FGP Dendermonde d.d. 5 juni 2009 aangaande de reis en reispartners van [verdachte], leveren naar het oordeel van de rechtbank reeds op zichzelf maar zeker bezien in het licht van de bevindingen uit 2007 een redelijk vermoeden van schuld op dat [verdachte] betrokken was bij handel in verdovende middelen, hetgeen een feit betreft als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv.

Voor zover de verdediging heeft willen betogen dat op basis van de verdenking uit 2007 geen nieuw onderzoek mocht worden gestart in 2009, wijst de rechtbank erop dat uitgangspunt van internationaal recht is dat er - binnen een (verdrags)relatie zoals die met België - vanuit mag worden gegaan dat de buitenlandse autoriteiten rechtmatig hebben gehandeld, tenzij er sterke aanwijzingen zijn die op het tegendeel wijzen. Nu niet is gebleken dat ten tijde van het verlenen van de machtiging 126m Sv van dergelijke aanwijzingen sprake was, mocht de rechter-commissaris er naar het oordeel van de rechtbank vanuit gaan dat de Belgische autoriteiten voldoende aanleiding hadden om in 2009 een nieuw onderzoek te starten en dat zij daarbij rechtmatig hebben gehandeld.

Ernstige inbreuk op de rechtsorde

De handel in verdovende middelen gedurende een langere periode waarvan [verdachte], zoals hiervoor beschreven, ten tijde van de aanvraag 126m Sv werd verdacht en waarbij onder meer gesproken werd over hoeveelheden van 500 en 200 en waarbij gelet op de reis naar Spanje ook aanwijzingen bestonden voor grensoverschrijdende aspecten, betreft naar het oordeel van de rechtbank een misdrijf dat gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.

Vordert het onderzoek dringend het opnemen van communicatie?

Bij de beoordeling van de vraag of het onderzoek het opnemen van telefoongesprekken dringend vordert, spelen de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol. Daarbij moet gewicht worden toegekend aan de omstandigheid of het al dan niet gaat om een bij een verdachte in gebruik zijnde telecommunicatieaansluiting, hetgeen in het onderhavige geval zo was. Nu bovendien niet is gebleken dat met een minder ingrijpend middel had kunnen worden volstaan, kan naar het oordeel van de rechtbank de conclusie worden getrokken dat het onderzoek het opnemen van de telefoongesprekken van [verdachte] dringend vorderde. Het feit dat er in 2007 ook reeds verdenkingen tegen [verdachte] waren gerezen doet aan die noodzaak niet af, nu met de recente informatie uit België (proces-verbaal FGP Dendermonde d.d. 5 juni 2009 en de taps van begin juni 2009), een hernieuwde verdenking tegen [verdachte] was ontstaan.

Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel omtrent de in het geding zijnde machtiging heeft kunnen komen. Zij ziet derhalve geen reden om te komen tot bewijsuitsluiting zoals gesteld aan de zijde van de verdediging.

De feiten

5.4 Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van verkopen, afleveren, vervoeren, verstrekken en aanwezig hebben van hennep en hashish in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Hij baseert zich daarbij allereerst op hetgeen in de woning van [verdachte] en in het café All Bindy’s in beslag is genomen. Daarnaast acht hij voor de bewezenverklaring van belang de door [verdachte] afgelegde verklaring op 27 november 2009 en de verklaringen die zijn afgelegd door [betrokkene 3], [medeverdachte 8], [medeverdachte 12], [medeverdachte 6], [betrokkene 10], [betrokkene 4] en [betrokkene 2]. De tapgesprekken met versluierd taalgebruik en de observaties moeten worden gezien in samenhang met die leveringen waarbij daadwerkelijk hennep is inbeslaggenomen en met de bekennende verklaringen van [verdachte] en zijn medeverdachten. De inbeslagnames doen naar de mening van de officier van justitie de puzzelstukjes van andere leveringen onmiskenbaar in elkaar vallen.

Feit 2

Ook de deelname aan een criminele organisatie acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen in die zin dat [verdachte] leidinggevende was van de organisatie. Hij wijst daarbij op de criteria zoals die in de jurisprudentie gelden. De misdrijven zijn weliswaar niet telkens met dezelfde groep van personen gepleegd en ook kan niet worden vastgesteld dat alle in de tenlastelegging genoemde personen ook onderling hebben samengewerkt, maar een dergelijke eis stelt de wet ook niet. Voldoende is dat sprake is geweest van een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen een verdachte en tenminste één andere persoon. Dat werd opgetreden in wisselende samenstellingen doet daar niet aan af. [verdachte] voerde veel versluierde telefoongesprekken met deelnemers van zijn criminele organisatie. Uit deze gesprekken, ondersteund door observaties en inbeslagnames, en verklaringen van medeverdachten is gebleken dat [verdachte] voortdurend handelde in verdovende middelen en dat hij hiervoor een vaste groep leveranciers, koeriers en afnemers had. Gesproken kan worden van een ‘samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur tussen [verdachte] en ten minste één andere persoon’. Ook kan gesproken worden van het oogmerk tot het plegen van misdrijven, opzet en feitelijke uitvoerings- of deelnemingshandelingen. [verdachte] was de spin in het web en degene die leiding gaf aan de criminele organisatie.

Feit 3

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij baseert zich daarbij op de verklaringen van [verdachte] zelf dat hij wegens financiële problemen een aantal keren in weed heeft bemiddeld, alsook de verklaringen van [betrokkene 3], [medeverdachte 12], [medeverdachte 6], [betrokkene 4], [betrokkene 2] en [betrokkene 5]. Gelet op de intensiteit van transacties is sprake van een gewoonte.

Feit 4 eerste deel en 5

De officier van justitie vordert vrijspraak van deze feiten, nu de verklaring van [betrokkene 4] het enige aanknopingspunt is voor de ten laste gelegde cocaïnehandel door [verdachte].

Feit 4 tweede deel en 6

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] hennep binnen en buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht en dat hij dit - gegeven de stelselmatigheid - heeft gedaan in de uitvoering van een beroep of bedrijf. Hij baseert zich daarbij op de verklaring van [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 2], waaruit blijkt dat [verdachte] hennep en/of hashish leverde aan Belgen. Daarnaast zijn er de leveringen van hennep op 21 augustus 2009 en 16 oktober 2009 waarbij tijdens de observatie is waargenomen dat vanuit Brabant via België wordt teruggereden naar Nederland.

5.5 Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De verdediging is van mening dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode in 2009 heeft gehandeld in hennep. Voor een aantal door de officier van justitie genoemde leveringen zijn weliswaar alleen tapgesprekken voorhanden, maar in combinatie met de observaties en feitelijke leveringen in het dossier is er voldoende bewijs om te kunnen zeggen dat daar waar alleen tapgesprekken zijn, er ook leveringen zijn geweest. [verdachte] heeft ter terechtzitting hierover ook een verklaring afgelegd.

Dit is echter anders voor de in 2007 ten laste gelegde periode. Hiervoor zijn uitsluitend tapgesprekken voorhanden. Er is niet geobserveerd, er zijn geen feitelijke leveringen waargenomen dan wel verdovende middelen aangetroffen. Met betrekking tot de inhoud van de tapgesprekken hebben de gespreksdeelnemers verklaard dat deze gesprekken niet over verdovende middelen gingen. De verdediging is van mening dat op basis van alleen deze tapgesprekken niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen ten aanzien van de periode in 2007 en verzoekt [verdachte] daarvan vrij te spreken.

Feit 2

De verdediging betoogt vrijspraak voor deelname aan de criminele organisatie. Als onder 5.1 aangegeven heeft de verdediging aangevoerd dat al het met de onrechtmatige tap verkregen bewijs uitgesloten moet worden en [verdachte] dientengevolge moet worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten.

In verband met de verdenking deelname aan een criminele organisatie wijst de verdediging op een arrest van het hof Amsterdam van 12 oktober 2006 (LJN BA5366) waarin is overwogen dat samenwerkingsverbanden als ‘medeplegen’ niet eenvoudig gelijkgesteld dienen te worden aan een criminele organisatie. Ook is volgens de verdediging niet voldaan aan de - voor deelname aan een criminele organisatie - vereiste criteria zoals die door de rechtbank Haarlem van 25 januari 2006 (LJN AZ7012) zijn gesteld. Verdachten zijn niet exclusief op elkaar aangewezen, er is geen sprake van duurzaamheid en structuur en het ontbreekt aan gemeenschappelijke regels op basis waarvan druk kon worden uitgeoefend. Ook ontbreekt naar de mening van de verdediging het onvoorwaardelijk opzet bij [verdachte] om samen in georganiseerd verband misdrijven te plegen met de andere in de tenlastelegging genoemde personen. Bovendien kan niet gezegd worden dat alle verdachten dezelfde inzet hadden om de beweerde organisatie vorm en inhoud te geven en zal ook om die reden vrijspraak moeten volgen. In dit verband is door de verdediging gewezen op een uitspraak van het hof Amsterdam van 12 oktober 2006 (LJN AZ 7260).

Feit 3

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot het ten laste gelegde (gewoonte)witwassen.

Feit 4, eerste deel en 5

De verdediging bepleit vrijspraak voor deze feiten, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat [verdachte] betrokken is geweest bij de partij cocaïne die door [betrokkene 4] is gekocht van [betrokkene 11]. [verdachte] beroept zich op zijn zwijgrecht en het dossier bevat slechts één verklaring die hem met deze feiten in verband brengt, te weten de verklaring van [betrokkene 4] bij de politie. Bij de de rechter-commissaris heeft [betrokkene 4] echter zijn verklaring herroepen.

Feit 4, tweede deel

De verdediging bepleit vrijspraak voor dit feit, nu hiervoor de opzet ontbreekt. Zij voert daartoe aan dat de officier van justitie de bewezenverklaring voor de in- en uitvoer van hennep baseert op twee observaties, waarbij is waargenomen dat via België wordt teruggereden naar Clinge. De vraag is of degene die de hennep vervoerde de opzet had om deze middelen in België achter te laten. Deze vraag kan ontkennend worden beantwoord nu de hennep in Nederland is opgehaald en de kennelijke bestemming van de hennep Nederland was. De officier van justitie noemt ook de verkoop aan [betrokkene 4]. Daarbij is van belang dat [betrokkene 4] feitelijk in Nederland verbleef. Uit het dossier blijkt niet dat, als [betrokkene 4] bemoeienis had met de handel in verdovende middelen in België en deze naar België vervoerde, [verdachte] daar wetenschap van had. De enige belastende verklaring in het dossier is die van [betrokkene 3] en dat is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

Feit 6

De verdediging bepleit vrijspraak gelet op hetgeen zij onder feit 1 heeft aangevoerd met betrekking tot de ten laste gelegde periode in 2007.

5.6 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank constateert dat in het onderzoek Volkel, dat ziet op 2009, slechts tweemaal een levering van hennep door de politie is onderschept, dat er voorts een beperkt aantal observaties zijn geweest, zich in het dossier veel tapgesprekken bevinden en diverse van de verdachten zich veelal hebben beroepen op hun zwijgrecht. Teneinde onder deze omstandigheden te komen tot een adequate beoordeling van de aan de verdachten ten laste gelegde feiten heeft de rechtbank het dossier op de navolgende wijze benaderd:

A. Onderschepte leveringen

B. Vermoedelijke leveringen

C. Relevante telefoongesprekken

D. Verklaringen verdachten

E. Conclusies

F. Concretisering per verdachte.

A. De rechtbank stelt vast dat op 3 oktober 2009 en op 16 oktober 2009 in Nederland

hennep is vervoerd. Voorafgaand aan deze transporten is telefonisch overleg gevoerd, er is door de politie geobserveerd en tijdens respectievelijk vlak na de transporten is hennep door de politie onderschept.

In het bijzonder overweegt de rechtbank over deze transporten het volgende:

Levering 3 oktober 2009

Vanaf 2 oktober 2009 worden telefoongesprekken opgenomen en beluisterd en sms-berichten uitgelezen naar aanleiding waarvan het vermoeden bestaat dat [verdachte] op 3 oktober 2009 verdovende middelen laat ophalen. Op 2 oktober 2009 belt [verdachte] met [medeverdachte 2]. [verdachte] zegt tegen [medeverdachte 2] dat hij (= [medeverdachte 2]) morgen moet werken. Hij moet om 09.00 uur bij [naam 4] zijn, dus dan weet hij het wel ongeveer. Aan het einde van de middag belt [verdachte] wederom naar [medeverdachte 2] met de vraag of hij om zeven uur de post op komt halen. Op 3 oktober 2009 om iets voor zevenen ’s ochtends stuurt [medeverdachte 2] een sms-bericht aan [verdachte] dat hij op weg is. Om 9.10 uur belt [naam 4] naar [verdachte] met de vraag of hij (= derde persoon) op tijd vertrokken is. [verdachte] zal wel even bellen en belt dan terug. [medeverdachte 2] wordt even later door een onbekende man gebeld dat hij naar het tankstation aan de snelweg bij de Afsluitdijk komt. Vervolgens wordt op die dag tijdens een observatie gezien dat [medeverdachte 2] ’s ochtends rond half tien met zijn auto de parkeerplaats van een benzinestation te Wieringerwerf oprijdt. [medeverdachte 2] stopt daar naast een auto die op naam staat van [medeverdachte 8]. Een onbekende man stapt bij [medeverdachte 2] in en zij rijden samen weg. Omstreeks 10.17 uur wordt waargenomen dat de auto van [medeverdachte 2] de rotonde A6/A7 bij Joure oprijdt. Een paar minuten voor twaalf uur wordt gezien dat de auto van [medeverdachte 2] terug over de Afsluitdijk rijdt, ter hoogte van het hiervoor genoemde benzinestation stopt aan de andere kant van de snelweg en dat de onbekende man met een witte envelop in zijn hand door het tunneltje onder de snelweg loopt naar zijn eigen auto. [medeverdachte 2] rijdt gelijk door. Korte tijd later is [medeverdachte 2] door de politie aangehouden op de snelweg ter hoogte van Abbekerk, gemeente Medemblik. In zijn auto wordt een grote hoeveelheid verdovende middelen aangetroffen . Het betreft vijf zakken met daarin in totaal 5.113 gram hennep . Blijkens het navigatiesysteem in de auto van [medeverdachte 2] was het de bedoeling dat [medeverdachte 2] hiermee terug zou rijden naar Zeeland .

