Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMID:2011:BR3374

Instantie
Rechtbank Middelburg
Datum uitspraak
13-07-2011
Datum publicatie
28-07-2011
Zaaknummer
76065 / HA ZA 2010-570
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geschil over bevoegdheid rechtbank tussen scheepbouwer in Vlissingen en Duitse vennootschap.

Beide partijen geen geldige forumkeuze (EEX art. 23)

Rechtbank bevoegd o.g.v. EEX art. 5.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDELBURG

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 76065 / HA ZA 10-570

Vonnis in incident van 13 juli 2011

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCHELDEBOUW B.V.,

gevestigd te Middelburg,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident,

advocaat mr. R.P.L.H. Burger te Capelle aan den IJssel,

tegen

de vennootschap naar Duits recht

CHRISTIAN POHL GMBH,

gevestigd te Keulen (Duitsland),

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat mr. C.J. IJdema te Middelburg.

Partijen zullen hierna Scheldebouw en Pohl genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid

- de conclusie van antwoord in het incident

- de antwoordakte zijdens Pohl.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De feiten in het incident

2.1. In de hoofdzaak vordert Scheldebouw, samengevat, een verklaring voor recht dat Pohl toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de op haar uit de overeenkomst d.d. 14 augustus 2000 voortvloeiende verbintenissen althans onrechtmatig jegens Scheldebouw heeft gehandeld en uit dien hoofde aansprakelijk is om de door Scheldebouw geleden en te lijden schade te voldoen, alsmede veroordeling van Pohl tot betaling aan Scheldebouw van een bedrag van € 794.935,57 wegens schade en gemaakte kosten en alle overige door Scheldebouw te lijden schade nader op te maken bij staat.

2.2. Scheldebouw heeft bij brief d.d. 16 maart 2000 aan Pohl verzocht om een offerte uit te brengen in het kader van het project De Hoftoren betreffende fabricage en levering van gevelbeplating. Onderaan pagina 1 van die brief staat vermeld: “Further conditions: In case of order the enclosed General Terms of VMRG will apply”. In lid 2 van artikel 11 van de VMRG-voorwaarden 1996 is bepaald dat alle geschillen met uitsluiting van de gewone rechter worden onderworpen aan het oordeel van een scheidsgerecht dat wordt benoemd door de Stichting Raad van Arbitrage voor Metaalnijverheid en Handel.

2.3. Op 18 april 2000 heeft Pohl een offerte uitgebracht aan Scheldebouw. Op pagina 2 van die brief staat vermeld: “Basis of our qoutation are the available drawings/sketches and our general terms and conditions.”

Nadien heeft Pohl op 3 mei 2000, 12 mei 2000 en 16 juni 2000 aanbiedingen gedaan aan Scheldebouw.

2.4. Bij fax d.d. 20 augustus 2000 bevestigt Scheldebouw aan Pohl de tussen partijen tot stand gekomen overeenkomst. De inhoud daarvan luidt, voor zover van belang, als volgt:

“With reference to the contractual agreement and deliveryterms and conditions herewith we confirm our orders: (…)”

2.5. Op 14 augustus 2001 is de overeenkomst door Scheldebouw op schrift gesteld. Dit stuk is niet ondertekend door Pohl.

Artikel 19.0 van die overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt: “disputes (…) arising from the Agreement of from that Agreement originating further agreements, will be at SB’s choise subject to the judgement of a Dutch Judge in accordance with Dutch law and/or the judgement of the council of arbitration (…)”

3. Het geschil in het incident

3.1. Pohl vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Zij stelt daartoe dat in haar algemene voorwaarden een geldige forumkeuze in de zin van artikel 23 EEX-Vo is gedaan op grond waarvan het gerecht te Keulen bij uitsluiting bevoegd is. Pohl stelt dat haar algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst tussen partijen doordat Scheldebouw haar aanbod d.d. 18 april 2000 heeft aanvaard middels de schriftelijke opdrachtbevestiging d.d. 20 augustus 2000.