Op 3 oktober 2009 aan het einde van de middag belt [medeverdachte 1] naar [verdachte] met de vraag hoe lang zij nog moet wachten, waarop [verdachte] vraagt of [medeverdachte 2] al is geweest. [medeverdachte 1] antwoordt daarop ontkennend. Kort daarop belt [verdachte] [medeverdachte 1] terug en zegt hij dat hij hem niet kan bereiken. Om 18.14 uur belt [verdachte] naar [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] vertelt dat hij in Enkhuizen van de weg is geplukt in verband met de Opiumwet en dat hij een paar uur heeft vastgezeten. [medeverdachte 2] zegt dat hij wel even langs komt, waarop [verdachte] vraagt of hij alles kwijt is. [medeverdachte 2] zegt ‘ja, tuurlijk. Er is gepraat, ik ben genaaid’.

Blijkens een tap belt [verdachte] op 2 oktober 2009 even na acht uur ’s ochtends naar [betrokkene 4] met de vraag of hij om half twee kan komen. [betrokkene 4] antwoordt dat dit goed is. Aan het einde van de middag belt [betrokkene 4] naar [verdachte] om te zeggen dat hij na zessen komt. Een dag later om 19.30 uur belt [betrokkene 4] met zijn moeder [naam moeder] [betrokkene 2]. Hij zegt dat ‘hij’ ginder is vertrokken en dat ‘hij’ om drie uur hier geweest moest zijn. ‘Hij’ is ginder in goeie dinge vertrokken. Hij denkt dat hij is tegengehouden. Hij had er van hem ook wel in zitten. Hij had geld mee, zo rond de zesduizend.

[betrokkene 4] heeft op 26 november 2009 tijdens zijn verhoor door de FGP Dendermonde verklaard dat [medeverdachte 2] - toen hij door de politie werd gearresteerd - in het bezit was van vijf kilo cannabis. [verdachte] had 6.000 euro van [betrokkene 4] en 17.000 euro van zichzelf aan [medeverdachte 2] meegegeven om de vijf kilo cannabis te gaan halen. Anderhalve kilo daarvan was voor [betrokkene 4] bedoeld.

[medeverdachte 2] heeft zich bij de politie beroepen op zijn zwijgrecht. Hij heeft alleen verklaard dat hij op 3 oktober 2009 met een kilo of vijf hennep is aangehouden.

[medeverdachte 8] heeft bij de politie verklaard dat hij heeft geregeld dat [verdachte] weed kon kopen. Op 3 oktober 2009 is hij samen met [medeverdachte 2] naar Friesland gereden en heeft daar weed gehaald. Op de terugweg heeft [medeverdachte 2] hem afgezet bij zijn auto en is [medeverdachte 2] teruggereden naar Zeeland.

Gelet op de waarnemingen tijdens de observaties in combinatie met de daaraan voorafgegane en de daarna gevoerde tapgesprekken, waarbij gebruik is gemaakt van versluierd taalgebruik, en de aangetroffen hennep in de auto van [medeverdachte 2] alsook de verklaringen van [medeverdachte 2], [betrokkene 4] en [medeverdachte 8], acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat op 3 oktober 2009 een transport van hennep voor [verdachte] heeft plaatsgevonden. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 8] voor de hennep heeft gezorgd en deze vervolgens met [medeverdachte 2] heeft opgehaald. [verdachte] is degene die hiervoor de opdracht heeft gegeven.

Levering 16 oktober 2009

Vanaf 28 september 2009 worden telefoongesprekken opgenomen en beluisterd en sms-berichten uitgelezen naar aanleiding waarvan het vermoeden is ontstaan dat deze gaan over verdovende middelen. Op 28 september 2009 belt [medeverdachte 4] naar [verdachte]. Hij zegt ‘jij bent pas geleden bij mij geweest en toen vroeg jij aan mij of ik ergens aan kon komen. Je had er tien van nodig geloof ik’. [verdachte] zegt dat dat klopt en dat hij die nog nodig heeft, waarop [medeverdachte 4] antwoordt dat hij ze heeft. [medeverdachte 4] zegt vervolgens dat die jongens morgen komen dus hij heeft ze woensdag. Zij spreken de volgende dag af, want ‘dan gaan we over de prijs …’. Op 15 oktober 2009 wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 4], die hem meedeelt dat een andere man heeft gevraagd wanneer hij zou komen. [verdachte] antwoordt daarop dat hij morgenvroeg, zo rond elf uur, komt als de winkel open is. Op de vraag van [medeverdachte 4] of er nog rekening gehouden moet worden met hem, antwoordt [verdachte] bevestigend. Vervolgens belt [verdachte] naar [naam 22] dat het morgen biljarten is. Hij zal morgenochtend bellen hoe laat. [naam 22] antwoordt daarop dat hij zo komt en geld zal meebrengen. Hij zit al een tijdje zonder.

Op 16 oktober 2009 wordt tijdens een observatie gezien dat een man, die aan de hand van een foto wordt herkend als zijnde [verdachte], en een onbekende man vanaf de woning van [verdachte] in Clinge in afzonderlijke auto’s naar growshop Forever Green aan de [adres Growshop] rijden, alwaar zij beiden om 11.04 uur naar binnen gaan. Later wordt de onbekende man aan de hand van een politiefoto door de observanten geïdentificeerd als [medeverdachte 2]. Iets later rijdt een andere onbekende man weg in een auto die op naam staat van [medeverdachte 15]. Na zo’n twintig minuten komt deze man weer terug bij de growshop. Vervolgens komen een kwartier later [verdachte], [medeverdachte 2] en deze andere onbekende man uit de growshop. [medeverdachte 2] rijdt zijn auto achteruit met de kofferbak dicht bij de kofferbak van de auto die op naam van [medeverdachte 15] staat. De observanten nemen vervolgens waar dat [medeverdachte 2] een onbekend gebleven voorwerp krijgt overhandigd van de onbekende man, die dit uit de kofferbak van de auto op naam van [medeverdachte 15] heeft gehaald. [medeverdachte 2] legt dit voorwerp in de kofferbak van zijn auto. [verdachte] en [medeverdachte 2] rijden vervolgens ieder in hun eigen auto via België naar de woning van [verdachte] in Clinge. Beide auto’s worden achteruit geparkeerd op de oprit van de woning van [verdachte]. Na één minuut rijdt [medeverdachte 2] naar zijn eigen woning. Korte tijd later heeft er in de woning van [verdachte] en zijn echtgenote [medeverdachte 1] in Clinge een doorzoeking plaatsgevonden. Daarbij is beneden op het toilet een grote tas met daarin tien grote gripzakken met in totaal 5.029 gram hennep aangetroffen .

Op grond van de bevindingen naar aanleiding van de observaties in combinatie met de inhoud van daaraan voorafgegane en daarna gevoerde tapgesprekken, waarin gebruik is gemaakt van versluierd taalgebruik, en de in de woning van [verdachte] in beslag genomen hoeveelheid hennep acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat op 16 oktober 2009 een levering van hennep aan [verdachte] heeft plaatsgevonden. [verdachte] en [medeverdachte 2] hebben deze hennep opgehaald bij een growshop in Etten-Leur.

B. De politie constateert op basis van haar bevindingen dat daarnaast vermoedelijk

sprake is geweest van nog meer leveringen van verdovende middelen binnen Nederland. Ten aanzien van (een aantal van) die vermoedelijke leveringen overweegt de rechtbank het volgende.

17 juli 2009

Op 17 juli 2009 belt [verdachte] naar [medeverdachte 6]. Hij vraagt aan [medeverdachte 6] of de jongen waar ze samen geweest zijn nog wat heeft liggen. [medeverdachte 6] weet het niet en [verdachte] vraagt of [medeverdachte 6] dat eens kan vragen. Vervolgens vraagt hij aan [medeverdachte 6] of hij niet wat weet zitten hier of daar. [medeverdachte 6] gaat het bekijken en belt terug. Een uur later belt [medeverdachte 6] naar [verdachte]. Hij zit te wachten op antwoord van ‘[naam 23]’. [verdachte] zegt dat het wel goed-mooie moet zijn waarop [medeverdachte 6] antwoordt dat hij dat weet. Een half uur later belt [medeverdachte 6] naar [verdachte] en zegt dat hij er vijf heeft. [medeverdachte 6] wil een halfje meenemen zodat [verdachte] dat kan bekijken. Als het dan goed is, doen ze morgen de andere. [medeverdachte 6] moet er nog om. [verdachte] zegt dat als [medeverdachte 6] het mooie vindt, hij ze allemaal mee mag nemen, maar [medeverdachte 6] wil liever dat [verdachte] het eerst bekijkt. Om elf uur stuurt [medeverdachte 6] een sms-bericht naar [verdachte] dat hij onderweg is. Anderhalf uur later belt [verdachte] naar [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] zegt dat hij over één minuut in de tuin is. Ze zien elkaar zo. Tegen vijf uur stuurt [medeverdachte 9] een sms-bericht aan [verdachte]: ‘ik heb zeven stuk super mooie’. [verdachte] antwoordt daarop dat hij net heeft en vraagt of hij het bij kan houden tot maandag. Daarop komt een sms-bericht dat hij op vakantie gaat en of [verdachte] het niet kan pakken. Hij kan later betalen. [verdachte] antwoordt dat het goed is en vraagt wanneer ‘hij’ moet komen. Een klein uur later belt [verdachte] naar [medeverdachte 9] en zegt dat ‘hij’ nu vertrekt dus dat ‘hij’ er normaal gezien op tijd zal zijn. [medeverdachte 9] zegt dat het supermooie is. Een dag later stuurt [verdachte] een sms-bericht naar [medeverdachte 9] met de vraag hoeveel het gisteren moest zijn , waarop wordt geantwoord dat het vijftien zakjes waren.

7 augustus 2009

Vanaf 6 augustus 2009 worden telefoongesprekken opgenomen en beluisterd en sms-berichten uitgelezen naar aanleiding waarvan het vermoeden is ontstaan dat deze gaan over verdovende middelen. Op 6 augustus 2009 wordt er vanaf het prepaidnummer [telefoonnr 24] een sms-bericht aan [verdachte] verstuurd met de tekst ‘vriend heb wat voor je’ . Daarop wordt geantwoord ‘Mooi vlees? Hoeveel kg weegt het?’ . Korte tijd later belt een onbekende man met het nummer [telefoonnr 24] naar [verdachte]. [verdachte] vraagt hoeveel kilo vlees de onbekende man voor hem heeft liggen, waarop deze antwoordt vier. [verdachte] vraagt dan of dit biefstuk is of worst. De onbekende man antwoordt daarop dat dit lekkere biefstukjes zijn. Afgesproken wordt dat als het biefstuk is, hij het mee mag nemen. Zij spreken af elkaar de volgende dag om elf uur te treffen bij de McDonald’s in Oosterhout waar ze elkaar de vorige keer zagen.

De volgende dag stuurt [medeverdachte 9] (waar [verdachte] zoals hiervoor overwogen op 17 juli 2009 ook contact mee had) om 10.35 uur een sms-bericht met de tekst: ‘hoi ik ben er’ waarop [verdachte] reageert met ‘vijf min’ .

Op 7 augustus 2009 om 10.41 uur wordt vervolgens tijdens een observatie gezien dat een personenauto het parkeerterrein van de McDonald’s en het AC restaurant aan de Beneluxweg te Oosterhout oprijdt. De bestuurder en tevens enige inzittende wordt aan de hand van een foto herkend als zijnde [verdachte]. [verdachte] wordt gebeld door een man met het nummer [telefoonnr 24]. Deze laat weten dat hij pas bij Dordrecht rijdt. [verdachte] zegt dat het dan nog een half uurtje is. Hij is er al. [verdachte] spreekt korte tijd met een onbekende man op het terras van het restaurant, waarna deze man wegrijdt in een auto waarvan het kenteken op naam staat van [echtgenote ] e/v [medeverdachte 9]. De man is later aan de hand van een verdachtenfoto herkend als zijnde [medeverdachte 9]. [verdachte] verplaatst zijn auto en blijft buiten de auto wachten. Korte tijd later komt een personenauto, waarvan het kenteken op naam van [medeverdachte 11] staat, het parkeerterrein oprijden en deze auto wordt achteruit geparkeerd naast de auto van [verdachte]. In deze auto zitten twee mannen. Eén van deze mannen wordt aan de hand van een verdachtenfoto herkend als zijnde [medeverdachte 11], de andere man is niet herkend. Zij schudden de hand van [verdachte] en spreken even met elkaar. Vervolgens wordt waargenomen dat [verdachte] een grijze vuilniszak in de kofferbak van zijn auto legt. Gelet op de bolle vorm van de vuilniszak was deze zak voor driekwart gevuld. Ook [medeverdachte 11] legt een soortgelijke voor driekwart gevulde vuilniszak in de kofferbak van de auto van [verdachte]. [verdachte], [medeverdachte 11] en de onbekende man schudden elkaar de hand en rijden weg.

14 augustus 2009

Vanaf 13 augustus 2009 worden telefoongesprekken opgenomen en beluisterd en sms-berichten uitgelezen naar aanleiding waarvan het vermoeden is ontstaan dat deze gaan over verdovende middelen. Op 13 augustus 2009 wordt vanaf het telefoonnummer van [medeverdachte 7] naar [verdachte] gesms’t met de vraag of het morgen doorgaat. Twee uur later belt [verdachte] naar [medeverdachte 7] en spreken zij af voor de volgende dag twaalf uur.

Op 14 augustus 2009 wordt gezien dat er aan het einde van de ochtend een personenauto, merk Golf, waarvan het kenteken op naam van [naam 17] - de moeder van [medeverdachte 3] - staat, staat geparkeerd op de parkeerplaats van de McDonald’s aan de Beneluxweg te Oosterhout. Korte tijd later, rond twaalf uur, parkeert een andere personenauto, merk Mercedes, waarvan het kenteken staat op naam van [medeverdachte 13], naast deze auto. De bestuurder van de Golf pakt uit de kofferbak van de Mercedes twee Big Shoppers, die gelet op hun vorm kennelijk gevuld waren, en zet die in de kofferbak van de Golf. De bestuurders van de auto’s schudden elkaar de hand en rijden weg.

Aan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 13] zijn foto’s getoond die zijn gemaakt tijdens deze observatie. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat de Golf op de foto van zijn moeder is en dat hij zichzelf herkent op een foto. In de tassen zaten volgens hem bamboestokken en kweeklampen. Ook [medeverdachte 13] heeft zichzelf herkend op één van de foto’s. Hij heeft verklaard dat hem door een derde was gevraagd om iets af te geven. Hij wist niet wat er in de tassen zat. Hij heeft er een paar honderd euro voor gekregen.

21 augustus 2009

Vanaf 20 augustus 2009 worden telefoongesprekken opgenomen en beluisterd en sms-berichten uitgelezen naar aanleiding waarvan het vermoeden bestaat dat deze gaan over verdovende middelen. [verdachte] wordt op 20 augustus 2009 door [medeverdachte 6] gebeld. [medeverdachte 6] vraagt aan [verdachte] of hij ‘hem’ al heeft gehoord. [verdachte] antwoordt hierop ontkennend, waarop [medeverdachte 6] zegt dat hij ‘hem’ wel heeft gebeld. ‘Hij’ had tegen [medeverdachte 6] gezegd dat hij [verdachte] nog zou bellen. Vervolgens vraagt [medeverdachte 6] of [verdachte] nog wat van [naam 19] heeft gehoord. [verdachte] zegt dat hij [naam 19] heeft gehoord. Hij had die jongen gezien en hij was er mee bezig. [verdachte] zegt dat het zeker goed komt.

’s Avonds sms’t [medeverdachte 6] of ze de volgende dag kunnen afspreken in de tuin ‘dan kun je die van ons ophalen 1.6 maar neem wel iets mee want heb al genoeg gezeur hier’. Vervolgens sms’t deze persoon nog ‘ok, rond half elf?’. [verdachte] sms’t daarop: ‘ok man’.

Op 21 augustus 2009 is tijdens een observatie gezien dat [verdachte] vanaf zijn woning via België naar industrieterrein Vosdonk in Etten-Leur rijdt, alwaar hij om 10.58 uur aankomt. Kort nadat [verdachte] daar ter hoogte van [adres Growshop] is gestopt, komt een rode Mercedes Vito, waarvan het kenteken op naam van Deso BV staat, het terrein oprijden. De bestuurder van deze auto en [verdachte] hebben contact en de achterdeuren van de Mercedes worden geopend. Even later loopt [verdachte] met een gevulde sporttas in de richting van zijn auto. De observanten hebben niet gezien waar deze tas vandaan komt. Vervolgens komt [verdachte] uit de richting van zijn auto gelopen zonder tas en loopt hij een loods aan de [adres Growshop] binnen. De deur wordt gesloten en na circa een kwartier weer geopend, waarnaar [verdachte] in zijn auto stapt en via België weer naar huis rijdt.

[medeverdachte 6] heeft bij de politie verklaard dat hij voor het bedrijf Royal werkt. Dit bedrijf valt onder de onderneming Deso. Hij rijdt in een auto van de zaak. Dit is een rode Mercedes Vito. Als hij geconfronteerd wordt met het tapgesprek van 20 augustus 2009 20:47:36 uur, verklaart hij dat dit gaat over een levering van hennep die door is gegaan. [verdachte] is daar om gekomen. Als hem wordt gevraagd waar hij gezeur over had, zegt hij dat dit ging over het geld. Er moest betaald worden.

22 augustus 2009

Op 14 augustus 2009 wordt naar [verdachte] een sms-bericht gestuurd door [medeverdachte 9] waarin staat ‘ik heb weer vier hele goede opgepikt’. [verdachte] stuurt daarop een sms-bericht terug inhoudende ‘ben even goed maar die van volgende week vrijdag wil ik wel’. Daarop komt het sms-bericht dat hij er veel krijgt dus het komt goed. Vervolgens vindt er op 19 augustus 2009 weer contact plaats tussen deze twee nummers. [verdachte] vraagt via een sms-bericht of hij nog leeft of nog op vakantie is, want hij moet hem zien , waarop wordt geantwoord dat hij op de camping zit . [verdachte] vraagt vervolgens wanneer hij weer wat voor hem heeft. Het antwoord daar op is ‘ik krijg vrijdag een berg mooie’. Vervolgens wordt er een aantal sms-berichten over en weer gestuurd en spreken zij voor vrijdag af op de camping in Genk. Kort daarop wordt [verdachte] gebeld door [betrokkene 1]. [verdachte] vraagt haar of zij meegaat naar Genk. Hij is gebeld door [naam 16], die hem had gevraagd wanneer hij (= [verdachte]) kon komen.

Op 20 augustus 2009 sms’t [verdachte] naar [medeverdachte 9] dat het niet gaat lukken vandaag, maar hij zou één vb bezorgen. Als de ander ze nog kwijt kan regelt hij het. Vervolgens sms’t [verdachte] ‘kan je me morgen vroeg helpen? Vijf’. [medeverdachte 9] sms’t dat hij ze morgen maar mee moet geven. [verdachte] reageert daarop dat hij voor zaterdag een afspraak zal maken. Hij zal er één brief bij doen zodat de ander het begrijpt. Vervolgens vraagt hij of ze voor morgen tien uur kunnen afspreken. Korte tijd later sms’t [medeverdachte 9] dat hij zaterdag komt brengen en dat hij vanaf half elf daar kan zijn. [verdachte] antwoordt daarop dat hij hem zaterdag ziet en vraagt of hij nog even laat weten hoe laat. Op 21 augustus 2009 stuurt [verdachte] een sms-bericht met de vraag of [medeverdachte 9] hem vandaag nog niet kan helpen , waarop wordt geantwoord dat het morgen pas droog is . [verdachte] vraagt hoe laat het de volgende dag kan. Op 22 augustus 2009 belt [verdachte] met [medeverdachte 9] en zegt dat hij die jongen zo laat vertrekken en dat die daar om één uur zal zijn. [medeverdachte 9] vindt dat niet leuk want hij is al onderweg. Vervolgens vraagt [verdachte] of het mooi is, waarop [medeverdachte 9] antwoordt dat het super is. [verdachte] vraagt of hij er tien kan. [medeverdachte 9] heeft er maar negen in zitten nu en vraagt of hij voor die ene terug moet. [verdachte] zegt dat het in orde is en vraagt of het niet voor een puntje minder kan. [verdachte] steekt wel een briefje extra bij voor [medeverdachte 9]. [medeverdachte 9] vraagt vervolgens of [verdachte] die ene nog heeft nagekeken. [verdachte] zegt dat er een brief bij is en dan is het wel duidelijk. [medeverdachte 9] vraagt of er een monstertje bij zit, waarop [verdachte] zegt dat het allemaal op de brief wel duidelijk is. Veertig minuten later stuurt [verdachte] een sms-bericht aan [medeverdachte 9] met daarin ‘half drie’. Om iets na drieën vraagt [medeverdachte 9] of het goed was. [verdachte] zegt dat het super was en vraagt wanneer hij weer heeft.

25 augustus 2009

Op 24 augustus 2009 stuurt [verdachte] een sms-bericht naar [medeverdachte 9] met de vraag of deze nog wat lekkers voor hem heeft. Daarop antwoordt [medeverdachte 9] dat hij gewoon heeft, maar dat hij eerst gaat kijken want hij heeft het nog niet gezien. Vervolgens ontvangt [verdachte] van [medeverdachte 9] een sms-bericht waarin staat dat hij er ongeveer vier heeft . [verdachte] vraagt daarop of het goed is dat hij die morgen om elf uur kan laten ophalen en of [medeverdachte 9] de juiste maat kan door sms’en? Daarop wordt een sms-bericht gestuurd inhoudende ‘is goed 33 hè?’ [verdachte] sms’t daarop terug dat morgen elf uur goed is, ongeveer vier en er wordt gevraagd of de ander ook precies weet hoeveel? Daarop ontvangt hij een sms-bericht inhoudende ‘ik heb er min vier als meer is komt wel goed ok’.

De dag erna, op 25 augustus 2009, wordt vervolgens tijdens een observatie gezien dat om 12.25 uur een auto die in gebruik is bij [medeverdachte 3] wordt geparkeerd op de oprit van de woning van [verdachte]. De bestuurder stapt uit, opent de kofferbak van zijn auto en pakt er wat uit. Vervolgens loopt hij via een deur naast de garage de woning van [verdachte] in en vertrekt drie minuten later weer.

29 augustus 2009

Op 27 augustus 2009 wordt [verdachte] gebeld door een onbekende man die gebruik maakt van het prepaidnummer [telefoonnr 24]. De onbekende man vraagt of [verdachte] toevallig in de buurt is deze week, want hij heeft drie hele mooie voor hem liggen. [verdachte] antwoordt daarop dat hij nog belt en dat zij zaterdag afspreken. Een dag later belt de onbekende man naar [verdachte] met de vraag of zij morgen een biertje zullen drinken en of [verdachte] dan naar hem komt. [verdachte] zegt dat zij daar afspreken ‘van de laatste keer’. Even later belt de onbekende man terug en wordt er een afspraak gemaakt voor morgen elf uur. Op 29 augustus 2009 belt [verdachte] rond kwart over negen twee keer naar [medeverdachte 2], maar er wordt niet opgenomen. Vervolgens belt hij naar [medeverdachte 3] met de vraag of hij even naar hem toe komt. [medeverdachte 3] belt vervolgens zijn moeder dat hij weg moet en niet kan wachten. Om een paar minuten voor twaalf uur belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] en verontschuldigt zich. Uit het telefoongesprek blijkt dat hij zich kennelijk heeft verslapen. [verdachte] zegt dat het al geregeld is. Om twaalf uur belt [verdachte] met een onbekende man dat de jongen terug is, maar dat het niets is. Het moet terug. De onbekende man vraagt of ze nog iets aan de prijs kunnen doen, maar [verdachte] zegt dat dat niet kan en dat het gewoon terug moet. Vervolgens wordt vanaf het nummer [telefoonnr 24] een sms-bericht verstuurd aan [verdachte] waarin staat ‘sorry, ik heb het zo gepakt zonder te kijken, komt goed’. [verdachte] antwoordt daarop ‘dat moet je volgende x best doen, want dit kost geld’. Hij mag ook andere meebrengen, maar het moet morgen geregeld zijn.