Pohl betwist partij te zijn bij de overeenkomst d.d. 14 augustus 2001 waarop Scheldebouw haar vorderingen baseert en stelt tegen de inhoud van deze overeenkomst, die zij eerst op 14 september 2001 heeft ontvangen, te hebben geprotesteerd. Voorts betwist Pohl dat sprake was van een bestendige relatie tussen partijen, nu zij slechts één maal eerder zaken met elkaar hebben gedaan. De VMRG-voorwaarden zijn volgens Pohl niet van toepassing.

3.2. Scheldebouw voert verweer. Zij stelt dat de rechtbank op grond van

artikel 5 EEX-Vo juncto artikel 109 Rv bevoegd is van het geschil kennis te nemen. Scheldebouw betwist de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Pohl, nu zij deze nooit heeft geaccepteerd en deze ook niet kende. Voorts stelt zij onder verwijzing naar haar brief van 16 maart 2000 dat haar algemene voorwaarden VMRG 1996 van toepassing zijn en verwijst zij naar artikel 19 van de overeenkomst d.d. 14 augustus 2001, op grond waarvan zij ervoor heeft gekozen om het geschil voor te leggen aan de rechtbank. Voorts wijst Scheldebouw er op dat partijen eerder zaken met elkaar hebben gedaan en dat het in dat kader gebruikelijk was dat de door haar gehanteerde VMRG-voorwaarden van toepassing waren.

4. De beoordeling in het incident

4.1. De bevoegdheid van de rechtbank moet in dit geval worden beoordeeld aan de hand van de EEX-Verordening, nu het geschil zowel materieel als formeel als temporeel onder het toepassingsgebied van deze verordening valt.

4.2. Pohl heeft haar vestigingsplaats in Duitsland, zodat zij op grond van de hoofdregel van artikel 2 lid 1 EEX-Vo voor de gerechten van Duitsland dient te worden opgeroepen. Aldus heeft de rechtbank Middelburg in beginsel geen bevoegdheid om van de vordering kennis te nemen.

Artikel 5 EEX-Vo bevat alternatieve bevoegdheidsbepalingen op grond waarvan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, in een andere lidstaat voor een gerecht kan worden opgeroepen, onder meer ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst.

Daargelaten de vraag of, gelet op de door Scheldebouw aangevoerde gronden, met toepassing van artikel 5 EEX-Vo mede tot rechtsmacht van de Nederlandse rechter c.q. van deze rechtbank kan worden geoordeeld, zal de rechtbank in het incident eerst beoordelen of een van partijen zich met recht beroept op een tussen partijen overeengekomen exclusieve forumkeuze op de voet van artikel 23 EEX-Vo.

Immers, indien sprake is van een geldige forumkeuze op grond van artikel 23 EEX-Vo dan derogeert deze bevoegdheidsbepaling aan de bevoegdheidsbepaling volgens de hoofdregel van artikel 2 EEX-Vo en aan de mogelijke alternatieve bevoegdheid op grond van artikel 5 EEX-Vo.

4.3. Artikel 23 lid 1 onder a EEX-Vo bepaalt dat een forumkeuzebeding uitdrukkelijk tussen partijen moet zijn overeengekomen, hetgeen inhoudt dat ook uitdrukkelijk met dit beding moet zijn ingestemd door de wederpartij. Zowel Scheldebouw als Pohl hebben zich op een forumkeuze beroepen.

4.4. Ten aanzien van het door Scheldebouw gedane beroep op de VMRG-voorwaarden geldt dat wat er ook zij van de toepasselijkheid daarvan, deze voorwaarden een arbitragebeding inhouden, zodat zij niet kunnen leiden tot bevoegdheid van de rechtbank. Voor wat betreft haar beroep op artikel 19.0 van de overeenkomst d.d. 14 augustus 2001 overweegt de rechtbank het volgende. Nog afgezien van de vraag of die overeenkomst tussen partijen geldt, nu zij niet is ondertekend door Pohl, blijkt nergens uit dat Pohl uitdrukkelijk heeft ingestemd met het forumkeuzebeding uit genoemd artikel. Voor zover al zou kunnen worden geconcludeerd dat Pohl door uitvoering te geven aan de overeenkomst daarmee stilzwijgend heeft ingestemd, kan zulks niet leiden tot de conclusie dat zij daarmee eveneens heeft ingestemd met het forumkeuzebeding, althans niet op de wijze zoals bedoeld in artikel 23 lid 1 onder a EEX-Vo.

Voorts is in dit geval gesteld noch gebleken dat sprake is van een overeenkomst die is gesloten in een vorm als bedoeld in artikel 23 lid 1 sub b of sub c EEX-Vo. De enkele stelling van Scheldebouw dat zij reeds voor het project De Hoftoren contractuele relaties was aangegaan waarop dezelfde algemene voorwaarden van toepassing waren, is zonder nadere onderbouwing, die afgezien van het noemen van één project, ontbreekt, onvoldoende om te concluderen dat partijen ook ten aanzien van de onderhavige overeenkomst toepasselijkheid van de VMRG-voorwaarden zijn overeengekomen dan wel dat sprake is van een vorm als bedoeld in artikel 23 lid 1 sub b of sub c EEX-Vo. Gelet op het vorenstaande kan niet worden gezegd dat het forumkeuzebeding waarop Scheldebouw zich beroept, voldoet aan de vormvereisten van artikel 23 EEX-Vo.

4.5. Ten aanzien van het beroep door Pohl op haar algemene voorwaarden waarin een forumkeuze is opgenomen, overweegt de rechtbank het volgende.

De enkele verwijzing door Pohl in haar offerte d.d. 18 april 2000 naar haar algemene voorwaarden is niet voldoende om te kunnen concluderen dat de toepasselijkheid daarvan tussen partijen uitdrukkelijk is overeengekomen. Zoals hiervoor reeds is overwogen kan een stilzwijgende instemming niet leiden tot de conclusie dat sprake is van een forumkeuzebeding in de zin van artikel 23 lid 1 onder a EEX-Vo.

Voorts is gesteld noch gebleken dat het betreffende forumkeuzebeding is gesloten in een vorm die wordt toegelaten door de handelswijzen die tussen partijen gebruikelijk zijn geworden dan wel in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan partijen op de hoogte zijn of hadden behoren te zijn en die in de internationale handel algemeen bekend is en door partijen bij dergelijke overeenkomsten in de betrokken handelsbranche doorgaans in acht worden genomen, zulks ingevolge artikel 23 lid 1 onder b en c EEX-Vo. Geconcludeerd wordt dan ook dat het forumkeuzebeding waar Pohl zich op beroept eveneens niet voldoet aan de vormvereisten van artikel 23 EEX-Vo.

4.6. Nu uit het vorenstaande volgt dat geen sprake is van een geldige forumkeuze zal de rechtbank thans beoordelen of zij bevoegdheid kan ontlenen aan artikel 5 lid 1 EEX-Vo. Ingevolge dit artikel kan de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een verdragsluitende staat ook worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis uit overeenkomst die aan de eis ten grondslag ligt is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Deze plaats van uitvoering is ingevolge artikel 5 lid 1 sub b EEX-Vo bij koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of hadden moeten worden. Nu in de offerte van Pohl d.d. 18 april 2000 staat vermeld dat de zaken zullen worden geleverd in Middelburg, kan worden geconcludeerd dat deze rechtbank ingevolge artikel 5 lid 1 EEX-Vo bevoegd is om van hetgeen Scheldebouw heeft gevorderd kennis te nemen.

4.7. Uit het vorenstaande volgt dat de exceptie van onbevoegdheid ten onrechte is voorgesteld. De incidentele vordering zal dan ook worden afgewezen.

Pohl zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het incident worden veroordeeld welke aan de zijde van Scheldebouw worden begroot op een bedrag van

€ 452,-- (1 punt x tarief II) aan salaris advocaat.

4.8. De rechtbank merkt ten aanzien van het geschil tussen partijen betreffende het toepasselijk recht op dat hieromtrent in de hoofdzaak een beslissing zal worden genomen.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident

5.1. wijst het gevorderde af,

5.2. veroordeelt Pohl in de kosten van het incident, aan de zijde van Scheldebouw tot op heden begroot op € 452,--,

in de hoofdzaak

5.3. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 17 augustus 2011 voor conclusie van antwoord,

5.4. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2011.?