2 september 2009

Op 31 augustus 2009 belt [verdachte] naar [medeverdachte 10] met de mededeling dat hij hem moet spreken. [medeverdachte 10] zit vandaag in Heliomare, waarop [verdachte] zegt dat het dan voor morgen zou moeten. Hij zou er voor die motormuis 10 moeten. [medeverdachte 10] antwoordt daarop dat dat geen probleem is. Hij zal [verdachte] de volgende ochtend een sms-bericht sturen. ’s Avonds belt [medeverdachte 10] naar [verdachte] en zegt dat hij om half één bij die Chinees kan zijn. [medeverdachte 10] zegt dat [verdachte] er vanuit mag gaan dat het dan geregeld kan worden, want normaal kan het meteen geregeld worden. [verdachte] antwoordt op een vraag van [medeverdachte 10] dat hij er zeker zal zijn. Op 1 september 2009 belt [verdachte] naar [medeverdachte 10]. Hij vraagt aan hem of hij al op weg is, waarop bevestigend wordt geantwoord. Drie uur later belt [verdachte] wederom naar [medeverdachte 10]. [medeverdachte 10] zegt ‘morgen 1 uur … dan moet hij even terugkomen, want ik rij nu naar hem toe, want ik moet een dag van tevoren weer komen’. [verdachte] antwoordt daarop dat hij maar even bij die jongen moet afspreken en dat hij straks maar even moet bellen. [medeverdachte 10] zegt ‘Ik heb gezegd dat het goed is … dus morgen om 1 uur liggen ze er’. Even later belt [medeverdachte 10] naar [verdachte] en zegt dat het goed is en dat hij hem morgen om 1 uur hier ziet. Een dag later belt [verdachte] [medeverdachte 10]. [medeverdachte 10] is al onderweg. [verdachte] vraagt aan [medeverdachte 10] of hij wil bellen als het in orde is. Om vijf over twaalf belt [medeverdachte 10] naar [verdachte] dat hij er al om half een is. [verdachte] kan die jongen niet bereiken, dus [medeverdachte 10] moet maar wachten. Twee uur later zegt [medeverdachte 10] als [verdachte] hem belt dat het goed is gegaan en dat ‘hij’ al weg is.

Op 1 september 2009 belt [verdachte] naar het telefoonnummer van [medeverdachte 7]. [medeverdachte 7] zegt dat hij morgenochtend wel wat kan bijmaken. [verdachte] zegt dat dit goed is en vraagt hoe laat zij morgen afspreken. [medeverdachte 7] vraagt of zij het om elf uur zullen doen en [verdachte] zegt dat dit perfect is. [medeverdachte 7] zegt dat zijn maatje dan gaat rijden en hij doet het om kwart voor negen. Het wordt een vijfje. ’s Avonds sms’t [verdachte] met de vraag of het vijf kilo biefstuk is, filet? Daarop wordt gereageerd met ‘ja, 5 bief’. Een dag later sms’t [verdachte] ’s middags naar [medeverdachte 7] dat de biefstuk taai is en dat er wat aan de prijs gedaan moet worden. Volgende keer moet het beter.

4 september 2009

Op 1 september 2009 belt [betrokkene 8] met een Belgisch telefoonnummer naar [verdachte] met de vraag of [verdachte] nog aan drie kilo mosselen kan geraken. [verdachte] zegt dat hij [betrokkene 8] donderdag belt en ze vrijdag meebrengt. Op donderdag 3 september 2009 wordt [verdachte] gebeld door [betrokkene 8]. [betrokkene 8] zegt dat [betrokkene 9] allemaal … heeft staan en dat hij moet weten of dat beestjes zijn die uit de muur kruipen of dat op boompjes zit. [betrokkene 8] vraagt of dat niet op rot fruit zit. Op 5 september 2009 stuur [betrokkene 8] om 14.56 uur een sms naar [verdachte]. Dat luidt: ‘Je overslapen vanmorgen vriend?’. Hierop wordt door [verdachte] geantwoord dat het niet door ging, hij vraagt [betrokkene 8] te bellen als hij wat weet. [betrokkene 8] stuurt vervolgens een bericht terug: ‘Ja, ja, zeg, mosselen waren super jongen’. [verdachte] vraagt: ‘Normaal altijd en groot of niet?’ [betrokkene 8] reageert met het bericht: ‘Alles zo vol als een ei. Het waren goei’.

5 september 2009

Op 2 september 2009 stuurt [verdachte] een sms-bericht naar het telefoonnummer van [medeverdachte 6] waarin de volgende dag om één uur in de tuin wordt afgesproken en waarin wordt gevraagd wat een ticket kost. Het antwoord daarop is ‘200 denk ik’. De volgende dag belt [naam 13] naar [verdachte] en zegt dat hij over twee uur in Roosendaal is. [verdachte] zegt dat hij om één uur een afspraak heeft met [naam 3] in de tuin. Hij heeft niets bij zich maar wil [naam 13] wel spreken. Ze spreken om half twee, twee uur af in Roosendaal. Om kwart over twee belt [medeverdachte 6] vervolgens naar [verdachte] en zegt dat die jongen er zaterdag zes voor [voornaam verdachte] heeft. [medeverdachte 6] vraagt of dat zaterdag vroeg wordt, waarop [verdachte] bevestigend antwoordt. [medeverdachte 6] zegt dat [verdachte] dan net zo goed die papieren voor daar kan meenemen. [verdachte] zegt dat hij dat zo gaat proberen te regelen. Op 4 september 2009 wordt in een telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 6] gesproken over de onkruidverdelger. [verdachte] vraagt of ‘het enkel voor spinnen is’. [medeverdachte 6] vraagt of hij ‘die dinge nog na moet gaan kijken bij die jongen’. [verdachte] zegt: ‘ja, als je dat wil doen graag, want anders kom ik misschien voor niets’. Op

5 september 2009 wordt [verdachte] om 7.20 uur gebeld door [medeverdachte 10]. [verdachte] zegt dat het in Amsterdam niet doorging en vraagt aan [medeverdachte 10] of hij hem kan helpen. [medeverdachte 10] vraagt ‘waarmee’ waarop [verdachte] zegt ‘dat weet je wel, waar ik normaal voor naar Amsterdam moest’. [medeverdachte 10] zegt vervolgens iets in de trant van ‘met omelet bedoel je?’, waarop [verdachte] ‘ja’ zegt. Dat moet [medeverdachte 10] even vragen, maar hij denkt het wel, want hij heeft iemand die gisteren zei dat hij nog wat had’. [verdachte] zegt ‘dat [naam 13] effe moet kijken en hem dat laten weten’. [medeverdachte 10] vraagt vervolgens of hij tegen half twaalf aan de Chinees kunnen afspreken. Hij rijdt dan even heen en weer als [verdachte] er is. Kort daarop belt [verdachte] [medeverdachte 10] met de vraag of het toch wel is wat hij altijd met [medeverdachte 7] ging halen. [medeverdachte 10] antwoordt dat hij dat dadelijk gaat vragen, maar hij mag niet bellen. Hij zegt tegen [verdachte] dat hij een paar stukjes of zo mee moet brengen en het andere, want ze bellen hem helemaal gek. Later die dag belt [medeverdachte 10] [verdachte] en zegt dat hij onderweg is en voorbij Utrecht vast staat. [verdachte] zegt dat hij wel wacht.

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 6] in Amsterdam bij zijn vriendin verblijft.

29 september 2009

Uit het onderzoek telecommunicatie van de telefoonaansluitingen in gebruik bij [verdachte] bleek dat hij contact had met [medeverdachte 4]. Tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] zijn in de periode van 15 september 2009 tot en met 28 september 2009 gesprekken gevoerd en sms-berichten gestuurd. Op 24 september 2009 worden over en weer sms-berichten gestuurd vanaf de gsm van [verdachte] naar [medeverdachte 4] als “ Ben je op tijd?”, “Weer hier wel op tijd dan! Ok?” en “ En vriend?, hoe lang nog?”. Op dit laatste bericht wordt geantwoord dat het nog een kwartier duurt. Op 25 september 2009 tegen acht uur in de morgen wordt een sms-bericht gestuurd vanaf het nummer van [verdachte] naar [medeverdachte 4] inhoudende : “Tien min zet de koffie maar klaar”. Op 28 september 2009 wordt [verdachte] meermalen gebeld door [medeverdachte 4]. In een van de tapgesprekken die dag zegt [medeverdachte 4] dat [verdachte] eerder had gevraagd of hij daar aan kon komen en dat hij er tien van nodig had, die heeft hij voor [verdachte]. Hij zegt ze woensdag te hebben. Verder zegt [medeverdachte 4]: “We zien elkaar morgen toch. Dan gaan we over de prijs …”. [verdachte] vindt het goed dat daar dan morgen over gesproken wordt. Om een uur wordt er af gesproken. Rond half twee de volgende dag, 29 september 2009, wordt [verdachte] door [medeverdachte 4] gebeld. [medeverdachte 4] zegt dat hij op papieren wacht en dat hij rond vijf uur naar [verdachte] probeert te gaan . Bij observatie op de woning van [verdachte] wordt om 16:03 uur gezien dat een Mercedes E350 TDI, [kenteken] wordt geparkeerd voor de woning van [verdachte] en er twee personen uit stappen. De bestuurder wordt aan de hand van een foto herkend als [medeverdachte 4]. [medeverdachte 4] opent het kofferdeksel van de Mercedes en haalt uit de kofferruimte een tasje met opschrift Bruna. Beide mannen lopen vervolgens het perceel [adres] op, het adres van de woning van [verdachte] .

De rechtbank stelt vast dat in het voorgaande telkens, en veelal versluierd, gesproken wordt over aantallen, hoeveelheden, gewichten en de kwaliteit van de te leveren goederen. In een aantal taps wordt gesproken over soorten vlees. Vervolgens worden afspraken gemaakt om elkaar te ontmoeten om de afgesproken goederen af te leveren. Tijdens observaties wordt gezien dat een aantal keren ook daadwerkelijk goederen worden overgedragen.

C. Ook in onderstaande afgeluisterde en opgenomen telefoongesprekken wordt

gesproken over aantallen, hoeveelheden en kwaliteit van kennelijke leveringen.

Op 11 juni 2009 is door iemand vanaf het telefoonnummer [telefoonnr 24] gebeld naar [verdachte]. De beller vraagt of zijn vrienden tevreden waren en vertelt dat hij nog een hoop heeft liggen. [verdachte] zegt dat als het slecht geweest zou zijn hij het al wel had gehoord. Verder vertelt hij dat iedereen genoeg heeft en dat het crisis is. Op 15 juni 2009 wordt een sms-bericht gestuurd door [verdachte] naar [telefoonnr 24] inhoudende ‘Amigo, kwam je nog mijn kant uit met wat lekkers?’ Later die dag wordt vanaf hetzelfde telefoonnummer het sms-bericht gestuurd ‘maar ik zie je morgen toch ? Anders kom ik zelf want moet hebben.’

In juni 2009 zijn over en weer sms-berichten gestuurd tussen [verdachte] en [medeverdachte 9] op diens oude nummer. Op 15 juni 2009 wordt gevraagd of [medeverdachte 9] kan helpen deze week. Op 17 juni 2009 stuurt [verdachte] ‘vriend kan je niks vinden voor me … is dringend’. Geantwoord wordt ‘Ik moet nu naar [naam 24] er ligt wat ga nu kijken bel je over half uur’. Vervolgens wordt gevraagd hoeveel hij moet hebben. Door [verdachte] wordt geantwoord dat hij er acht moet hebben en hij vraagt of het mooie of goede zijn. Op 18 juni 2009 stuurt [medeverdachte 9] een bericht dat hij papieren over heeft voor twee mooie of hij dat hier zal houden of liever mee terug zal geven met takken . De volgende morgen wordt door [verdachte] een bericht gestuurd dat hij 150 gr te kort komt. Een uur later stuurt [verdachte] een sms-bericht of hij er morgen nog vijf kan. Een half uur later stuurt hij nog een sms-bericht met de vraag of dat morgen lukt vijf goede. Om elf uur wordt geantwoord dat hij vanmiddag naar de Ardennen gaat en dat hij even gaat kijken hoe hij dat doet. [verdachte] vraagt daarop ‘of straks nog?’ [medeverdachte 9] vraagt ‘waar waren 150 tekort dan. [verdachte] stuurt daarop een sms-bericht dat het gewicht 5850 was. Op 20 juni 2009 is door [verdachte] een sms-bericht gestuurd naar [medeverdachte 9] waarin staat ‘Vriend alles ok maar kom weer honderd te kort. Kan jij even vragen of dat kan? Ga nu ook even andere weger halen misschien dat hij stuk is!’ Op 14 juli 2009 wordt door [verdachte] een sms-bericht gestuurd naar [medeverdachte 9]: ‘vriend da mooi is niet echt wat het moet zijn en da ander kan beter zeker die ene. Heb je het zelf gezien?’ Geantwoord wordt dat ‘die vier zijn van mezelf en die anderhalf ziet er toch mooi uit’. [verdachte] schrijft ‘veel blad en afval en het is voor mezelf snap je’. Het antwoord luidt: ‘ik heb hem niet uitgepakt zo in zak gekocht’.

Op 14 juli 2009 is door [medeverdachte 9] vanaf zijn nieuwe nummer een sms-bericht gestuurd naar [verdachte] inhoudende ‘Hoi dit is nieuw nr heb je platen rond de 1800 ik moet zo gaan kijken voor mooie’. Gevraagd wordt wie het bericht heeft verstuurd. Geantwoord wordt ‘[naam 15]’. ‘Ik ben het van Limburg heb nieuw nr ik moest een paar blokken hebben rond de 1800 had je [naam 20] al gezien’. ‘Ik ben Limburg heb je vanmorgen nog bezorgd weet je het nog niet?’

Op 1 juli 2009 is, net zoals eerder overwogen over 4 september 2009, tussen [verdachte] en [betrokkene 8] gesproken over het brengen van mosselen. [betrokkene 8] vraagt of [verdachte], als hij nog eens langs de viswinkel rijdt, vijf kilo mosselen mee wil brengen en vier keer groente. [verdachte] zal Jumbo’s meebrengen.

Op 24 augustus 2009 belt [medeverdachte 7] naar [verdachte]. [verdachte] zegt dat hij altijd nog wel wat kan gebruiken en dat als [medeverdachte 7] iets moois tegen komt hij hem altijd mag bellen. [medeverdachte 7] heeft zijn maatje niet al de andere kant op laten rijden. Vervolgens vertelt [medeverdachte 7] dat het met [naam 13] niet helemaal lekker gaat, want hij vindt dat toch niet zo leuk. [verdachte] zegt dat hij van de week nog naar Amsterdam komt en dat hij [naam 13] dan toch ziet, dus hij zal het er wel even over hebben. [medeverdachte 7] zegt dat [naam 13] denkt dat het niet klopt. [naam 13] moet van de laatste keer nog krijgen. [medeverdachte 7] heeft hem van de tweede keer 500 gegeven en dat vindt hij veel te weinig. Dit is van twee keer en daarna zijn ze weer twee keer bij [verdachte] gekregen en dat heeft hij ook gewoon gekregen. [medeverdachte 7] zegt verder nog dat hij vermoedt dat [naam 3] [naam 13] een paar keer heeft lopen opnaaien. Na een paar minuten belt [medeverdachte 7] nog een keer naar [verdachte] om over [naam 13] te praten. Hij kan hem niet meer geven. Hij is twee keer bij hem geweest en van de allerlaatste keer moet hij nog krijgen. [naam 13] zegt dan dat mijn maatje tegen hem heeft gezegd ‘dit en dat’, maar mijn maatje zegt dan later dat dit helemaal niet zo is. [verdachte] zegt dat hij het van de week wel even gaat oplossen. Op 25 augustus 2009 belt [medeverdachte 10] naar [verdachte]. [verdachte] zegt dat hij donderdag in Amsterdam is en vraagt of zij kunnen afspreken bij [naam 3].

Op 25 augustus 2009 belt [medeverdachte 6] naar [verdachte] en vraagt wanneer hij komt. [verdachte] zegt donderdag. [medeverdachte 6] vraagt of hij de prijs voor [naam 19] dan al heeft gekregen, waarop [verdachte] ontkennend antwoordt. Hij zal morgen even langs rijden en donderdagmiddag is hij bij [medeverdachte 6]. Een dag later sms’t [medeverdachte 6] dat het er vier zijn. Weer een dag later vraagt [medeverdachte 6] hoe laat [verdachte] er is want dan komt die jongen die vier kaarten voor hem brengen. Nog weer een dag later belt [medeverdachte 6] naar [verdachte] en zegt dat hij daar met zijn gabber zit. Hij vraagt aan [verdachte] of hij aan hem (= gabber) kan uitleggen wat hij heeft meegenomen. [medeverdachte 6] zegt achtendertig nog wat. [verdachte] zegt dat de lengte drie komma acht, zes, vijf was. [naam 21] zou gezegd hebben dat dit niet kan, want hij heeft maar één rolmaat.

D. Door een aantal van de aangehouden verdachten is verklaard over leveringen van

hennep.

Tegenover de politie heeft [verdachte] verklaard vanuit café Happy Hulst weed te hebben verkocht . Hij heeft verklaard een aantal keren te hebben bemiddeld in weed. Naar eigen zeggen ging het dan telkens om partijen van rond de vijf kilogram .

Bij de politie heeft [medeverdachte 6] verklaard dat [verdachte] hem had gevraagd weed te regelen. [medeverdachte 6] ging zoeken en als hij weed vond, belde hij [verdachte] om een afspraak te maken om de weed af te leveren. [medeverdachte 6] heeft verder verklaard dat hij drie of vier keer hennep heeft geleverd aan [verdachte]. De eerste keer was een half jaar en de laatste keer drie maanden voor zijn verhoor op 29 december 2009. Hij heeft in totaal zeven tot acht kilo weed aan [verdachte] geleverd. Hij leverde ongeveer twee kilo per keer. Per telefoon werden door [medeverdachte 6] afspraken gemaakt met [verdachte] . Als er wordt gesproken over ‘papieren’ wordt daarmee geld bedoeld en met ‘vijf doosjes’ wordt vijf kilo hennep bedoeld. ‘De tuin’ is in Oosterhout bij een restaurant aan de snelweg, waar men op een terras in de tuin kan zitten. Een keer heeft [medeverdachte 6] rechtstreeks aan [verdachte] hennep geleverd bij een AC restaurant langs de snelweg in Brabant. Hij kreeg daarvoor een pakje geld. De andere twee of drie keer werd de hennep afgegeven aan [naam 4] of Ben, chauffeurs die voor [verdachte] reden. [voornaam verdachte] had contact met [medeverdachte 10]. Het was een klein clubje bestaande uit [naam 4], [voornaam verdachte], [medeverdachte 7] en [naam 13]. [medeverdachte 6] heeft deze verklaring tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris genuanceerd in die zin dat hij slechts éénmaal een paar ons weed aan [verdachte] heeft geleverd. De politie zou hem woorden in de mond hebben gelegd. De rechtbank acht deze verklaring echter niet geloofwaardig in het licht van zijn eerder bij de politie afgelegde verklaring. De rechtbank overweegt hierover in het bijzonder dat [medeverdachte 6] bij de politie een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd waarin hij ook is ingegaan op door hem gevoerde tapgesprekken over leveringen van hennep. Hij heeft daarbij tot in detail verklaard over zaken waarvan de politie (op dat moment) nog niet op de hoogte kan zijn geweest. Zijn verklaring vindt overigens ook (deels) bevestiging in andere bewijsmiddelen. De rechtbank zal dan ook de verklaring van [medeverdachte 6] bij de politie als uitgangspunt nemen.

[medeverdachte 8] heeft verklaard dat zijn bijnaam [naam 4] is. Hij heeft geregeld dat [verdachte] weed kon kopen. [verdachte] had interesse in partijen hennep van rond de vijf kilo. [medeverdachte 8] kende in Friesland iemand die contact had met een weedkweker en heeft twee of drie keer geregeld dat weed is verkocht. [verdachte] kon weed gebruiken . Als [medeverdachte 8] hoorde dat er in Friesland weed was, ging hij kijken of het mooie weed was. Zelf heeft [medeverdachte 8] niet met weed gereden. Wel heeft hij een of tweemaal met [verdachte] in Oosterhout afgesproken. [medeverdachte 8] heeft verder verklaard dat geprobeerd werd om telefooncontact te vermijden. Normaal gesproken kwam [medeverdachte 2] [medeverdachte 8] halen en reed [medeverdachte 8] met hem mee naar Friesland om weed te halen. [medeverdachte 2] nam een envelop met geld mee waarmee de hennep werd betaald.

E. Op grond van de waarnemingen van de verbalisanten tijdens de observaties in

combinatie met de inhoud van de daaraan voorafgegane tapgesprekken en de overige tapgesprekken waarin gesproken wordt over hoeveelheden, aantallen, ‘mooie’, ‘goede’, ‘vlees’ en ‘biefstuk of worst’ dan wel andere benamingen en de verklaringen die zijn afgelegd door [medeverdachte 8], [medeverdachte 6] en [verdachte] - een en ander als hiervoor onder B, C en D weergegeven - leidt de rechtbank af dat – net als bij de leveringen op 3 oktober 2009 en op 16 oktober 2009 – op de andere genoemde data van vermoedelijke leveringen onder B genoemd daadwerkelijk sprake is geweest van leveringen van hennep aan [verdachte]. Ook uit de onder C aangehaalde tapgesprekken blijkt van een groot aantal leveringen van hennep aan [verdachte]. De rechtbank is van oordeel dat de in de tapgesprekken genoemde goederen en getallen versluierd taalgebruik betreft. Er is weliswaar geen hennep gezien of in beslag genomen, maar op grond van de overeenkomsten in de tapgesprekken, waarbij gebruik is gemaakt van genoemd versluierd taalgebruik, in samenhang bezien met de leveringen op 3 oktober 2009 en 16 oktober 2009 waarbij wel hennep is aangetroffen, en de wijze waarop afspraken zijn gemaakt over de leveringen ziet de rechtbank hierin een patroon. Daarbij komt dat niet is gebleken dat een of meer van de verdachten in het onderzoek Volkel daadwerkelijk heeft gehandeld in - bijvoorbeeld - vlees, mosselen, tickets, omelet, respectievelijk bamboestokken en kweeklampen. Voorts hebben de diverse verdachten geen adequate andersluidende verklaring ter zake gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank gaan de genoemde getallen – ook weer in samenhang bezien met de leveringen op 3 oktober 2009 en 16 oktober 2009 – telkens over kilo’s hennep waardoor sprake is van grote hoeveelheden als bedoeld in artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet.

F.

2009

Gelet op hetgeen hiervoor onder A tot en met E is overwogen acht de rechtbank

wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in 2009 in de ten laste gelegde periode betrokken

is geweest bij een groot aantal leveringen van grote hoeveelheden hennep en zich daarmee

heeft schuldig gemaakt aan de handel in hennep. De rechtbank overweegt met betrekking tot

de relatie van [verdachte] met [medeverdachte 4], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 9] nog het volgende:

Omtrent de concrete rol van [verdachte] in relatie tot [medeverdachte 4] verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder A en B is opgenomen met betrekking tot de leveringen d.d. 29 september 2009 en 16 oktober 2009. Daarbij overweegt de rechtbank in het bijzonder dat [medeverdachte 4] bij de politie heeft verklaard dat het nummer [telefoonnr 13] zijn telefoonnummer is en dat hij daar doorgaans gebruik van maakt. [medeverdachte 4] kan zich de inhoud van de gevoerde gesprekken en sms-berichten niet meer herinneren, maar denkt dat deze te maken gehad kunnen hebben met zijn werk als stratenmaker . In het licht van het hiervoor onder E overwogene acht de rechtbank deze verklaring niet geloofwaardig. Als [medeverdachte 4] daadwerkelijk voor zijn stratenmakerbedrijf met [verdachte] contact gehad zou hebben, was dat immers in de gevoerde gesprekken en sms-berichten duidelijker naar voren gekomen. Gelet hierop alsmede naar hetgeen hiervoor onder A tot en met E is overwogen heeft [medeverdachte 4] naar het oordeel van de rechtbank met ‘2’ en ‘10’ niet, zoals gesuggereerd, stenen bedoeld, maar kilo’s hennep en met ‘papieren’ niet orders maar geld, en is er aldus sprake van versluierd taalgebruik door [medeverdachte 4] als hiervoor omschreven.

Omtrent de concrete rol van [verdachte] in relatie tot [medeverdachte 7] verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder B is opgenomen met betrekking tot de levering van hennep op 14 augustus 2009 en naar de onder C opgenomen telefoongesprekken tussen [medeverdachte 7] en [verdachte] op 24 augustus 2009. Als in de inleiding van het vonnis overwogen, gaat de rechtbank ervan uit dat [medeverdachte 7] de gebruiker is geweest van de telefoonnummers [telefoonnr 21] en [telefoonnr 20]. De stemherkenning door de verbalisanten, in samenhang met de verklaring van [medeverdachte 7] dat hij zijn eigen stem herkende, de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken en de herkenning door [medeverdachte 6] levert naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs op voor de betrokkenheid van [medeverdachte 7] bij de handel in hennep. De rechtbank overweegt in het bijzonder dat de stemherkenning door de verbalisanten niet op zich moet worden gezien, maar een bijdrage levert aan het bewijs. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen. Dat [medeverdachte 7] niet alleen betrokken is geweest bij de levering van hennep aan [verdachte] op 14 augustus 2009 leidt de rechtbank af uit nog andere afgeluisterde en in het dossier opgenomen telefoongesprekken. Op 22 juni 2009 is door [medeverdachte 7] met [verdachte] gebeld. [medeverdachte 7] vertelde dat hij ‘de vorige week weinig tot niks knaps’ had. Die kleine maat van hem had ook mis gegrepen. Ze wilden er net even teveel voor hebben’. [medeverdachte 7] hoopt dat dat er morgenochtend een stuk of zeven zijn. De volgende dag zegt [medeverdachte 7] dat [verdachte] nog beter even kan wachten tot het einde van de middag. Ze spreken af voor morgen. [verdachte] vraagt [medeverdachte 7] of hij nog even een berichtje wil sturen hoeveel doosjes hij heeft. [medeverdachte 6] heeft bij de politie verklaard dat met ‘doosjes’ weed wordt bedoeld, vijf doosjes is vijf kilo. Op 4 juli 2009 stuurt [verdachte] een sms-bericht naar [medeverdachte 7] met de vraag of hij nog wat moois heeft. Op 6 juli 2009 wordt door [medeverdachte 7] aan [verdachte] een sms-bericht gestuurd dat hij wat voor hem heeft. ‘Ruim 5 woe ok’ stuurt [medeverdachte 7] even later. Gelet op het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 7] betrokken is geweest bij het verkopen, afleveren en vervoeren alsook het aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep, in het bijzonder de onder B gespecificeerde levering op 14 augustus 2009 aan [verdachte].

Omtrent de concrete rol van [verdachte] in relatie tot [medeverdachte 9] verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder A tot en met E is overwogen, met name onder B (17 juli, 22 en 25 augustus 2009) en C (betreffende juni-juli 2009). Uit die overwegingen blijkt onder meer dat er in de periode van juni 2009 tot en met eind augustus 2009 geregeld telefonisch contact is tussen [verdachte] en [medeverdachte 9] en dat er ook een ontmoeting tussen hen beiden heeft plaatsgevonden. In het telefonisch contact wordt in versluierd taalgebruik gesproken over kwaliteit en (grote) hoeveelheden zoals bijvoorbeeld ‘platen’, ‘zeven stuk super mooie’, ‘vier hele goede’ ‘het is morgen pas droog’, ‘dat mooi is niet wat het moet zijn veel blad en afval’, ‘er is 150gr tekort’ en ‘het gewicht was 5850’. Dat [medeverdachte 9] ook daadwerkelijk heeft geleverd aan [verdachte] maakt de rechtbank op uit bijvoorbeeld het sms-bericht van 14 juli 2009 en het telefoongesprek op 22 augustus 2009. In laatstgenoemd telefoongesprek zegt [medeverdachte 9] dat hij er die dag 9 in heeft zitten en er wordt afgesproken voor (uiteindelijk) half drie die dag. Om iets na drieën vraagt [medeverdachte 9] of het goed was en [verdachte] zegt dat het super was. In het sms-bericht van 14 juli 2009 sms’t [medeverdachte 9] aan [verdachte] dat hij ([medeverdachte 9]) hem die ochtend nog bezorgd heeft.

Op basis van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 9] diverse malen grote hoeveelheden hennep aan [verdachte] heeft geleverd.

Voorts overweegt de rechtbank ten aanzien van verkoop van hennep in café All Bindy’s nog het volgende:

[medeverdachte 12] heeft tegenover de politie verklaard dat hij in café All Bindy’s te Hulst af en toe een zakje hennep van 30 euro heeft verkocht aan klanten. Hij werkte vanaf augustus 2008 af en toe een paar uurtjes in de week in het café als oproepkracht. Hij heeft [verdachte] wel eens in het café zien binnenkomen, terwijl hij een zakje met daarin een hoeveelheid gripzakjes met hennep bij zich had. De weed die [verdachte] uitdeelde was niet altijd gratis. Hij heeft wel eens gezien dat iemand 30 euro betaalde voor een zakje. Aan de kapstok in het café hing een jas en in een zak daarvan zaten zakjes hennep. Als [medeverdachte 12] een zakje hennep had verkocht, noteerde hij dit op een briefje en stopte hij dit samen met het geld in de kassa. Als [verdachte] er was stopte die het geld in zijn zak, het ging dan niet in de kassa. [verdachte] heeft ook wel eens tegen klanten in het café gezegd dat [medeverdachte 12] hen wel zou helpen. Zo wist [medeverdachte 12] dat hij een zakje hennep aan die persoon moest geven. Dit betroffen vaste klanten van het café. [verdachte] heeft hem gezegd dat als hij een zakje hennep verkocht, hij een briefje in de kassa moest doen. Hij moest 30 euro voor een zakje rekenen. De weed was van [verdachte], want die bracht het mee naar binnen. [medeverdachte 12] heeft verklaard in opdracht van [verdachte] hennep te hebben verkocht. Op een poflijst werden volgens hem schulden van klanten bijgehouden. Als er op die poflijst (30)* stond betrof het een schuld van een zakje weed dat men daar dan had gekocht. De lijst werd bijgehouden door [verdachte] en [medeverdachte 1].

Op 16 oktober 2009 heeft in café All Bindy’s te Hulst een doorzoeking plaatsgevonden waarbij aan de kapstok naast de bar een drietal jassen zijn aangetroffen. In de binnenzak van één van deze jassen zaten twaalf zakjes met daarin gebruikershoeveelheden hennep. [betrokkene 10] heeft bij de politie verklaard dat hij zijn hennep in café All Bindy’s te Hulst koopt. De man van wie hij de hennep koopt haalt de zakjes uit een jas die aan de kapstok hangt.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande tevens wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode samen met een ander of anderen, waaronder in ieder geval [medeverdachte 12], vanuit café All Bindy’s gebruikershoeveelheden hennep heeft verkocht.

2007

In de periode van 25 oktober 2007 tot en met 17 december 2007 zijn diverse telefoongesprekken gevoerd met de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnr 25]. Op 26 oktober 2007 wordt de gebruiker van dit nummer door twee, verschillende bellers ‘[voornaam verdachte]’ genoemd. Op 17 december 2007 heeft de gebruiker van dat nummer contact met [betrokkene 14]. [betrokkene 14] heeft hierover bij de rechter-commissaris verklaard dat het een gesprek tussen [verdachte] en hem betrof.

Hoewel [verdachte] niet heeft verklaard dat hij gebruik heeft gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnr 25] en er evenmin in de woning van [verdachte] en [medeverdachte 1] aanwijzingen zijn aangetroffen dat dit telefoonnummer bij hem in gebruik is geweest, is de rechtbank gelet op het voorgaande van oordeel dat dit telefoonnummer gebruikt werd door [verdachte], hetgeen door hem overigens niet is bevestigd maar ook niet is bestreden. In de hierna te noemen tapgesprekken zal derhalve de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnr 25] bij zijn naam – [verdachte] – genoemd worden.

Op 26 oktober 2007 is door [verdachte] gebeld naar [medeverdachte 6]. Gevraagd wordt of [betrokkene 6] morgen kan rijden. Hij kan dan bij ‘[naam 5]’ en bij [medeverdachte 6] wat oppikken. [medeverdachte 6] zal het regelen en hij zal laten weten hoe laat [betrokkene 6] bij [verdachte] is.

Op 27 oktober 2007 worden tussen [medeverdachte 6] en [verdachte] over en weer sms-berichten gestuurd. [medeverdachte 6] stuurt [verdachte] een sms-bericht dat hij hem niet te pakken krijgt. [verdachte] reageert met het bericht dat “hij” nog slaapt, maar thuis is. [medeverdachte 6] stuurt het bericht: ‘ik denk niet dat die dingen thuis is’, ‘die dingen dat hij moet meenemen’. Later vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 6] ‘Amigo hoe laat is hij vertrokken?’ Die avond stuurt [medeverdachte 6] aan [verdachte] het bericht ‘alee he we gaan nu ras terug maar gene spruitjes meer gegroet den hollander’.

Op 30 oktober 2007 stuurt [verdachte] een bericht aan [medeverdachte 6]: ‘Amigo goede morgen. Weet jij hoe laat onze vriend vertrekt?’ [medeverdachte 6] antwoordt dat hij rond twaalf uur weg gaat.

In een sms-bericht van [betrokkene 6] aan [verdachte] wordt op 30 oktober 2007 gezegd ‘ik heb zes van die dingen liggen’, ‘ik heb liever dat jij ze eens bekijkt, wanneer ben je hier’. [verdachte] antwoordt dat hij morgen die kant op komt en er tegen een uur of elf zal zijn.

Op 5 november 2007 vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 6] ‘Amigo hoe laat rijden jullie mijn kant uit?’ Aan het einde van de middag vraagt [medeverdachte 6] of [verdachte] nog zijn kant uit komt. [verdachte] zegt dat hij de volgende dag een afspraak heeft met [naam 4]. [verdachte] vraagt of [medeverdachte 6] die gsm’s al heeft. Dan wordt het niks. Ze spreken af woensdag of donderdag.

Op 12 november 2007 wordt in een telefoongesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] gesproken over “[naam 11]” die vier konijnen komt brengen. Op 13 november 2007 wordt in een telefoongesprek met [verdachte] gesproken over ‘negen van die jassen’.

Op 13 november 2007 is in een tapgesprek met [verdachte] door een gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnr 26] gezegd dat hij wat heeft gevonden. [verdachte] zegt: ‘Ja, dat is eerste klas jongen, dat is perfect’. De beller zegt dat ‘der een probleempje is’. Hij denkt dat er ongeveer 5 procent doorheen wordt gemixt. [verdachte] vraagt of hij moet komen kijken. Afgesproken wordt elkaar in Roosendaal te ontmoeten.

Op 14 november 2007 vraagt [verdachte] in een telefoongesprek of het in de regen heeft gelegen. Als het iets fatsoenlijks is, mag de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnr 26] er een stuk of drie brengen, om te proberen. Twee uur later zegt de beller met telefoonnummer [telefoonnr 26] dat hij heel mooie heeft en als [verdachte] papieren meeneemt hij ze gelijk mee kan nemen.

Op 16 november 2007 wordt [verdachte] opnieuw gebeld door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnr 26]. De beller heeft wat gezien, een beetje gemalen blad, maar het ziet er wel heel mooi uit. [verdachte] zegt in eerste instantie dat hij er niets mee kan doen, maar later zegt hij dat het toch maar moet worden gebracht. Over ‘een beetje bruin uitgeslagen’ zegt [verdachte] dat het goed moet zijn en dat hij niets heeft aan rotzooi.

Op 20 november 2007 is opnieuw gebeld door de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnr 26] en [verdachte]. [verdachte] zegt dat hij al is vertrokken, want hij moet eerst naar Hoorn. De beller zegt dat hij ‘nog vier heeft’. Als [verdachte] papieren had meegenomen, had hij ze gelijk mee kunnen nemen. [verdachte] zal kijken of hij nog wat kan regelen.

Op 28 november 2007 belt [verdachte] naar de beller met het nummer [telefoonnr 26]. De beller zegt dat hij er 4000 nodig heeft. [verdachte] zegt dat dat niet zal lukken.

Gelet op de inhoud van deze tapgesprekken uit 2007 in samenhang bezien met hetgeen hiervoor onder A tot en met E is overwogen met betrekking tot 2009 leidt de rechtbank af dat ook in de tapgesprekken uit 2007 wordt gesproken over leveringen van hennep aan [verdachte]. De rechtbank is van oordeel dat de in de tapgesprekken genoemde goederen en aantallen versluierd taalgebruik betreft. Er is weliswaar geen hennep gezien of in beslag genomen, maar op grond van de overeenkomsten in deze tapgesprekken en die van 2009 en hetgeen hierboven onder A tot en met D is overwogen, waarbij gebruik is gemaakt van genoemd versluierd taalgebruik en de wijze waarop afspraken zijn gemaakt over de leveringen, ziet de rechtbank hierin een patroon. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich ook in 2007 in de ten laste gelegde periode heeft schuldig gemaakt aan de handel in hennep.

2007 en 2009

De rechtbank is van oordeel dat, met uitzondering van de gebruikershoeveelheden die in All Bindy’s werden verhandeld, het - gelet op de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 8] dat het partijen betrof van vijf kilo en hetgeen hiervoor reeds is overwogen - telkens ging om hoeveelheden als bedoeld in lid 5 van artikel 11 Opiumwet.

De rechtbank is verder van oordeel dat deze leveringen een beroeps- dan wel bedrijfsmatig karakter hebben. Zij overweegt daarbij dat uit bovenstaande bewijsmiddelen blijkt dat er in een korte periode regelmatig leveringen hebben plaatsgevonden alsook dat de betrokken personen hun rol op gestructureerde wijze vervulden. De handel in hennep heeft op een dusdanig stelselmatige wijze en volgens een vooropgezet plan plaatsgevonden en met een zodanige intensiteit, dat sprake is van handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf in de zin van artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

Feit 2

Aan [verdachte] wordt verder verweten dat hij in de periodes van 25 oktober 2007 tot en

met 12 december 2007 en/of van 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 heeft

deelgenomen aan een organisatie die kort gezegd tot oogmerk had het plegen van misdrijven

als bedoeld in de Opiumwet.

Het feit, de deelneming aan georganiseerde illegale drugshandel, inclusief de invoer en uitvoer van verboden verdovende middelen, is strafbaar gesteld in artikel 11a van de Opiumwet. Dat artikel is een zogenaamde specialis van artikel 140 Wetboek van Strafrecht, zodat de bij dat artikel behorende jurisprudentie ook van toepassing is op artikel 11a van de Opiumwet.

Behalve de hierboven genoemde “criminele doelstelling” (de illegale drugshandel), waarop het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht, zijn de vereiste kenmerken van een dergelijke organisatie dat een bepaald gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad bestaat. Kenmerken hiervan kunnen bijvoorbeeld zijn dat er gemeenschappelijke regels bestaan, er een bepaalde mate van hiërarchie is, of sturing van de leden van de organisatie plaatsvindt.

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze sprake van een criminele organisatie. Zij wijst in dit verband naar het hiervoor onder feit 1 overwogene. In de periode van - in ieder geval – 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 heeft een hele reeks leveringen van hennep plaatsgevonden aan [verdachte]. Voorafgaand aan die leveringen zijn in telefoongesprekken en sms-berichten tussen de diverse betrokken personen afspraken gemaakt over hoeveelheden en kwaliteit van te leveren hennep en ook is afgesproken waar die hennep geleverd moest worden. Uit de inhoud van de tapgesprekken en de observaties leidt de rechtbank af dat sprake is geweest van een groot aantal leveringen van grote hoeveelheden hennep direct of indirect aan [verdachte]. Dit gebeurde in zodanig georganiseerd verband dat sprake is geweest van een criminele organisatie waarbinnen sprake was van een duidelijke taakverdeling tussen de betrokken personen. Een centrale rol binnen de organisatie was weggelegd voor [verdachte], als een spin in het web. Hij was het die personen benaderde om hennep te leveren. Hij was het die bijvoorbeeld [medeverdachte 2] vertelde dat hij de volgende dag moest werken en bij [medeverdachte 8] moest zijn en [medeverdachte 3] belde om even naar hem toe te komen. Toen de kwaliteit van de hennep niet goed was, heeft [verdachte] beslist dat niets aan de prijs werd gedaan maar dat de hennep terug moest. In verband met de werkwijze van de organisatie wijst de rechtbank voorts op de verklaring die [medeverdachte 6] bij de politie heeft afgelegd. Volgens [medeverdachte 6] werden telefonisch afspraken gemaakt en werd vervolgens hennep aan [verdachte] geleverd. [medeverdachte 8] en [betrokkene 6] waren chauffeurs voor [verdachte]. [medeverdachte 6] spreekt over een klein clubje bestaande uit [medeverdachte 8], [verdachte], [medeverdachte 7] en [medeverdachte 10].

De rechtbank acht in het licht van het onder feit 1 overwogene dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de ten laste gelegde periodes heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had de handel in hennep, met inbegrip van het brengen van hennep binnen en buiten het grondgebied van Nederland, en dat hij de leidinggevende van deze criminele organisatie was.

Feit 3

In de periodes van 25 oktober 2007 tot en met 12 december 2007 en 15 mei 2009 tot en met

16 oktober 2009 heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan grootschalige hennephandel. [verdachte] heeft bij de politie en ook ter terechtzitting verklaard dat hij zich in de zomer van 2009

heeft beziggehouden met de handel in softdrugs. Hij deed dit omdat de huurder van zijn

horecapand in Spanje de huur niet meer betaalde en hij daardoor in financiële problemen

was geraakt. Aan de bemiddeling heeft hij 100 à 150 euro per kilo over gehouden. [betrokkene 3]

heeft in 2009 twaalf keer hennep van [verdachte] gekocht. Eenmaal betaalde hij [verdachte] 800

euro, een andere keer heeft hij voor 2000 euro weed van [verdachte] gekocht . [betrokkene 2] heeft

bij de politie verklaard dat zij gedurende zes maanden wekelijks minstens één kilo weed

kocht bij een persoon uit Clinge, die ‘[naam 1]’ wordt genoemd en waarvan zij later

heeft begrepen dat hij [voornaam verdachte] heette. Zij betaalde hem ongeveer hetzelfde als [naam 9], te

weten € 3.600,-- per kilo. Dit speelde zich allemaal af eind 2007, begin 2008.

Gelet op deze verklaringen - in onderling verband en in samenhang bezien met het onder 1

bewezenverklaarde - acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] in de periode van 25 oktober

2007 tot en met 12 december 2007 en 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 steeds

geldbedragen heeft verworven en voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat die bedragen

afkomstig waren uit de verkoop van drugs. Hij had financiële problemen en daarvoor

benutte hij deze geldbedragen. Nu [verdachte] betrokken is geweest bij een groot aantal

leveringen acht de rechtbank bewezen dat hij van het witwassen een gewoonte heeft

gemaakt als is ten laste gelegd.

Feit 4, eerste deel, en 5

Ten laste gelegd is, kort weergegeven, de invoer van vijf kilo cocaïne in Nederland respectievelijk de handel in althans het voorhanden hebben van die vijf kilo. De rechtbank overweegt ter zake als volgt.

Uit het dossier blijkt dat in augustus 2009 [betrokkene 12] bij zijn werkzaamheden in de haven van Antwerpen drie pakken wit poeder heeft gevonden, waarvan hij één pak met een gewicht van één kilo mee naar huis heeft genomen. Het witte poeder bleek cocaïne te zijn. [betrokkene 12] wilde de cocaïne verkopen, waarvoor hij [betrokkene 11] heeft benaderd. [betrokkene 11] was bereid een koper te gaan zoeken. [betrokkene 12] weet niet wie [betrokkene 11] daarvoor heeft benaderd.

[betrokkene 11] heeft verklaard dat hij ter zake [betrokkene 13] heeft aangesproken, die op zijn beurt - via [betrokkene 2] - [betrokkene 11] in contact heeft gebracht met haar zoon [betrokkene 4]. [betrokkene 11] heeft verder verklaard dat hij aan [betrokkene 4] in totaal vijf kilo cocaïne heeft verkocht, afkomstig van [betrokkene 12] en van diens zwager [naam zwager], die met een aantal collega’s in dezelfde haven een grote hoeveelheid cocaïne (80 kilo) had aangetroffen. [betrokkene 11] weet niet voor wie de cocaïne bestemd was.

[betrokkene 4] heeft bij de politie verklaard dat hij in september 2009 van [betrokkene 11] drie partijen cocaïne heeft gekocht met een totaal gewicht van vijf kilo. Deze cocaïne heeft hij verkocht aan en afgeleverd bij [verdachte], waarvoor hij € 1.000,-- per kilo heeft ontvangen. Bij de rechter-commissaris is [betrokkene 4] echter, gemotiveerd, teruggekomen op zijn eerdere verklaring dat [verdachte] de afnemer van de cocaïne is geweest. In het dossier zijn geen andere aanknopingspunten dat [verdachte] de vijf kilo cocaïne heeft gekocht.

Uit het voorgaande volgt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat [verdachte] deze ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Feit 4, tweede deel

Onder dit feit valt zowel het vanuit Nederland via België naar een andere plaats in Nederland vervoeren van hennep alsook de handel van hennep in die zin dat de hennep binnen- en/of buiten het grondgebied van Nederland wordt gebracht.

doorvoer

Gelet op het onder feit 1 A tot en met F overwogene is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] onder andere betrokken is geweest bij de daar onder A en B gespecificeerde leveringen van hennep op 21 augustus 2009 en op 16 oktober 2009 waarbij met de hennep door Belgie is gereden. Zij acht wettig en overtuigend bewezen dat hij in de periode van 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 samen met een ander van de ene plaats in Nederland naar een andere plaats in Nederland hennep heeft vervoerd en daarbij via België is gereden. Aangezien zij daarbij de landsgrenzen hebben overschreden, is strikt genomen bewezen dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan in- en uitvoer van hennep. Vast staat echter dat zij niet de intentie hadden om de hennep in België achter te laten, zij zijn er enkel doorheen gereden. In zoverre verdient de bewezenverklaring van in- en uitvoer enige nuancering. De rechtbank zal hiermee rekening houden bij het bepalen van de strafmaat.

(verlengde) uitvoer

Op 28 juli 2009 belt [verdachte] naar [betrokkene 3] en zegt dat hij donderdag de baan op moet voor motormuis. Hij vraagt of ‘[naam 18]’ nog iets moet hebben, want dan kan hij dat in een keer regelen. [betrokkene 3] heeft nog niets gehoord, maar gaat vanavond nog bij hem langs. [betrokkene 3] zegt dat hij [naam 10] niet meer heeft gezien, waarop [verdachte] antwoordt dat het wel opzij ligt. Een uur later wordt [verdachte] gebeld door [betrokkene 3]. Hij zegt ‘voor motormuis dinsdagavond’, waarop [verdachte] antwoordt dat dit goed is. Op 30 juli 2009 belt [betrokkene 3] naar [verdachte]. [verdachte] zegt tegen hem dat het morgen zal zijn en ‘… dan zal die bij jou zijn om een uur’. Een dag later belt [verdachte] aan het eind van de ochtend naar [betrokkene 3] en zegt dat het iemand anders zal zijn. Hij kan de motormuis niet te pakken krijgen. Het zullen twee ‘fleskes’ zijn. [betrokkene 3] zegt dat hij aan de autostrade, aan de afrit, in Waregem gaat staan. [verdachte] zegt dat ‘als hij papieren moest hebben, hij deze aan hem mag meegeven’. [betrokkene 3] zegt dat hij voor de eerste keer zelf gaat komen. [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij met [verdachte] had afgesproken dat [verdachte] weed aan hem zou leveren. De 200 gram weed is door een andere man afgeleverd. [betrokkene 3] heeft de man niet betaald. Dat regelde hij met [verdachte].

Op 31 juli 2009 belt [betrokkene 3] naar [verdachte]. Als [betrokkene 3] zegt ‘alles ok’ zegt [verdachte] dat hij dat weet omdat hij alles al heeft gehoord. [verdachte] vraagt of [betrokkene 3] al weet wanneer hij komt, want hij is bij [naam 10]. Hij moet afspreken voor die vier flessen whisky voor [betrokkene 3]. [betrokkene 3] zegt ‘… morgen’. [verdachte] zal het regelen. [betrokkene 3] belt [verdachte] op 5 augustus 2009 en zegt ‘zaterdag iets boeken bij ons’, waarop [verdachte] zegt dat het goed is en dat ze er om een uur of vijf zullen zijn. [betrokkene 3] zegt ‘vandaag komt dingen’, waarop [verdachte] zegt dat hij hem wel ziet verschijnen en dat hij er wel een briefje bij zal doen. Op 6 augustus 2009 belt [verdachte] naar [betrokkene 3] en zegt dat die gast er tegen een uur of zes zal zijn. [betrokkene 3] vraagt of hij twee soorten wodka bij heeft, waarop [verdachte] antwoordt dat dat niet het geval is, want het was al moeilijk om aan een te geraken. Op 12 september 2009 belt [verdachte] naar [betrokkene 3]. [betrokkene 3] vraagt wanneer [verdachte] de beste whisky heeft, waarop [verdachte] zegt dat hij goede heeft staan. [betrokkene 3] zegt dat hij eigenlijk ‘een prijsklasse of drie’ zou moeten hebben. [verdachte] zegt dat dat niet gaat lukken. Zij spreken af voor maandag. Op de vraag van [betrokkene 3] of hij dan hele goede whisky voor hem heeft antwoordt [verdachte] ‘jajajajaja’.

[verdachte] belt op 2 september 2009 naar [betrokkene 3]. [betrokkene 3] vraagt of [verdachte] nog een keer kijkt voor een beetje van die chocola. Op 13 september 2009 belt [verdachte] naar [betrokkene 3]. [betrokkene 3] vraagt of [verdachte] ‘ook wat van die chocola … voorzien ook?’ [verdachte] antwoordt dat dit geen probleem is, waarop [betrokkene 3] zegt dat hij morgen komt, dat zal ’s avonds zijn. Op 28 januari 2010 heeft [betrokken 3], die in Waregem (België) woont , bij de politie verklaard dat hij van [verdachte] een keer hashish heeft gekocht. Dit was minder dan honderd gram. Hij kocht dat in het café van [verdachte]. Als er in telefoongesprekken wordt gesproken over ‘chocola’ wordt daarmee bedoeld hashish.

Verder heeft [betrokkene 3] verklaard dat hij ook hennep van [verdachte] heeft gekocht. Hij kocht gedurende het laatste half jaar soms één keer per maand, maar ook wel eens twee keer per maand. Hij schat dat hij per keer ongeveer 200 gram weed kocht. Als er wordt gesproken over ‘whisky’ wordt weed bedoeld. Eén fles whisky is 100 gram weed. Ook met ‘wodka’ wordt weed bedoeld.

Op grond van voornoemde tapgesprekken tussen [verdachte] en [betrokkene 3] waarin gesproken wordt over hoeveelheden, aantallen, ‘chocola’, ‘whisky’ en ‘wodka’ en de verklaring die is afgelegd door [betrokkene 3] alsook de verklaring van [verdachte] dat hij een paar keer heeft bemiddeld in weed - in combinatie met hetgeen hiervoor onder feit 1 A, B, C, D en E is weergegeven - leidt de rechtbank af dat sprake is geweest van leveringen van hennep en hashish door [verdachte] aan [betrokkene 3]. De rechtbank is van oordeel dat de in de tapgesprekken genoemde goederen en aantallen versluierd taalgebruik betreft. Gelet op vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] in de ten laste gelegde periode hennep en hashish buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht. Voor het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hennep en/of hashish zijn in het dossier onvoldoende aanknopingspunten anders dan de hiervoor genoemde doorvoer van hennep via België.

De rechtbank is van oordeel dat deze leveringen een beroeps- dan wel bedrijfsmatig

karakter hebben. Zij overweegt daarbij dat uit bovenstaande bewijsmiddelen in samenhang met hetgeen onder feit 1 A tot en met E is overwogen blijkt dat er in een korte periode regelmatig leveringen in Nederland en België hebben plaatsgevonden alsook dat de betrokken personen hun rol op gestructureerde wijze vervulden.

Feit 6

Op 30 november 2007 stuurt [verdachte] een sms-bericht naar een telefoonnummer, dat op naam staat van [betrokkene 15], met de vraag hoe laat hij op de koffie komt. Daarop komt de vraag hoe laat hij klaar is, waarop [verdachte] sms’t zes uur. ’s Avonds stuurt [verdachte] een sms-bericht naar dit nummer met de vraag of hij morgen om tien uur die schoenen kan brengen, waarop [betrokkene 15] sms’t ‘oke 10 uur’. [betrokkene 15] woont in Sint-Niklaas (België). Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zijn zoon in paraplu’s handelde en dat dit gesprek daar mogelijk ook over ging. De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig. Zij ziet niet in waarom [verdachte] over ‘schoenen’ spreekt als het gesprek over legale goederen, te weten paraplu’s, gaat. De rechtbank acht het in het licht van hetgeen hierboven onder feit 1 A tot en met E is overwogen aannemelijk dat er sprake is van versluierd taalgebruik en dat [verdachte] in werkelijkheid hennep bestelde bij [betrokkene 15].

[betrokkene 2] heeft bij de politie verklaard dat zij gedurende zes maanden wekelijks minstens één kilo weed kocht bij een persoon uit Clinge, die ‘[naam 1]’ wordt genoemd en waarvan zij later heeft begrepen dat hij [voornaam verdachte] heette. Zij onderhandelde en kocht steeds van ‘goed leven’. [betrokkene 2] heeft deze verklaring bij de rechter-commissaris deels ingetrokken in die zin dat zij heeft verklaard dat zij slechts gedurende vijf à zes maanden een keer per maand hoogstens één kilo weed heeft gekocht van [verdachte]. Dit was eind 2007, begin 2008. Zij heeft [verdachte] de eerste twee keer gezien, daarna kwam er telkens iemand anders. [betrokkene 2] is woonachtig in Dendermonde (België).

Gelet op vorenstaande - in samenhang met hetgeen hiervoor is overwogen onder feit 1 A tot en met E - is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] in 2007 in de ten laste gelegde periode hennep heeft afgenomen van [betrokkene 15] en hennep heeft geleverd aan [betrokkene 2], die op dat moment beiden woonachtig waren in België. Daarmee heeft hij zich schuldig gemaakt aan het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep. Daarvoor maakt het niet uit hoe vaak en welke hoeveelheden [betrokkene 2] van [verdachte] heeft afgenomen. Nu dit in dezelfde periode heeft plaatsgevonden als het onder 1 en 4 tweede deel bewezenverklaarde is de rechtbank van oordeel dat ook hier sprake is van handelen in de uitoefening van een beroep dan wel bedrijf.

5.7 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periodes van 25 oktober 2007 tot en

met 12 december 2007 en van 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 te

Clinge, gemeente Hulst, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging

met anderen, in de uitoefening van

een beroep of bedrijf, telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd

en verstrekt en vervoerd, en telkens opzettelijk aanwezig heeft

gehad, een grote hoeveelheid hennep als bedoeld in lid 5 van artikel

11 Opiumwet, zijnde hennep een middel als

bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.

in de periodes van 25 oktober 2007 tot en

met 12 december 2007 en van 15 mei 2009 tot en met 16 oktober 2009 te

Clinge, gemeente Hulst, en elders in Nederland,

telkens opzettelijk heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een

samenwerkingsverband van hem, verdachte, met onder meer [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 7] en/of [medeverdachte 8] en/of

[medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 10], welke organisatie tot oogmerk had het plegen

van misdrijven als bedoeld in artikel 11 derde en vierde en vijfde lid

van de Opiumwet, namelijk:

- het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep

Een middelvermeld op lijst II van de Opiumwet, en/of

- het opzettelijk in de uitoefening van een beroep of bedrijf

verkopen en/of

afleveren en verstrekken en vervoeren van hennep, zijnde een

middel van lijst II behorende bij de Opiumwet, en/of

- het opzettelijk binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen

van hennep een middel vermeld op lijst II van de

Opiumwet,

en welke deelneming bestond uit:

- het onderhouden van contacten met één of meer mededader(s) met betrekking

tot de uitvoering van voornoemde misdrijf/misdrijven, en

- het hebben van één of meer ontmoeting(en) met één of meer mededader(s) met

betrekking tot de uitvoering van voornoemde misdrijf/misdrijven, en

- het geven van opdrachten aan één of meer mededader(s) met betrekking tot de

uitvoering van voornoemde misdrijf/misdrijven, en

- het maken van afspraken met één of meer mededader(s) met betrekking tot de

uitvoering van bovengenoemde misdrijf/misdrijven, en

- het rijden/zich begeven naar een afgesproken plek met betrekking tot de

uitvoering van bovengenoemde misdrijf/misdrijven, en

- één of meer geldbedrag(en) ter beschikking stellen ten behoeve van de inkoop

van één of meer partijen van bovengenoemde verdovende middel(en), en

- het aanwezig hebben van één of meer geldbedrag(en) die betrekking hadden

op de uitvoering van bovengenoemde misdrijf/misdrijven, en

- het in ontvangst nemen van één of meer geldbedrag(en), en

- het gebruiken van (een deel) van zijn, verdachtes, woning (gelegen aan de

[adres]) voor opslag van één of meer van voornoemde

verdovende middel(en) en/of de overdracht van één of meer partij(en) van

voornoemde verdovende middel(en) aan één of meer mededader(s), en/of

- het gebruiken van een vervoermiddel met betrekking

tot de uitvoering van bovengenoemde misdrijf/misdrijven, en

- het medeplegen van één of meer van bovengenoemde

handeling(en) en/of misdrijf/misdrijven,

terwijl hij, verdachte, leidinggevende

binnen die organisatie is geweest;

3.

in de periodes van 25 oktober

2007 tot en met 12 december 2007 en van 15 mei 2009 tot en met 16 oktober

2009, te Clinge, gemeente Hulst telkens een

voorwerp, te weten een geldbedrag, heeft verworven, en voorhanden

heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerpen telkens –

onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, van welk

vorenomschreven misdrijf verdachte een gewoonte heeft gemaakt;

4. tweede deel

in de periode van 15 mei 2009

tot en met 16 oktober 2009 in Nederland,

tezamen en in vereniging, in de uitoefening van een beroep of bedrijf,

opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht

hoeveelheden hennep en hasjiesj (gebruikelijk vast mengsel van

hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere

substanties zijn toegevoegd), zijnde hennep en hasjiesj telkens een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst II;

6.

in de periode van 25 oktober 2007 tot en met 12 december 2007 te Clinge, gemeente Hulst, en in

Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, telkens opzettelijk

binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht een

hoeveelheid hennep mede als bedoeld in lid 5 van artikel 11

Opiumwet, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij

de Opiumwet behorende lijst II.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6 De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert op grond van hetgeen hij bewezen acht aan [verdachte] op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden met aftrek van voorarrest waarvan tien maanden voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Hij wijst op een artikel in de Telegraaf d.d. 4 juni 2011 ‘wij zijn de hofleveranciers van Europa’, een artikel uit het Nationaal Dreigingsbeeld 2008 en een artikel uit de Nationale Drug Monitor 2007/Trimbos Instituut, waarin de gevaren van de hennepteelt en -handel worden besproken. Hij is van mening dat in die context over de strafwaardigheid van de feiten moet worden geoordeeld. De officier van justitie houdt voorts bij het bepalen van zijn vordering rekening met het feit dat [verdachte] eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit aan [verdachte] - rekening houdend met het tijdsverloop - een zodanige straf op te leggen dat hij niet meer de gevangenis in hoeft. Zij voert daartoe aan dat op 1 april 2010 het bevel tot voorlopige hechtenis van [verdachte] is geschorst en dat hij daarna gelijk aan het werk is gegaan bij een transportbedrijf. Hij heeft ook stappen ondernomen om er voor te zorgen dat hetgeen in 2009 is gebeurd zich niet zou herhalen. De vergunning voor All Bindy’s is ingetrokken en het café is verkocht. De financiële problemen in Spanje zijn er nog steeds, hoewel het pand nu wel is verkocht. Het huwelijk met [medeverdachte 1] heeft onder druk gestaan, maar zij zijn nog altijd samen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dit alles doorkruisen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij de beantwoording van de vraag welke straf of maatregel aan [verdachte] moet worden

opgelegd houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde,

de omstandigheden waaronder het is begaan, en de persoon en de persoonlijke

omstandigheden van [verdachte] zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan de handel in en de in- en uitvoer van hennep, en deelname aan een criminele organisatie. Hij heeft de bewezenverklaarde feiten gepleegd als leidinggevende van de criminele organisatie. Het betrof een intensieve en vrij grootschalige handel. Het gebruik van softdrugs is schadelijk voor de volksgezondheid en de handel erin gaat veelal gepaard met andere strafbare feiten.

Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft (grote) geldbedragen, die van misdrijf afkomstig zijn, witgewassen. Door uit criminele activiteiten verkregen geld in de reguliere economie om te zetten wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast. Door zijn handelwijze heeft [verdachte] de illegale herkomst van deze gelden verbloemd en aan het zicht van justitie onttrokken.

De rechtbank houdt voorts rekening met de omstandigheid dat [verdachte] eerder is veroordeeld voor soortgelijke delicten. Daarbij zij opgemerkt dat deze feiten meer dan vijf jaar geleden zijn gepleegd. Over zijn persoonlijke omstandigheden is geen rapport door de reclassering opgemaakt, maar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [verdachte] getrouwd is met [medeverdachte 1] en dat zij samen twee kinderen hebben. [verdachte] stelt dat het na een moeizame periode nu beter gaat. Nadat het bevel tot voorlopige hechtenis van [verdachte] is geschorst, is hij gelijk aan het werk gegaan.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten niet volstaan kan worden met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest, zodat [verdachte] niet meer gedetineerd raakt. Zij is verder van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van de feiten alsook aan de persoonlijke omstandigheden van [verdachte]. Zij zal derhalve een gevangenisstraf opleggen zoals door de officier van justitie gevorderd. Het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf is bedoeld om de ernst van de feiten te benadrukken en om [verdachte] ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 Het beslag

8.1.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert met betrekking tot de onder [verdachte] in beslag genomen en niet teruggegeven goederen dat het geld verbeurd zal worden verklaard en dat de overige op de beslaglijst vermelde goederen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

8.1.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank beslist ten aanzien van het beslag overeenkomstig de eis van de officier van justitie. Zij acht de volgende in beslag genomen voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring, aangezien deze voorwerpen toebehoren aan [verdachte] en deze zijn verkregen door middel van de strafbare feiten: (2) geld € 105,00, (3) geld € 1,00 en (6) geld € 700,00.

De rechtbank is van oordeel dat de volgende in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, aangezien met behulp van dan wel met betrekking tot deze voorwerpen de feiten zijn begaan en voorbereid en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Het gaat om: (1) 2 zakjes weed, (4) kasboek, losse geldbriefjes in kasboek, (5) 1 gram weed, (7) grote boodschappentas met daarin weed, (8) verpakkingsmateriaal, (9) verpakkingsmateriaal in gele tas, (10) grote gripzakken in kastje, (11) middel gripzakken in lade, (12) kleine gripzakken in lade ernaast, (13) verpakkingsmateriaal met ventiel, (14) bonnenboek, (15) gsm Nokia, (16) 2 gsm Nokia en (17) 1 navigator Nokia.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 4 eerste deel en 5 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het onder 1, 2, 3, 4 tweede deel en 6 ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.7 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk

handelen in strijd met een in artikel 3, onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede en vijfde lid van de Opiumwet, meermalen

gepleegd;

Feit 2: Als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid van de Opiumwet, meermalen gepleegd;

Feit 3: Gewoontewitwassen

Feit 4 tweede deel: Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

feit 6: Medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 11, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden waarvan 10 (tien) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten (2) geld € 105,00, (3) geld € 1,00 en (6) geld € 700,00;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten: (1) 2 zakjes weed, (4) kasboek, losse geldbriefjes in kasboek, (5) 1 gram weed, (7) grote boodschappentas met daarin weed, (8) verpakkingsmateriaal, (9) verpakkingsmateriaal in gele tas, (10) grote gripzakken in kastje, (11) middel gripzakken in lade, (12) kleine gripzakken in lade ernaast, (13) verpakkingsmateriaal met ventiel, (14) bonnenboek, (15) gsm Nokia, (16) 2 gsm Nokia en (17) 1 navigator Nokia.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Jager, voorzitter, mr. Van der Ploeg-Hogervorst en

mr. Haesen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Paulus en mr. Philipsen, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 juli 2011.